Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed Vlaanderen

Welkom!

In dit deel van de Onderzoeksbalans vind je, per onderzoeksdomein, een evaluatie van de stand van het onderzoek naar het onroerend erfgoed in Vlaanderen. De teksten ontstaan door de samenwerking tussen onder meer archeologen, biologen, zoölogen, historici, bouwkundigen, architecten, landschapsspecialisten. Zij zijn verbonden aan universiteiten, hogescholen, wetenschappelijke instellingen, overheidsdiensten en andere organisaties uit het werkveld. Ook meerdere onafhankelijke onderzoekers dragen bij aan de synthese.

Jouw inbreng is eveneens welkom. Bij elke tekst staat er een link die je de kans biedt om correcties, aanvullingen of suggesties voor te stellen. Zo zorg je er ook voor dat de Onderzoeksbalans actueel blijft en en verder kan groeien.

De Onderzoeksbalans wenst je veel leesplezier.

A. Onderzoeksbalans Archeologie

1 Paleolithicum

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Marc De Bie, Philip Van Peer, Philippe Crombé, Marijn Van Gils, Ann Van Baelen, Yves Perdaen, David De Wilde

1.1 Inleiding

1 Inleiding

De archeologie van het paleolithicum onderzoekt de vroegste aanwezigheid van de mens in zijn toenmalige milieu op basis van achtergelaten en bewaarde materiële sporen en resten.
Het gaat om de bij uitstek langste periode in de geschiedenis van de mens, waarbij die zelf ook fysiek evolueerde van archaïsche hominide tot de (huidige soort) Homo sapiens. Die biologische evolutie wordt onderzocht in de paleoantropologie, een discipline die in Vlaanderen nauwelijks aan bod komt door van het volledig ontbreken van menselijk bot uit deze periode. Dit hoofdstuk bespreekt dus enkel het onderzoek van de nagelaten (materiële) cultuur van deze vroege gemeenschappen, weliswaar binnen de (veranderende) omgeving van het pleistocene milieu.

1.1 Afbakening in tijd en ruimte

Het paleolithicum vangt aan met het verschijnen van de vroegste artefacten. De ouderdom daarvan varieert van regio tot regio. De oudste artefacten die in Vlaanderen met enige zekerheid gedateerd kunnen worden, zijn onlangs opgegraven in een leemgroeve in Kesselt. 1 Volgens de actuele interpretatie zijn ze ongeveer 300.000 jaar oud en situeren ze zich op de overgang van vroeg- naar middenpaleolithicum. In onze gebieden duurt dat middenpaleolithicum wellicht tot zowat 35.000 jaar geleden. Uit het daaropvolgende jong- of laatpaleolithicum zijn in Vlaanderen bijzonder weinig sporen. Eén enkele opgegraven site, in Kanne, kan hieraan met zekerheid worden toegeschreven. 2
In de opwarmende laatste fase van de ijstijd is het huidige Vlaamse gewest duidelijk wel bevolkt door finaalpaleolithische groepen. 3 Het einde van het paleolithicum valt samen met het einde van de laatste ijstijd en het begin van het holoceen, zowat 11.600 jaar geleden.
Deze bijzonder lange periode in het pleistoceen wordt gekenmerkt door een afwisseling van ijstijden en tussenijstijden en daarmee gepaard gaande veranderingen in de natuurlijke omgeving. De ‘afbakening in de ruimte’ vraagt dan ook wat toelichting.
Door uitbreiden van de poolkappen tijdens een ijstijd verdwenen enerzijds hele stukken land onder gletsjers (echter niet tot in het huidige Vlaanderen), maar kwamen anderzijds ook grote gebieden droog te liggen door het dalen van de zeespiegel, precies als gevolg van die ijsaccumulatie op de polen. Concreet bestond er bijvoorbeeld de meeste tijd een landbrug tussen het huidige vasteland en de Britse eilanden. Dit impliceert dat de ‘afbakening in de ruimte’ met enige flexibiliteit moet worden benaderd. We dienen er bijvoorbeeld rekening mee te houden dat ook onder de huidige territoriale wateren nog paleolithische sites kunnen schuilgaan, zoals blijkt uit opgeviste geïsoleerde artefacten in steen, been en gewei in naburige regio’s. Voorlopig zijn voor onze kusten evenwel nog geen echte paleolithische sites gekend.
Tijdens de koudste fases van de ijstijden vond er op het continent vrij intensieve erosie en depositie plaats van sedimenten (zand en loess), terwijl in tussenijstijden onder invloed van de vegetatie op stabiele oppervlakken bodems werden gevormd. In de valleien was er dan weer heel wat watererosie en depositie (alluvium en colluvium). Alles samen betekent dit dat het landschap doorheen deze tijden voortdurend veranderd is en de huidige kaarten of archeoregio’s niet noodzakelijk representatief zijn, zie ook hoofdstuk geomorfologie/paleolandschappen (balans in de ruimte). Het impliceert ook dat heel wat sites aan erosieve processen onderhevig geweest moeten zijn , maar dat anderzijds diep begraven contexten, in het bijzonder onder de loess en in de alluviale gebieden, nog heel wat potentieel te bieden hebben.
Naast het abiotische was ook het biotische landschap onder invloed van de klimaatschommelingen voortdurend in beweging. Bosgebieden met aangepast wild in een tussenijstijd maakten tijdens volle ijstijdperiodes plaats voor een poolwoestijn of een toendra met bijvoorbeeld mammoeten of rendieren. Ook de mens moest zich als deelnemer in het ecosysteem op zijn beurt telkens aan die nieuwe leefomgeving aanpassen (of mee migreren). Concrete gegevens voor onderzoek naar het veranderende milieu komen vooral van de palynologie, zie ook hoofdstuk Archeobotanisch onderzoek. Bijkomende paleo-ecologische informatie gebaseerd op dierlijk materiaal is nog bijzonder schaars, zie ook Hoofdstuk Archeozoölogisch onderzoek. Algemeen kan men stellen dat onderzoek naar de biostratigrafie van deze periode in Vlaanderen tot hiertoe beperkt is gebleven. Hoewel zowel (paleo)geografisch als paleo-ecologisch onderzoek essentieel zijn bij de studie van het paleolithicum nemen we in dit hoofdstuk enkel dat onderzoek mee dat een directe link heeft met de archeologische sites. Bij de voorstelling van het tijdskader past echter wel een korte schets van het paleomilieu.
Voor de archeologie van het paleolithicum in Vlaanderen zijn vooral de laatste drie ijs- en tussenijstijden van belang. Op een bepaald moment tijdens de lange periode van de twee Saale-ijstijden (MIS8 en MIS6; 300.000 tot 130.000 geleden), rukte de noordelijke ijskap op tot in Midden-Nederland en schuurde de Vlaamse Vallei uit tot op haar grootste diepte (tot 25 meter beneden het huidige zeepeil). Dit enorme valleistelsel omvatte alle huidige bijrivieren van de Schelde en voerde het water in een brede verwilderde rivier af via ‘Gent’ en ‘Brugge’ naar een veel verder afgelegen Noordzee.
Tijdens het eemiaan (130.000 tot 115.000 jaar geleden), de voorlaatste tussenijstijd, was het iets warmer dan in het huidige interglaciaal. Ook de vegetatie was iets anders. Beuk kwam bijvoorbeeld niet voor. De zee drong binnen tot in de Vlaamse Vallei. Op de rand daarvan kennen we middenpaleolithische sites die misschien in deze periode thuishoren.
Het weichseliaan (115.000 tot 10.000 jaar geleden) is tot nu toe de laatste ijstijd. In onze streken krijgt het landschap een toendra-vegetatie, in de meest koude fase zelfs een boomloze arctische steppe of poolwoestijn. De ijskap kwam maximaal tot in Denemarken, de zeespiegel lag dan tot 130 meter lager. De wind had vrij spel met het blootliggende sediment. Het huidige Vlaamse gewest werd bedekt met dekzanden in het noorden en loess in het zuiden; het brede dal van de Vlaamse Vallei raakt volledig en definitief opgevuld met overwegend niveo-eolische sedimenten. Op dit opvullingsvlak vormt zich naar het einde van het glaciaal een tot 4 meter hoge dekzandrug tussen ‘Maldegem’ en ‘Stekene’ die zorgt voor een afdamming van de natuurlijke noordelijke afvloei van het water. Het water zocht een weg langs het noordoosten en zou voortaan via ‘Antwerpen’ en de huidige Oosterschelde het bekken van Maas en Rijn bereiken.
Het laatste gedeelte van het weichseliaan (16.000 tot 11.500 jaar geleden) wordt het tardi- of laatglaciaal genoemd. In deze fase, waarin op het grondgebied van het huidige Vlaamse gewest dus vermoedelijk voor het eerst de Homo sapiens verblijf houdt (archeologisch overeenkomend met het laat- en finaalpaleolithicum), begint de opwarming van het klimaat. Het laatglaciaal was een erg dynamische periode met snelle klimatologische veranderingen, en grote biodiversiteit. De rivieren gingen breed meanderen en zich insnijden en er werden grote rivierduinen gevormd. Tijdens de interstadialen was de gemiddelde zomertemperatuur misschien wel vergelijkbaar met vandaag en raakte het open steppelandschap gradueel bebost met wilg en berk en later vooral den. De stadialen kenden een open landschap. Na de laatste felle koudeterugslag, tijdens de jonge dryas, met opnieuw steppevegetatie, volgt zowat 11.500 jaar geleden het eigenlijke begin van het holoceen.

1.2 Historiek van het paleolithisch onderzoek in Vlaanderen

Terwijl het zuiden van België in de 19de eeuw een belangrijke rol speelde in het internationale onderzoek van het paleolithicum en de paleoantropologie, vooral door vondsten en onderzoek door de universiteit van Luik en het Museum voor Natuurwetenschappen in grotsites (bijv. Engis en Spy voor Neanderthalers en het middenpaleolithicum, Chaleux en Goyet voor het laatpaleolithicum) en in het Hainebekken in Henegouwen, kwam het onderzoek van het paleolithicum in Vlaanderen in de eerste helft van de twintigste eeuw maar traag op gang. Ook dan was het vooral de Luikse school onder leiding van J. Hamal-Nandrin die uitstappen maakte naar openluchtsites in de Kempen, vooral in Lommel en Zonhoven. Deze vindplaatsen zouden lange tijd de belangrijkste bronnen blijven voor het paleolithicum in Vlaanderen.
J. Hamal-Nandrin was een industrieel die via de Luikse universiteit (o.a. M. De Puydt) geïnteresseerd raakte in de prehistorie en die in de eerste helft van de 20ste eeuw een enorme collectie artefacten bijeen bracht. 4 Hij gaf de eerste Belgische cursus in prehistorische archeologie (Luik, 1926) en wordt beschouwd als de stichter van wat de Ecole Liégeoise is gaan heten, maar zijn manier van ‘opgraven’ is fel bekritiseerd 5 Hij schonk immers nauwelijks aandacht aan de context van het materiaal en haalde nooit het wetenschappelijke niveau van 19de-eeuwse onderzoekers als E. Dupont. Toch heeft J. Hamal-Nandrin een enorme stempel gedrukt op het Belgisch prehistorisch onderzoek in de eerste helft van de 20ste eeuw. Aan de universiteiten in Vlaanderen kwam prehistorie toen niet aan bod en hoewel in 1903 bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis de eerste Belgische Rijksdienst voor Opgravingen werd opgericht, had ook deze geen aandacht voor het paleolithicum.
Vanaf 1905 werden in Zonhoven vondsten gedaan die in een overgangsfase van het paleolithicum naar het mesolithicum werden geplaatst 6 en vergeleken werden met magdaleniaan en tardenoisiaan. Het ging om oppervlaktemateriaal (40.000 stuks!) dat vaak tegen vergoeding was ingezameld door plaatselijke ‘helpers’ en dat aanvankelijk niet veel aandacht kreeg.
Na Zonhoven richtte J. Hamal-Nandrin zich een tijd op de Ardennen en Haspengouw, tot hij in 1934 het onderzoek in Lommel opstartte, nadat daar door verscheidene amateurs vondstmeldingen waren gedaan. In een vergelijkende studie plaatste hij het materiaal uit Lommel en Zonhoven in het aurignaciaan. 7 Hoewel in Lommel voor de eerste keer ook echt werd gegraven, gebeurde dit opnieuw zonder enige aandacht voor de stratigrafische context. Het bleef een zoeken naar de stukken an sich. Tussen 1937 en 1939 werden op dezelfde manier ook in Zolder artefacten verzameld en toegewezen aan het aurignaciaan.
De publicatie van al het materiaal werd geleverd door C. Ophoven, 8 9 10 11 studente en assistente van J. Hamal-Nandrin. Zij beschreef afzonderlijk de gravettespitsen, stekers, boren en schrabbers, waarbij ze zonder voorbehoud aan deze klassen een zuiver functionele betekenis toekende. Evenmin werd de interpretatie van de sites in vraag gesteld. De gravettespitsen bewezen voor haar als gidsfossiel zonder meer het bestaan van het aurignaciaan in de provincie Limburg. 12 Intussen weten we dat het hier om materiaal van de Federmessergroepen ging.
Uit dit alles blijkt hoezeer in België de prehistorici en met name de Ecole Liègeoise lange tijd enkel naar de Franse traditie bleven kijken. Het onderzoek bestond uit louter typologische vergelijkingen, gericht op het Franse paradigma, zonder enige zin voor vernieuwing. Deze onderzoekssituatie had tot gevolg dat de finaalpaleolithische sites in Vlaanderen aanvankelijk a priori onmogelijk bij noordelijke tradities konden aansluiten.
De visie om deze ensembles onder te brengen in de Federmessergroepen (of het tjongeriaan) kwam bijgevolg pas na de Tweede Wereldoorlog, en wel uit Nederland 13 en Duitsland. 14 Daar werd al vanaf de jaren 1930 veel aandacht geschonken aan de eigen stratigrafie en paleo-ecologie (onder meer via pollenanalyses) en werd het vroege prehistorisch onderzoek bedreven vanuit diverse invalshoeken. Bij de verwerking werd bijvoorbeeld ook gewag gemaakt van ‘etnologische vergelijkingen’. De tijdschriften waarin de prehistorisch publicaties in Nederland verschenen, respectievelijk van biologische, geografische en sociologische aard, reflecteren op treffende wijze de richtingen waarin de prehistorici zich daar al voor de Tweede Wereldoorlog oriënteerden en, vooral onder impuls van een eminent archeoloog als A.E. Van Giffen, een tijdlang toonaangevend waren in West-Europa. In Vlaanderen ontbrak tot dan zo een leidende figuur.
Hier bleef de discussie ook na de Tweede Wereldoorlog vooral gaan over cultuurhistorische toewijzingen. In een artikel waarin voor de eerste maal getracht werd de Limburgse finaalpaleolithische sites in hun stratigrafische en natuurlijke context te plaatsen, vergeleek J. de Heinzelin van het Museum voor Natuurwetenschappen het materiaal met het "Tardenoisien français, s'allient au Tjongergroup neérlandais." 15 De Tjongergroep moest daarmee als mesolithicum beschouwd worden. Angelroth 16 daarentegen pleitte ervoor om de sites in verband te brengen met het perigordiaan, zoals dat in Frankrijk door Peyrony 17 was gedefinieerd en situeerde de Vlaamse sites daarmee nog steeds exclusief in het Franse conceptuele kader. Ook de Brusselaar J. Verheyleweghen hield een krachtig pleidooi om ze daarin onder te brengen. 18 Het perigordiaan zou daarbij gedurende het volledige jongpaleolithicum getuigd hebben van een opmerkelijke vitaliteit en verspreid zijn over Azië, Afrika, en Europa. J. Verheyleweghen toonde zich daarmee nog steeds een aanhanger van de oude Franse theorieën, voortvloeiend uit het ontstaan van de prehistorische archeologie vanuit de geologie, als zou er mondiaal een parallelle evolutie zijn vast te stellen.
Op zijn werkwijze kwam echter grondige kritiek van de Fransen zelf, bij monde van D. de Sonneville-Bordes. 19 Zij verweet J. Verheyleweghen de Franse jongpaleolithische typelijst foutief te hebben toegepast en onvoldoende op de hoogte te zijn van de klassieke perigordiaan- en magdaleniaansites. Volgens D. de Sonneville-Bordes 20 maakte Lommel deel uit van het "grand complex de l'Epimagdalénien", zoals dat in Noordwest-Europa was vastgesteld, verwant met de klassieke epipaleolitische en aziliaan industrieën in Frankrijk. Daarmee was het finaalpaleolithicum in Vlaanderen definitief geassocieerd met de Federmessergroepen en het aziliaan.
De belangrijkste bijdrage van het hernieuwd onderzoek in Lommel werd wellicht geleverd door het terreinwerk en de stratigrafische studie van F. Gullentops, die in associatie met de site een Usselobodem vaststelde. 21 Dergelijke directe associatie tussen finaalpaleolithisch materiaal en een laatglaciaal stratigrafisch niveau kon in Vlaanderen ook tot vandaag nog niet vaak worden geregistreerd.
Intussen waren aan de Vlaamse universiteiten ook de eerste leerstoelen in Nationale Archeologie opgericht. In Leuven begon J. Mertens, die eveneens verbonden was aan de Nationale Dienst voor Opgravingen, aan een indrukwekkende reeks opgravingen van de ijzertijd tot de middeleeuwen (geen steentijden), in Gent profileerde S.J. De Laet zich als specialist in pre- en protohistorie, maar ook daar bleef het paleolithicum ondervertegenwoordigd. S.J. De Laet speelde wel een fundamentele rol in de verdere ontwikkeling van de prehistorische archeologie in Vlaanderen. Met zijn uitvoerige synthesewerken over de prehistorie van de Lage Landen 22 23 24 25 bracht hij verspreide kennis bij elkaar. Door de prehistorie van Vlaanderen ook telkens samen te brengen met de inzichten uit het zuiden van België (en Luxemburg) en uit Nederland heeft het prehistorisch onderzoek hierdoor ongetwijfeld sterke impulsen gekregen.
S.J. De Laet was dan ook de eerste Belgische archeoloog na J. de Heinzelin die de Vlaamse finaalpaleolithische sites met het tjongeriaan associeerde. In zijn eerste (Engelstalig) overzicht van de prehistorie in de Lage Landen, nam hij voor de "Tjonger group" de sites over van Bohmers, 26 waaronder dus ook Lommel en Zolder. 27 Ook Zonhoven werd met de tjongergroep in verband gebracht, zij het als uitzonderlijk site, waarin ook microlieten waren aangetroffen. De tjongergroep zou volgens De Laet het resultaat zijn van een tweede invasie in de Noordwest-Europese vlakte, afkomstig uit het Engelse creswelliaan. Verwantschap met het aurignaciaan zou ten onrechte zijn gezocht door "typologically-minded archaeologists." Met deze visie sloot De Laet 28 zich grotendeels aan bij Bohmers 29 en Schwabedissen. 30
In de Nederlandstalige en uitgebreide versie van zijn synthesewerk werd dit bevestigd en verder uitgewerkt. Op basis van oude collecties van het Gruuthuse Museum in Brugge vulden De Laet en Glasbergen 31 de inventaris verder aan met de sites Kemmelberg, Sint-Kruis en Steenbrugge (prov. West-Vlaanderen).
Daarmee was het finaalpaleolithicum ook in Vlaanderen definitief erkend. In de jaren 1960 konden er nog een aantal nieuwe vondsten aan toegevoegd worden, meer bepaald de sites van Merksplas 32, Huise 33, en Mol. 34 Alleen op deze laatste site werden ook enkel coupes bestudeerd. Een Allerödbodem kon echter niet worden vastgesteld.
De site van Mol vormde, aangevuld met eigen studie van nog niet gepubliceerde collecties, ook het onderwerp van een synthetisch onderzoek over de tjongerkultuur in België door F. Van Noten. 35 36 Naast de al boven aangehaalde sites en het hierna besproken site Meer I, voegde hij in dit overzicht de nieuwe vindplaatsen Balen-Keiheuvels, Brasschaat-Driehoek (Ankerhof) en Brasschaat-Pompstation Pidpa toe. Deze ensembles waren in openbare, zowel als in privécollecties teruggevonden, helaas zonder enige referentie naar de terreingegevens. Bij ‘waarschijnlijke sites’ vinden we voor Vlaanderen Zolder, Balen-Nethe (Munitiefabriek), Brasschaat-Bosduin, Gierle, Holsbeek-de Wing, Huise, Mendonk, Overpelt, Ravels en Wachtebeke terug. Hier beschikte F. Van Noten over zeer weinig en vaak gemengde gegevens, waardoor het grootste voorbehoud moet worden in acht genomen.
In 1966 startte F. Van Noten, met de steun van de Nationale Dienst voor Opgravingen zijn onderzoek op de Meirberg in Meer. Al in 1963 en 1964 was hier door A. Goossens opgegraven op een door zandwinning bedreigd terrein. Het materiaal uit deze beide opgravingen werd samen met dat van vroegere oppervlaktevondsten bestudeerd en gepubliceerd, met voor het eerst aandacht aan de horizontale verspreiding van het materiaal en aan de betekenis van de verschillende kuilen. 37 Uit verspreidde partikels uit de sleuven en uit één van die kuilen werd voor het eerst ook houtskool bemonsterd voor 14C-dateringen. Door de verrassend jonge ouderdom hiervan werd meteen de problematiek aangesneden rond problemen met absolute dateringen op de zandgronden.
We kunnen stellen dat het dus tot ver in de jaren 1960 heeft geduurd vooraleer er een behoorlijke opgraving plaatsvond van een paleolithische site in Vlaanderen. Vanaf 1967 begon F. Van Noten zijn onderzoek op Meer II 38 39 40 wat de aanzet was tot nieuwe gegevens en vooral tot nieuwe interpretaties. Met de medewerking van D. Cahen, L Keeley en J. Moeyersons groeide dit uit tot een internationaal project dat vooral bekendheid verwierf door de combinatie van refitting, gebruikssporenanalyse en ruimtelijk onderzoek, waardoor een dynamisch beeld ontstond van activiteiten die zich in de kampplaats hadden afgespeeld. 41 42 43 De benadering (door Van Noten wat ambitieus ‘paleo-ethnografie’ gedoopt) kreeg heel wat weerklank in de internationale literatuur. Later zou ze ook worden toegepast op nieuw terreinwerk in Meer IV, 44 45 46 maar ondanks zware investeringen in opgravingen en verwerking raakte deze sector nooit gepubliceerd.
Intussen was onder promotorschap van F. Gullentops ook in Leuven onderzoek in de steentijden opgestart. P. Vermeersch richtte er het Laboratorium voor Prehistorie op en verrichtte aanvankelijk eerder kleinschalige opgravingen op finaalpaleolithische sites, onder meer in Helchteren-Sonnisse Heide 47, Zolder-Terlamen 48, Harelbeke-Gavermeersen 49 en Achel-De Waag. 50 Speciale aandacht ging daarbij naar de problematiek van de verticale spreiding van artefacten in de bodem, 51 een topic dat heel wat belangstelling is blijven krijgen. 52 53 54
Tot hiertoe uniek in Vlaanderen is de opgraving door de KULeuven in 1978 van de laatpaleolithische magdaleniaansite van Kanne. 55 Ook hier werd refitting en ruimtelijke analyse toegepast.
Vanaf de jaren 1980 kwam ook het middenpaleolithicum voor het eerst ernstig aan bod, eerst met het onderzoek van opgespoten vondsten uit het oostelijk deel van de Vlaamse Vallei, 56 57 58 daarna ook met echte opgravingen, in Kesselt 59 en in Vollezele-Congoberg. 60 Tot dan toe was het middenpaleolithisch onderzoek in Vlaanderen beperkt gebleven tot kleine opgravingen op de Kluisberg in Ruien door J. de Heinzelin in 1949 en 1956 (Oost-Vlaanderen, op de taalgrens).
Ook aan de UGent kwam in de jaren 1980 paleolithisch onderzoek op gang, eerst onder invloed van J. Vanmoerkerke die op korte tijd verschillende opgravingen opstartte, onder meer op de finaalpaleolithische site Klein-Sinaai Baudeloo-Abdij 61 en in Adegem “Berlaars”. Daarnaast werden in deze periode de eerste contacten gelegd met verschillende amateurarcheologen, die soms een zeer aanzienlijke steentijdcollectie bezaten.
Voor het finaalpaleolithicum valt in de jaren 1980 vooral het onderzoek op de Federmesser-site van Rekem te melden, tot hiertoe nog steeds de grootste opgraving in Vlaanderen op een paleolithische vindplaats. De site op de rand van de Maasvallei werd opgegraven onder leiding van R. Lauwers 62 63 64 65 66 67 en daarna grondig uitgewerkt tot een uitgebreide publicatie. 68 69 70 Het project te Rekem was een samenwerking tussen de K.U.Leuven en het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP).

Deze Vlaamse wetenschappelijke instelling was in 1991 opgericht als opvolger van de Nationale Dienst voor Opgravingen, die zelf nooit activiteiten in de paleolithische archeologie heeft ontwikkeld. In het oprichtingsbesluit van het IAP werd naast een afdeling ‘Historische tijden’ wel een afdeling ‘Prehistorie’ voorzien. Hoewel deze afdelingen in de praktijk nooit operationeel zijn geworden en vooral de archeologie van de historische periodes is uitgegroeid, kunnen we stellen dat in Vlaanderen in de jaren 1990 voor het eerst de overheid zelf initiatief heeft genomen in onderzoek naar het paleolithicum. Het karteren en waarderen van het sitecomplex Meer-Meirberg, de eerste beschermde paleolithische site in Vlaanderen (1993) was daarbij één van de eerste eigen projecten. 71 De methodologie die hier werd ontwikkeld zou de aanzet vormen voor nieuwe waarderingsprojecten in de jaren daarna.
In de jaren 90 vallen verder met betrekking tot terreinwerk nog de opgravingen van de KULeuven op de Ahrensburgsite in Zonhoven te vermelden, 72 waar eveneens refitting is toegepast, maar waarvan de resultaten nog gepubliceerd moeten worden. Daarnaast zijn in Weelde talrijke finaalpaleolithische sites in akkerland opgegraven 73 74 grotendeels in het kader van een Ruilverkaveling, waarvoor voor het eerst het principe ‘de veroorzaker betaalt’ werd toegepast in paleolithisch onderzoek.
Belangrijk terreinonderzoek van jagers-verzamelaar in de jaren 1990 vond plaats in Zandig Vlaanderen. In het kader van het project Archeologische Inventaris Vlaanderen werden verschillende archeologiestudenten in de jaren 1980-1990 aangespoord om hun geboortedorp archeologisch door te lichten. Daarbij namen ze niet alleen de gepubliceerde resultaten mee, maar contacteerden ze ook amateurarcheologen en voerden ze veldkarteringen uit. Een eerste evaluatie van het potentieel van Zandig Vlaanderen kwam er door het onderzoek van P. Crombé. 75 76 Hij maakte een doorlichting van de bekende steentijdvindplaatsen in Zandig Vlaanderen met de klemtoon op het finaalpaleolithicum en mesolithicum. Tot dan toe was de informatie meer verspreid gebleven. In het kader van zijn onderzoek naar de typochronologie en de sitestructuur onderzocht P. Crombé ook de finaalpaleolithische site Maldegem. Bijzonder aan deze vindplaats was de aanwezigheid van blanchèrespitsen, een spitstype dat in de laatste fase van het finaalpaleolithicum thuishoort, een periode die bijzonder slecht gekend is. Daarnaast initieerde hij in het kader van de preventieve opgravingen te Verrebroek, zie ook Hoofdstuk Mesolithicum, interdisciplinair onderzoek van diverse laatglaciale-vroegholocene bodemsequenties. 77 78 Bij controle van de graafwerken kwam ook een paleobodem aan het licht met daarin de resten van een zeer kleine vuursteenconcentratie. 79 80 Verdere controle van de profielwanden, het zetten van een aantal proefsleuven en proefvakken leverde een goed beeld op van het landschap ten tijde van het laatglaciaal maar geen verdere artefacten. Ook de controle van de graafwerken bij de bouw van een containergetijdendok, het zogenaamde Deurganckdok in Doel tijdens dezelfde periode bracht verschillende finaalpaleolithische sites aan het licht. 81
Ook het middenpaleolithicum kreeg in de jaren 1990 verdere aandacht, met publicatie van prospectievondsten door de UGent, 82 opgravingen in Oosthoven door de KULeuven 83 en de start van terreinwerk in de leemgroeve van Veldwezelt, 84 eveneens door KULeuven, met steun van het IAP. Dit laatste project liep gedurende verschillende campagnes door en zou uiteindelijk in een doctoraat worden uitgewerkt. 85 Het bracht vooral inzicht in de diachronische aanwezigheid van middenpaleolithische ensembles in de loess in dit gebied.
Zoals boven aangehaald lag de focus vanuit het IAP, later het VIOE, in de jaren 2000 vooral op inventarisatie, prospectie, kartering en waardering van finaalpaleolithische sites, vooral in de Kempen. 86 Daarnaast lopen sinds 2003 opnieuw opgravingscampagnes op de paleolithische site waar ooit het eerste graafwerk is begonnen, met name de Maatheide in Lommel. 87 88 Eén van de doelen daar is om eindelijk in kaart te brengen waar die nog altijd rijkste paleolithische collectie van Vlaanderen precies vandaan kwam, en om deze in de context van het nog traceerbare laatglaciale landschap te kunnen bestuderen, vooraleer dit definitief is weg gegraven voor zandontginningen.

In Zandig Vlaanderen is in de jaren 2000 een vervolg gegeven aan de systematische inventarisatie van de steentijdsites. 89 Daarbij worden niet alleen bekende gegevens samengebracht, ook nieuwe amateurcollecties worden onderzocht. Daarnaast bracht de systematische prospectie met boorverkenningen van het afgedekte dekzandlandschap in de Midden- en Benedenloop van de Schelde nieuwe paleolithische contexten aan het licht (doctoraatsonderzoek M. Bats 2004-2008). Voor de nabije toekomst kan ook het interdisciplinaire UGent-onderzoek in en rond een van de grootste laatglaciale plassen in Vlaanderen nieuwe informatie opleveren. Deze Moervaartdepressie wordt immers gekenmerkt door een zeer hoge concentratie aan finaalpaleolithische (Federmesser)sites. 90 91 Het lopend onderzoek beoogt een systematische paleolandschappelijke en archeologische kartering van de Moervaartdepressie en gaat op zoek naar nieuwe, mogelijks afgedekte vindplaatsen. Gedetailleerd paleo-ecologisch onderzoek, gekoppeld aan een extensief 14C-dateringsprogramma, moet nieuwe inzichten in de landschapsevolutie vanaf het laatglaciaal tot en met het vroegholoceen opleveren.

De laatste jaren hebben geleerd dat er in Vlaanderen zeker ook nog paleolithicum te vinden is op plaatsen en uit tijden die nog niet waren gedocumenteerd. Verrassend in 2006 was de ontdekking en opgraving van een finaalpaleolithische site in de Leemstreek, met name in Tongeren-Plinius, waar voor het eerst duidelijke haarden en verbrand bot bewaard waren. 92 Hoewel deze sites door omstandigheden te snel moesten worden opgegraven, bieden ze wel mooie perspectieven voor de toekomst. Een andere, minstens even verrassende ontdekking, is de vondst in 2007 van een perfect bewaard paleoniveau aan de basis van een leemgroeve in Kesselt-Op de Schans. 93 Het onderzoek van verschillende concentraties van naar schatting 300.000 jaar oud loopt hier nog, maar kan nu al van internationaal belang worden genoemd.

1.3 Overzicht van actuele onderzoekers

Het vroeg- en middenpaleolithicum wordt op dit moment vooral onderzocht door de onderzoeksgroep van de Eenheid Prehistorische Archeologie van de KULeuven, onder leiding van Philip Van Peer, met doctoraten in voorbereiding door Ann Van Baelen en Ina Metalidis. Onderzoek dat voorheen gebeurde door Pierre Vermeersch en in een doctoraat door Patrick Bringmans, zit in de eindfase van publicatie. Occasioneel worden ook aan de UGent middenpaleolithische vondsten gepubliceerd door de Sectie Pre- en Protohistorie onder leiding van Philippe Crombé.
Het laat- en finaalpaleolithicum wordt onderzocht door Marc De Bie van het VIOE, met de medewerking van Marijn Van Gils (VIOE) en recent ook in een doctoraat in voorbereiding door David De Wilde van de Vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie van de VUB. Systematisch onderzoek naar deze periode vindt ook plaats aan de UGent onder leiding van Philippe Crombé (UGent) met medewerking van Yves Perdaen (UGent, nu VIOE), Joris Sergant (UGent), Machteld Bats (UGent) en Jeroen De Reu (UGent). Occasioneel komt het laat- en finaalpaleolithicum ook aan bod bij Philip Van Peer, Pierre Vermeersch en Veerle Rots (KULeuven).

Vanuit de andere (federale) wetenschappelijke instellingen wordt momenteel geen paleolithisch onderzoek meer gevoerd in Vlaanderen, hoewel zij over belangrijke collecties beschikken (vb. KMKG, met materiaal van Lommel, Meer, etc.) en vroeger wel degelijk in Vlaanderen actief waren (vb. Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Meer). Ook regionale musea kunnen paleolithische collecties beheren (vb. Gallo-Romeins Museum in Tongeren, Vleeshuis in Antwerpen), maar doen er in de regel geen onderzoek op. De enige uitzondering hierop vormt De Kolonie, Archeologisch en Historisch Museum in Lommel, waar Ferdi Geerts actief is rond het paleolithicum in de regio. Voorlopig is er ook in de (inter)gemeentelijke, stedelijke of provinciale archeologische diensten en in de zich ontwikkelende commerciële archeologie in Vlaanderen nauwelijks actieve expertise in paleolithisch onderzoek. Tot voor kort was deze expertise sterk persoonsgebonden. Iedere vorser had een vrij uitgesproken voorkeur voor een specifieke periode. Stilaan is dit minder het geval. Meer prospectieve (boor)projecten of preventief onderzoek op grote infrastructuurwerken of bouwprojecten impliceren dat het onderzoek iets meer regio- en iets minder periodegebonden is geworden.

1.2 Balans van het terreinwerk

1 Overzicht van toevalsvondsten, prospectievondsten, opgravingen

Echte vroegpaleolithische sites zijn in Vlaanderen tot hiertoe niet bekend. De recent ontdekte site van Kesselt-Op De Schans kan mogelijk in de overgang van vroeg- naar middenpaleolithicum worden geplaatst en biedt mooie perspectieven voor toekomstig onderzoek in deze zone.
Van het middenpaleolithicum zijn de meeste vindplaatsen enkel gekend door oppervlaktevondsten. Voorbeelden zijn Aalter-Hageland, Aalter-Nieuwendam, 1 Grobbendonk, Huise, Kessel-Lo, Opvelp, Ottenburg, Rollegem, S.t-Genesius-Rode, Vroenhoven en Wezemaal. Nochtans is prospectie, laat staan een systematische zoektocht hiernaar tot hiertoe maar over beperkte arealen gebeurd, bijvoorbeeld door G. Van der Haegen in Oost- en West-Vlaanderen. 2
Andere toevalsvondsten van middenpaleolithicum kennen we bij opgravingen van andere periodes, bijvoorbeeld in Rekem, Tongeren-Plinius, 3 Sint-Andries, Aalter-Langevoorde en Oedelem, of in zandwinningsgebieden en bij baggerwerken, bijvoorbeeld in Gent, Merelbeke, 4 Ronse, Rotselaar, 5 Schulen, 6 Uitbergen en Zemst. 7 Hoewel geen enkele van deze laatste sites is opgegraven duiden ze op een groot potentieel aan goed bewaarde contexten onder de zanden van de Vlaamse Vallei.
Tegenover dit te voorspellen potentieel aan middenpaleolithicum in Vlaanderen op basis van de geomorfologie van bepaalde regio’s 8 9 is het aantal echt onderzochte sites bedroevend laag. Min of meer reguliere opgravingen hebben enkel plaatsgevonden in Kesselt, 10 Vollezele-Congoberg, 11 12 Ruien, 13 Oosthoven 14, 15, Kesselt-Op de Schans 16, 17, Veldwezelt-Hezerwater 18, 19, Wommersom, Kemmel en Lauw. 20 Dit alles impliceert dat wetenschappelijk bronnenmateriaal van deze periode voorlopig vrij beperkt is. Een inhaalbeweging om te komen tot Europese standaarden is hier zeker aangewezen.
Voor het finaalpaleolithicum is de toestand iets rooskleuriger. Toevalsvondsten uit deze periode zijn relatief zeldzaam, vermoedelijk ook omdat het materiaal niet gemakkelijk herkend wordt door niet-specialisten, maar dit geldt voor zowat de gehele prehistorie. Wanneer hier specifiek op gelet wordt en de opgravingsstrategie ernaar geschikt wordt, kunnen sites wel ‘toevallig’ worden aangetroffen bij opgraving van recentere periodes. Dit was bijvoorbeeld het geval in Klein-Sinaai Baudeloo-abdij 21, Tongeren-Plinius 22 en eigenlijk ook in Rekem 23 en Gent-Tweekerkenstraat. 24
Bij amateurarcheologen zijn door prospectie wel verschillende finaalpaleolithische sites ontdekt 25 waarvan er sommige zijn geïnventariseerd in het kader van licentiaatsthesissen 26 27 28 29 30 en in het kader van het AIV-project aan de UGent. Meermaals gaven ze ook aanleiding tot terreinonderzoek, bijvoorbeeld in Merksplas, Meer, Zolder, Zonhoven en Weelde. Meer systematische prospectie met ingreep in de bodem van finaalpaleolithische sites vindt pas plaats sinds de jaren 1990, eerst door proefputten (vb. in Ruilverkaveling Weelde), vanaf 1999 ook door boringen, eerst in Meer, 31 later meer systematisch in de Kempen 32 en in de Scheldevallei. 33 In datzelfde decennium start ook het booronderzoek op de site van Verrebroek 34, 35, weliswaar in hoofdzaak op mesolithische sites, maar met een systematische zoektocht naar paleobodems en paleolithische niveaus. 36 Ook tijdens het vooronderzoek in Sint-Kruis-Winkel, Moervaart-Zuid en Evergem-Kluizendok is eerst gekeken naar bodemgesteldheid op basis van proefsleuven, waarna plaatsen met potentieel zijn uitgeboord, helaas steeds met beperkt resultaat. 37

De meeste opgravingen van finaalpaleolithische sites zijn beperkt gebleven tot kleine arealen, bijvoorbeeld in Merksplas, Meer I, Zolder, Helchteren, Harelbeke en Verrebroek Dok 2. Wat grotere opgravingen vonden plaats in Meer II, Meer IV, Doel Deurganckdok zone B en Zonhoven, terwijl zeer grootschalig werd opgegraven in Rekem, Weelde en Klein-Sinaai Baudeloo-abdij en recent ook ruime arealen in Lommel en Tongeren. De opgravingsmethode op al deze sites varieerde naargelang de bewaringstoestand en de tijdsdruk, van nauwkeurige driedimensionele registratie van individuele stukken (Meer II en IV, Rekem, Klein-Sinaai, Verrebroek Dok 2, Doel, Lommel-Maatheide 1 en deels ook Zonhoven-Molenheide), over inzameling per kwart vierkante meter in Lommel-Maatheide, Tongeren-Plinius en Zonhoven-Molenheide, tot vierkante meters in Weelde-Eindegoorheide.

2 Evolutie van het terreinwerk op paleolithische sites in de laatste 30 jaar

Voor een ‘objectieve’ diachronische kijk op de ontwikkelingen van het paleolithische terreinwerk in Vlaanderen kunnen we gebruik maken van de artikelen in het tijdschrift Notae Praehistoricae. Voor de laatste 30 jaar (sinds 1979) geeft dit tijdschrift een goed beeld van het terreinwerk dat plaatsgevonden heeft op steentijdsites in België. Jaarlijks wordt hierin immers een overzicht gegeven van de opgravingscampagnes van het voorbije seizoen. 38 Hoewel dit niet volledig exhaustief zal zijn, zijn hierin zeker de belangrijkste campagnes goed geregistreerd en kan deze bron tot hiertoe als representatief beschouwd worden. 39
Voor deze analyse van Notae Praehistoricae hebben we dus enkel verslagen van archeologische terreincampagnes bekeken. Zuiver post-excavation onderzoek werd uit de referenties geweerd, net als de artikelen die betrekking hebben op buitenlandse sites. Vervolgens is deze lijst geïndexeerd op gewest, archeoregio, periode, fase (vroeg/midden of laat/finaal paleolithicum), type project (prospectie, waardering, opgraving) en uitvoerende instelling (bij samenwerking de belangrijkste partner). Voor de bespreking van evoluties over de jaren heen hebben we gebruik gemaakt van vijfjaarlijkse periodes (zogenaamde jaarkwintetten), te beginnen in 1979. Aangezien we nog niet over de gegevens van 2008 beschikten, betekent dit wel dat de laatste periode slechts vier jaar omvat. Vervolgens werd deze databank onderworpen aan een kleine kwantitatieve analyse.
Misschien is het nuttig om het paleolithisch onderzoek in Vlaanderen eerst wat te kaderen binnen het algemene steentijdonderzoek in Belgische context.

Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae tot 2007 per steentijdperiode en per gewest in België. Fig. 1: Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae tot 2007 per steentijdperiode en per gewest in België.

Van de 367 steentijd-terreincampagnes die voor België zijn gemeld, zijn de paleolithische (n=133) samen met de neolithische (n=153) duidelijk talrijker dan de mesolithische (n=81). Dit heeft natuurlijk veel te maken met het grottenonderzoek in het zuiden van het land. In Vlaanderen zijn de verhoudingen immers omgekeerd en zijn de paleolithische campagnes (n=36) duidelijk minder talrijk dan de mesolithische (n=55), die er zelfs de neolithische projecten (n=43) overvleugelen. In totaal zijn in Vlaanderen 36,5% (134 op 376) van de Belgische steentijdcampagnes uitgevoerd, van de paleolithische slechts 27% (36 van 133).
Wanneer we dit onderzoek uitzetten over de laatste 30 jaar, worden opmerkelijke trends zichtbaar.
Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en per steentijdperiode in de Belgische gewesten.Fig. 2: Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en per steentijdperiode in de Belgische gewesten.
Terwijl voor Vlaanderen de hoeveelheid terreincampagnes min of meer stabiel bleef (20 tot 25 per 5 jaar), kende het zuiden van het land aanvankelijk een geleidelijke groei, met een piek in het midden van de jaren 1990, maar met een duidelijke terugval daarna. De laatste 4 jaar zijn er zelfs minder steentijdcampagnes gemeld in Wallonië/Brussel (n=18) dan in Vlaanderen (n=25). Voor het paleolithicum is deze trend nog meer uitgesproken. Waar er in het jaarkwintet in het midden van de jaren 1990 nog 27 paleolithische terreincampagnes zijn gemeld in het zuiden van het land, is dit er in de laatste vier jaren teruggevallen tot 8 en vergelijkbaar geworden met de omvang in Vlaanderen (n=7). Het is natuurlijk hier niet de plaats om de balans voor Wallonië op te maken, laat staan er een verklaring voor te geven.
Wanneer enkel naar het steentijdonderzoek in Vlaanderen wordt gekeken, en we dit binnen de grote periodes opsplitsen in fasen, komt hieruit wel wat variatie naar voren, maar voor het paleolithicum blijven de schommelingen relatief beperkt.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum. Fig. 3: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Globaal genomen is er een licht overwicht van onderzoek naar laat- en finaalpaleolithicum, maar bijvoorbeeld in de eerste vijf jaar en ook tijdens de eeuwwisseling bleek er wat meer terreinwerk op middenpaleolithicum plaats te vinden. Omdat het hier om kleine aantallen gaat, zijn deze trends natuurlijk sterk afhankelijk van meerjarige campagnes op eenzelfde site in een bepaald jaarkwintet.
Terreincampagnes op paleolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007. Fig. 4: Terreincampagnes op paleolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007.
Daaronder vallen bijvoorbeeld de opgravingen in Rekem in het midden van de jaren 1980, in Veldwezelt rond de eeuwwisseling en in Lommel-Maatheide de laatste jaren.
Een opvallende trend in het steentijdonderzoek in Vlaanderen de laatste jaren is de groeiende investering in prospectie- en waarderingscampagnes. Ook dit komt tot uiting in de rapporteringen in Notae Praehistoricae.
Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007. Fig. 5: Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007.
De prospecties die hier tijdens het eerste kwintet gerapporteerd worden, zijn vooral studies op grote collecties die door amateurarcheologen waren verzameld. Het laatste decennium zijn het echter de professionele archeologen zelf die actief prospectie- en waarderingscampagnes opzetten, ondermeer in functie van inventarisatie- en beschermingsprojecten. Meestal gaat het daarbij om meerperiodeprojecten, waarbij het paleolithicum ook aan bod komt, maar niet uitsluitend. Voor het middenpaleolithicum is prospectie meestal nog het werk van vrijetijdsarcheologen, in het bijzonder in de Limburgse leemgroeves, bij opspuitingen in de Vlaamse Vallei of via field walking.
Als laatste oefening hebben we gekeken naar de instelling die (hoofd)uitvoerder was van de projecten die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum. Fig. 6: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per steentijdfase tot 2007 en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Voor het middenpaleolithicum is dit duidelijk de KULeuven, slechts éénmaal (in Aalter Nieuwendam) de UGent. Voor het laat- en finaalpaleolithicum zit de expertise meer verspreid. Terwijl dit tot in de jaren 1980 ook hoofdzakelijk door de KULeuven werd onderzocht, 40 is dit in de jaren 1990 vooral door het IAP (later VIOE) overgenomen, weliswaar vaak in samenwerking met KULeuven. Ook de UGent voert regelmatig finaalpaleolithisch terreinwerk uit, vaak in combinatie met onderzoek naar het mesolithicum, waarbij altijd veel aandacht gaat naar de studie van het paleomilieu. De institutionele ontwikkelingen komen nog sterker tot uiting wanneer we kijken naar de evolutie van het steentijdonderzoek in het algemeen over de laatste dertig jaar.
Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Fig. 7: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had.
De aanvankelijke dominantie van KULeuven is over de jaren heen duidelijk afgenomen, omgekeerd zien we het terreinwerk vanuit UGent sinds midden jaren 1980 toenemen. Sinds de jaren 1990 neemt ook de Vlaamse overheid (IAP/VIOE) in toenemende mate initiatieven tot terreinwerk op paleolithische sites.

1.3 Balans van de ontsluiting van het onderzoek

1 Werkwijze

Al het graaf- en onderzoekswerk wordt voor de wetenschap pas relevant wanneer de resultaten ervan ook behoorlijk gepubliceerd raken en opgepikt door de ruimere onderzoeksgemeenschap. In dit onderdeel gaan we na in hoeverre dit voor het onderzoek van het paleolithicum in Vlaanderen vlot verloopt.
Als basis voor deze analyse stelden we een zo exhaustief mogelijke lijst van de wetenschappelijke publicaties over onderzoek van het paleolithicum in Vlaanderen samen. Die kan in de toekomst verder fungeren als werkinstrument en staat via de ‘Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen’ voortaan ter beschikking van elke onderzoeker. Om deze databank in dit hoofdstuk te laten fungeren als analyse-instrument hebben we er een aantal bewerkingen op toegepast en er vervolgens verschillende indexen in aangebracht.
De belangrijkste parameter om een idee te krijgen van de omvang van het gepubliceerde onderzoek is in dit geval, meer nog dan het aantal publicaties, de hoeveelheid nieuwe kennis. Deze trachten we uit te drukken in aantal bladzijden originele onderzoeksresultaten. Dit vergt natuurlijk wat evaluatie- en interpretatiewerk en verdient daarom enige toelichting. De volgende regels zijn hierbij in acht genomen

  • Uitgangspunt en referentie is één pagina formaat A4 in een klassiek wetenschappelijk tijdschrift, genre Relicta of Archeologie in Vlaanderen. Voor de meeste referenties is bijgevolg effectief het aantal pagina’s genomen.
  • Voor publicaties (vb. synthesewerken) die ook andere periodes of andere regio’s behandelen, is ingeschat hoeveel pagina’s hierin daadwerkelijk het paleolithicum in Vlaanderen tot onderwerp hebben. Wanneer binnen het paleolithicum verschillende fases aan bod komen is dit gewoon vermeld, zonder verdere opsplitsing van het aantal pagina’s.
  • Voor thesissen en andere ongepubliceerde manuscripten die openbaar toegankelijk zijn, hebben we een ingeschat hoeveel pagina’s het werk zou omvatten mocht het omgezet zijn naar een deftige wetenschappelijke publicatie. Indien dit effectief ook is gebeurd (vb. in Terra Incognita), namen we enkel de omvang van het gepubliceerde werk op. Dit geldt ook voor doctoraatsverhandelingen die naderhand als boek werden gepubliceerd.
  • De algemene regel is dat in geval van meerdere publicaties over hetzelfde onderwerp, dezelfde pagina’s maar eenmaal werden geteld, in principe bij de hoofdpublicatie. Louter populariserende en vulgariserende werken over het onderwerp werden sowieso uitgesloten. Zij presenteren in de regel geen originele resultaten. Hetzelfde geldt voor cursussen en andere educatieve werken.
  • Zoals boven al vermeld, zijn zuiver geografische, geomorfologische, paleoklimatologische en andere natuurwetenschappelijke publicaties over deze periode niet opgenomen. Deze komen immers in andere hoofdstukken van de onderzoeksbalans aan bod. Wanneer het onderzoek wel direct in relatie staat tot de archeologische context (vb. stratigrafie, datering), werd het wel opgenomen.
  • Evenmin geaccepteerd zijn loutere vondstmeldingen zoals die vroeger in Archeologie of in andere kronieken werden opgenomen. Aangezien deze de laatste jaren rechtstreeks aan de Centrale Archeologisch Inventaris worden doorgegeven, zou dit voor een scheeftrekking gezorgd hebben. Bovendien kunnen dergelijke signalementen meestal bezwaarlijk echt wetenschappelijk onderzoek genoemd worden.

Naast de omvang werd ook gekeken naar het jaar van publicatie. Om outliers enigszins te milderen, werkten we opnieuw met periodes van 5 jaar, voor de steentijd in het algemeen beginnend in 1870, voor het paleolithicum specifiek pas in 1905. 1 Omdat we maar tot 2007 gaan, omvat het laatste halve decennium voorlopig slechts drie jaar.
Voor het type van publicatie maakten we, zoals voorzien in de Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen, een onderscheid tussen boeken, bijdragen in boeken (‘boekdelen’), tijdschriftartikelen, papers gepubliceerd in de proceedings van een congres, thesissen en andere ongepubliceerde rapporten. Geëditeerde boeken zoals handelingen van een congres komen niet als geheel aan bod, aangezien de verschillende (relevante) bijdragen in principe apart zijn opgenomen.
Om een idee te krijgen van het internationale potentieel van het gepubliceerde onderzoek is ook de taal geregistreerd waarin het werk is geschreven. In principe zou een bibliometrisch onderzoek met analyse van impactfactoren de beste methode zijn om de ontsluiting binnen het internationale onderzoek te meten. Mogelijk kan dit bij de volgende versie van de onderzoeksbalans aan bod komen. Voorlopig proberen we hier enkel een inschatting te maken op basis van eigen kennis en ervaring.

2 Overzicht van gepubliceerd onderzoek

Wanneer bovenstaande regels in acht genomen worden, beschikken we momenteel over een gegevensbank van 270 wetenschappelijke publicaties over paleolithicum in Vlaanderen. Dit is ongeveer een vierde van de meer dan 1000 steentijdpublicaties en meer dan een derde indien enkel de periodegebonden werken worden weerhouden (dus zonder niet gespecificeerd steentijdonderzoek).
Hoewel publicaties over steentijdvondsten in Vlaanderen al starten in de 19de eeuw en voor het paleolithicum specifiek in het begin van de 20ste eeuw, komt er pas na de Tweede Wereldoorlog enige regelmaat in het aantal publicaties, met een geleidelijke groei tot in de jaren 1970.
Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaar. Fig. 8: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaar.
Een plotse toename treedt op in de jaren 1980, gevolgd door een duidelijke afname in de jaren 1990. De laatste jaren zou mogelijk opnieuw sprake kunnen zijn van een toename, rekening houdend met een projectie voor de jaren 2008 en 2009 in het laatste jaarkwintet dat voorlopig maar 3 jaar bevat.
Hoewel het paleolithicum deze tendensen in het aantal publicaties in grote lijnen volgt, lijkt de groei hier iets vroeger te zijn gekomen (einde jaren 1970) en is de output voor deze periode sinds de jaren 1980 wat stabieler, zij het in lichtjes dalende lijn. Deze relatieve stabiliteit kon hoger ook al worden opgemerkt in het aantal terreincampagnes sinds de jaren 1980.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum. Fig. 3: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Zoals voor de andere periodes vormen tijdschriftartikels meer dan 60% van de wetenschappelijke publicaties over het paleolithicum.
Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatie. Fig. 9: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatie.
Congrespapers, boekdelen en thesissen maken, wat anders dan bij de andere periodes, elk ongeveer 10% van de publicaties uit. Boeken (4%) en rapporten (2%) zijn duidelijk in de minderheid. Bovendien moet hierbij worden opgemerkt dat het in het geval van de boeken meestal om synthesewerken gaat waarin ofwel de Vlaamse sites 2 of 3 Ofwel het paleolithicum zelf 4 of 5 maar in beperkte mate aan bod komen. De enige twee wetenschappelijke boeken die uitsluitend paleolithicum in Vlaanderen tot onderwerp hebben zijn tot hiertoe de monografieën over Meer 6 en Rekem. 7 Het boek over Kluisberg/Aalter 8 behandelt ook alleen het paleolithicum, maar is meer een compilatie van artikels.
Voor het steentijdonderzoek in het algemeen hebben tijdschriftartikels altijd het gros van het publicatietype uitgemaakt, met opnieuw een opvallende piek in de jaren 1980, gevolgd door een al even opmerkelijke terugval in de loop van de jaren 1990.
Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar. Fig. 10: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.
Voor het paleolithicum komt de plotse groei er al in de tweede helft van de jaren 1970, waarna het aantal tijdschriftartikels vrij stabiel blijft tussen 15 en 20 publicaties per half decennium, met maar één opvallende piek (van 30 artikels) in de tweede helft van de jaren 1980.
Aantal wetenschappelijke publicaties van paleolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.Fig. 11: Aantal wetenschappelijke publicaties van paleolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.
Vanaf de jaren 1980 gaan ook de thesissen, congrespapers en boekdelen regelmatig een substantieel deel van de wetenschappelijke werken uitmaken, sinds eind jaren 1990 maken ook de rapporten er deel van uit. Boeken komen maar occasioneel uit, maar spelen natuurlijk wel een grote rol in de omvang van de onderzoeksoutput. Dit komt het best tot uiting in het aantal gepubliceerde pagina’s origineel onderzoek over de jaren heen.
Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over paleolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar. Fig. 12: Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over paleolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.
Dan zijn er immers opvallende pieken eind jaren 1970 9 en rond de eeuwwisseling. 10 Vooraan in de jaren 1990 is er ook nog een monografie over het middenpaleolithicum, 11 die zoals gezegd meer in boekdelen is opgebouwd. Ook thesissen kunnen natuurlijk een substantiële bijdrage leveren in de onderzoeksoutput, voor de laatste jaren ondermeer deze van Y. Perdaen 12 en van P. Bringmans. 13 Bij publicatie in boekvorm zal dit plaatje uiteraard nog veranderen.
Dergelijke éénmalige uitgaven beïnvloeden natuurlijk ook in sterke mate het beeld van de populariteit van publicatietypes binnen de paleolithische fases. De pas genoemde thesis en boekdelen zijn duidelijk herkenbaar in het relatief hoger aantal gepubliceerde pagina’s in dit type voor het middenpaleolithicum, terwijl de boeken zoals gezegd nagenoeg uitsluitend het finaalpaleolithicum behandelen.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum. Fig. 13: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum.
Hetzelfde geldt voorlopig voor de rapporten.
In ieder geval blijven de tijdschriftartikels voor alle fases, en zowel in totale omvang aan pagina’s als zeker in aantal publicaties
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum. Fig. 14: Aantal wetenschappelijke publicaties van paleolithisch onderzoek in Vlaanderen, per steentijdfase en per type publicatie. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum.
het belangrijkste kanaal voor de publicatie van onderzoeksresultaten over het paleolithicum in Vlaanderen.
Als maatstaf voor de (potentiële) internationale verspreiding van het gepubliceerde onderzoek werd ook naar de taal van de werken gekeken. Daaruit blijkt dat bijna de helft (47%) van alle wetenschappelijke publicaties over paleolithicum in Vlaanderen in het Nederlands uitgebracht zijn, een groot kwart in het Frans (28%), een klein kwart in het Engels (23%) en een verwaarloosbaar klein percentage in het Duits (2%).
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum. Fig. 15: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum.
Ook hier geeft dezelfde oefening een heel ander beeld voor het aantal gepubliceerde bladzijden originele onderzoeksresultaten. Dan blijken bijna evenveel pagina’s in het Engels als in het Nederlands te zijn gepubliceerd (over het middenpaleolithicum zelfs méér in het Engels) en volgt het Frans pas op de derde plaats.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum. Fig. 16: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; MP/LP=combinatie; P=Paleolithicum.
In de pioniersjaren en tot in de jaren 1970 domineerde het Frans als wetenschappelijke taal het paleolithicumonderzoek in Vlaanderen, zowel in het aantal publicaties
Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd. Fig. 17: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd.
als in het aantal gepubliceerde pagina’s.
Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd. Fig. 18: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over paleolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd.
Het Engels komt pas schuchter opzetten vanaf einde jaren 1970, maar gaat vanaf de jaren 1990 eerst het Frans en, wat aantal pagina’s betreft, sinds de eeuwwisseling ook het Nederlands domineren. Het spreekt voor zich dat, om internationaal enige relevantie te hebben en de kwaliteit te blijven bewaken, ook in de toekomst Engelstalige publicaties moeten worden aangemoedigd.
Voor deze versie van de onderzoeksbalans was het zoals gezegd niet mogelijk een echte impactmeting uit te werken. Voor enige inschatting van de uiteindelijke impact van het paleolithisch onderzoek in Vlaanderen op het internationale forum, kunnen wel de recensies worden gesignaleerd die over Meer en Rekem verschenen in belangrijke internationale tijdschriften. 14
Verder moet in een volgende versie van de onderzoeksbalans nog worden nagegaan in welke mate paleolithische onderzoeksprojecten in Vlaanderen ten gronde uitgewerkt en gepubliceerd zijn en eventueel deel zijn geworden van het referentiekader in prehistorisch onderzoek.
Met andere woorden, zitten ze het in het stadium van projectteksten, meldingen, interimrapporten, deelrapporten, eindpublicaties, syntheses of methodologisch/theoretische reflectie over het gevoerde werk?
Uit deze analyse zal dus ook moeten blijken welke zaken voorlopig ongepubliceerd zijn gebleven. Vanuit onze parate kennis kunnen we voorlopig volgende stand van zaken schetsen met betrekking tot het uitgevoerde terreinwerk dat nog niet volledig gepubliceerd is:
Voor het middenpaleolithicum:

  • Kesselt: interimrapporten van campagnes in de jaren 1980 en 2007-2008; verwerking en publicatie zijn lopende (onder meer doctoraat A. Van Baelen).
  • Oosthoven: korte meldingen, uitwerking en publicatie moeten nog gebeuren.
  • Veldwezelt: meerjarige campagnes, uitgewerkt in doctoraat P. Bringmans; publicatie in voorbereiding.
  • Vollezele-Congoberg: interimrapporten, eindpublicatie moet nog volgen.

Voor het finaalpaleolithicum:

  • Doel-Deurganckdok: er wordt gewacht op een studie van het finaalmesolithisch/neolithisch materiaal.
  • Gent-Tweekerkenstraat: maar kort gepubliceerd, rapport in voorbereiding waarin dieper op de problematiek van de transitie finaalpaleolithicum-mesolithicum wordt ingegaan
  • Klein-Sinaai: één of twee artikels in Vobov-info, in AIV Buitengewone Reeks 9 typologische informatie is kort hernomen, 15 maar grondige studie en publicatie ontbreekt.
  • Lommel-Maatheide: meerjarige campagnes, laatste in 2008; interimrapporten, maar grondige verwerking moet nog grotendeels beginnen.
  • Maldegem: al grondig uitgewerkt door P. Crombé in doctoraat maar voorlopig nog ongepubliceerd.
  • Meer-Meirberg IV: meerdere campagnes, laatste in 1983; zeer uitvoerig geanalyseerd (kartografie, gebruiksporen, refitting) maar niet gepubliceerd.
  • Tongeren-Plinius: basisrapportage is er, de verwerking ten gronde moet nog beginnen.
  • Verrebroek-Dok 2: eerste monografie (natuurwetenschappen) is uitgebracht en verschillende sites zijn al in grote mate uitgewerkt in het doctoraat van Y. Perdaen, maar nog ongepubliceerd.
  • Weelde-Eindegoorheide: grootschalige opgravingen van bouwvoorsites, dus mindere bewaringstoestand, maar zeer uitgebreide ensembles; verdere studie en publicatie is recent op gang gekomen. 16
  • Zonhoven-Molenheide: opgraving over meerjarige campagnes; voorlopig maar beperkte publicatie.

Algemeen kan worden aangenomen dat doorgedreven studie en publicatie voornamelijk door doctoraten mogelijk worden gemaakt. 17 Daarbuiten blijft de wetenschappelijke ontsluiting te vaak beperkt tot basisrapportage of het publiceren van deelonderzoek. Bij de verdere ontwikkeling van preventieve archeologie in Vlaanderen zal dus zeker gewaakt moeten worden over voldoende middelen voor uitwerking.

Daarnaast kunnen we zeker pleiten voor het ontwikkelen van synthesewerken. Voor het middenpaleolithicum in België focussen die voorlopig zeer sterk op de grotsites in het bekken van de Maas en op de openluchtsites in de Hainevallei. 18 19 De sites in Vlaanderen komen hierin nauwelijks aan bod. In het boek van Crombé & Van der Haegen 20 is wel een synthese te vinden en ook P. Van Peer heeft in zijn overzicht naar aanleiding van het UISPP-congres in Luik 21 wel enige aandacht voor Vlaanderen, maar het blijft al bij al vrij beperkt.
In het meest recente overzicht voor het laat- en finaalpaleolithicum in de Benelux 22 krijgen de Vlaamse sites wel wat aandacht, maar ook hier is een update zeker aan de orde.

1.4 Balans in de tijd

1 Dateringsproblematiek

Hoewel er het laatste decennium duidelijk vooruitgang is geboekt, vooral in de loessequenties, blijft het moeilijk de vroeg- en middenpaleolithische sites goed te dateren. De oudst bekende in situ ensembles zitten, op basis van het stratigrafisch onderzoek in Kesselt, op de overgang van MIS9 naar MIS8 1 en zijn dus zowat 300.000 jaar oud. OSL metingen en archeomagnetisch onderzoek zijn hier lopend. In een nabij gelegen groeve, maar dan in Veldwezelt, zijn een 7-tal sites geborgen van MIS6 (late Saale-ijstijd), tot in de Weichsel-ijstijd, eveneens op basis van de lithostratigrafie. 2 De site op de Kluisberg sluit hier mogelijk chronologisch bij aan. Sites in de Vlaamse Vallei zouden in MIS5 of in MIS 3 kunnen thuishoren, onder meer op basis van een ESR-datering op tand-email van mammoet, maar de associatie met het archeologische materiaal is niet evident. Ensembles zoals Oosthoven, mogelijk mousteriaan van acheuleaantraditie type B, 3 en Aalter, vermoedelijk micoqiaan, 4 vertegenwoordigen waarschijnlijk de jongste facies van het middenpaleolithicum. Maar ook hier blijven goede absolute dateringen moeilijk te genereren.
Ondanks sporadische claims op basis van foutieve interpretaties 5 of van gemengde collecties, 6 zijn in Vlaanderen tot hiertoe geen evidente sporen aangetroffen van menselijke aanwezigheid tijdens het volle jong- of laatpaleolithicum (38.000 tot 14.000 jaar geleden). Voorlopig is de magdaleniaansite van Kanne hierop de enige uitzondering. De site zou samen met Orp wel eens de vroegst bekende magdaleniaanoccupatie in de Benelux kunnen vertegenwoordigen. 7 Hiervoor zijn niet alleen technotypologische argumenten aangehaald (door vergelijking met Duitse en Franse sites), maar ook de aanwezigheid van zware cryoturbatie en bijkomende loess-sedimentatie op de site na de menselijke aanwezigheid, een teken dat de ijstijd nog niet afgelopen was.
Hoewel dat door verschillende auteurs is geopperd 8 is er tot nu toe in het Vlaamse gewest geen indicatie van de aanwezigheid van Creswelliaan zoals dat in het Verenigd Koninkrijk is gedefinieerd en daar ook volledig in het jong- of laatpaleolithicum thuishoort.
In het laatglaciaal is er wel duidelijke aanwezigheid van het finaalpaleolithicum en dan vooral van de Federmessergroepen. Absolute dateringen die onproblematisch geassocieerd zijn met laatglaciale archeologische contexten zijn in Vlaanderen echter nog bijzonder schaars, zie ook hoofdstuk Absolute dateringen. Naast de datering van hars op een Federmesserspits in Rekem, waarvan de archeologische associatie niet ter discussie staat, zijn er enkele dateringen uitgevoerd op verbrand bot in Weelde-Eindegoorheide en in Tongeren-Plinius 9 die wellicht ook met de menselijke aanwezigheid geassocieerd kunnen worden. 14C-dateringen op houtskool zijn in deze periode meestal problematisch gebleken en altijd duidelijk te jong, met uitzondering van één datering verkregen te Verrebroek “dok 2.” 10 Het heeft er ondermeer toe geleid dat de Federmessergroepen foutief ook in het preboreaal en later werden gedateerd. 11 Daarnaast is ook de houtskool van natuurlijke branden in de top van de Usselo-laag moeilijk te onderscheiden van de ‘culturele’ houtskool. Thermoluminescentie datering van verbrande stenen kon meestal wel een laatglaciale ouderdom bevestigen (vb. in Rekem en in Meer), maar blijft door de foutenmarge vrij breed. Of de Federmessergroepen hier tot in de jonge dryas zijn gebleven staat nog ter discussie, in het bijzonder in het licht van de ‘catastrofetheorieën’ op het einde van de Alleröd, waarbij ook de Usselo-bodem in Lommel-Maatheide in detail wordt onderzocht en gedateerd. In Zandig Vlaanderen zijn intussen een 15-tal 14C -dateringen uitgevoerd ten behoeve van paleolandschappelijk onderzoek, onder meer op laatglaciale paleobodems. 12 Maar nergens in Vlaanderen zijn tot hiertoe stratigrafische argumenten gevonden voor occupatie in de jonge dryas.
Ook de chronologische positie van de Ahrensburgsite van Zonhoven-Molenheide, die voorlopig mogelijk de enige bekende vindplaats uit de laatste fase van de laatste ijstijd vertegenwoordigt, blijft onzeker. De 14C-datering op houtskool komt in de buurt van de ouderdom van Usselo-houtskool en de vraag naar een associatie met het archeologische materiaal dient ook hier gesteld te worden. Ook voor de site Gent-Tweekerkenstraat, een ensemble waarvan het grondstofgebruik, de technologische kenmerken en de aanwezigheid van een zandige korst op een eerder finaalpaleolithische datering kunnen wijzen, blijft er twijfel. Het microlietenspectrum lijkt hier immers eerder vroegmesolithisch. In ieder geval verdienen nieuwe Ahrensburgvondsten en -onderzoek prioriteit.

2 Overzicht van de gekende sites per periode

Voor een overzicht van de bekende paleolithische sites per chronologische fase werd de Centrale Archeologische Inventaris van Vlaanderen (CAI) als bron gebruikt. Vooraf moeten in verband met de waarde en het gebruik van deze bron wel enkele zaken worden opgemerkt:

  • Enkel de sites waarvan de ligging enigszins bekend is (namelijk tot op 500m nauwkeurig) zijn in deze analyse in aanmerking genomen. Er is dus nog een (onbekend) aantal vindplaatsen niet opgenomen.
  • De eenheid ‘site’ - basis voor het unieke ID in de CAI en hier gebruikt als teller - is natuurlijk een problematisch begrip. In sommige gevallen zijn verschillende loci van één sitecomplex als aparte sites geteld (bijv. in Meer-Meirberg en Lommel-Maatheide), in andere gevallen als één site (bijv. in Rekem). Het viel buiten de opzet van deze balans om hier zelf éénvormigheid in aan te brengen. Wel is er bij het maken van kaarten (bij de ruimtelijke balans; zie verder) voor geopteerd om enkel de gemeenten te plotten waar vondsten zijn gerapporteerd, zonder enige kwantitatieve aanduiding. Verder gaan we ervan uit dat deze schommelingen in alle periodes voorkomen en dus worden uitgevlakt in de vergelijkingen.
  • De belangrijkste problematiek bij het gebruik van deze bron is de vraag naar de representativiteit. Bevat de CAI daadwerkelijk een inventaris van alle paleolithische vindplaatsen die in Vlaanderen bekend zijn of tenminste gepubliceerd of gemeld? We moeten er sowieso van uitgaan dat bepaalde collecties nog niet ontsloten zullen zijn, maar van de openbaar gemaakte zaken zouden we moeten kunnen aannemen dat ze hierin geregistreerd zijn. Ook deze screening gaat de opzet van de onderzoeksbalans te boven - het impliceert immers een aparte evaluatie van de CAI op zich - maar op basis van een kleine toets moesten we toch vaststellen dat er pertinente lacunes zijn. In de gebruikte referenties valt bijvoorbeeld op dat de Repertoria of de vroegere kroniek in Helinium een relatief beperkt aantal keren als bron zijn vermeld. Mogelijk zijn vele meldingen hierin niet voldoende precies gelokaliseerd en daardoor niet in onze lijst aanwezig, maar talrijke vondstmeldingen - in de Repertoria bijvoorbeeld - geven wel vaak de primaire literatuurbron aan waarin mogelijk betere lokalisatie te vinden is. De vraag is dus of alle lokale tijdschriften bijvoorbeeld ook volledig zijn geëxcerpeerd.

Zolang deze vragen niet beantwoord zijn, is het evident dat we deze inventaris in kwantitatief onderzoek met enige omzichtigheid moeten gebruiken. Omdat het in zekere zin wel deel uitmaakt van een balans, hebben we toch in grote lijnen de inhoud van de CAI voor het paleolithicum onderzocht.

Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode.Fig. 19: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode.
Van de bijna 5000 locaties die begin 2008 in de CAI geregistreerd stonden als steentijdsite, is maar 7% (N=318) in het paleolithicum gesitueerd. Dit is beduidend minder dan in het mesolithicum (13%) en zeker het neolithicum (23%). De meerderheid van de registraties (58%) heeft dus betrekking op lithisch materiaal waarvan de steentijdperiode niet gedetermineerd kon worden.
Aantal registraties in de CAI van paleolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per paleolithische fase.Fig. 20: Aantal registraties in de CAI van paleolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per paleolithische fase.
Binnen het paleolithicum domineren in deze inventaris de finaalpaleolithische sites (38%) boven de middenpaleolithische sites (24%).
Zeer opmerkelijk is dat er niet minder dan 58 sites (18%) in de CAI als jongpaleolithicum geregistreerd staan. Na de hogere beschouwingen roept dit aantal natuurlijk wel vragen op. Nadere inspectie van het bronnenmateriaal waarop deze toewijzingen in de CAI zijn gebaseerd, leert dan ook dat, op de bekende sites na (Kanne dus), de jongpaleolithische interpretaties met de grootste omzichtigheid moeten worden gehanteerd. Sommige opnames lijken gewoon een vergissing (slecht overgenomen uit de literatuur), andere zijn gebaseerd op oude publicaties, die zoals hoger al gesteld de gewoonte hadden finaalpaleolithische vondsten in het jongpaleolithicum te situeren, nog andere zijn gebaseerd op meldingen door amateurarcheologen of afkomstig uit prospectiethesissen, waar de kwaliteit van de interpretaties al eens kan variëren. Het spreekt voor zich dat deze registraties in de eerste plaats kritische evaluatie behoeven.
Hetzelfde geldt voor de 16 meldingen van oud- of vroegpaleolithicum. Vaak gaat het hier om middenpaleolithische sites die (ook) als vroegpaleolithicum geregistreerd werden. Hoe dan ook is geen enkele van deze sites, eventueel op Kesselt na, op één of andere wijze gedateerd.
Tot slot zijn er nog 48 locaties (15%) gemeld waarvan de paleolithische fase niet nader kon worden gespecificeerd.

3 Balans van het onderzoek per chronologische fase

Voor een overzicht van het terreinwerk dat per paleolithische fase plaatsvond, verwijzen we naar hogere besprekingen van de historiek van het paleolithisch onderzoek in Vlaanderen en van de evolutie van het terreinwerk in de laatste dertig jaar.
De bespreking van publicaties per chronologische fase is eveneens hoger terug te vinden in het overzicht van gepubliceerd onderzoek.

1.5 Balans in de ruimte

1 Overzicht van de bekende sites per archeoregio

De verspreiding van de paleolithische sites over de archeoregio’s werd eveneens bekeken op basis van de gegevens in de CAI.
Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s.Fig. 21: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s.
Het paleolithicum blijkt daarbij de trends van het mesolithicum te volgen, met het grootste aantal sites in de Kempen (52%), gevolgd door de (zand)leemstreek (34%) en ten slotte de Vlaamse zandstreken (11%). In de valleien van de grote rivieren en in de duin- en poldergebieden bleven de vondsten voorlopig beperkt in aantal (samen 3%).
Het spreekt voor zich dat de kritische opmerkingen over (een deel van) de sites die in de CAI als paleolithicum geregistreerd staan, ook hun weerslag hebben op de waarde van de kaarten. Omdat dit inherent deel uitmaakt van de stand van zaken van het onderzoek en dus in deze balans thuishoort, geven we hier toch verspreidingskaarten van de gemeenten waarin paleolithicum is gemeld.
Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris paleolithicum gekend is (toestand begin 2008).Fig. 22: Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris paleolithicum gekend is (toestand begin 2008).Hieruit blijkt dat deze plaatsen in alle archeoregio’s en over het hele gewest verspreid zijn, waarbij de oostelijke helft wel iets dichter bezaaid lijkt te zijn dan de westelijke.
Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris vroegpaleolithicum gekend is (toestand begin 2008). Fig. 23: Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris vroegpaleolithicum gekend is (toestand begin 2008). Voor een deel kan dit laatste verklaard worden door de vermelding van vroegpaleolithische sites in de zuidoostelijke sector van het gewest, op basis van toewijzingen die zoals vermeld enig voorbehoud wettigen.
Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris middenpaleolithicum gekend is (toestand begin 2008). Fig. 24: Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris middenpaleolithicum gekend is (toestand begin 2008).
Middenpaleolithische sites zijn vooral gerapporteerd in de Kempen en in de (zand)leemstreek, maar sporadisch in de poldergebieden en de Vlaamse Zandstreken.
Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris jong- (of laat-)paleolithicum gekend is (toestand begin 2008). Fig. 25: Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris jong- (of laat-)paleolithicum gekend is (toestand begin 2008). De kaart met de verspreiding van de jongpaleolithische sites in Vlaanderen is wellicht de meest fictieve kaart en in de eerste plaats een artefact van de onderzoekshistoriek. Vele van de hier gekarteerde plaatsen vinden we trouwens ook terug op de andere kaarten.
Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris finaalpaleolithicum gekend is (toestand begin 2008). Fig. 26: Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris finaalpaleolithicum gekend is (toestand begin 2008). Voor het finaalpaleolithicum biedt de verspreidingskaart zeker een betere reflectie van de reële aanwezigheid van sites, maar ook hier zijn verschillende toewijzingen gebaseerd op loutere vondstmeldingen, zonder grondige evaluatie. In het bijzonder in de (zand)leemstreek zijn weinig betrouwbare sites bekend.
Aantal registraties in de CAI van paleolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per paleolithische fase in de verschillende archeoregio’s. Fig. 27: Aantal registraties in de CAI van paleolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per paleolithische fase in de verschillende archeoregio’s.Een samenvatting per regio leert dat in de zandstreken van de Kempen en de Vlaamse provincies de finaalpaleolithische sites de middenpaleolithische domineren, terwijl in de (zand)leemstreek de middenpaleolithische sites het talrijkst zijn.

2 Het paleolithisch potentieel van de archeoregio’s

Zoals hoger al aangehaald hebben actuele archeoregio’s in Vlaanderen niet noodzakelijk betekenis als landschappelijke parameters voor middenpaleolithische bewoning. Veel belangrijker zijn in dat verband paleolandschappelijke eenheden zoals de Vlaamse Vallei, waar op de rand veelvuldige vondsten zijn vastgesteld, net op de overgang van de zandleem- en leemgebieden van Midden-België naar de lagergelegen vallei. 1 2 3 Anderzijds hebben deze archeoregio’s in het pleistoceen wel allemaal hun eigen dynamiek gekend en bieden ze daardoor verschillende tref- en bewaringskansen voor middenpaleolithicum. Vooral de dikkere loesspaketten in het oosten en zuidwesten en de basis van de zandige opvullingen van de Vlaamse Vallei in het centrum bieden hier potentieel op in situ bewaarde contexten. Elders komen sites vooral in geërodeerde situatie voor, en blijven beter bewaringskansen beperkt tot microregio’s. 4
Ook voor het laat- en finaalpaleolithicum is het onderscheid in verschillende archeoregio’s ook vooral in die zin relevant. De variatie in sedimenten, topografie en historisch landgebruik zorgen er immers voor duidelijke verschillen in bewaringstoestand en vondstkansen.
In de Maasvallei bieden laatglaciale duinen en oeverwallen nabij de pleistocene Maasbedding duidelijk potentieel op de aanwezigheid van Federmessersites, zoals in Rekem is gebleken. 5 De bewaring ervan hangt af van latere eolische of alluviale afdekking en recent landgebruik. Ook aan de voet van het Kempisch Plateau kunnen sites bewaard zijn. 6 Voorlopig zijn in de Maasvallei nog weinig sites echt bekend. Gerichte prospectie is hier pas zinvol na gedetailleerd paleolandschappelijk onderzoek.
Voor de Kempen is er in de zandcontexten en omwille van het relatief vlakke terrein sinds het laatglaciaal weinig watererosie en –sedimentatie. Finaalpaleolithische sites zijn er daardoor bij het huidige oppervlak of in het geval van jonge dryaszanden in vrij ondiepe toestand begraven. Dit maakt ze opspoorbaar via gericht prospectieonderzoek met boringen, maar ook kwetsbaar voor processen van bioturbatie en verploeging. Begraven finaalpaleolithische sites geassocieerd met een Usselobodem zijn voorlopig zeldzaam (Lommel en Arendonk). Oppervlaktesites zijn talrijker. Door de arme Kempische bodem zijn er nog steeds zones over in bos- en heidegebieden (de vroegere zogenaamde woeste gronden) waar de sites in de (podzol)bodem goed bewaard zijn. Zelfs in de jongere landbouwontginningen kunnen de ensembles nog duidelijk geconcentreerd aanwezig zijn. 7 In beide gevallen kunnen ze wel vermengd geraakt zijn met latere mesolithische occupaties 8 en zijn er door de droge zure bodems nauwelijks bewaringskansen voor organisch materiaal. Er is daarom geen informatie over de organische component van de materiële cultuur en ook goede dateringsmogelijkheden zijn gelimiteerd. Het moet ook gezegd dat de druk op de ruimte enorm blijft en mogelijke goed bewaarde contexten in snel tempo verdwijnen. 9
Paleolithische vondsten in alluviale context zijn in de Kempen voorlopig nog beperkt, maar recent onderzoek in de vallei van de Kleine Nete 10 biedt zeker perspectieven.
Voor Zandig Vlaanderen geldt in enige mate ook wat al voor de Kempen is aangehaald, alleen is hier heel wat minder oppervlakte buiten landbouw gebleven en zijn de landbouwactiviteiten ook veel intenser geweest. Niettemin zijn ook hier enkele ongestoorde finaalpaleolithische sites opgegraven, zoals te Klein-Sinaai 11 en in Adegem-Berlaars. 12 Een voorlopige inventarisatie 13 leverde op zijn minst 25 Federmesser oppervlaktevindplaatsen op, verspreid over het gebied. Duidelijke concentraties doen zich voor langs de droge oevers van beken en op kleine zandige opduikingen (kronkelwaarden) in voormalige plassen, waaronder de Moervaartdepressie. 14 15 16 De kans op de ontdekking van nog afgedekte vindplaatsen in deze natte milieus blijft bestaan 17 Opmerkelijk zijn ook enkele oudere vondsten op de westelijke rand van de zandstreek nabij Brugge. 18
Het grootste onderzoekspotentieel situeert zich duidelijk in het poldergebied, in het bijzonder in het alluviale en perimariene overstromingsgebied van de Schelde. Zo zijn er in het Waasland onder de Scheldepolders bij het aanleggen van de dokken al op verschillende locaties goed bewaarde finaalpaleolithische sites aangetroffen (Verrebroek-dok 2 en Doel) en onderzocht. 19 20 21 Organisch materiaal bewaard in een natte context ontbreekt er voorlopig nog, de vernatting van de poldergebieden kwam voor het finaalpaleolithicum te laat, maar dit biedt zeker perspectieven voor toekomstig onderzoek vooral voor de recentere steentijd. Vanwege hun doorgaans diepe ligging zijn deze poldersites iets moeilijker te prospecteren dan in de Kempen (er is uitgebreid paleolandschappelijk onderzoek nodig), maar ze zijn er in principe wel beter bewaard.
In de mariene duingebieden zijn voorlopig geen echte paleolithische sites bekend.
Oudere strandvondsten uit Raversijde kunnen wel aan het finaalpaleolithicum worden toegeschreven. Voorlopig is echter niet duidelijk of hier nog primaire laatglaciale contexten bewaard zijn. Voor de Noordzee krijgen we dezelfde vraag.
In tegenstelling tot de zandstreken zijn de lemige gebieden wel zwaar onderhevig geweest aan watererosie, mede onder invloed van de intensieve landbouw. In de zandleemstreek zijn door erosie van plateauranden en hellingen ongetwijfeld heel wat sites verdwenen of diep begraven. Onze kennis van het finaalpaleolithicum in het Hageland is voorlopig beperkt tot siterestanten die in de ploeglaag zijn achtergebleven. 22 In de Leemstreek is de toestand nog dramatischer en zijn op de toppen en hellingen vaak meters sediment verdwenen, terwijl lagere delen diep onder colluvium zitten. ‘Sites’ zijn hier maar geïsoleerde vondsten. 23 Bijzonder was dan ook de ontdekking en opgraving van de finaalpaleolithische site in Tongeren in 2006. 24 Hoewel de lokale geografische context op deze plaats wat specifiek is, opent het zeker perspectieven voor nieuw onderzoek in deze regio. Een speciale vermelding verdient hier uiteraard ook de laatpaleolithische site in Kanne, voorlopig de enige opgegraven magdaleniaansite in het Vlaamse Gewest, 25 maar die wel aansluiting vindt bij de site van Orp in Waals Brabant 26 en de sites in het Nederlandse loessgebied. 27 In hoeverre hiervan in de toekomst meerdere voorbeelden gevonden kunnen worden, blijft voorlopig moeilijk inschatten. Ondanks enige waakzaamheid zijn er de voorbije 30 jaren geen signalen meer in deze richting. In ieder geval zitten deze sites aan de meest noordelijke uitbreiding van het magdaleniaan in West-Europa en blijft het een uitdaging om in Vlaanderen meer vindplaatsen uit deze periode te kunnen onderzoeken.

3 Evolutie van het terreinwerk in de archeoregio’s

Om een kwantitatief idee te krijgen van de verdeling van het paleolithische terreinwerk over de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen gedurende de laatste dertig jaar, maakten we opnieuw gebruik van de rapportage in Notae Praehistoricae.
Zeer opvallend hierbij is de dominantie aan finaalpaleolithisch terreinwerk in de Kempen (en de Maasvallei) enerzijds en aan middenpaleolithisch terreinwerk in de leemstreek anderzijds.
Terreincampagnes (1979-2007) in de archeoregio’s in Vlaanderen op middenpaleolithische (MP) en laat- en finaalpaleolithische (LP) sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae. Fig. 28: Terreincampagnes (1979-2007) in de archeoregio’s in Vlaanderen op middenpaleolithische (MP) en laat- en finaalpaleolithische (LP) sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.
Dit heeft natuurlijk veel te maken met de bewarings- en trefkansen van deze sites in deze verschillende regio’s, zoals hierboven besproken. In Zandig Vlaanderen en de polders bleven specifieke paleolithische terreinprojecten gerapporteerd in dit tijdschrift voorlopig beperkt, hoewel er in realiteit wel enkele opgravingen hebben plaatsgevonden. 28 Bovendien was deze regio het toneel van heel wat prospectief onderzoek waarin ook het finaalpaleolithicum aan bod kwam, een traditie die met het grootschalige onderzoek in de Moervaartdepressie de komende jaren verlengd wordt.
In het duingebied langs de kust ontbreken paleolithische terreincampagnes helemaal.
Wanneer we concreet bekijken welke sites in deze gebieden specifiek onderzocht zijn,Terreincampagnes (1979-2007) op paleolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae. Fig. 29: Terreincampagnes (1979-2007) op paleolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae. blijkt het in de Maasvallei om één (Rekem) en in de Scheldepolders om twee (Verrebroek-Dok en Doel-Deurganckdok) sites te gaan. Ook voor de Kempen vallen meerjarige campagnes op op de finaalpaleolithische sites in Meer, Weelde, Zonhoven en Lommel. Voor de (zand)leemstreek geldt dit vooral voor de middenpaleolithische site van Veldwezelt. In totaal is daar in de laatste dertig jaar wel terreinwerk gerapporteerd op een tiental verschillende paleolithische sites, tegenover maar 6 sites in de Kempen.
De evolutie per vijfjaarlijkse interval van het paleolithische terreinonderzoek per archeoregio toont een dominantie in de Kempen in het eerste deel van de jaren 1990 en vooral ook de voorbije jaren.
Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2007) op paleolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae. Fig. 30: Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2007) op paleolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.
De (zand)leemstreek kende vooral onderzoek in het begin van de jaren 1980 en rond de eeuwwisseling. Voor de Maasvallei is het geleden van de opgravingen in Rekem halverwege de jaren 1980, terwijl Zandig Vlaanderen en de (Schelde)polders vooral in de jaren 1990 aan bod kwamen.
Een blik op de archeoregionale verdeling van de instellingen die (hoofd)uitvoerder waren van de projecten die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd, leert dat de terreinexpertise verspreid zit: in de polders en zandig Vlaanderen bij UGent, in de (zand)leemstreek en de Maasvallei vooral bij KULeuven. Voor de Kempen zit de expertise zowel bij KULeuven als (nu) VIOE, vroeger ook in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren.
Terreincampagnes (1979-2007) op paleolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae. Fig. 31: Terreincampagnes (1979-2007) op paleolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.

1.6 Balans van de bronnen

1 Overzicht van de sites

Op dit moment valt nauwelijks in te schatten wat de ‘voorraad’ is van paleolithisch erfgoed in Vlaanderen. Terwijl altijd geldt dat een archeologische inventaris - in dit geval de CAI - maar een fractie omvat van het reëel aanwezige archeologische erfgoed (per definitie de tot hiertoe bekende sites), geldt deze beperking in nog veel grotere mate voor het paleolithicum. Door de soms diepe begraving van pleistocene oppervlakken zijn hier veel minder vaak kijkvensters op gericht dan op de latere periodes, die in principe allemaal het (huidige) holocene oppervlak hebben gebruikt en dus een veel grotere zichtbaarheid genieten.
Helaas is ook een overzicht van de bekende paleolithische sites niet onmiddellijk voorhanden. Dit zou in principe moeten kunnen opgeleverd worden door een analyse van de sites die in de CAI geregistreerd zijn, via parameters die voor het paleolithicum zijn aangepast. Voorbeelden zijn: type site, stratigrafisch verband of niet, evidente structuren of niet, bewaringstoestand, aard van observaties tot hiertoe, etc., indexen die op dit moment niet beschikbaar zijn. Hier ligt dus zeker nog werk voor de toekomst.
Voor het zover is, moet wel eerst worden gezorgd dat deze inventaris ook daadwerkelijk alles omvat dat tot hiertoe gerapporteerd is. Dit lijkt op dit moment niet het geval. Het CAI-werk moet dus zeker geïntensifieerd worden om de condities voor een onderzoeksbalans versie 1 te kunnen scheppen. In vele gevallen zal blijken dat deze bijkomende heuristiek niet veel meer dan enkel vindplaatsnamen oplevert, zonder veel data om echt iets mee te doen, maar als we in de toekomst bijvoorbeeld aan verspreidingsanalyses willen denken, laat staan aan verwachtingskaarten, dan is een zo exhaustief mogelijke inventaris uitermate belangrijk. Hiertoe zouden ook onontgonnen, ongepubliceerde collecties bij amateurs, lokale musea, etc., verder moeten kunnen geregistreerd worden. Dat zou een schat aan informatie kunnen opleveren en het sitebestand in sterke mate doen toenemen. Regelmatig worden door deze personen en instanties bijvoorbeeld middenpaleolithische vondsten getoond die uit goede bewaringscondities afkomstig lijken te zijn.

2 Balans van de sites

Terwijl we, zoals hierboven gesteld, de voorraad aan paleolithisch erfgoed nauwelijks kennen, is het nog veel slechter gesteld met onze kennis van de toestand ervan. We gaven boven al een schets van algemene kansen op (goede) bewaring in de verschillende archeoregio’s, maar echte validatie hiervan is voorlopig erg beperkt. De laatste jaren zijn gelukkig wel projecten opgestart die systematisch prospecteren naar goed bewaarde vindplaatsen en daarbij ook het (paleo)landschappelijke kader mee in overweging nemen (bijv. Scheldepolders, laatglaciale duinen in de Kempen, Moervaartdepressie, Limburgse leemgroeves). Systematische waarderingscampagnes op aangetroffen vindplaatsen kunnen het fundament vormen voor een toekomstige ‘erfgoedbalans’. Deze methodiek zou alvast uitgebreid kunnen worden naar alle valabele sites die in de CAI geregistreerd staan.
Het feit dat de laatste jaren regelmatig primair bewaarde sites in nieuwe contexten worden aangetroffen, 1 onderbouwt de stelling dat onze beste paleolithische bronnen nog in grote mate verborgen zitten. Het zal vooral voldoende en gepaste alertheid vragen om ze in de toekomst tijdig op te merken en verder te ontsluiten.

Voorlopig beperken we ons hier tot een korte schets van de algemene kenmerken en bewaringscondities van de sites zoals we die tot hiertoe in de verschillende periodes kennen.

  • Middenpaleolithicum
    Door de zeer lange tijdsduur enerzijds en het beperkte aantal opgravingen anderzijds, kan ons beeld op deze periode alleen maar anekdotisch zijn. De meeste middenpaleolithische contexten passeerden hoger al de revue. Ze zijn heel divers in omvang, sitetype en bewaringstoestand.
  • Magdaleniaan
    Zoals boven al gesteld, is Kanne voorlopig de enige onderzochte magdaleniaansite in Vlaanderen. Materieel gesproken gaat het louter om concentraties lithische artefacten. De locatiekeuze moet hier waarschijnlijk worden verklaard door de aanwezigheid van goede vuursteen in de nabijheid. Indicaties van echt residentieel verblijf in de regio ontbreken tot dusver. Een mooie werkhypothese voor toekomstige falsificatie?
  • Federmesser
    Heel anders is het beeld van de Federmessersites. Deze zijn gespreid over de verschillende archeoregio’s en getuigen duidelijk wel van residentieel verblijf. Ze bevinden zich systematisch op een drogere verhevenheid (in de zandstreken meestal oude duinen) nabij open water (vennen, meren of rivieren). Hoewel de omvang van de opgegraven ensembles sterk varieert, lijkt het er op dat ze meestal wel deel uitmaken van grotere sitecomplexen die waarschijnlijk meermaals opgezocht zijn, maar waar na onderzoek in Meer en Rekem toch ook een verband blijkt te bestaan tussen verschillende concentraties. 2 Organisch materiaal is op deze sites niet of nauwelijks bewaard en ook evidente haarden zijn niet geregistreerd, maar in plaatsen waar voldoende lithisch materiaal aanwezig is, zijn wel structurele patronen te herkennen. Samen geven ze een indruk van behoorlijk georganiseerde kampplaatsen. Het gevaar bestaat wel dat we door onze aandacht voor deze locaties (oude duinen) misschien andere soorten sites missen. Voorlopig lijkt het bijna of er enkel residentiele nederzettingen zijn. Opnieuw een falsifieerbare hypothese dus.
  • Ahrensburgiaan
    In vergelijking met de Federmesseroccupatie, is het Ahrensburgiaan opnieuw veel minder bekend. Voorlopig is Zonhoven-Molenheide de enige opgegraven site die hieraan met zekerheid wordt toegeschreven. Bij gebrek aan publicatie blijft het moeilijk deze verblijfplaats functioneel te interpreteren. Ook sites zoals Gent-Tweekerkenstraat blijven voorlopig problematisch. Oudere claims over (epi)Ahrensburgiaan kwamen van gemengde oppervlakteensembles en bleven tot hiertoe ongepubliceerd (Wachtebeke?). Ook hier ligt dus zeker een onderzoeksvraag voor de toekomst.

3 Overzicht van het archeologisch materiaal

Met betrekking tot de mobiele archeologische bronnen kunnen we hetzelfde opmerken als voor de sites. Een analyse van de inventaris zou in dit geval kunnen draaien rond parameters als grondstoffen, type materiaal, hoeveelheden, bewaringstoestand, etc.

4 Balans van het archeologische materiaal

Opnieuw beperken we ons tot een algemene schets van de bekende archeologische ensembles in de verschillende periodes.

  • Middenpaleolithicum
    Voor het middenpaleolithicum zijn in de Leemstreek de ensembles uit Lauw, Veldwezelt, Kesselt, Vollezele en Kluisberg het rijkst (telkens meerdere 100-en artefacten). In Veldwezelt werd occasioneel ook botmateriaal aangetroffen, maar zonder directe associatie met de archeologische vondsten. 3 Voor de sites uit de Vlaamse Vallei (Zemst, Rotselaar, Schulen) lopen de artefacten eerder in de tientallen. In dit laatste geval is naast lithisch materiaal ook botmateriaal geborgen dat wel menselijke modificatie kan hebben ondergaan. 4 5 De belangrijkste ensembles in het westen van Vlaanderen zijn Aalter-Nieuwendam en Aalter-Hageland. 6 Het gaat daarbij om enkele honderden artefacten vervaardigd in lokale grondstoffen, vooral vuursteen en in (veel) mindere mate ook fossiel palmhout en zandsteen. Een reeks kleinere lithische ensembles uit wetland/valleicontexten afkomstig van baggerwerken in de opvulling van de Vlaamse Vallei, zijn ondermeer aangetroffen in Gent, Berlare en Merelbeke.
    Tot slot zijn er talrijke losse vondsten afkomstig van prospectieactiviteiten die door hun grootte, patinering en algemene technologische kenmerken eveneens aan het middenpaleolithicum worden toegewezen.
  • Magdaleniaan
    Het archeologische materiaal op de magdaleniaansite van Kanne omvat een grote hoeveelheid vuursteen die gekarakteriseerd wordt door kwaliteitsvolle klingdebitage en grote kernen.
    De werktuigen zijn er beperkt maar gedomineerd door stekers op afknotting, gevolgd door grote klingschrabbers. Andere werktuigtypes zijn zeer beperkt en artistieke manifestaties ontbreken helemaal. Het materiaal is vrij zwaar gepatineerd, maar lijkt meestal van lokale oorsprong hoewel enkele stukken ook geïmporteerd kunnen zijn, mogelijk uit het Rijnland. Heel veel nieuw onderzoek kan hier voorlopig niet op gebeuren, het is vooral uitkijken naar nieuwe sites uit deze periode.
  • Federmesser
    Van de Federmessergroepen is er heel wat materiaal, al ingezameld sinds het begin van de twintigste eeuw en daardoor op verschillende plaatsen verspreid. Op de grondstoffen die zijn gebruikt kan zeker nog onderzoek gebeuren. Wommersom lijkt nog niet te zijn geëxploiteerd. De debitage wordt gekenmerkt door eenvoudige klingtechnologie die uitvoerig is beschreven in Meer en Rekem. Werktuigtypes variëren in hoeveelheid per site, maar omvatten altijd spitsen, stekers en schrabbers. Het gebruik hiervan is eveneens uitvoerig onderzocht in Meer en Rekem. Voor het finaalpaleolithicum zijn er maar twee sites met botmateriaal: Verrebroek Dok 2 7 en Tongeren-Plinius. 8 In beide gevallen gaat het om zwaar verbrande en dus deels ge(her)mineraliseerde resten die door de hoge fragmentatiegraad bijzonder moeilijk te determineren zijn. Voorlopig konden hierin enkel fragmenten van wild varken herkend worden. Verder is er, op de hars na die in Rekem op een spits was bewaard, voorlopig geen organisch archeologisch materiaal.
  • Ahrensburgiaan
    Het materiaal van het Ahrensburgiaan blijft voorlopig beperkt tot Zonhoven. Technologisch onderscheidt deze debitage zich van de Federmessergroepen, maar verder onderzoek hierop is zeker aangewezen. Voor de werktuigen valt de variëteit in spitstypes op, alle gekenmerkt door verdere microlithisatie. Eindschrabbers, stekers en boren lijken minder talrijk te worden.

1.7 Balans van onderzoeksvragen en interpretaties

1 Overzicht van onderzoek naar economische, sociale, culturele aspecten en processen

Om dit overzicht enigszins objectief te kunnen onderbouwen, is opnieuw een analyse van de bibliografie aan de orde. De trefwoorden die hiervoor zijn gekozen in functie van deze nulversie van de onderzoeksbalans (ecologie, economie, materiële cultuur, sociale structuren, geestesleven), zijn echter niet allemaal even goed van toepassing op het onderzoek van het paleolithicum. Onderzoeksvragen die daar aan de orde zijn sluiten meer aan bij thema’s als technologie, functionaliteit, nederzettingsdynamiek, landgebruik, mobiliteit, populatieprocessen, adaptatie, regionaliteit, etniciteit, ritueel gedrag, etc. Het uitklaren van deze oefening vergt zeker nog discussie. Voorlopig beperken we ons daarom opnieuw tot enkele pennentrekken.

Voor het middenpaleolithicum komen bovenstaande thema’s in de synthesewerken wel enigszins aan bod, maar toch met een overwegend descriptieve teneur: een eerder klassieke cultuurhistorische vraagstelling vanuit een chronologisch-regionaal perspectief. Op basis van de kwaliteit van het huidige databestand is het ook moeilijk om hier voorlopig ver op in te gaan.

Ook in het jong- en finaalpaleolithicum zijn de meeste bovenstaande thema’s al wel in min of meerdere mate bespeeld. Thema’s als regionale variatie en etniciteit kregen aanvankelijk de meeste aandacht 1 2 verdwenen dan wat van het toneel, maar zijn de laatste jaren opnieuw actueel. 3 Vragen rond populatieprocessen en culturele adaptatie in de overgang van pleistoceen naar holoceen waren altijd al aan de orde 4 en zijn met de huidige Global Warming natuurlijk helemaal ‘hot’. De laatste jaren komen voor de Federmessergroepen ook nogal wat vragen rond mobiliteit en gebruik van het landschap aan bod 5 6 waar de focus tot dan vooral intrasite gericht was. 7 8 9 Hoewel bij dit onderzoek naar nederzettingsorganisatie en –dynamiek vooral functionele activiteiten als verklaring naar voren gebracht worden, kan grondige analyse soms ook leiden tot een glimp van ritueel gedrag. 10 Het sterkst bestudeerd zijn wellicht thema’s als technologie en functionaliteit. 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Opmerkelijk is wel dat een systematische technologische en economische vergelijking tussen de grote ensembles 20 op een kleine aanzet na, 21 tot hiertoe niet heeft plaatsgevonden, terwijl er bijvoorbeeld toch heel wat materiaal gerefit is. Wel hebben verschillende individuele sites een technologische analyse ondergaan waardoor vergelijkingen in de toekomst mogelijk zijn. Ook periodeoverschrijdend onderzoek is aanbevolen, bijvoorbeeld door finaalpaleolithisch en (vroeg)mesolithisch materiaal volgens een uniform systeem te vergelijken en verschillen en overeenkomsten zo duidelijker te maken. De periodespecifieke methodologie die tot hiertoe gehanteerd werd, maakte vergelijking bijna onmogelijk. Tot slot moet als lacune nog worden meegegeven dat onderzoek naar voedselvoorziening en -consumptie door gebrek aan bronnenmateriaal voor het paleolithicum uitermate beperkt is gebleven.

1.8 Balans van het methodologisch en theoretisch werk

1 Balans van methodologisch werk

1.1 Overzicht van methodologische ontwikkelingen en toepassingen

Opnieuw geldt dat indexering van de bibliografie voor dit onderdeel nog moet gebeuren en dat het kiezen van trefwoorden verdere discussie vergt. Uiteindelijk moet dit best een overzicht geven van vernieuwingen in methodologie in Vlaanderen, tegen de achtergrond van internationale ontwikkelingen. We geven alvast een voorzet.

Wat het onderzoekskader betreft, drukte aanvankelijk vooral het Franse paradigma zijn stempel op het prehistorisch onderzoek in België. De bedoeling in de pioniersjaren was in de eerste plaats een (cultureel) chronologisch kader uit te werken en alle vondsten daarin een plaats te geven. Het schema dat in Frankrijk werd opgesteld vanuit de evolutionistische theorieën uit de 19de eeuw werd daarbij lange tijd beschouwd als hét model voor de indeling van de prehistorie. De onderliggende opvatting, geënt op het biologisch evolutionisme, dat er over de hele wereld een gelijkaardige algemene opeenvolging in de prehistorische materiële cultuur had plaatsgevonden, is in de Franse publicaties tot in de jaren 1940 terug te vinden. Van regionale variatie 1 was tot dan toe geen sprake. Het is essentieel omdat het - dit Franse schema met klassiek geworden begrippen als Aurignacien, Perigordien, Solutréen, Magdalénien en Azilien - een groot deel van de (ook niet-Franse) prehistorische archeologie domineerde. De Belgische (vooral Franstalige) vorsers in het bijzonder bleven dit lange tijd strikt volgen. Voor de toewijzing van het materiaal van Lommel aan het aurignaciaan, bijvoorbeeld, baseerden Hamal-Nandrin en Servais 2 zich onder andere op een vergelijking met het Keniaanse grotsite Elmenteita! 3 Hieruit blijkt hoezeer de theorie van een unilineaire, voor de hele wereld gelijk lopende evolutie, tot de grondbeginselen van het Belgisch prehistorisch denken bleef behoren en hoe het er lang enkel op aankwam de nieuwe vondsten hierin in te passen op basis van aanwezige ‘gidsfossielen’.
We mogen stellen dat van de nieuwe onderzoeksmethodes zoals die in omringende landen waren ontworpen en toegepast in de jaren voor en na de tweede wereldoorlog, aanvankelijk weinig vruchten waren geplukt voor de studie van het (finaal)paleolithicum in Vlaanderen. Het gevonden materiaal voldeed meestal ook niet aan vereiste criteria.
In de decennia na WOII valt vooreerst de opkomst van de statistiek in het archeologisch onderzoek op. V. Gordon Childe stelde al in 1956: "the archaeological concept of culture is largely statistical." 4 Daarmee volgde de archeologie de algemene tendens in de humane wetenschappen op dat moment. Nieuwe typologieën en bijhorende statistische methodes ontwikkeld door Bordes 5 voor het middenpaleolithicum, imponeerden een groot aantal prehistorici, ook in België. De Sonneville-Bordes en Perrot 6 7 stelden een typologische lijst op voor het jongpaleolithicum en verschaften daarmee een werkinstrument om ook sites waar enkel lithisch materiaal bewaard was op een degelijke wijze te bestuderen. Ten slotte werd voor "l'Epipaléolithique" (finaalpaleolithicum en mesolithicum) in de tweede helft van de jaren zestig een gelijkaardige typologie uitgewerkt door G. Rozoy en de "Groupe d'Etude de l'Epipaléolithique." 8 9 10 11 12
In België werden deze Franse kwantitatieve analysetechnieken vrij snel door enkele Belgische vorsers geaccepteerd. 13 In 1960 publiceerde J. De Heinzelin zijn eigen "Principes de diagnose numérique en typologie." Daarin evalueerde hij de mogelijkheden van de statistiek voor het typologisch onderzoek. Iets later publiceerde dezelfde auteur ook een typologisch handboek, 14 waarin hij poogde de tot op dat moment geconcipieerde types te inventariseren (uitsluitend lithische artefacten). Het was de bedoeling daarmee een einde te maken aan de heersende verwarring ten gevolge van de verschillende typologieën. Concreet leverde dat voor het finaalpaleolithicum echter geen ernstige statistische analyses op. Door K. Narr 15 werd de methode zelfs vrij expliciet in vraag gesteld. Ook cumulatieve grafieken werden voor paleolithische ensembles in Vlaanderen uiteindelijk zelden opgesteld. 16 Van Noten, die voor Meer II wel een cumulatieve grafiek uittekende, vond dat die een verkeerd beeld gaf van de nederzetting. 17
In Nederland werd in de jaren 1950 en 1960 overigens wel een groot wetenschappelijk project uitgewerkt, 18 waarbij ook het finaalpaleolithicum statistisch ontleed werd. Het project is echter om praktische redenen grotendeels in zijn opbouwfase blijven steken en de daaropvolgende publicaties vielen grotendeels op de ‘gidsfossielen’ terug. Vooral discussie over de juiste toewijzing van de sites aan één of andere groep en de plaats van die groep in een groter geheel bleven centraal staan.
Intussen waren in de theoretische geschriften uit de Verenigde Staten de eerste oproepen tot nieuwe benaderingswijzen te vinden, de zogenaamde New Archaeology. Directe impact daarvan op het onderzoek dat toen in Vlaanderen plaatsvond, is er niet meteen te merken, maar op langere termijn hebben deze ideeën zeker de toepassing van nieuwe methodologieën in de hand gewerkt. Voor de kleine finaalpaleolithische opgravingen in de jaren 1960 en 1970 bleef de verwerking echter vaak beperkt tot typochronologische studie van het materiaal en beschrijving van de terreincontext.
Expliciet nieuwe benaderingen en methodieken werden voor het eerst toegepast bij het onderzoek van Meer-Meirberg 2. 19 De combinatie van refitting, microwearanalyse en ruimtelijke analyse kreeg ook internationaal heel wat weerklank. Aangevuld met een uitgebreide attributenanalyse kreeg deze benadering later ook in Rekem een doorgedreven toepassing. 20 21
Tot vandaag beschikt de Eenheid Prehistorische Archeologie van de KULeuven over expertise in microwearanalyse (V. Rots) en in experimenteel werk met oog op de opbouw van middle range theory, maar de toepassing ervan op paleolithische ensembles in Vlaanderen bleef voorlopig beperkt.
Refitting werd wel iets vaker toegepast, niet alleen op finaalpaleolithische ensembles,22 maar ook uitgebreid op het laatpaleolithische ensemble van Kanne, en recenter op de middenpaleolithische sites van Veldwezelt en Kesselt. Ook reflectie over het nut en de opportuniteit van deze methode is regelmatig expliciet naar buiten gebracht. 23 24 25
Algemeen is intussen ook het gebruik van attributenanalyse op lithische assemblages. Behalve voor Rekem werd dit bijvoorbeeld ook toegepast in Verrebroek, Doel, Gent-Tweekerkenstraat, Weelde en voor onderzoek naar de middenpaleolithische levallois technologie.
Ingeburgerd is ook het gebruik van ruimtelijke analyse en GIS-toepassingen, zowel op de site-niveau 26 27 als voor verspreidingsanalyse van sites in studies van paleolithisch landgebruik en mobiliteit. 28 29 30 31 Het gebruik van ruimtelijke statistiek is daarbij voorlopig wel beperkt gebleven. 32
Belangrijke methodologische ontwikkelingen zijn ook vast te stellen in het terreinwerk. De laatste jaren vindt bijvoorbeeld opvallend veel surveywerk plaats via booronderzoek, ook in gebieden die voorheen niet prospecteerbaar waren. 33 Bij opgravingen wordt de methodiek aangepast aan de terreinsituatie en de bewaringsomstandigheden, maar vaak ook aan de tijdsdruk. 34
Veel aandacht gaat ten slotte naar het creëren van een absoluut dateringskader voor landschapsgenetische data. 35 Belangrijke aanzetten hiervoor vinden plaats in de Kempen, in Zandig Vlaanderen en in alluviale gebieden.

2 Balans van theoretisch werk

2.1 Overzicht van theoretische ontwikkelingen (reflecties over de discipline)

Ook voor dit onderdeel lijkt een bijkomende indexering van de bibliografie aangewezen, maar opnieuw worstelen we nog met het vinden van geschikte trefwoorden. In ieder geval willen we hier een onderscheid maken tussen theoretisch onderzoek rond langetermijnprocessen 36 en theorie (reflectie) over de discipline en het gevoerde onderzoek zelf. Hier focussen we op dat laatste.
Zoals uit het historische overzicht is gebleken, is het paleolithisch onderzoek in Vlaanderen traag op gang gekomen. Tot halfweg de twintigste eeuw heeft het zeker geen bijdrage gehad in ontwikkelingen op theoretisch vlak.
Voor de jaren 1950 kunnen we stellen dat minstens S.J. De Laet in Gent zeker op de hoogte was van de internationale methodologische en theoretische ontwikkelingen in de archeologie. Hij publiceerde als enige Vlaamse auteur een standaardwerk over de aard en de problemen van de archeologie, waarbij hij – aan de ene kant - de kritiek niet spaarde op de traditionele benaderingen, ongefundeerde etnische interpretaties en het gevaar voor politiek misbruik. Aan de andere kant formuleerde hij ook bedenkingen bij de positivistische benadering van de Amerikaanse archeologie. 37 later in vele talen vertaald.
Helaas heeft deze actie niet kunnen leiden tot bestendige theoretisch reflectie in de Vlaamse archeologie, die, in tegenstelling tot Nederland bijvoorbeeld, nooit actief heeft meegespeeld in de snelle epistemologische ontwikkelingen die zich vanaf de jaren 1960 internationaal hebben afgespeeld, in het bijzonder in de Angelsaksische wereld. Deze inzichten drongen maar sporadisch en in verdunde vorm door in projecten van paleolithisch onderzoek, in Meer of in Rekem bijvoorbeeld.
Recentere publicaties in Vlaanderen die expliciet handelen over theoretische ontwikkelingen in de archeologie van jagers-verzamelaars of over theorievorming in de archeologie, kennen we enkel in de vorm van licentiaatsverhandelingen. 38 39 40

1.9 Besluit en dankwoord

Besluit

Hoewel het paleolithicum in het Vlaamse gewest bij het begin van de 20ste eeuw voor het eerst aan het licht komt, komt er in Vlaanderen zélf pas in de tweede helft van die eeuw ernstig paleolithisch onderzoek op gang. Het duurt dan nog tot het laatste kwart van die eeuw eer dit enig volume aanneemt, zowel in terreinonderzoek als in publicaties. Fundamenteel toegenomen is het onderzoeksvolume sindsdien in feite niet meer, maar er zijn wel accentverschuivingen, zowel op het terrein, 1 als in publicaties.2 We trachten hier de balans op te maken van deze activiteiten tot hiertoe, en al een aanzet te geven van onderzoek dat in de (nabije) toekomst wellicht van gewestelijk belang is en bijzondere aandacht verdient.

Voor het vroegpaleolithicum zijn betrouwbare signalen van menselijke aanwezigheid voorlopig afwezig. Dit betekent uiteraard niet dat de mens hier überhaupt niet is geweest. Elke valideerbare vondst uit deze periode lijkt op dit moment van gewestelijk belang.

Voor het middenpaleolithicum is er een onevenwicht tussen intrinsieke mogelijkheden van het aanwezige erfgoed enerzijds en de feitelijke onderzoekstoestand anderzijds. Om die verhouding recht te trekken is er in feite behoefte aan een soort ‘masterplan’. Twee regio’s in het bijzonder hebben een groot paleolithisch potentieel. Enerzijds zijn er de loessgebieden in het oosten en zuidwesten van het gewest, vooral voor stratigrafisch onderzoek, maar potentieel ook met unieke in situ condities zoals in Kesselt-Op De Schans. Anderzijds is er de Vlaamse Vallei, een grote ‘sedimentval’ waarin naast lithisch materiaal ook bot is aangetroffen. In andere regio’s zijn dergelijke contexten minder voorhanden, maar a priori uitgesloten zijn ze nergens. Van gewestelijk belang in het middenpaleolithicum lijkt dan ook elke vindplaats die, óf zich in context bevindt, óf dateerbaar is, óf met organisch materiaal geassocieerd kan worden. Combinaties mogen uiteraard ook.

Voor het jong- of laatpaleolithicum is de toestand moeilijker in te schatten. Voorlopig lijkt het erop dat de mens hier in deze periode nagenoeg afwezig bleef. Dit betekent zeker niet dat we deze contexten voortaan mogen negeren. Naburige regio’s blijken immers wel opgezocht te zijn. Ook hier kan, zoals voor het vroegpaleolithicum, worden geargumenteerd dat élke valideerbare vindplaats van gewestelijk belang is.

Voor het finaalpaleolithicum is de verhouding tussen de ‘voorraad’ bronnenmateriaal en het hierop gevoerde onderzoek wellicht iets evenwichtiger. Toch is ook hier pas het voorbije decennium het potentieel geopenbaard van sites met een enorme omvang als Weelde, Meer en Lommel, van de rijke paleo-ecologische contexten in Lommel en Arendonk, van sites in de Leemstreek (Tongeren-Plinius) en van gestratifieerde contexten in alluviale gebieden (Verrebroek, Nijvel). Ondanks deze verschoven aandacht voor de landschappelijke context, blijft het verbinden van de archeologie met de omgeving vaak problematisch. Sites waar directe links voorkomen zijn nog steeds eerder zeldzaam (Lommel, Arendonk, Verrebroek-Dok 2). Dit onderzoek verdient dus zeker steun. Aanzetten hiervoor zijn gezet in het Verrebroekdok (meerdere laatglaciale sequenties pluridisciplinair onderzocht; zie diverse bijdragen in 3) en in Lommel (lopend geomorfologisch en paleo-ecologisch onderzoek van laatglaciale contexten. 4) Volgende stappen zijn het lopende onderzoek in en rond de Moervaartdepressie en paleolandschappelijk onderzoek in Arendonk. Alle overwegingen in acht genomen, lijken voor het finaalpaleolithicum sites die aan één van de volgende criteria voldoen van gewestelijk belang: archeologisch in situ, stratigrafisch in situ, dateerbaar, aanwezigheid van organisch materiaal, mogelijkheid tot paleo-ecologisch onderzoek, groot aaneengesloten areaal, in Leemstreek, in alluviale context, uit jonge dryas.

Te oordelen naar de stagnerende ‘omzet’, profiteert de paleolithische archeologie voorlopig niet mee van het groeiende preventieve terreinwerk dat plaatsvindt als gevolg van de Malta-conventie. Dit heeft waarschijnlijk te maken met meer beperkte actieve expertise op dit vlak binnen de uitvoerende bedrijven, maar vooral met het feit dat de toegepaste terreinmethodieken niet zijn aangepast aan het vinden van paleolithische sites. 5.
De diepere ontginningen worden niet systematisch begeleid door professionele archeologen en aardwetenschappers en aan de oppervlakte biedt de klassieke benadering met proefsleuvenonderzoek meestal niet de condities om paleolithische vondsten te treffen. Hiervoor zijn specifieke opgravingstechnieken aangewezen, met gerichte staalname en het gebruik van aangepaste zeven. Ook de bouwvoor, die nu meestal zonder verder inspectie wordt weggehaald, kan hierbij een rol spelen.
In dit perspectief is het zeker aan te bevelen om voor het paleolithicum en de steentijd in het algemeen in de toekomst verder proactief in te zetten op prospectie- en waarderingsonderzoek 6 7 8 en daarbij in het bijzonder naar sites die potentieel van gewestelijk belang zijn. 9 Reconstructies van het paleolandschap kunnen daarbij als leidraad fungeren.
Aansluitend hierbij lijkt een voor de hand liggende opdracht (maar wellicht een titanenwerk) een grondige evaluatie door specialisten van de duizenden sites die op dit moment in de Centrale Archeologische Inventaris zijn geregistreerd als ‘steentijd’ zonder verdere specificatie. Dit zal vooral moeten duidelijk maken of het hier een gebrek aan expertise van de inventariseerder betrof dan wel reële afwezigheid van diagnostisch materiaal. Binnen de sites die als ‘paleolithicum’ geregistreerd staan, zijn er maar een 50-tal nog niet op fase gespecificeerd. Misschien kunnen deze een vertrekpunt vormen. Daarnaast verdient het aanbeveling ook de wel toegewezen vindplaatsen aan een kritische screening te onderwerpen. In het bijzonder de sites die nu als vroeg- of als laatpaleolithicum geregistreerd staan, verdienen een kritische evaluatie. Om dit naar behoren te kunnen vervullen zal ook werk moeten worden gemaakt van een registratie van de collecties zelf. Tot slot dient ook de volledigheid van deze inventaris te worden nagegaan. Naast verdere controle van de literatuur kan een actieve ‘prospectie’ naar ongeregistreerde paleolithische collecties in Vlaanderen hierbij nuttig zijn.
Pas wanneer al deze acties naar behoren volbracht zijn, kan met enige geloofwaardigheid worden gewerkt aan een valabele erfgoedbalans. In dit stadium kan het hoger vermelde prospectie- en waarderingsonderzoek op het terrein worden ingezet om niet alleen de bedreigde, maar ook de inhoudelijk prioritaire zones te karteren en te waarderen en zo te werken naar paleolithische evaluatiekaarten, daarbij beseffend dat dit altijd dynamische instrumenten moeten blijven.

Voor de verwerking van materiaal uit het paleolithicum is in Vlaanderen op dit moment voor de meest courante methodes de nodige expertise en ‘knowhow’ aanwezig (typologie, technologie, attribuutanalyse, gebruiksporenonderzoek, refitting, GIS). Belangrijk is wel dat microwearanalyse ook in de toekomst beschikbaar blijft. Op het vlak van onderzoeksvragen en –thema’s, blijft voor alle periodes onderzoek naar chronologie, ecologie, landschappelijke setting en ruimtelijke organisatie nodig om complexere thema’s als techno-functionele adaptatie, mobiliteit, landgebruik, nederzettingsdynamiek en sociaal gedrag te kunnen bespelen. De hoogste prioriteit moet onderzoek krijgen dat kans biedt op inzicht in economische aspecten (voedselvoorziening, grondstofwinning en -consumptie), maar niet minder relevant is een perspectief op het vatten en begrijpen van cultureel en ritueel gedrag. Dit laatste vergt wellicht een iets actievere participatie in internationale theoretische debatten en de uitstraling daarvan in het archeologische discours in Vlaanderen.

Om het zover te kunnen brengen is dus zeker op het vlak van registratie, analyse en diagnose nog heel wat basiswerk nodig. Opmerkelijk is dat op dit moment maar enkele grote opgravingen ten gronde gepubliceerd zijn (Meer II, Rekem). Wat de publicatie van belangrijke sites betreft, is er dus zeker nog een achterstand in te halen. De sites waar al veel energie gestoken is in het terreinwerk en de analyse (vaak in de vorm van doctoraten) zouden daarbij best prioriteit krijgen. 10 Het verleden heeft geleerd dat het er anders soms niet meer van komt. 11 Ook in de toekomst moeten voldoende middelen beschikbaar blijven voor grondige uitwerking, academische analyse en internationale kadering. Over dat laatste moet zeker worden gewaakt. Het opstellen en gebruiken van deze onderzoeksbalans voor het Vlaamse Gewest, mag natuurlijk niet leiden tot het terugplooien op de eigen belangen en bekommernissen.
Om echt mee te spelen in dat internationale onderzoek is het van belang dat de publicaties ook in het buitenland bekend zijn en gebruikt worden. Digitale publicatie lijkt daarbij aangewezen, maar zeker zo belangrijk is regelmatig te blijven publiceren in het Engels of het Frans (zolang deze laatste taal naar het zuiden toe tenminste een groot bereik blijft kennen). Een andere les uit deze balans lijkt te zijn dat enkel projecten van voldoende omvang en waarbij ook voldoende middelen in de uitwerking worden geïnvesteerd kans maken om hun weg te vinden in de internationale literatuur. 12 Hopelijk blijven in de huidige Malta-ontwikkelingen dus nog onderzoeksgroepen overeind die voldoende kunnen investeren in post-excavation onderzoek en op lange termijn.

Dankwoord

Voor het maken van de kaartjes met paleolithische sites gekend in de CAI danken we Lies Op de Beeck en Katrien Cousserier.

2 Mesolithicum

  • Versie: 1
  • Datum: 27/10/2010
  • Auteurs: Marijn Van Gils, Philippe Crombé, Marc De Bie, Yves Perdaen, Joris Sergant, David De Wilde, Pierre Vermeersch, Machteld Bats, Gunther Noens

2.1 Inleiding

1 Afbakening in tijd en ruimte

De archeologie van het mesolithicum onderzoekt de laatste jagers-verzamelaars in hun toenmalige milieu, op basis van achtergelaten en bewaarde materiële sporen en resten. Het mesolithicum vangt ongeveer 11.200 jaar geleden aan met het begin van de huidige tussenijstijd (holoceen), het preboreaal. Gedurende het vroegholoceen kende het klimaat een geleidelijke opwarming, waardoor de zeespiegel steeg en de Noordzee langzaamaan volliep. Hierdoor werd ook de Scheldebedding naar het noorden verlegd.
Het zachtere klimaat trok een warmteminnende vegetatie aan. In Vlaanderen moesten berk en den als pioniers na verloop van tijd plaatsmaken voor een dicht gemengd loofbos. Deze dichte vegetatie betekende het definitieve einde van trekkende kuddes grote zoogdieren. Een overgang die reeds in het laatglaciaal was ingezet. Dit had als implicatie dat de mens in een dichtbeboste omgeving moest jagen op prooien die in kleine groepen leefden, zoals edelhert, ree, everzwijn en oerrund. Pijl en boog waren dan ook de typische jachtwapens van deze periode, waardoor pijlelementen (in silex of kwartsiet) zeer typerend zijn geworden voor de archeologie van het mesolithicum. Deze vaak kleine werktuigen worden met de noemer ‘microlieten’ aangeduid en vormen, samen met de bijproducten van hun typische productietechniek (kerfhalvering) zoals onder andere kerfresten, de voornaamste diagnostische artefacten.
In deze elementen, maar ook in de rest van de materiële cultuur van het mesolithicum, verschijnt veel meer regionale variatie dan in het paleolithicum. Terwijl bijvoorbeeld in verschillende kustgebieden in Europa de mens zich specialiseerde in visvangst en in het verzamelen van schelpdieren vanuit semipermanente nederzettingen, tonen de economie en levenswijze in onze streken overwegend een doorleven van de finaalpaleolithische tradities. Men leefde een nomadisch bestaan, waarbij kleine groepen door het landschap migreerden en tijdelijke nederzettingen bewoonden. In het binnenland worden die vooral op voormalige hogere ruggen langs open water aangetroffen.
Het einde van het mesolithicum treedt in wanneer een samenleving overschakelt op landbouw en veeteelt. Aangezien dit geen louter chronologisch criterium is, maar een economisch, hoeft het mesolithicum niet overal gelijktijdig te stoppen. Bovendien kan het ook nog voortleven terwijl de neolithische levenswijze reeds zijn intrede heeft gedaan, wat voor Vlaanderen waarschijnlijk het geval is. Terwijl de vroegneolithische bewoning in de leemstreek tot 5400 v.Chr. teruggaat, lijkt er namelijk een mesolithische aanwezigheid (vooral in de zandstreek) tot laat in het 5de millennium v.Chr. te zijn geweest.

2 Historiek van het mesolithische onderzoek in Vlaanderen

Dit omvat enkel het onderzoek vanaf de jaren 1970 en is enkel voor de relatief recentere periode wat gedetailleerder.

Systematisch onderzoek naar het mesolithicum werd in de Kempen vanaf de jaren 1970 opgestart door de KULeuven onder leiding van P. Vermeersch. In de jaren 1980 werden daarbij verschillende onderzoekers ingeschakeld (onder andere F. Geerts, R. Lauwers, G. Creemers, P. Gendel, D. Huyghe, P. Van Peer, …). Hierbij werden relatief veel sites opgegraven (onder andere te Dilsen, Brecht 1, Opgrimbie 2, Opglabbeek 3, Neerharen 4, Meeuwen 5, Weelde 6, Lommel 7, …). Hun opgravingsmethode was steeds nauwkeurig, maar de opgravingen bleven beperkt in de oppervlakte, waarbij telkens slechts één of hoogstens enkele concentraties werden blootgelegd. Ook de verwerking gebeurde relatief gedetailleerd, maar beperkte zich inhoudelijk meestal tot een typochronologische studie van de artefacten en een beschrijving van de profielen. Het onderzoek van Vermeersch -en later in een doctoraat bij hem door S. Bubel -benadrukte de impact van bioturbatie, zeer duidelijk op de Kempische oppervlaktesites.

Vanaf de jaren 1980 werden ook amateurvondsten verwerkt in licentiaatsthesissen (F. Geerts 8, K. Maes 9, G. Creemers 10, C. Verbeek 11, E. Heirbaut 12, …) en werd er actief geprospecteerd. Hiervan is het BTK-project te Opglabbeek, Meeuwen en Gruitrode het mooiste voorbeeld.
De jaren 1990 kennen grootschaligere opgravingsprojecten: in Zonhoven (maar daar dan vooral op het Ahrensburgiaan gericht 13) door de KULeuven (P. Vermeersch, C. Peleman), en vooral op de ruilverkaveling Weelde door het IAP en de KULeuven 14 (C. Verbeek, P. Vermeersch). Te Weelde werden grote oppervlaktes opgegraven en zeer veel finaalpaleolithische en mesolithische artefacten ingezameld, maar uitvoerige verwerking en publicatie is pas recent opgestart in licentiaatsverhandelingen bij M. De Bie (VUB: H. Nakken, 15 D. De Wilde 16) en doctoraatsonderzoek door D. De Wilde (VUB). Vanaf toen zouden de meeste opgravingen plaatsvinden in het kader van preventieve archeologie.
In 1999 werd in de Kempen voor het eerst systematische prospectie met ingreep in de bodem uitgevoerd door middel van booronderzoek. Voor de Meirberg te Meer 17 werd hierdoor een overzicht op het grootste deel van het site complex verkregen. Op basis hiervan werden, onder andere, twee geïsoleerde mesolithische concentraties geïdentificeerd en opgegraven. Dit, en gelijkaardig onderzoek te Bocholt, 18 gaf aanleiding tot een uitgebreid prospectieproject in de Kempen door M. Van Gils en M. De Bie (IAP/VIOE). Nieuwe sites werden opgespoord en gekende sites werden geherlokaliseerd met megaboringen, waarna verscheidene onderwerp uitmaakten van gedetailleerd waarderingsonderzoek (Ravels, Opglabbeek, Arendonk, Lommel, Wuustwezel, Merksplas) en opgraving (bijv. Arendonk, Lommel, Meer). 19 Door de combinatie met geomorfologisch en paleo-ecologisch onderzoek, worden hiermee het landgebruik en de nederzettingspatronen van de mesolithische (en finaalpaleolithische) mens bestudeerd.
In het kader van de CAI werd recent, naar aanleiding van amateurvondsten in de vallei van de Kleine Nete, door het VIOE geprospecteerd 20. Vele nieuwe vondstlocaties tonen dat vallei en valleiwanden veel rijker blijken te zijn dan voordien aangenomen. Begraven concentraties in alluviale context werden te Nijlen gevonden door het VIOE en de KULeuven, maar slechts gedeeltelijk opgegraven.
In het westen van het land start het mesolithisch onderzoek iets later dan in de Kempen, met prospecties door J. Vanmoerkerke (Mendonk) 21, L. Van Vlaenderen (Moervaart regio) 22 en G. Van der Haegen (Meetjesland regio), in het begin van de jaren 1980, later aangevuld met M. De Meireleir 23 en H. De Bock 24 (Waasland). Geprogrammeerd wetenschappelijk onderzoek wordt er in het begin van de jaren 1990 opgestart door de UGent in kader van doctoraatsonderzoek door P. Crombé (1990-1996), 25 en later J. Sergant (1998-2002), 26 Y. Perdaen (1998-2002) 27, en Gunther Noens (sinds 2005), aangevuld door een aantal BOF en FWO gefinancierde onderzoeksprojecten. Dit onderzoek omvat verschillende componenten: ten eerste grootschalige (nood)opgravingen van een 12-tal sites, voornamelijk in het afgedekte dekzandlandschap van de Scheldepolders, meer bepaald de benedenloop van de Schelde (specifiek Antwerpen linkeroever) bij de aanleg van de Verrebroek- en Deurganckdokken. 28 Daarnaast wordt dit afgedekte dekzandlandschap in de midden- en benedenloop van de Schelde door middel van systematische boorverkenningen geprospecteerd in het doctoraatsonderzoek van M. Bats (2004-2008). Ook worden alle data met betrekking tot het mesolithicum (naast finaalpaleolithicum en neolithicum) in Zandig Vlaanderen geïnventariseerd met het oog op een studie van landgebruik en nederzettingspatronen. Dit kadert in een onderzoek door J. Sergant (FWO-project 2004-2007) dat als basis dient voor een onlangs opgestart grootschalig interdisciplinair onderzoeksproject (GOA-project 2008-2011 “Prehistoric settlement and land-use systems in Sandy Flanders (NW Belgium): a diachronic and geo-archaeological approach”) gericht op een grondige paleolandschappelijke analyse (pollen, macroresten, geomorfologie, 14C dateringen, grondwaterreconstructie, enz.) van Zandig Vlaanderen tijdens het laatglaciaal en het vroegholoceen. Daarnaast wordt er aan de UGent in samenwerking met M. Van Strydonck ook methodologisch onderzoek verricht naar absolute dateringsmethoden en bemonsteringstechnieken in diverse onderzoeksprojecten (dateringsproject hertshoornen hakken, food crust dateringen, enz.). In samenwerking met Valérie Beugnier (KBIN) wordt tevens gebruikssporenonderzoek op lithisch materiaal uit het mesolithicum uitgevoerd. Tenslotte behandelen de doctoraatsthesissen van Y. Perdaen en G. Noens technologisch onderzoek (refitting en attributen analyse) van lithische assemblages en dat van J. Sergant uitgebreide ruimtelijke analyses.

3 Overzicht van actuele onderzoekers

De overgang van het finaalpaleolithicum naar het (vroeg)mesolithicum werd recent behandeld in het doctoraatsonderzoek door Yves Perdaen (UGent). Er is momenteel een doctoraat in voorbereiding door David De Wilde, onder begeleiding van Marc De Bie (VUB).

Voor het mesolithicum zelf is de UGent zeer actief. Naast Philippe Crombé, werken Yves Perdaen (tot 2004), Joris Sergant, Machteld Bats, Gunther Noens en Jeroen De Reu er regelmatig of continu op die periode. Hun onderzoek concentreert zich voornamelijk op Zandig Vlaanderen en de Scheldevallei, maar blijft hier niet uitsluitend toe beperkt. In de jaren 1980 verrichtte Philippe Crombé vooral onderzoek in de regio van de Vlaamse Ardennen (en het aangrenzende région des collines). Recentelijk onderneemt het UGent-team ook mesolithisch onderzoek in de aangrenzende delen van Nederland (Haelen, Sluiskil, …). Marijn Van Gils en Marc De Bie bestrijken daarnaast vanuit het VIOE en de Eenheid Prehistorische Archeologie van de KULeuven de Kempen, met occasionele projecten erbuiten. Vanuit de Vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie van de VUB begeleidt Marc De Bie ook een doctoraat in voorbereiding door David De Wilde. Erwin Meylemans (VIOE) heeft vanuit de CAI prospectieprojecten, voornamelijk in het Netebekken in de Kempen, verzorgd, en prospecteert en evalueert momenteel ondermeer mesolithische occupaties in de Scheldevallei, samen met Yves Perdaen (VIOE). Ook bij Pierre Vermeersch (KULeuven) komt het mesolithicum occasioneel nog aan bod.

De overgang van (laat)mesolithicum naar neolithicum, de neolithisatie van onze streken, vormde de laatste jaren een belangrijk onderzoeksthema. Vanuit Nederland liep hierop een grootschalig project, waarvoor Bart Vanmontfort (Universiteit Leiden, KULeuven) ondermeer het Vlaamse grondgebied behandelde, occasioneel in samenwerking met Marijn Van Gils (VIOE). Ook het UGent-team rond Philippe Crombé is rond deze problematiek zeer actief, ondermeer via de grootschalige opgraving van een drietal Swifterbantnederzettingen in het Deurganckdok te Doel. Verder dient het doctoraatsonderzoek van Erick Robinson (University of Sheffield), dat in nauwe samenwerking met de UGent wordt uitgevoerd, te worden vermeld. Tevens bestaat er een samenwerkingsverband tussen de UGent en Paris X-Nanterre (Dr. Pierre Allard), specifiek rond de lithische technologie in laat/finaalmesolithische en vroegneolithische tradities. Het foodcrust project in samenwerking met Mark Van Strydonck behandelt dan weer de problematiek van het dateren van voedselresidu op Swifterbant-aardewerk.

Vanuit de andere (federale) wetenschappelijke instellingen wordt momenteel in Vlaanderen geen mesolithisch onderzoek meer gevoerd, hoewel zij over belangrijke collecties beschikken (bijv. KMKG, met materiaal van Lommel, Meer, enz.) en vroeger wel degelijk in Vlaanderen actief waren (bijv. Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Meer). Ook sommige regionale musea beheren mesolithische collecties (bijv. Gallo-Romeins Museum in Tongeren, Vleeshuis in Antwerpen, Stedelijk Museum Hoogstraten), maar doen er in de regel geen onderzoek op. De enige uitzondering hierop vormt De Kolonie, Archeologisch en Historisch Museum in Lommel, waar Ferdi Geerts actief is rond de steentijd in de regio. Voorlopig is er ook nauwelijks actieve expertise in mesolithisch onderzoek in de (inter)gemeentelijke, stedelijke of provinciale archeologische diensten en in de zich ontwikkelende commerciële archeologie in Vlaanderen.

2.2 Balans van het terreinwerk

1 Overzicht van toevalsvondsten, prospectievondsten, opgravingen

Toevalsvondsten uit deze periode zijn relatief zeldzaam, vermoedelijk omdat het materiaal niet gemakkelijk herkend wordt door niet-specialisten. Dit geldt voor zowat de gehele prehistorie. Wanneer hier specifiek op wordt gelet en de opgravingsstrategie eraan aangepast, kunnen sites bij opgraving van recentere periodes. wel ‘toevallig’ worden aangetroffen.
Door amateurarcheologen zijn bij prospectie wel verschillende mesolithische sites ontdekt (vb. T. Caris, A. Goossens, J. Carolus, R. Maes, C. Verbeek, L. Van Vlaenderen, G. Van der Haegen, M. De Meireleir, H. De Bock, J. Deconinck, M. Velghe, L. Beeckman, J.-P. Parent, …), waarvan sommige zijn geïnventariseerd in het kader van licentiaatsverhandelingen, doctoraten, en onderzoeksprojecten. Soms gaven die aanleiding tot terreinonderzoek, bijvoorbeeld in Meer, Arendonk, Lommel of Weelde. Met uitzondering van Zandig Vlaanderen (J. Sergant) en de Vlaamse Ardennen (P. Crombé), die beide integraal zijn geïnventariseerd, zijn veel van deze sites en collecties echter slecht gekend. Veel data bevinden zich enkel in het hoofd van de prospectors zelf, wat op lange termijn zeker geen stabiele bewaring ervan garandeert. Sinds de aanmaak van de CAI worden vondsten vaker gemeld en systematisch geregistreerd. In het kader van de CAI zijn bovendien collecties van verschillende amateurs geïnventariseerd, maar voorlopig blijft dit relatief beperkt.
Prospectie door wetenschappelijke instellingen begon reeds in de eerste helft van de 20ste eeuw, maar vaak op weinig systematische wijze: Hamal-Nandrin bijvoorbeeld betaalde lokale bewoners voor mooie werktuigen die ze tijdens zijn afwezigheid voor hem inzamelden. Hiervoor werden regelmatig kuilen gegraven, waarbij prospectie en opgraving methodologisch in elkaar overvloeiden. Er werd zeer selectief ingezameld, met weinig of geen aandacht voor exacte locatie of context.
Pas vanaf de jaren 1980 werd systematischer geïnventariseerd (bijv. bovenvermelde licentiaatsverhandelingen) en werd er een prospectieproject uitgevoerd onder leiding van P. Vermeersch (KULeuven) en G. Creemers (KULeuven, nu Gallo-Romeins museum Tongeren): het BTK-project te Opglabbeek-Meeuwen-Gruitrode. 1 Hiermee werd op systematische wijze oppervlaktemateriaal ingezameld, beschreven en gelokaliseerd. Dit leverde veel vondstlocaties op, maar verder onderzoek hierop of een formele publicatie ervan bleven uit.
In 1978 start aan de UGent op initiatief van wijlen J. Nenquin het project “Archeologische Inventaris Vlaanderen”, 2 dat tot doel heeft zoveel mogelijk gemeenten systematisch te prospecteren, vooral door studenten in het kader van hun licentiaatsthesis. Dit nog steeds lopende project heeft voorlopig als resultaat dat een 100-tal gemeenten, het merendeel gelegen in de provincies Oost- en West-Vlaanderen, deels of integraal geprospecteerd zijn. In bijna elke gemeente werden mesolithische vondsten of concentraties gesignaleerd; sommige scripties werden gepubliceerd in de reeks “Archeologisch Inventaris Vlaanderen”; andere 3 4 5 werden verder verwerkt en aangevuld tot een regionale studie en gepubliceerd in de Buitengewone Reeks van AIV.
In de Kempen werden in de jaren 1990 de intensieve prospecties door C. Verbeek aangewend om de bedreigde terreinen van de ruilverkaveling Weelde op te volgen. Ter voorbereiding van de opgravingen werden tevens proefputten uitgezeefd (1m², grid 10x10m), als een eerste vorm van systematische prospectie met ingreep in de bodem. Deze methode werd ook op ander locaties gebruikt (bijv. Dilsen, Meer).
Systematische prospectie met ingreep in de bodem door middel van booronderzoek werd voor het eerst uitgevoerd door de UGent te Verrebroek 6 7 8 in het kader van noodonderzoek in het tracé van het Verrebroekdok. Op deze locatie werd zowel paleolandschappelijk als archeologisch geboord volgens de principes van prospectief en waarderend booronderzoek, opgesteld door B. Groenewoudt 9 voor afgedekte vindplaatsen. Alles samen werden iets minder dan 1500 boringen geplaatst, waarbij een vroegmesolithisch site-complex van meer dan 10 ha aan het licht kwam.
Vanaf deze periode worden prospectiemethodes zoals boringen en proefputten ter opvolging van bedreigde sites systematischer toegepast door de UGent, KULeuven, VIOE, en occasioneel ook door studiebureaus. Een mooi voorbeeld hiervan is het booronderzoek te Meer Meirberg in 1999. 10 11 Hierbij werd een overzicht van het grootste deel van het als monument beschermde site complex verkregen, op basis waarvan ondermeer twee geïsoleerde mesolithische concentraties werden geïdentificeerd en opgegraven. In 2007 volgden een derde en vierde. 12 13 Dit en gelijkaardig onderzoek te Bocholt 14 15 gaf aanleiding tot een uitgebreid prospectieproject in de Kempen. 16 Nieuwe sites werden opgespoord en oude geherlokaliseerd met megaboringen, waarna verscheidene onderwerp uitmaakten van gedetailleerd waarderingsonderzoek en opgraving (vb. Arendonk, Lommel). Ook in de alluviale context van de Scheldevallei wordt de mogelijkheden van booronderzoek aangetoond door een systematisch en uitgebreid UGent gefinancierd onderzoeksproject “De Vlaamse wetlands. Een archeologische verkenning van de Scheldevallei.” 17 18 19 Bedoeling van dit onderzoek, dat plaatsgreep op diverse locaties (Kerkhove, Oudenaarde, Doel, Verrebroek, Ename, Gavere, Kalken, Schellebelle, …) is het verfijnen van de boorstrategie voor steentijdvindplaatsen in afgedekte contexten door het testen van variaties in boordiameter, zeefmazen en boorgrid.
In het kader van de CAI werd recent naar aanleiding van amateurvondsten in de vallei van de Kleine Nete door het VIOE geprospecteerd. 20 Vele nieuwe vondstlocaties tonen dat vallei en valleiwanden veel rijker blijken te zijn dan voordien aangenomen. Begraven concentraties in alluviale context werden te Nijlen gevonden, maar nog niet volledig opgegraven. 21
In verhouding tot de grote hoeveelheid door prospectie bekende vindplaatsen, blijft het aantal opgravingen van mesolithische sites beperkt. De meeste zijn tevens beperkt gebleven tot kleine arealen, bijvoorbeeld in Holsbeek, Dilsen, Opglabbeek, Oudenaarde, Brecht, Schulen, Opgrimbie, Neerharen, Meeuwen, Weelde Paardsdrank, Vinderhoute, Kruishoutem, Maldegem, Oostwinkel, Ronse Muziekberg, Vloesberg Pottelberg, … Uitzonderingen zijn de wat grotere opgraving in Meer IV en Zonhoven, en de grootschalige opgravingen in Weelde, Doel, Verrebroek en Lommel. In het tracé van het Verrebroek- en Deurganckdok werd door de UGent in samenwerking met de Archeologische Dienst Waasland (ADW) de afgelopen 10 jaar ruim 1,5 ha “begraven mesolithisch landschap” systematisch opgegraven. De vroegmesolithische site van Verrebroek “Dok 1” is met zijn opgravingsvlak van ruim 5000 m² vooralsnog de grootste mesolithische opgraving in Vlaanderen; binnen dit areaal zijn resten van minstens 55 verschillende artefactenconcentraties aangesneden, die volgens de resultaten van een uitvoerig dateringsproject getuigen van frequente herbewoning van deze locatie gedurende meerdere eeuwen in het preboreaal en boreaal.
De opgravingsmethode op al deze sites varieerde, naargelang van de bewaringstoestand en de tijdsdruk, van nauwkeurige driedimensionele registratie van individuele stukken (bijv. Weelde Paardsdrank, Meeuwen, Meer IV, Kruishoutem, Maldegem, Oostwinkel), over inzameling per kwart vierkante meter in Verrebroek, Doel, Lommel-Maatheide en Lommel Molse Nete, tot vierkante meters in Weelde. Het laatste decennium vereist de tijdsdruk bij opgravingen in het kader van preventieve archeologie vaker compromissen.

2 Evolutie van het terreinwerk op mesolithische sites in de laatste 30 jaar

Voor een ‘objectieve’ diachronische kijk op de ontwikkelingen van het mesolithisch terreinwerk in Vlaanderen kunnen we gebruik maken van de artikelen in het tijdschrift Notae Praehistoricae. Voor de laatste 30 jaar (sinds 1979) geeft dit tijdschrift een goed beeld van het terreinwerk dat heeft plaatsgevonden op steentijdsites in België. Jaarlijks wordt hierin immers een overzicht gegeven van de opgravingscampagnes van het voorbije seizoen (seizoenen 1979 en 1980 in volume 1 van 1981; seizoenen 1984 en 1985 samen in volume 5 van 1985, daarna valt de publicatiedatum meestal samen met het opgravingsjaar). Hoewel het niet exhaustief is, zijn de belangrijkste campagnes hierin goed geregistreerd en kan deze bron als representatief worden beschouwd.
Voor deze analyse hebben we dus enkel verslagen van archeologische terreincampagnes bekeken. Zuiver post-excavation onderzoek werd uit de referenties geweerd, net als de artikelen die betrekking hebben op buitenlandse sites. Vervolgens is deze lijst geïndexeerd op gewest, archeoregio, periode, fase (vroeg/midden- of laatmesolithicum), type project (prospectie, waardering, opgraving) en uitvoerende instelling (bij samenwerking de belangrijkste partner). Voor de bespreking van evoluties over de jaren heen hebben we gebruik gemaakt van vijfjaarlijkse periodes (zogenaamde jaarkwintetten), te beginnen in 1979. Aangezien we nog niet over de gegevens van 2008 beschikken, betekent dit dat de laatste periode slechts vier jaar omvat. Vervolgens werd deze databank onderworpen aan een kleine kwantitatieve analyse.
Misschien is het nuttig om het mesolithisch onderzoek in Vlaanderen eerst te kaderen binnen het algemene steentijdonderzoek in Belgische context.
Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae tot 2007 per steentijdperiode en per gewest in België.Fig. 1: Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae tot 2007 per steentijdperiode en per gewest in België.
Van de 367 steentijd-terreincampagnes die voor België zijn gemeld, zijn de paleolithische (n=133) samen met de neolithische (n=153) duidelijk talrijker dan de mesolithische (n=81). Dit heeft natuurlijk veel te maken met het grottenonderzoek in het zuiden van het land. In Vlaanderen zijn de verhoudingen immers omgekeerd en zijn de paleolithische campagnes (n=36) duidelijk minder talrijk dan de mesolithische (n=55), die er zelfs de neolithische projecten (n=43) overvleugelen. In totaal zijn in Vlaanderen 36,5% (134 op 376) van de Belgische steentijdcampagnes uitgevoerd, van de mesolithische 67% (55 van 81). Dit kan toegeschreven worden aan de betere bewaringstoestand en vondstmogelijkheden in Vlaanderen, in het bijzonder in de afgedekte delen van Zandig Vlaanderen en in de Kempen.
Wanneer we dit onderzoek echter uitzetten over de laatste 30 jaar, worden wel opmerkelijke trends zichtbaar.
Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en per steentijdperiode in de Belgische gewesten.Fig. 2: Terreincampagnes gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en per steentijdperiode in de Belgische gewesten.
Terwijl voor Vlaanderen de hoeveelheid terreincampagnes min of meer stabiel bleef (20 tot 25 per 5 jaar), kende het zuiden van het land aanvankelijk een geleidelijke groei, met een piek in het midden van de jaren 1990, maar met een duidelijke terugval daarna. De laatste 4 jaar zijn er zelfs minder steentijdcampagnes gemeld in Wallonië/Brussel (n=18) dan in Vlaanderen (n=25).
Voor het mesolithicum is deze trend ook duidelijk zichtbaar. Terwijl Vlaanderen de laatste 4 jaar meer mesolithisch terreinwerk kende dan ooit (12 campagnes), bereikte het zuiden van het land een dieptepunt van slechts 1 campagne. Het is natuurlijk hier niet de plaats om de balans voor Wallonië op te maken, laat staan er een verklaring voor te geven.
Wanneer enkel naar het steentijdonderzoek in Vlaanderen wordt gekeken - en we dit binnen de grote periodes opsplitsen in fasen - komt hieruit wel wat variatie naar voren.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Fig. 3: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Er is een duidelijke stijging in middenmesolithicum sinds 1999, terwijl het laatmesolithicum de laatste vier jaar afwezig was. Vroegmesolithisch terreinwerk blijft hiertegenover relatief stabiel. Omdat het hier om kleine aantallen gaat, zijn deze trends natuurlijk sterk afhankelijk van meerjarige campagnes op eenzelfde site in een bepaald jaarkwintet. Daarnaast is de toewijzing van sites aan een bepaalde fase vaak problematisch, zie ook hoofdstuk Balans in de tijd: dateringsproblematiek.

Een opvallende trend in het steentijdonderzoek in Vlaanderen de laatste jaren is de groeiende investering in prospectie- en waarderingscampagnes. Ook dit komt tot uiting in de rapporteringen in Notae Praehistoricae.
Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007.Fig. 4: Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007.
De prospecties die hier tijdens het eerste kwintet gerapporteerd worden, zijn vooral studies op grote collecties die door amateurarcheologen waren verzameld. Het laatste decennium zijn het echter de professionele archeologen zelf die actief prospectie- en waarderingscampagnes opzetten, ondermeer in functie van inventarisatie- en beschermingsprojecten. Meestal gaat het daarbij om meerdereperioden-projecten, waarbij het mesolithicum ook aan bod komt, maar niet uitsluitend.
Als laatste oefening hebben we gekeken naar de instelling die (hoofd)uitvoerder was van de projecten die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Fig. 5: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per steentijdfase tot 2007 en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Voor het mesolithicum zijn drie instellingen duidelijk het meest vertegenwoordigd: de KULeuven, de UGent en NDO/IAP/VIOE. Het aandeel van de UGent is relatief klein voor het laatmesolithicum, maar het grootst voor het vroeg- en middenmesolithicum. De bijdrage van de overige instellingen (KBIN, provincie Antwerpen, ADW) is terug te brengen tot geïsoleerde projecten, maar het is interessant dat verschillende beleidsniveaus hierin vertegenwoordigd zijn (nationaal, provinciaal en intergemeentelijk). Deze ontwikkelingen komen nog sterker tot uiting wanneer we kijken naar de evolutie van het steentijdonderzoek in het algemeen over de laatste dertig jaar.
Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had.Fig. 6: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had.
De aanvankelijke dominantie van KULeuven is over de jaren heen duidelijk afgenomen, ;omgekeerd zien we het terreinwerk vanuit UGent sinds midden de jaren 1980 toenemen. Sinds de jaren 1990 neemt ook de Vlaamse Overheid (IAP/VIOE) in toenemende mate initiatieven tot terreinwerk op mesolithische sites.

2.3 Balans van de ontsluiting van het onderzoek

1 Werkwijze

Al het graaf- en onderzoekswerk wordt voor de wetenschap pas relevant wanneer de resultaten ervan ook behoorlijk gepubliceerd raken en opgepikt door de ruimere onderzoeksgemeenschap. In dit onderdeel gaan we na in hoeverre dit voor het onderzoek van het mesolithicum in Vlaanderen vlot verloopt.
Als basis voor deze analyse stelden we een zo exhaustief mogelijke lijst samen van de wetenschappelijke publicaties over onderzoek van het mesolithicum in Vlaanderen. Die kan in de toekomst verder fungeren als werkinstrument en staat via de ‘Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen’ voortaan ter beschikking van elke onderzoeker. Om deze databank in dit hoofdstuk te laten fungeren als analyse-instrument hebben we er een aantal bewerkingen op toegepast en vervolgens verschillende indexen in aangebracht.
De belangrijkste parameter om een idee te krijgen van de omvang van het gepubliceerde onderzoek is in dit geval, meer nog dan het aantal publicaties, de hoeveelheid nieuwe kennis. Deze trachten we uit te drukken in aantal bladzijden originele onderzoeksresultaten. Dit vergt natuurlijk wat evaluatie- en interpretatiewerk en verdient daarom enige toelichting. De volgende regels zijn hierbij in acht genomen:

  • Uitgangspunt en referentie is één pagina formaat A4 in een klassiek wetenschappelijk tijdschrift, genre Relicta of Archeologie in Vlaanderen. Voor de meeste referenties is bijgevolg effectief het aantal pagina’s genomen.
  • Voor publicaties (bijv. synthesewerken) die ook andere periodes of andere regio’s behandelen, is ingeschat hoeveel pagina’s hierin daadwerkelijk het mesolithicum in Vlaanderen tot onderwerp hebben. Wanneer binnen het mesolithicum verschillende fases aan bod komen, wordt dit gewoon vermeld, zonder verdere opsplitsing van het aantal pagina’s.
  • Voor thesissen en andere ongepubliceerde manuscripten die openbaar toegankelijk zijn, maakten we een inschatting van het aantal pagina’s dat het werk zou omvatten mocht het zijn omgezet naar een wetenschappelijke publicatie. Indien dit effectief ook is gebeurd (bijv. in Terra Incognita), namen we enkel de omvang van het gepubliceerde werk op. Dit geldt uiteraard ook voor doctoraatsverhandelingen die naderhand als boek werden gepubliceerd.
  • De algemene regel is dat in geval van meerdere publicaties over hetzelfde onderwerp, dezelfde pagina’s maar éénmaal werden geteld, in principe bij de hoofdpublicatie. Populariserende en vulgariserende werken over het onderwerp werden sowieso uitgesloten. Zij presenteren in de regel geen originele resultaten. Hetzelfde geldt voor cursussen en andere educatieve werken.
  • Zoals boven al gesteld, zijn zuiver geografische, geomorfologische, paleoklimatologische en andere natuurwetenschappelijke publicaties over deze periode niet opgenomen. Die komen immers in andere hoofdstukken van de onderzoeksbalans aan bod. Wanneer het onderzoek wel direct in relatie staat tot de archeologische context (bijv. stratigrafie, datering), is het wel opgenomen.
  • Evenmin geaccepteerd zijn loutere vondstmeldingen zoals die vroeger in Archeologie of in andere kronieken werden opgenomen. Aangezien die de laatste jaren rechtstreeks aan de Centrale Archeologische Inventaris worden doorgegeven, zou dit voor een scheeftrekking hebben gezorgd. Bovendien kunnen dergelijke signalementen meestal bezwaarlijk echt wetenschappelijk onderzoek worden genoemd.

Naast de omvang werd ook gekeken naar het jaar van publicatie. Om outliers enigszins te milderen werkten we opnieuw met periodes van 5 jaar, voor de steentijd in het algemeen beginnend in 1870, voor het mesolithicum specifiek pas in 1901. Omdat we maar tot 2007 gaan, omvat het laatste halve decennium voorlopig slechts drie jaar.
Voor het type van publicatie maakten we, zoals voorzien in de Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen, een onderscheid tussen boeken, bijdragen in boeken (‘boekdelen’), tijdschriftartikelen, papers gepubliceerd in de proceedings van een congres, thesissen en andere ongepubliceerde rapporten. Geëditeerde boeken zoals handelingen van een congres komen niet als geheel aan bod, aangezien de verschillende (relevante) bijdragen in principe apart zijn opgenomen.
Om een idee te krijgen van het internationale potentieel van het gepubliceerde onderzoek is ook de taal geregistreerd waarin het werk is geschreven. In principe zou een bibliometrisch onderzoek met analyse van impactfactoren de beste methode zijn om de ontsluiting binnen het internationale onderzoek te meten. Mogelijk kan dit bij de volgende versie van de onderzoeksbalans aan bod komen. Voorlopig proberen we hier enkel een inschatting te maken op basis van eigen kennis en ervaring.

2 Overzicht van gepubliceerd onderzoek

Wanneer bovenstaande regels in acht worden genomen, beschikken we momenteel over een gegevensbank van 298 wetenschappelijke publicaties over het mesolithicum in Vlaanderen, waarvan 64 in dezelfde publicatie gecombineerd met paleolithicum en 28 in combinatie met neolithicum. Dit is meer dan een vierde van de meer dan 1000 steentijdpublicaties en meer dan een derde, indien enkel de periodegebonden werken worden weerhouden (dus zonder niet gespecificeerd steentijdonderzoek).
Hoewel publicaties over steentijdvondsten in Vlaanderen al starten in de 19de eeuw, voor het mesolithicum specifiek in het begin van de 20ste eeuw, komt er pas na de Tweede Wereldoorlog enige regelmaat in het aantal publicaties, met een geleidelijke groei tot in de jaren 1970.
Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaar.Fig. 7: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaar.
Een plotse toename treedt op in de jaren 1980, gevolgd door een duidelijke afname in de jaren 1990. De laatste jaren zou mogelijk opnieuw sprake kunnen zijn van een toename, rekening houdend met een projectie voor de jaren 2008 en 2009 in het laatste jaarkwintet dat voorlopig slechts 3 jaren bevat.
Hoewel het mesolithicum deze tendensen in het aantal publicaties in grote lijnen volgt, lijkt de daling sinds de jaren 1980 veel geringer. Deze relatieve stabiliteit kon boven ook al worden opgemerkt in het aantal terreincampagnes sinds de jaren 1980.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Fig. 3: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Zoals voor de andere periodes vormen tijdschriftartikels 60% van de wetenschappelijke publicaties over het mesolithicum.
Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatie.Fig. 8: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatie.
Boekdelen komen op de tweede plaats met 15%, waarop congrespapers en thesissen volgen met elk iets minder dan 10%. Boeken (3%) en rapporten (2%) zijn duidelijk in de minderheid.
Voor het steentijdonderzoek in het algemeen hebben tijdschriftartikels altijd het gros van het publicatietype uitgemaakt, met opnieuw een opvallende piek in de jaren 1980, gevolgd door een al even opmerkelijke terugval in de loop van de jaren 1990.
Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.Fig. 9: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.
Het mesolithicum volgt deze trend grotendeels, maar het aantal tijdschriftartikels blijft stabieler na de piek in de tweede helft van de jaren 1980, en vertoont een lichte groei vanaf de eeuwwisseling.
Aantal wetenschappelijke publicaties van mesolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.Fig. 10: Aantal wetenschappelijke publicaties van mesolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.
Vanaf de jaren 1980 gaan ook de thesissen, congrespapers en boekdelen regelmatig een substantieel deel van de wetenschappelijke werken uitmaken sinds eind jaren 1990 maken ook de rapporten er deel van uit. Dit alles komt eveneens tot uiting in het aantal gepubliceerde pagina’s origineel onderzoek over de jaren heen.
Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over mesolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.Fig. 11: Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over mesolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar.
De substantiële bijdrage die thesissen kunnen leveren in de onderzoeksoutput is hier zelfs iets zichtbaarder. Boeken zijn zeldzaam, zeker het laatste decennium, en individuele publicaties hebben dan ook een minder sterke invloed op deze analyse dan bijvoorbeeld voor het paleolithicum het geval is.
Wanneer we nagaan welke mesolithische fases door welke publicatietypes belicht zijn,
 VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.Fig. 12: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.
valt meteen de ondervertegenwoordiging van het middenmesolithicum op in alle publicaties, ook in verhouding tot het aantal terreincampagnes op deze periode.
 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Fig. 3: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet tot 2007 per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.
Waarschijnlijk zijn die grotendeels opgegaan in de grote aantallen publicaties die, ofwel meerdere periodes binnen het mesolithicum overspannen, of waarvan de fase onbepaald is.
In ieder geval blijven de tijdschriftartikels voor alle fases, en zowel in totale omvang aan pagina’s als zeker in aantal publicaties
 VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.Fig. 13: Aantal wetenschappelijke publicaties van mesolithisch onderzoek in Vlaanderen, per steentijdfase en per type publicatie. Legende: VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.
het belangrijkste kanaal voor de publicatie van onderzoeksresultaten over het mesolithicum in Vlaanderen.
Als maatstaf voor de (potentiële) internationale verspreiding van het gepubliceerde onderzoek werd ook naar de taal van de werken gekeken. Daaruit blijkt dat de helft van alle wetenschappelijke publicaties over mesolithicum in Vlaanderen in het Nederlands zijn uitgebracht, het Frans en het Engels elk de overblijvende kwarten innemen, terwijl Duits en Italiaans een verwaarloosbaar klein percentage vertegenwoordigen (respectievelijk slechts 3 en 1 publicaties).
 VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.Fig. 14: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.
De verdeling tussen de mesolithische fases volgt hetzelfde patroon als bij de verdeling over publicatietypes.
 VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.Fig. 12: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.
 VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.Fig. 13: Aantal wetenschappelijke publicaties van mesolithisch onderzoek in Vlaanderen, per steentijdfase en per type publicatie. Legende: VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.
Dezelfde oefening geeft een gelijkaardig beeld voor het aantal gepubliceerde bladzijden originele onderzoeksresultaten, maar hier blijken de Frans- en Engelstalige publicaties toch veel sterker door te wegen.
 VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.Fig. 15: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; M=mesolithicum onbepaald.
Het spreekt voor zich dat, om internationaal enige relevantie te hebben en de kwaliteit te blijven bewaken, in de toekomst Engels- en Franstalige publicaties moeten worden aangemoedigd.
In de pioniersjaren en tot in de jaren 1970 domineerde het Frans als wetenschappelijke taal het mesolithicumonderzoek in Vlaanderen, zowel wat het aantal publicaties
Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd.Fig. 16: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd.
als het aantal gepubliceerde pagina’s betreft.
Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd.Fig. 17: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over mesolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd.
Het Nederlands komt van in de jaren 1970 opzetten en neemt zijn dominante positie in vanaf de helft van de jaren 1980. Vanaf begin jaren 1980 neemt het Engels snel een groot deel in, terwijl de publicaties in het Frans vanaf de helft van de jaren 1990 sterk daalt. In het Duits werd sinds de jaren 1970 niet meer gepubliceerd.
Voor deze versie van de onderzoeksbalans was het zoals boven vermeld niet mogelijk een echte impactmeting uit te werken. Voor enige inschatting van de uiteindelijke impact van het mesolithisch onderzoek in Vlaanderen op het internationale forum kunnen wel de publicaties over het onderzoek te Verrebroek en Doel in ISI-tijdschriften met ranking en impact factor (Antiquity, Journal of Field Archaeology, Journal of Archaeological Science, Current Anthropology) evenals enkele internationale recensies (Bulletin de la Société Préhistorique Française, Journal of Quaternary Science) vermeld worden. Bovendien worden de Swifterbantsites van Doel als enige Belgische vindplaatsen opgenomen in een aantal internationale overzichtwerken, zoals The Agricultural Revolution in Prehistory” (Barker, 2006; Oxford University Press) en “Adoption of Agriculture in Ireland: what are the research challenges” (Graeme Warren 2008). Tot slot kan worden gemeld dat Vlaamse onderzoekers sinds 1978 vertegenwoordigd zijn op de grote internationale mesolithische congressen. Occasioneel waren zij zelf organisator (Leuven 1990, Brussel 2007).

2.4 Balans in de tijd

1 Dateringsproblematiek

Het opbouwen van een gedetailleerde chronologie op basis van absolute dateringsmethodes (voornamelijk 14C), wordt voor het mesolithicum bemoeilijkt door het ontbreken van gestratifieerde sites. Zowel in de Kempen als in Zandig Vlaanderen bevinden de sites zich nabij het oppervlak, in het beste geval in een begraven podzolbodem, met steeds een intense bioturbatie van de artefactconcentraties tot gevolg. Dit maakt het moeilijk om de homogeniteit van ensembles te bepalen, zowel voor het aanwezige lithisch materiaal als voor eventueel dateerbare organische elementen. Associatie van het gedateerde materiaal met de mesolithische occupatie is dan ook vaak problematisch gebleken. 1 2 3 4
De vaststelling dat de artefactconcentraties meestal deel uitmaken van uitgestrekte site complexen met aanwezigheid van meerdere periodes, benadrukt het risico op palimpsestsituaties en toont dat één enkele datering moeilijk de volledige occupatiegeschiedenis van een dergelijk site complex kan beschrijven. 5 Dit wordt heel duidelijk geïllustreerd door het grootschalige dateringsonderzoek van de UGent en het KIK in Zandig Vlaanderen, meer specifiek op de uitgestrekte site van Verrebroek “Dok 1” (zie verder). In combinatie met de schaarsheid van organische resten in de droge en zure zandbodems, heeft dit het chronologisch onderzoek in de Kempen sterk beperkt. In de Kempen zijn betrouwbare absolute dateringen hierdoor nagenoeg afwezig, waardoor het mesolithicum veelal op typologische basis relatief gedateerd wordt, en dan voornamelijk op basis van de microlieten.
Enkel recent onderzoek in de Netevallei leverde een artefactconcentratie in een begraven alluviale context op die goed geassocieerd kon worden met veenbandjes. Een eerste datering toonde hier het potentieel voor verder onderzoek. 6
In Zandig Vlaanderen en de Scheldepolders is het dateringsonderzoek daarentegen heel ver gevorderd, vooral voor de periode van het vroegmesolithicum en het finaalmesolithicum. Het midden- en laatmesolithicum blijven voorlopig nog amper gedateerd, maar dit is enkel toe te schrijven aan een gebrek aan opgegraven contexten. Via uitgebreide dateringsprogramma’s op sites zoals Verrebroek en Doel is aangetoond dat, door toepassing van strenge selectiecriteria bij de bemonstering van de sites en een grondige en specifieke voorbehandeling van de monsters in het laboratorium het toch mogelijk is om een betrouwbaar dateringskader voor het mesolithicum in de Vlaamse zandstreek op te bouwen. Door enkel oppervlaktehaarden te bemonsteren die ruimtelijk goed geassocieerd zijn met de lithische concentraties en te dateren op materialen met een korte levenscyclus (verkoolde hazelnootschelpen, zaden, pitten, enz.) in plaats van op houtskool, zijn een 80-tal betrouwbare dateringen uitgevoerd waarmee een fijne (typo)chronologie kon opgebouwd worden. 7 8 9 10 Hieruit blijkt dat lithische ensembles met verschillende typologische samenstelling in het vroegmesolithicum (9500-8500 BP) ongeveer gelijktijdig voorkwamen in de regio, wat vragen opwerpt over de mogelijkheden van typologische seriatie voor relatieve datering van het mesolithicum. Binnen hetzelfde project werd ook aangetoond dat dateringen op haardkuilen, zoals aangetroffen in grote aantallen te Verrebroek en Doel, 11 niet kunnen worden aangewend voor typochronologische doeleinden. Voor wat het finaal mesolithicum betreft, geven de voorlopige resultaten van het foodcrust project aan dat organisch aankoeksel bewaard op (Swifterbant)aardewerk evenmin gebruikt kan worden vanwege een reservoir ouderdom van enkele honderden jaren.

2 Overzicht van de gekende sites per periode

Voor een overzicht van de bekende mesolithische sites per chronologische fase, werd de Centrale Archeologische Inventaris van Vlaanderen (CAI) als bron gebruikt. Vooraf moeten in verband met de waarde en het gebruik van deze bron wel enkele zaken worden opgemerkt:

  • Enkel de sites waarvan de ligging enigszins bekend is (namelijk tot op 500m nauwkeurig) zijn in deze analyse in aanmerking genomen. Er is dus nog een (onbekend) aantal vindplaatsen niet opgenomen.
  • De eenheid ‘site’, basis voor het unieke ID in de CAI en hier gebruikt als teller, is natuurlijk een problematisch begrip. In sommige gevallen zijn verschillende loci van één site-complex als aparte sites geteld (bijv. in Weelde-Eindegoorheide en Lommel-Maatheide), in andere gevallen als één site. Het viel natuurlijk buiten de opzet van deze balans om hier zelf éénvormigheid in aan te brengen. Wel is er bij het maken van kaarten (bij de ruimtelijke balans; zie verder) voor geopteerd om enkel de gemeenten te plotten waar vondsten zijn gerapporteerd, zonder enige kwantitatieve aanduiding. Verder gaan we ervan uit dat deze schommelingen in alle periodes voorkomen en dus worden uitgevlakt in de vergelijkingen.
  • De belangrijkste problematiek bij het gebruik van deze bron is de vraag naar de representativiteit. Bevat de CAI daadwerkelijk een inventaris van alle mesolithische vindplaatsen die in Vlaanderen bekend zijn, of ten minste gepubliceerd of gemeld? We moeten er sowieso van uitgaan dat bepaalde collecties nog niet ontsloten zullen zijn, zoals onlangs heel duidelijk bleek uit een grondige evaluatie van de Oost-Vlaamse records in de CAI. 12 In dit onderzoek werd vastgesteld dat het overgrote deel van de steentijdsites in Zandig Vlaanderen niet opgenomen is. Ook deze screening gaat de opzet van de onderzoeksbalans te boven - het impliceert immers een aparte evaluatie van de CAI op zich - maar op basis van een kleine toets moesten we toch vaststellen dat er ook met betrekking tot de gepubliceerde vondsten ongetwijfeld nog lacunes zijn. In de gebruikte referenties valt bijvoorbeeld op dat de Repertoria of de vroegere kroniek in Helinium een relatief beperkt aantal keren als bron zijn vermeld. Mogelijk zijn vele meldingen hierin niet voldoende precies gelokaliseerd en daardoor niet in onze lijst aanwezig, maar talrijke vondstmeldingen in de Repertoria bijvoorbeeld, geven wel vaak de primaire literatuurbron aan waarin mogelijk betere lokalisatie te vinden is. De vraag is dus of alle lokale tijdschriften bijvoorbeeld ook volledig zijn geëxcerpeerd.
  • Hiernaast moet de nauwkeurigheid van de CAI-gegevens op dit moment voor ogen gehouden worden. Evaluatie en lopende redactie van de CAI tonen dat in sommige opnames eenvoudigweg vergissingen geslopen zijn (slecht overgenomen uit de literatuur), andere zijn gebaseerd op oude publicaties, nog andere zijn gebaseerd op meldingen door amateurarcheologen of afkomstig uit prospectiethesissen, waarvan de interpretatiekwaliteit al eens kan variëren. Het spreekt voor zich dat deze registraties in de eerste plaats kritische evaluatie behoeven.

Zolang deze vragen niet zijn beantwoord, is het evident dat we deze inventaris met de grootste omzichtigheid moeten gebruiken in kwantitatief onderzoek., in het bijzonder voor het westelijke deel van Vlaanderen, Omdat het in zekere zin wel deel uitmaakt van een balans, hebben we toch in grote lijnen de inhoud van de CAI voor het mesolithicum onderzocht.

Van de bijna 5000 locaties die begin 2008 in de CAI geregistreerd stonden als steentijdsite, is maar 13% in het mesolithicum gesitueerd.
Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode.Fig. 18: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode.
Dit aandeel ligt tussen dat van het paleolithicum (7%) en van het neolithicum (23%) in. De meerderheid van de registraties (58%) heeft dus betrekking op lithisch materiaal waarvan de steentijdperiode niet kon worden gedetermineerd.
Binnen het mesolithicum
Aantal registraties in de CAI van mesolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per mesolithische fase.Fig. 19: Aantal registraties in de CAI van mesolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per mesolithische fase.
domineren in deze inventaris de laatmesolithische sites (21%) boven de vroegmesolithische (11%), met de middenmesolithische als duidelijke minderheid (3%). De grote meerderheid is dus niet tot op de fase gedetermineerd (65%).

3 Balans van het onderzoek per chronologische fase

Voor een overzicht van het terreinwerk dat per mesolithische fase plaatsvond, verwijzen we naar vorige besprekingen van de evolutie van het terreinwerk in de laatste dertig jaar en van de dateringsproblematiek. De bespreking van publicaties per chronologische fase is eveneens boven terug te vinden in het overzicht van gepubliceerd onderzoek.

2.5 Balans in de ruimte

1 Overzicht van de bekende sites per archeoregio

De verspreiding van de mesolithische sites over de archeoregio’s werd eveneens bekeken op basis van de gegevens in de CAI.
Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s.Fig. 20: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s.
Het mesolithicum blijkt daarbij de trends van het paleolithicum te volgen, met het grootste aantal sites in de Kempen (60%), gevolgd door de (zand)leemstreek (24%) en tenslotte de Vlaamse zandstreken (15%). Uit het recente inventarisatiewerk van J. Sergant blijkt wel dat er in de CAI een ondervertegenwoordiging bestaat van mesolithische (en paleolithische) sites in Zandig Vlaanderen. In de valleien van de grote rivieren en in de duin- en poldergebieden bleven de vondsten voorlopig beperkt in aantal (samen 1,5%).
Het spreekt voor zich dat de kritische opmerkingen over (een deel van) de sites die in de CAI als mesolithicum geregistreerd staan, ook hun weerslag hebben op de waarde van de kaarten. Omdat dit zoals gezegd inherent deel uitmaakt van de stand van zaken van het onderzoek en dus in deze balans thuishoort, geven we hier toch verspreidingskaarten van de gemeenten waarin mesolithicum is gemeld.
Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris mesolithicum gekend is (toestand begin 2008).Fig. 21: Verspreiding van gemeentes in Vlaanderen waarin volgens de Centrale Archeologische Inventaris mesolithicum gekend is (toestand begin 2008).
Hieruit blijkt dat deze plaatsen over het hele gewest verspreid zijn. Sites in de Maasvallei zijn er wel (bijv. Neerharen, Opgrimbie) maar horen bij gemeenten waarvan het centrum net buiten de vallei ligt. Voor het kustgebied is de afwezigheid wel reëel. In de poldergebieden hebben enkel de Scheldepolders duidelijk sites opgeleverd. De mogelijke oorzaken van deze spreiding is hieronder te vinden in “het mesolithische potentieel van de archeoregio’s”.
In een samenvatting van de mesolithische fasen per regio
Aantal registraties in de CAI van mesolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per mesolithische fase in de verschillende archeoregio’s.Fig. 22: Aantal registraties in de CAI van mesolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per mesolithische fase in de verschillende archeoregio’s.
vallen de niet nader bepaalde mesolithische sites als uitschieter op. De verdeling over vroeg-, midden- en laatmesolithicum volgt in de voornaamste regio’s (Kempen, Zandig Vlaanderen en de (zand)leemstreek) dezelfde trend als voor heel Vlaanderen (zie boven: overzicht van de bekende sites per periode), met enkel een relatieve ondervertegenwoordiging van het laatmesolithicum in Zandig Vlaanderen.

2 Het mesolithische potentieel van de archeoregio’s

Voor het mesolithicum is het onderscheid in verschillende archeoregio’s vooral relevant omdat de variatie in sedimenten, topografie en historisch landgebruik voor duidelijke verschillen in bewaringstoestand en vondstkansen zorgen.
In de Maasvallei bieden laatglaciale duinen en oeverwallen nabij de pleistocene Maasbedding potentieel op de aanwezigheid van mesolithische sites, zoals in Neerharen. 1 Ook aan de voet van het Kempisch Plateau (Opgrimbie; 2) of op de rand ervan (Dilsen 3) kunnen sites bewaard zijn. Voorlopig zijn in de Maasvallei nog weinig sites echt gekend. Gerichte prospectie is hier pas zinvol na gedetailleerd paleolandschappelijk onderzoek.
Voor de Kempen is er in de zandcontexten en omwille van het relatief vlakke terrein sinds het laatglaciaal weinig watererosie en –sedimentatie. Mesolithische sites zijn er daardoor bij het huidige oppervlak of in het geval van recentere zandverstuivingen in vrij ondiepe toestand begraven. Dit maakt hen opspoorbaar via gericht prospectieonderzoek met boringen of proefputten, maar ook kwetsbaar voor processen van bioturbatie en verploeging. Door de arme Kempische bodem zijn er nog steeds zones over in bos- en heidegebieden (de vroegere zogenaamde woeste gronden) waar de sites goed zijn bewaard in de (podzol)bodem. Zelfs in de jongere landbouwontginningen kunnen de ensembles nog duidelijk geconcentreerd aanwezig zijn. 4 5 In beide gevallen kunnen ze wel vermengd zijn geraakt met vroegere finaalpaleolithische occupaties. 6 Gestratifieerde sites waar de finaalpaleolithische occupatie geassocieerd met een Usseløbodem onder de mesolithische occupatie begraven is, zijn voorlopig zeldzaam. 7 Arendonk-De Liereman: 8 Sites met stratificatie binnen het mesolithicum zijn momenteel onbekend.
Door de droge zure bodems zijn er nauwelijks bewaringskansen voor organisch materiaal. Er is daarom geen informatie over de organische component van de materiële cultuur en ook goede dateringsmogelijkheden zijn gelimiteerd. Het moet ook gezegd dat de druk op de ruimte enorm blijft en mogelijke goed bewaarde contexten in snel tempo verdwijnen. 9
Mesolithische vondsten in alluviale context waren in de Kempen nagenoeg onbekend, totdat systematisch prospectiewerk in het kader van de CAI er verrassend veel aan het licht bracht. 10 Recent onderzoek te Nijlen-Varenheuvel 11 biedt zeker perspectieven, ook naar het aantreffen van gestratifieerde contexten.
Voor Zandig Vlaanderen geldt in enige mate ook wat al voor de Kempen is aangehaald, alleen is hier heel wat minder oppervlakte buiten landbouw gebleven en zijn de landbouwactiviteiten ook veel intenser geweest. Hierdoor kunnen de sites via field walking gemakkelijk en snel in kaart gebracht worden, maar zijn ze doorgaans minder goed bewaard. Duidelijke concentraties, waaronder uitgestrekte site-complexen doen zich in Zandig Vlaanderen vooral voor langsheen de droge oevers van middelgrote tot grote beken en rivieren, zoals de Kale/Durme; verder weg van deze watersystemen komen eerder kleine vindplaatsen voor. 12 13 14 Vooral opmerkelijk is de gevoelige afname van sites naar het laatmesolithicum toe, wat mogelijk een reflectie is een afnemende mobiliteit als gevolg van een toenemende bebossing en vernatting van het landschap.
Het grootste onderzoekspotentieel situeert zich duidelijk in de wetlands,waaronder de Kust- en Scheldepolders en het alluvium van beken en rivieren. 15 Voorlopig is de meeste informatie afkomstig van de midden- en benedenloop van de Schelde, waar het “mesolithisch” landschap afgedekt is door veen en/of alluviale en peri-mariene kleiige sedimenten. Zo zijn er in het Waasland onder de Scheldepolders bij het aanleggen van de dokken al op verschillende locaties zeer goed bewaarde mesolithische sites aangetroffen (Verrebroek, Doel) en interdisciplinair onderzocht. 16 17 Verder stroomopwaarts langs de Schelde zijn vooral de alluviale sites van Oudenaarde Donk vernoemenswaard. 18 19 Hoewel op geen enkele van deze wetlandsites, vooralsnog, niet-verbrande organische resten zijn aangetroffen, bestaat er toch nog een potentieel, vooral voor de recentere mesolithische fasen. Hiervan getuigen de talrijke baggervondsten van mesolithische benen spitsen/harpoenen en doorboorde hakken, waarvan een deel, volgens een recent dateringsproject, teruggaat tot het mesolithicum. 20 21 Nadeel van de wetlands is dan weer dat de sites die er begraven liggen door hun doorgaans diepe ligging iets moeilijker op te sporen zijn dan in de niet-afgedekte regio’s van de Kempen en Zandig Vlaanderen 22 maar ze zijn er in principe wel beter bewaard.
In de duinen en kustpolders zijn voorlopig geen echte mesolithische sites bekend en is het voorlopig niet duidelijk of hier nog primaire contexten kunnen bewaard zijn. Voor de Noordzee zelf stelt zich dezelfde vraag. 23
In tegenstelling tot de zandstreken zijn de lemige gebieden wel zwaar onderhevig geweest aan watererosie, mede onder invloed van de intensieve landbouw in deze vruchtbare contexten. In de zandleemstreek zijn door erosie van plateauranden en hellingen ongetwijfeld heel wat sites verdwenen of diep begraven. Hierdoor vertonen de valleien, en dan voornamelijk de oeverwallen van de rivieren, het grootste bewaringspotentieel. Het mesolithicum in het Hageland is voornamelijk van deze contexten gekend (bijv. Holsbeek 24) naast vele siterestanten die in de ploeglaag zijn achtergebleven. In het Zuid-Vlaamse heuvelgebied, waaronder de Vlaamse Ardennen, komen mesolithische vindplaatsen preferentieel voor op hooggelegen zandige (tertiaire) opduikingen (bijv. te Ronse Muziekberg, Kluisberg, Pottelberg, …). De afwezigheid van valleisites is vermoedelijk het gevolg van selectieve en gerichte prospecties in het verleden, waarbij men bijna uitsluitend aandacht had voor de plateaus en hellingen. 25
In de Leemstreek is de toestand nog dramatischer en zijn op de toppen en hellingen vaak meters sediment verdwenen, terwijl lagere delen diep onder colluvium zitten. ‘Sites’ zijn hier slechts geïsoleerde vondsten. Recent werden echter op verschillende opgravingen in Tongeren (bijv. Vermeulenstraat) op een zandige rug onder het Romeinse niveau mesolithische vondsten aangetroffen. Dit opent zeker perspectieven voor nieuw onderzoek in deze regio.

3 Evolutie van het terreinwerk in de archeoregio’s

Om een kwantitatief idee te krijgen van de verdeling van het mesolithische terreinwerk over de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen gedurende de laatste dertig jaar, maakten we opnieuw gebruik van de rapportage in Notae Praehistoricae.
Zeer opvallend hierbij is de dominantie aan mesolithisch terreinwerk in de Kempen en Zandig Vlaanderen en het ontbreken hiervan in de (zand)leemstreek.
Terreincampagnes (1979-2007) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg-, midden- en laatmesolithische sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.Fig. 23: Terreincampagnes (1979-2007) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg-, midden- en laatmesolithische sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.
Dit heeft natuurlijk veel te maken met de bewaringskansen van deze sites in deze verschillende regio’s, zoals hierboven besproken. In de Maasvallei heeft, op een tweetal vroege campagnes na (Neerharen en Opgrimbie), sinds lang geen mesolithisch onderzoek meer plaatsgevonden. In de Scheldepolders zien we een overwicht aan vroegmesolithicum, terwijl Zandig Vlaanderen en de Kempen een relatief gelijkmatige verdeling vertonen. Door de bovenvermelde dateringsproblematiek lijkt het moeilijk om de lichte variaties hierin als relevant te beschouwen.
De evolutie per jaarkwintet van het mesolithische terreinonderzoek per archeoregio toont een dominantie in Zandig Vlaanderen in het eerste deel van de jaren 1990 en vooral ook de voorbije jaren.
Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2007) op mesolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.Fig. 24: Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2007) op mesolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.
De Scheldepolders kennen vooral onderzoek vanaf midden jaren 1990, maar dit vertoont een dalende evolutie. De Kempen zijn steeds sterk aanwezig, met pieken in het begin van de jaren 1980 en rond de eeuwwisseling, en een daling tijdens de laatste 4 jaar.
Een blik op de archeoregionale verdeling van de instellingen die (hoofd)uitvoerder waren van de projecten die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd, leert dat de terreinexpertise verspreid zit: in de polders en Zandig Vlaanderen vooral bij UGent, in de Kempen vooral bij KULeuven en VIOE.
Terreincampagnes (1979-2007) op mesolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.Fig. 25: Terreincampagnes (1979-2007) op mesolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae.

2.6 Balans van de bronnen

1 Overzicht van de sites

Op dit moment valt nauwelijks in te schatten wat de ‘voorraad’ is van mesolithisch erfgoed in Vlaanderen. Waar altijd geldt dat een archeologische inventaris, in dit geval de CAI, maar een fractie omvat van het reëel aanwezige archeologische erfgoed (per definitie de tot hiertoe bekende sites), geldt deze beperking in nog veel grotere mate voor het mesolithicum.
Helaas is ook een overzicht van de bekende mesolithische sites niet onmiddellijk voorhanden. Dit zou in principe moeten kunnen opgeleverd worden door een analyse van de sites die in de CAI geregistreerd zijn, via parameters die voor het mesolithicum zijn aangepast. Voorbeelden zijn: type site, stratigrafisch verband of niet, evidente structuren of niet, bewaringstoestand, aard van observaties tot hiertoe, enz. Indexen die op dit moment niet beschikbaar zijn. Hier ligt dus zeker nog werk voor de toekomst.
Voor het zover is, moet wel eerst worden gezorgd dat deze inventaris ook daadwerkelijk alles omvat dat tot hiertoe gerapporteerd is. Dit lijkt op dit moment niet het geval. 1 Het CAI-werk moet dus zeker geïntensifieerd worden om de condities voor een onderzoeksbalans versie 1 te kunnen scheppen. In vele gevallen zal blijken dat deze bijkomende heuristiek niet veel meer dan enkel vindplaatsnamen oplevert, zonder veel data om echt iets mee te doen. Maar als we in de toekomst bijvoorbeeld aan verspreidingsanalyses willen denken, laat staan aan verwachtingskaarten, dan is een zo exhaustief mogelijke inventaris uitermate belangrijk. Hiertoe zouden ook onontgonnen, ongepubliceerde collecties bij amateurs, lokale musea, etc., verder moeten kunnen geregistreerd worden.

2 Balans van de sites

Mesolithische sites komen relatief veel voor in Vlaanderen. Ze zijn verspreid over verschillende archeoregio’s. 2 Ze bevinden zich nagenoeg steeds op een drogere verhevenheid (in de zandstreken meestal oude duinen) nabij open water (vennen of rivieren), of bij gebrek aan uitgebreid paleolandschappelijk onderzoek, toch minstens in een gradiëntzone. Deze topografische eenheden lijken systematisch een grote hoeveelheid artefactconcentraties te bevatten, wat op herhaaldelijke occupatie van deze site complexen wijst. Het voorkomen van het volledige werktuigspectrum lijkt een residentieel verblijf te tonen, maar recent gebruikssporenonderzoek op verschillende sites in Zandig Vlaanderen en de Scheldepolders, waaronder Verrebroek, Doel en Oudenaarde 3 4 heeft aangetoond dat een éénduidige functionele interpretatie niet mogelijk is. Naast de vervaardiging en herstellen van jachtuitrusting, vormen huid- en plantbewerking op de meeste sites de voornaamste, soms nagenoeg de enige activiteiten. Andere, meer arbeidsintensieve, activiteiten zoals been-, gewei- en houtbewerking komen slechts sporadisch voor. De huidige data lijken dus eerder in de richting te wijzen van zeer kortstondige activiteiten die nauw met de jacht gerelateerd zijn. Ruimtelijke analyses van enkele goedbewaarde sites, zoals Verrebroek “Dok 1” en Doel “Deurganckdok-sector J/L en M” 5 6 wijzen op het bestaan van vooral kleine artefactenconcentraties (gemiddeld <20 m²) met een hoge tot zeer hoge vondstdichtheid, waarbinnen soms een niet-gestructureerde oppervlaktehaard kan getraceerd worden op basis van de spreiding van de verbrande artefacten en ecofacten. 7 Vaak worden rond de haard restanten van enige vorm van ruimtelijke organisatie aangetroffen, zoals een zone bestemd voor huidbewerking (vaak ten noordwesten van de haard), een andere voor de aanmaak en retoolen van microlieten en soms nog een zone waar werktuigen voor plantbewerking teruggevonden worden. Indicaties van het opruimen van de leefvloer worden vaak aangetroffen onder de vorm van kernen die, hetzij naar de periferie van de haardzone zijn weggeworpen, hetzij als dump buiten de haardzone achtergelaten zijn. Grotere artefactenconcentraties die meerdere 10-tallen m² beslaan, blijken doorgaans palimpsesten te zijn van meerdere opeenvolgende occupaties, die soms wel, maar soms niet meer uit elkaar te halen zijn 8. In Zandig Vlaanderen worden op mesolithische sites vaak ook talrijke haardkuilen teruggevonden, die behalve houtskool weinig archeologisch materiaal bevatten. Koolstofdateringen hebben te Verrebroek “Dok 1” en Doel “Deurganckdok-sector B” aangetoond dat deze structuren niet noodzakelijk gelijktijdig zijn met de andere mesolithische relicten op deze locaties. Te Verrebroek zijn ze jonger dan de vroegmesolithische bewoning; te Doel zijn ze ouder dan de Swifterbantoccupatie. Het gebruik van haardkuildateringen om artefactenconcentraties of mesolithische bewoningen absoluut te dateren blijft dus problematisch.
De typische inplanting en de hoge densiteit op deze landschappelijk uitgesproken locaties zorgen voor een hoge vindkans, waardoor het mogelijk is om er gericht naar te prospecteren. Het blijft echter nodig om mogelijke andere types van sites op andere plekken in het landschap, geïsoleerde kortstondige verblijven met eventueel een specifieke functie, niet uit het oog te verliezen en er actief naar te prospecteren, vermits ze unieke mogelijkheden bieden voor het behandelen van specifieke onderzoeksthema’s. Recente prospectie in de alluviale context van de Kleine Nete heeft hiervan het potentieel aangetoond, en recentelijk werd te Verrebroek naar aanleiding van een uitbreiding van de ambachtelijke zone te Aven Ackers prospectief onderzoek gedaan in een gebied dat vanwege zijn lage topografische ligging ten zuiden van een kilometers lang site complex een algemeen lage verwachting voor mesolithische sites had. 9 10 Door toepassing van een zeer dicht boorgrid, zowel bij de landschappelijke als bij de archeologische kartering konden op drie afgedekte, uitermate kleine zandkopjes resten van verschillende concentraties uit diverse fasen van het mesolithicum gedetecteerd worden. Aansluitende opgravingen leverden diverse loci op die op grond van hun low-density getuigenissen zijn van zeer efemere haltes van rondtrekkende jagers-verzamelaars. Gepland gebruikssporenonderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre de activiteiten op deze sites afwijken van deze binnen de bovengenoemde site complexen.

3 Overzicht van het archeologische materiaal

Met betrekking tot de mobiele archeologische bronnen kunnen we hetzelfde opmerken als voor de sites. Een analyse van de inventaris zou in dit geval kunnen draaien rond parameters als grondstoffen, type materiaal, hoeveelheden, bewaringstoestand, etc.

4 Balans van het archeologische materiaal

Van het mesolithicum is er heel wat lithisch materiaal ingezameld.
Hedendaagse (intra)site studies van lithische concentraties bestaan uit een gecombineerde aanpak van typologisch, technologisch en functioneel onderzoek aangevuld met radiometrische analyses van geassocieerde (verkoolde) organische materialen. Ondanks de bovenvermelde aanwezigheid van relatief goed bewaarde (vroeg)mesolithische sites in Vlaanderen (i.e. afgedekt en goed gedateerd), is de technologische component van deze onderzoeksstrategie tot kort geleden eerder beperkt gebleven. 1112
Sinds enkele jaren worden een aantal concentraties van de vindplaatsen Verrebroek en Doel onderworpen aan een uitgebreid technologisch onderzoek (morfotechnologische analyse, grondstofonderzoek, attribuutanalyse en refitting) in een poging om, naast een typologische en radiometrische karakterisering, te komen tot diagnostische technologische karakterisering van deze concentraties. 13 14 15 16 Hierbij komt de nadruk te liggen op de reconstructie van de chaîne opératoire, met een speciale focus op de reductiesequenties, productiemethoden en –technieken, de selectie van dragers en de productie van werktuigen. In tegenstelling tot het strikt lineaire typochronologische model voorgesteld in de jaren ’80, heeft het recente grootschalige typochronologische onderzoek in Zandig Vlaanderen de aanwezigheid van tenminste vier verschillende, en deels gelijktijdige microlietassemblages aangetoond voor het vroegmesolithicum. De eerste resultaten van het recente technologische onderzoek lijken deze variabiliteit te bevestigen. Zulk een geïntegreerde aanpak laat toe meer inzicht te verkrijgen in de socio-economische organisatie, het landgebruik- en nederzettingssysteem en de functionele, culturele en chronologische variabiliteit van het (vroeg)mesolithicum in Zandig Vlaanderen. Een uitbreiding van dergelijke analyses is nodig.
Op de grondstoffen die zijn gebruikt kan zeker nog onderzoek gebeuren, zeker op de voornaamste grondstof: silex. wommersomkwartsiet komt vaak voor. Het gebruik van deze grondstof lijkt doorheen het mesolithicum steeds toe te nemen. De verspreiding ervan lijkt een specifieke geografische afbakening te kennen, wat nog meer geldt voor het kwartsiet van Tienen, dat voornamelijk in de westelijke helft van Vlaanderen wordt aangetroffen. Ftaniet komt sporadisch voor.
Typologisch kenmerkend voor het mesolithicum zijn microlieten, waarvan enkel de trapezia algemeen aanvaard worden als diagnostische types voor een fase binnen het mesolithicum, namelijk het laatmesolithicum. De technologie die gebruikt werd voor het gecontroleerd breken van klingen voor de vervaardiging van microlieten, de kerfhalveringstechniek, komt eveneens enkel in het mesolithicum voor, net als de bijproducten hiervan zoals kerfresten en montbaniklingen. De debitage zelf vertoont veel variatie, van een zeer verzorgde microklingdebitage, in het laatmesolithicum in de Kempen vaak op wommersomkwartsiet, tot zeer onregelmatige afslagdebitage op lokale silex van slechte kwaliteit. Het lithische materiaal is echter relatief klein qua afmetingen. Naast microlieten bevatten mesolithische ensembles meer generieke werktuigen zoals stekers (vooral vroegmesolithicum), en boortjes, maar vooral relatief kleine schrabbers.
Het onderzoek te Doel “Deurganckdok” heeft op drie locaties aardewerk opgeleverd dat duidelijk door jagers-verzamelaars uit de eindfase van het mesolithicum (5de millennium v.Chr.) is vervaardigd en zeer veel affiniteiten vertoont met het Swifterbant-aardewerk uit de Nederlandse delta. 17 18 Op andere locaties in Vlaanderen werd neolithische keramiek in een mesolithische context aangetroffen. 19, Weelde Paardsdrank 20, Lommel Molse Nete 21
Botmateriaal en organische artefacten zijn nagenoeg afwezig wegens de slechte bewaringsmogelijkheden daartoe op de gekende sites. Enkel verbrand materiaal wordt aangetroffen, voornamelijk houtskool, hazelnootschelpen, zaden, etc. uit haarden. Niet verbrande organische artefacten zijn alsnog enkel gekend van baggerwerken voornamelijk langsheen de Schelde.

2.7 Balans van onderzoeksvragen en interpretaties

1 Overzicht van onderzoek naar economische, sociale, culturele aspecten en processen

Voor een objectieve analyse van de literatuur zijn voor het mesolithicum, net zoals voor het paleolithicum, andere trefwoorden nodig dan degene die in functie van de nulversie van de onderzoeksbalans archeologie werden gekozen. Het volgende beknopte overzicht geeft de belangrijkste krachtlijnen weer.

Zoals voor het paleolithicum was lange tijd de klassieke cultuurhistorische vraagstelling vanuit een, vaak regionaal georiënteerd, chronologisch perspectief het belangrijkst.1 Pogingen tot het uitbouwen van een degelijke interne chronologie behaalden hierbij tot voor kort2 maar weinig reëel resultaat. 3
Door de zeldzaamheid van niet-lithische vondsten en de cultuurhistorische achtergrond blijft men vooral werken rond de typologische variabiliteit en chronologische seriatie. Gelukkig is er de laatste jaren sprake van een thematische verbreding en komen steeds vaker aspecten als functionaliteit en technologie aan bod. 4 5 Daarnaast wordt sporadisch onderzoek geleverd met betrekking tot mobiliteit, etniciteit, sociale territoria. 6 7 8 Hierbij speelt vooral het onderzoek van specifieke grondstoffen zoals Wommersomkwartsiet en kwartsiet van Tienen een belangrijke rol. Het gaat hier om grondstoffen waarvan het oorsprongsgebied gekend is, dit in tegenstelling tot de meeste vuursteenvarianten. 9 10 11 12 13 Slechts zeer uitzonderlijk wordt onderzoek verricht naar voedselvoorziening, 14 wat voornamelijk te wijten is aan de zeldzaamheid van vondsten in organisch materiaal.
Vanaf midden jaren 1990 werd meer aandacht geschonken aan nederzettingsdynamiek en het landschapgebruik. 15 16 17 18 19 20 De vroeger overwegend intra-site aanpak 21 22 23 werd hierbij open getrokken. Deze evolutie houdt verband met de schaalvergroting in de preventieve archeologie. Het onderzoek beperkte zich in het verleden vaak tot het opgraven van één of twee vondstenconcentraties. Tegenwoordig worden vaak meerdere concentraties per site onderzocht. Daarnaast wordt dit opgravingswerk vaak landschappelijk gekaderd door het zetten van een groot aantal geologische, en vaak ook door archeologische boringen, waardoor duidelijk is dat de opgegraven concentraties vaak slechts een kleine fractie vormen van de gehele site.
Er is in het verleden zeker gewerkt rond interne nederzettingsorganisatie, maar dit verdient na de recente inzichten in de bredere nederzettingsdynamiek zeker nieuwe studies, bij voorkeur op grotere schaal. In het kader hiervan werd in het westen van het land ook veel aandacht geschonken en belangrijke vooruitgang geboekt wat betreft interne chronologie, voornamelijk voor de vroegere periodes. 24
Vanaf hetzelfde moment gaat veel aandacht uit naar populatieprocessen en culturele adaptatie (technologie, landschapsgebruik, …) in de transitie van het pleistoceen naar het holoceen, van finaalpaleolithicum naar vroegmesolithicum. 25 26 27 Ook neolithisatieprocessen en de laatmesolithische reactie op nieuwe landbouwgemeenschappen zijn erg in trek. 28 29 30

2.8 Balans van methodologisch en theoretisch werk

1 Balans van methodologisch werk

1.1 Overzicht van methodologische ontwikkelingen en toepassingen

Aangezien het mesolithicum en het (finaal)paleolithicum steeds in grote mate door dezelfde onderzoekers werden bestudeerd, lopen de onderzoekskaders en methodologische ontwikkelingen van het mesolithisch onderzoek in Vlaanderen grotendeels parallel met die van het (finaal)paleolithicum.1
Er kan echter worden aangestipt dat er tot op heden relatief weinig gedetailleerde functionele analyses zoals microwearanalyse zijn uitgevoerd op mesolithische ensembles, behoudens enkele recentere uitzonderingen. 2 3 Een uitgebreide combinatie van refitting, microwearanalyse en ruimtelijke analyse zoals voor het finaalpaleolithicum te Meer en Rekem werd uitgevoerd, is dan ook nog niet toegepast op mesolithische sites. Refitting wordt de laatste jaren echter wel algemener aangewend, maar vaak gaat het niet verder dan een potentieelinschatting binnen één en dezelfde concentratie. 4 5 Uitgebreide refittingstudies waarbij het materiaal van meerdere concentraties wordt betrokken 6 zijn zo goed als onbestaande. Morfologische beschrijving, al dan niet met attributenanalyse, vormt meestal de basis van lithische studies. Hierbij hebben de technologische studies ondertussen wel sterk aan belang gewonnen tegenover de louter typologische benadering. 7 8 9 10 11 Ruimtelijke analyse, vaak met GIS-toepassingen, wordt ook algemener aangewend, zowel op het inter- en intrasite niveau 12 13 14 als bij verspreidingsanalyse van mesolithische sites voor studies van landgebruik 15 16 17 18, en zelfs occasioneel in het kader van ‘predictive modelling.’ 19

Absolute dateringsmethoden werden tot in de jaren 1980 relatief weinig toegepast. Niet zozeer door de zeldzaamheid van dateerbaar materiaal in de gekende Vlaamse sites, maar doordat de 14C dateringen vaak slechte of onbetrouwbare resultaten door associatieproblemen gaven. 20 Vanaf de jaren 1990 is er sprake van een kentering. De ontwikkeling van AMS laat het gebruik van veel kleinere hoeveelheden toe, waardoor vaak individuele fragmentjes gedateerd kunnen worden in plaats van bulkmonsters. Hierdoor kan een veel strengere selectie van het te dateren materiaal worden doorgevoerd. Houtskool wordt nog slechts zelden weerhouden voor 14C dateringen, tenzij afkomstig uit duidelijk gesloten contexten zoals haardkuilen. De voorkeur gaat steeds vaker uit naar potentiële voedselresten (verkoolde hazelnoten, verbrand bot of in contexten met een betere bewaring bot met snijsporen of aardewerkresten met organische verschraling of aankoeksel). Deze aanpak heeft in Verrebroek en Doel voor belangrijke vooruitgang gezorgd in de mesolithische chronologie. 21 Rond 14C dateringen wordt in dit kader tevens methodologisch werk verricht. 22 23 Methodologische studies rond de analyse van voedselresten op aardewerk wordt momenteel eveneens uitgevoerd. 24 25

Op het terrein werden eind jaren 1990 nieuwe prospectietechnieken door middel van boringen ingevoerd, 26 waarmee zowel prospectie van voorheen niet prospecteerbare locaties als grootschalig waarderingsonderzoek werden aangevat. 27 28 Ondertussen worden deze prospectietechnieken algemeen toegepast.
Alhoewel er reeds vroeger aandacht was voor het natuurlijk milieu, 29 wordt dit onderzoek sindsdien ook grootschaliger en op landschappelijke basis georganiseerd. 30 31 32 33 34
Er wordt de laatste jaren meer en meer nagedacht over het verhogen van de efficiëntie van opgravingstechnieken, voornamelijk onder invloed van de economische druk in de preventieve archeologie. Vroeger stonden steentijdopgravingen vaak gelijk aan een gedetailleerde 3D-regeistratie van zowat alle vondsten. Tegenwoordig worden de vondsten steeds vaker ingezameld volgens een artificieel grid, waarbij de graad aan resolutie de grootte en de dikte van de gridvakken bepaalt. Ondanks het sporadisch testen van nieuwe technieken en materiaal (industriële zeefinstallaties), blijven deze handmatige en arbeidsintensieve traditionele technieken voorlopig de beste. 35 De keuze binnen deze technieken wordt dan wel zorgvuldig afgewogen tegen de bewaringstoestand, de wetenschappelijke vraagstelling en de tijdsdruk. 36 37 Aangezien steentijdopgravingen veruit het ‘duurste’ archeologische terreinwerk zijn per oppervlakte-eenheid, zou het ontwikkelen van efficiëntere technieken de organisatie van grootschalig terreinwerk gevoelig vergemakkelijken en daarmee een belangrijke impuls bieden wat betreft dataverwerving.

2 Balans van het theoretisch werk

2.1 Overzicht van theoretische ontwikkelingen:reflecties over de discipline

De geschiedenis van het mesolithisch onderzoek in Vlaanderen loopt nagenoeg parallel met die van het paleolithisch onderzoek. Publicaties over theorievorming of de theoretische ontwikkelingen in het mesolithisch onderzoek of jagers-verzamelaarsonderzoek in het algemeen zijn dan ook even schaars als voor het paleolithicum.38Op dit vlak is de impact van Vlaanderen tot dusver dan ook laag geweest.

2.9 Besluit en dankwoord

Besluit

Hoewel er vroeger occasionele vondsten waren, komt systematisch onderzoek naar het mesolithicum pas in de tweede helft van de twintigste eeuw op gang, aan de universiteiten van Leuven en Gent. In Vlaanderen zijn ondertussen relatief veel mesolithische sites gekend. Verdere evaluatie van sites geregistreerd in de CAI dringt zich echter op, evenals de aanvulling ervan met informatie uit amateurcollecties en door middel van nieuw prospectieonderzoek.
Vaak vormen de sites grote complexen, bestaande uit vele concentraties verspreid over een grote oppervlakte, waarvan slechts weinige exhaustief onderzocht werden. Hiermee is er een zeer grote “voorraad” aan mesolithisch erfgoed aanwezig, ook op sites waar al onderzoek werd uitgevoerd. Daarnaast bevatten Zandig Vlaanderen en de Kempen door relatieve geringe erosie en de Scheldevallei door afdekkende sedimentatie ongetwijfeld nog zeer veel gelijkaardige sites.
Voorlopig profiteert de mesolithische archeologie niet mee van het groeiende preventieve terreinwerk dat plaatsvindt als gevolg van de Malta-conventie. Dit heeft waarschijnlijk te maken met eerder beperkte actieve expertise op dit vlak binnen de uitvoerende bedrijven, maar vooral met het feit dat de toegepaste terreinmethodieken niet zijn aangepast aan het vinden van mesolithische sites. De klassieke benadering met proefsleuvenonderzoek biedt meestal niet de condities om mesolithische vondsten te treffen. Hiervoor zijn specifieke opgravingstechnieken aangewezen, met gerichte staalname en het gebruik van aangepaste zeven. Ook de bouwvoor, die nu meestal zonder verdere inspectie wordt weggehaald, kan hierbij een rol spelen. In dit perspectief is het zeker aan te bevelen om voor het mesolithicum en de steentijd in het algemeen, in de toekomst verder in te zetten op proactief prospectie- en waarderingsonderzoek. Reconstructies van het paleolandschap kunnen daarbij als leidraad fungeren.
Door de beperkte voorraad van permanent natte contexten is organisch materiaal schaars. In Zandig Vlaanderen en de Scheldepolders werd op verbrand materiaal een groot aantal 14C- dateringen uitgevoerd voor de opbouw van een absoluut chronologisch kader. Bij gebrek aan opgegraven midden- en laatmesolithische contexten ligt de focus hierbij op het vroeg- en finaalmesolithicum. De rest van Vlaanderen heeft nauwelijks betrouwbare dateringen opgeleverd.
Binnen het mesolithicum zijn geen gestratifieerde sites gekend, en met het finaalpaleolithicum gestratifieerde contexten zijn zeer zeldzaam. Aangezien ze dit soort sites wel kunnen bevatten in hun alluviale sedimenten, verdienen valleigebieden zeker meer aandacht. Ook de kans op goed bewaard organisch materiaal is hier groter, evenals de mogelijkheden voor het verbinden van de archeologie met de omgeving. Prospectie en opgraving in deze gebieden is echter vaak moeilijker en tijdsintensiever dan in de droge contexten.
Naar de transitieprocessen van het pleistoceen (finaalpaleolithicum) naar het holoceen (mesolithicum) en de neolithisatie van Vlaanderen wordt het laatste decennium onderzoek uitgevoerd, evenals naar mobiliteit en landgebruik. Dit moet zeker verder vervolgd worden. Met uitzondering van de kwartsieten, is er nooit uitgebreid onderzoek naar de grondstoffen gedaan. Ook over de subsistance of het dieet van de mesolitische mens is nauwelijks iets geweten. Hedendaagse onderzoeksmethoden zoals combinatie van refitting, microscopisch gebruikssporenonderzoek en ruimtelijke analyse worden pas sinds korte tijd aangewend, meestal enkel in het kader van doctoraatsonderzoek, en verdienen zeker een meer algemene toepassing.
Om echt mee te spelen in het internationale onderzoek is het van belang dat publicaties ook in het buitenland bekend zijn en gebruikt worden. Een eerste aanbeveling is daarom regelmatig te blijven publiceren in het Engels of het Frans. Een andere les uit deze balans lijkt te zijn dat enkel projecten van voldoende omvang en waarin ook voldoende middelen in de uitwerking worden geïnvesteerd kans maken om hun weg te vinden in de internationale literatuur. Hopelijk blijven in de huidige Malta-ontwikkelingen dus nog onderzoeksgroepen overeind die voldoende kunnen investeren in post-excavation onderzoek en in de lange termijn.

Dankwoord

Voor het maken van de kaart met mesolithische sites gekend in de CAI danken we Lies Op de Beeck en Katrien Cousserier.

3 Neolithicum - Vroege landbouwers

  • Versie: 1
  • Datum: 13/04/2011
  • Auteur: Bart Vanmontfort
  • Medewerkers: Luc Amkreutz, Philippe Crombé, Marc De Bie, Ivan Jadin, Leendert P. Louwe Kooijmans, Marleen Martens, Marijn Van Gils, Philip Van Peer, Pierre Vermeersch

3.1 Inleiding

1 Inleiding

De archeologie van het neolithicum onderzoekt de vroegste landbouwerssamenlevingen in hun toenmalige milieu, op basis van achtergelaten en bewaarde materiële sporen en resten. Het neolithicum kan beschouwd worden als een van de belangrijkste en meest fundamentele transformaties in de menselijke voorgeschiedenis. Een economische omslag ging gepaard met een hele reeks sociale, culturele en ideologische veranderingen. Economisch was de mens niet langer aangewezen op wat de natuur te bieden had; hij slaagde erin plant en dier te domesticeren. Door deze artificiële versie van natuurlijke selectie had een verandering in genotype en fenotype plaats, waardoor populaties van hun wilde voorlopers werden geïsoleerd en afhankelijk werden van de mens voor hun voortplanting. Voor de mens resulteerde dit in een betere controle op de opbrengst van gewassen en huisdieren, een mogelijkheid tot sedentarisatie en opslag van voorraden en een grotere opbrengst per oppervlakte. Het resulteerde ook in bevolkingsgroei die een reeks van ontwikkelingen in gang zette, die uiteindelijk aanleiding gaf tot het ontstaan van steden, schrift en complexere sociale samenlevingsverbanden.

1.1 Afbakening in tijd en ruimte

Het begin van deze periode neemt een aanvang bij de aankomst van de eerste landbouwers, na een millennialange occupatie door de jager-verzamelaars van het paleolithicum en het mesolithicum. De definitie van de periode als economisch fenomeen heeft als belangrijke consequentie dat de aanvang ervan sterk verschilt van regio tot regio. Zo kan de oorsprong van het Europese neolithicum worden gesitueerd in het Nabije Oosten, bij de aanvang van het holoceen. Met een vooreerst aceramische fase neemt het neolithicum aldaar een start met de eerste gedomesticeerde planten en dieren. 1 Andere elementen die met het neolithicum zijn geassocieerd en er vaak mee worden gerelateerd, zoals gepolijste stenen werktuigen, aardewerk en sedentarisatie, kunnen in principe niet op zich als indicatoren worden beschouwd. Toch zullen ook deze elementen samen met de aanvang van het neolithicum in Vlaanderen worden geïntroduceerd.
Ook binnen Vlaanderen gaat het neolithicum, als economisch fenomeen, niet overal op hetzelfde ogenblik van start. Het neolithicum neemt een aanvang rond 5250 v.Chr.2 met de eerste sporen van de Bandkeramiek in de leemstreek. In de zandstreek, waar de meeste gekende mesolithische sites zijn gesitueerd, loopt het mesolithicum door tot in het 5de millennium v.Chr.3

 Chronologie van het neolithicum in Vlaanderen Figuur 1: Chronologie van het neolithicum in Vlaanderen 4

In Vlaanderen worden binnen het neolithicum vier perioden onderscheiden: het vroeg-, midden-, laat- en finaalneolithicum. Een belangrijk verschil met de voorgaande periode van het mesolithicum, is dat er binnen de fasen van het neolithicum nog een extra onderscheid gemaakt kan worden tussen culturele groepen. Het voorkomen van deze groepen is veelal gelieerd aan een deel van een bepaalde neolithische fase.
De Swifterbantcultuur neemt in de neolithisatieproblematiek een aparte plaats in. Op basis van de vondsten uit Nederland weten we dat terwijl de vroege Swifterbant in feite een aardewerk producerend en gebruikend mesolithicum is, deze cultuur in de loop van haar bestaan op gezette tijden neolithische elementen heeft overgenomen, met als voornaamste het gebruik van gedomesticeerde planten en dieren. Aldus kan het begin van de Swifterbant als finaalmesolithicum worden aangeduid, terwijl de latere Swifterbant bij het vroegneolithicum kan worden ingedeeld. Gezien deze bijzondere positie wordt de Swifterbantcultuur in dit hoofdstuk mee in beschouwing genomen, ook al werden op Vlaamse Swifterbantsites nog geen duidelijke aanwijzingen gevonden van het gebruik van gedomesticeerde planten en dieren als belangrijk onderdeel van de voedseleconomie.
Na het verdwijnen van de Bandkeramiek uit de leemstreek, en aansluitend de Groep van Blicquy waarvoor een enkele site in Vlaanderen is gekend, volgt een periode van een half millennium waarvoor geen sites zijn gekend. Slechts enkele losse vondsten kunnen in deze periode worden gedateerd, terwijl verder naar het zuiden de Groep van Cerny en in het Duitse Rijnland de Rössencultuur voorkomen. In Vlaanderen is het echter wachten tot rond 4300 v.Chr. eer opnieuw duidelijke resten van een neolithische occupatie gekend zijn: het middenneolithicum start er met de nederzettingen van de Michelsbergcultuur en de ‘Groep van Spiere’. Die laatste, een aparte groep binnen het middenneolithicum, situeert zich zowel geografisch als stilistisch in de overgangszone tussen Michelsbergcultuur en het noordelijke Chasseaan 5 en werd slechts een klein decennium geleden gedefinieerd op basis van het onderzoek van het aardwerk in Spiere. 6
Goed gedateerde sites uit het late 5de millennium zijn enkel beschikbaar voor de leemgebieden, maar na 4000 v.Chr. zijn ook sites gekend uit de dekzandgebieden en de Scheldevallei. Na 3850 v.Chr. zijn echter geen dateringen meer beschikbaar voor middenneolithische sites en start een nieuw kennishiaat, dat voorlopig enkel wordt ingevuld door radiometrische dateringen op geïsoleerde vondsten en enkele schervenensembles in de oostelijke Kempen die aan de Hazendonkgroep kunnen worden toegeschreven. In Vlaanderen duurt het hiaat verder tot het begin van het derde millennium, wanneer met de Deûle-Escaut groep en de Enkelgrafcultuur opnieuw sites zijn gekend. Gezien de link tussen de Enkelgrafcultuur 7 en het latere Klokbekerfenomeen uit de tweede helft van het derde millennium v.Chr., wordt er in Vlaanderen gekozen om dit hele millennium als ‘finaalneolithicum’ aan te duiden. Het is duidelijk verschillend van de vroege landbouwerssamenlevingen van het vroeg- en middenneolithicum.
Een scharniermoment in het neolithicum kan rond 3000 v.Chr. worden geplaatst en wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke economische ontwikkelingen die Sherratt 8 onder de term ‘secondary products revolution’ onderbracht. Het gaat om het voorkomen van ploegsporen, het wiel, wolproductie enzovoort al zijn hiervan in Vlaanderen geen goed gedateerde vroege aanwijzingen voor beschikbaar. Daarnaast werd wellicht geleidelijk het gebruik van metalen voorwerpen geïntroduceerd.
Het einde van het neolithicum sluit in principe aan op het begin van de vroege bronstijd, op het moment dat stenen door metalen werktuigen worden vervangen. Het beperkte databestand, zowel voor het finaalneolithicum als voor de vroege bronstijd, het doorlopen van het gebruik van stenen werktuigen en het ontbreken van metalen voorwerpen op de eerste bronstijdsites bemoeilijkt het aanduiden van een grens tussen beide. Toch wordt algemeen aanvaard dat deze overgang op 2100/2000 v.Chr. gesitueerd dient te worden,9 met het zogenaamde wikkeldraadaardewerk, de laatste fase van de bekerculturen. Er dient enige nuancering te worden aangebracht bij het belang van deze grens. De vroege bronstijd lijkt in vele opzichten een voortzetting te zijn van de ontwikkelingen die het late neolithicum kenmerken. De problematiek van de archeologie van het laat- en finaalneolithicum sluit dan ook goed aan bij die van de vroege bronstijd. In het recente overzichtswerk dat voor de Nederlandse prehistorie werd opgesteld, werden de ontwikkelingen tussen ca. 2900 en 1100 v.Chr. 10 dan ook geïntegreerd behandeld in het deel over ‘boeren met gemengd bedrijf.’11 12

1.2 Historiek van het neolithisch onderzoek in Vlaanderen

Het neolithisch onderzoek in Vlaanderen begint in de late 19de eeuw. Dit overzicht van de historiek van het onderzoek vertrekt dan ook vanuit de toenmalige Belgische, nationale realiteit. Voortbouwend op de ontdekking van de neolithische vuursteenmijnen in Spiennes in de jaren 184013 nemen het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) 14 vanaf het einde van de 19de eeuw het voortouw in het onderzoek met de prospectie en opgravingen van heel wat ‘stations néolithiques’. Oorspronkelijk was het onderzoek voornamelijk gericht op de culturele context van het neolithicum in de Belgische leemstreek. Er werd al vlug een onderscheid gemaakt tussen een Campignien en een Robenhausien lithische industrie, op basis van enkele stratigrafische waarnemingen in Spiennes door De Pauw en Van Overloop. 15 Aardewerkfragmenten werden gelinkt aan de tweede van deze industrieën en werden eerst ondergebracht bij het fenomeen dat toen als het ‘Westelijke Neolithicum’ werd aangeduid. 16 Enkele jaren later legde Bersu 17 het stilistische verband tussen het aardewerk dat in Bosvoorde en Spiennes was aangetroffen en dat van aardewerkensembles uit het Rijnland die aan de Michelsbergcultuur waren toegeschreven. Ook enkele geïsoleerde vondsten in het gebied van de Beneden Schelde in Antwerpen en Zwijndrecht konden aan deze traditie worden gelinkt.
In West-Vlaanderen komt het neolithisch onderzoek op gang door autodidacten Ch. baron Gillès de Pelichy en J. Claerhout. 18 19 Claerhout was een geestelijke die tot dan voornamelijk op taalkundig gebied actief was, onder meer in een dichte vriendschap met Guido Gezelle. Hij werd lid van de toenmalige archeologische kringen, onder meer van de Société d’Anthropologie de Bruxelles en de opgravingscommissie van de Société d’Archéologie de Bruxelles. In die hoedanigheid voerde hij veldwerk uit in West- en Oost-Vlaanderen, voornamelijk gericht op de prehistorie met onder meer de opgravingen van het zogenaamde moerasdorp in Dentergem, waar naast resten uit de brons- en ijzertijd ook heel wat neolithische vondsten worden geregistreerd.
Eveneens op het einde van de 19de eeuw, vanaf 1888, start Marcel De Puydt van het Luiks archeologisch instituut met een reeks opgravingen van een neolithische vuursteenbewerkingsplaats in Rullen 20 en zogenaamde hutkommen 21 van de Bandkeramiek in voornamelijk Luiks Haspengouw. De vondsten worden door Rutot22 ondergebracht onder de term Omalien, naar de vindplaats Omal in westelijk Haspengouw. Het aantal vondsten in België steeg gestaag, voornamelijk onder impuls van onderzoekers als J. Hamal-Nandrin en J. Servais van de Universiteit Luik en A. baron de Loë (KMKG). Ook in het toen nog Zuid-Limburgse Bitsingen (Bassenge) 23 werden enkele sites aangetroffen.24 25
Op de eerste vondst van een Bandkeramische site in het huidige Vlaanderen was het wachten tot de vroege jaren 1950. Op zoek naar het restant van een Romeinse villa, ontdekte Heli Roosens in 1952 resten van een Bandkeramische nederzetting op de Staberg in Rosmeer. Aangespoord door het toenmalige hoofd van de Dienst voor Opgravingen, Jacques Breuer, zette Heli Roosens het archeologisch onderzoek op de Staberg tot 1960 voort. 26 Het leverde de eerste bandkeramische gebouwplattegronden van het land op. Dit onderzoek bevestigde dat ook ten westen van de Rijn de mensen van de Bandkeramiek in rechthoekige huizen leefden, en niet in hutkommen zoals eerder gedacht. Min of meer aansluitend op de opgravingen van de Staberg ondernam H. Roosens samen met G. Beex een opgraving op de zogenaamde drieperiodengrafheuvel in Mol, 27 tot vandaag een van de belangrijkste finaalneolithische sites van Vlaanderen.
Mede gestimuleerd door de opgravingen in Rosmeer, werden in de daaropvolgende twee decennia heel wat prospecties georganiseerd met het oog op het verder in kaart brengen van de Bandkeramische occupatie van het gebied. Het prospectiewerk van onder meer G.V. Lux en N. Peuskens levert een twintigtal nieuwe sites op, met name in de huidige gemeenten Bilzen en Riemst. 28 Vaak werden de prospecties gevolgd en gesteund door de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO), die op enkele van de pas ontdekte sites kleine sonderingen uitvoert ter bevestiging van de waarnemingen. Andere opgravingen werden uitgevoerd door René Seret 29 in Hoeselt en Rijckhoven, door N. Peuskens en D. Tilkin in Vroenhoven en Zichen-Zussen-Bolder en door het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren in Vlijtingen ‘Kayberg.’30 Ook elders in België werd het archeologisch databestand voor het neolithicum tijdens de jaren 1960 en 1970 gevoelig uitgebreid, met in Vlaanderen onder meer de opgravingen van de middenneolithische site op de Kemmelberg 31 en van een klokbekergraf in Kruishoutem ‘Wijkhuis.’ 32
Vanaf de toewijzing van het middenneolithisch aardewerk aan de Michelsbergcultuur door Bersu, werden ook de nieuwe vondsten van middenneolithisch aardewerk aan deze cultuur toegewezen.33 34 35 36 Het bracht Scollar 37 op het einde van de jaren 1950 zelfs tot het onderscheiden van een Belgische groep in zijn supraregionale overzicht van deze cultuur. De tot dan toe bekende sites werden eveneens opgenomen in de seriatie die Lüning 38 in de jaren 1960 voor deze voornamelijk in het Rijnland bekende cultuur ontwierp. De toewijzingen aan de Michelsbergcultuur waren steeds gebaseerd op stilistische en deels ook op technische kenmerken van het aardewerk. Nieuwe data die tijdens de jaren 1960 en 1970 werden verkregen, bleken echter voornamelijk een verschil met het Rijnland aan te geven. Zoals Scollar reeds had aangegeven in 1959, vertoonde het Michelsbergaardewerk van de Belgische groep duidelijke gelijkenissen met het aardewerk dat in Noord-Frankrijk aan het noordelijk Chasseaan werd toegeschreven. 39 40
Lithische ensembles met resten van gepolijste bijlen die niet geassocieerd waren met aardewerkvondsten werden dan ook niet aan de Michelsbergcultuur toegeschreven maar aan wat bekend werd onder de term ‘secundaire neolithische culturen’. Deze nazaten van de lokale jager-verzamelaars zouden gelijktijdig met de Michelsbergcultuur in de regio aanwezig zijn geweest en artefacten met deze ‘primaire’ neolithische cultuur hebben uitgewisseld. 41 42 Dezelfde ideeën lagen aan de grondslag bij de toewijzing van lithische oppervlakte-ensembles aan een ‘secundair Neolithicum’ of een ‘Neolithiserend Mesolithicum’ tot in de jaren 1990. 43 44 45 46 47 48 49
Vanaf de jaren 1970 speelt ook het Laboratorium voor Prehistorie van de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) een belangrijke rol in het neolithisch onderzoek in Vlaanderen. Deels wordt dit gevoerd door het verwerken en herwaarderen van oude collecties uit opgravingen of prospecties. 50 51 52 53 54 Een aantal studies richt zich op het fenomeen van de gepolijste bijl, een van de meest herkenbare neolithische werktuigen. 55 56 57 58 Na de opgravingen in Thieusies (Henegouwen)59 start P.M. Vermeersch echter ook met nieuw veldwerk in Vlaanderen. Een deel van dit veldwerk is gericht op de Bandkeramische occupatie van Haspengouw, met onder meer Lanaken Briegdendok 60 en later ook in Herderen. 61 In diezelfde periode identificeert Marc Lodewijckx van dezelfde instelling een nieuw cluster van Bandkeramische sites in het gebied van de Kleine Gete in Brabants Haspengouw, 62 63 buiten het tot dusver gekende verspreidingsgebied van de Bandkeramiek en een kleine tien jaar na de identificatie van ook al een nieuwe nederzettingscluster in het gebied van de boven Dender in Henegouwen. 64 Tot nog toe omvat deze kleine cluster een drietal sites in Wange en Overhespen die halfweg de jaren 1980 werden onderzocht door middel van enkele opgravingscampagnes. Nieuw veldwerk wordt eveneens gericht op de middenneolihtische occupatie elders in het leemgebied, met onder meer de opgravingen van de sites in Dilsen, 65 Meeuwen 66 en Schorisse. 67 In deze periode worden ook de sites in Geistingen 68 en de vuursteenontginningsplaats in Sint-Pieters-Voeren 69 70 ontdekt en onderzocht.
De ontdekking van een gebouwplattegrond van de Michelsbergcultuur in Kruishoutem71 – wat later een vervalsing bleek te zijn72 – en de noodopgravingen van de mesolithische en neolithische sites te Oudenaarde ‘Donk’ gaven een nieuwe impuls aan het prospectieonderzoek in Zuid-Oost-Vlaanderen. In de (zand)leemstreek van de Vlaamse Ardennen werd in de tweede helft van de jaren 1980 een project opgestart met het oog op de gedetailleerde verwerking van prospectievondsten en de aanvulling ervan met nieuwe verkennende opgravingen van enkele Michelsbergsites, onder meer op de Muziekberg in Wortegem-Petegem en in Saint-Sauveur. 73 Ten slotte is ook de opgraving van de middenneolithische site op de Kemmelberg in deze periode te situeren. 74
Ondanks het groot aantal onderzoeken bleef de kwaliteit van de data voor het middenneolithicum vrij beperkt. Meestal betreft het grote oppervlakte ensembles of opgravingen van beperkte omvang waarbij een beperkte hoeveelheid vondsten wordt aangetroffen in aardwerken of geïsoleerde sporen.
In de jaren 1990 vervolgt het Laboratorium voor Prehistorie zijn activiteit in het neolithisch onderzoek in de persoon van Jean-Paul Caspar. 75 76 en met enkele opgravingen in Assent 77 en Spiere. 78 Deze laatste zullen bepalend blijken voor het verdere onderzoek naar het middenneolithicum in het Scheldebekken. Hoewel slechts een kleine oppervlakte werd opgegraven, leverden de opgravingen heel wat nieuwe informatie op over de ceramische en lithische productie alsook over de voedselvoorziening en het milieu tijdens het middenneolithicum. Dankzij de omvang van het ensemble, met wat betreft potvormen nog steeds het grootste middenneolithische ensemble van België, kon voor het eerst een samenhangend beeld worden verkregen van de stilistische kenmerken van wat de Belgische groep van de Michelsbergcultuur zou zijn. De verwerking van de gegevens gaf aanleiding tot de creatie van een nieuwe stilistische groep, de zogenaamde ‘groep van Spiere’, op het raakpunt van de Michelsbergcultuur en het noordelijke Chasseaan. 79
Kort na de eeuwwisseling zagen twee overzichtswerken het licht voor het vroeg- en middenneolithicum in België, telkens in het kader van een doctoraatsonderzoek. 80 81 Op datzelfde ogenblik werd ook het neolithisch onderzoek in Zandig Vlaanderen en de aangrenzende polderstreek opgestart. Directe aanleiding waren de ontdekkingen tussen 2000 en 2003 van een drietal Swifterbantsites en een Michelsbergvindplaats in het Deurganckdok in Doel 82 en van een finaalneolithische huisplattegrond in Waardamme ‘Vijvers’. 83 Deze vondsten vormen het vertrekpunt van nieuw opgestart onderzoek aan de Universiteit Gent (UGent) gericht op het neolithicum en de neolithisatie. Tussendoor werd aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) een project uitgevoerd dat gericht was op het evalueren van de bewaringstoestand van neolithische sites in functie van de erosieproblematiek. 84
Het neolithisch onderzoek van de laatste vijf jaar was zowel gericht op syntheseonderzoek als op nieuw veldwerk. Nieuw veldwerk vond voornamelijk plaats in Malta-context – aangevuld met enkele geprogrammeerde opgravingen vanuit de UGent in het kader van een lopend FWO-project–, met als opmerkelijkste bijdrage een aantal laat- en finaalneolithische sites in Zandig Vlaanderen. 85 Voor het synthesewerk dient, naast de publicatie van de nieuwe inzichten uit het begin van de jaren 2000 omtrent de neolithisatie en de neolithische occupatie van Zandig Vlaanderen, ook het vanuit Nederland gevoerde ‘Oogst van Malta’ project vermeld te worden, 86 waarvoor de eindpublicatie in de nabije toekomst wordt verwacht.

1.3 Overzicht actuele onderzoekers

Net zoals bij het onderzoek van het paleolithicum en het mesolithicum is ook voor het neolithicum min of meer een geografische en deels ook chronologische scheiding waar te nemen in het onderzoeksgebied van de belangrijkste wetenschappelijke instellingen.
Onderzoek naar het vroegneolithicum en de overgang van (laat)mesolithicum en neolithicum wordt voor Zandig Vlaanderen uitgevoerd onder leiding van Philippe Crombé aan de Onderzoekseenheid Prehistorie en Protohistorie van de UGent. In dit kader valt het lopende FWO-onderzoek te vermelden dat door Joris Sergant wordt uitgevoerd naar de impact van het neolithicum in de Vlaamse zandstreek (2008-2011). Doel van dit project is het karakteriseren van de neolithische occupatie in een gebied waarvoor voorlopig niet erg veel gegevens voorhanden zijn en dit met het oog op het identificeren van de neolithische nederzettingssystemen en landgebruik. Het neolithicum vormt ook een onderdeel in het ruimer opgevatte project omtrent prehistorische en protohistorische nederzetting- en landgebruikssystemen in Zandig Vlaanderen dat aan dezelfde onderzoeksinstelling wordt uitgevoerd door Machteld Bats en de periode tussen het laatglaciaal tot aan de Romeinse periode behelst. De neolithisatieproblematiek vormde ook een onderdeel van het doctoraatsonderzoek van Erick Robinson 87 dat in nauwe samenwerking met de Gentse universiteit werd uitgevoerd en momenteel wordt afgerond. Zijn huidige onderzoeksproject, vanuit de UGent, is gericht op grondstofnetwerken en de evolutie van lithische technologie tijdens het mesolithicum, met bijzondere aandacht voor het kwartsiet van Wommersom en Tienen. Tevens bestaat er een samenwerkingsverband tussen de UGent en Paris X-Nanterre,88 specifiek rond de lithische technologie in laat/finaalmesolithische en vroegneolithische tradities. Het ‘foodcrust project’ in samenwerking met Mark Van Strydonck 89 behandelt dan weer de problematiek van het dateren van voedselresidu op Swifterbantaardewerk.
Aan de K.U.Leuven vormt het vroeg- en middenneolithicum, met inbegrip van de overgangsperiode tussen mesolithicum en neolithicum het onderwerp van het voorbije en lopende onderzoek van Bart Vanmontfort. Dit onderzoek is voornamelijk gericht op het neolithicum in de leemstreek, met occasioneel een uitbreiding naar de Kempen. Tot 2008 was hij ingeschakeld in een grootschalig ‘Oogst van Malta’ project dat vanuit Nederland werd gevoerd rond de neolithisatieproblematiek. Momenteel is hij ook verbonden aan de universiteit Paris X-Nanterre, als lid van een Frans-Duits onderzoeksproject naar het ontstaan van sociale complexiteit in het middenneolithicum.
Aan het VIOE komt het onderzoek naar het neolithicum occasioneel aan bod in het kader van vondstmeldingen. 90 Daarnaast vormt het neolithicum ook een onderdeel van het prospectie- en evaluatieonderzoek in de Scheldevallei in het kader van het Sigmaplan. 91
Vanuit de andere (federale) wetenschappelijke instellingen wordt momenteel geen neolithisch onderzoek meer gevoerd in Vlaanderen. Voorlopig is er ook nauwelijks actieve expertise in neolithisch onderzoek in de (inter)gemeentelijke, stedelijke of provinciale archeologische diensten en in de zich ontwikkelende commerciële archeologie in Vlaanderen. De hierboven vermelde onderzoekers van met name de UGent 92 en de K.U.Leuven 93 zijn momenteel dan ook de aanspreekpunten voor advies en ondersteuning bij neolithisch onderzoek in Vlaanderen.

3.2 Balans van het terreinwerk

2.1 Overzicht van toevalsvondsten, prospectievondsten, opgravingen

2.1.1 Toevalsvondsten

Toevalsvondsten zijn archeologische sporen en voorwerpen die werden aangetroffen buiten de context van een archeologisch onderzoek in de vorm van een prospectie of opgraving. De moeilijke herkenbaarheid van materiaal uit het neolithicum voor niet-specialisten zorgt dat, net als voor de andere perioden van de prehistorie,1 het aantal toevalsvondsten vrij beperkt is. Een van de belangrijke uitzonderingen hierop vormt de vondstcategorie van de gepolijste bijlen.

2.1.2 Prospectievondsten

Heel wat neolithische sites werden ontdekt via prospectievondsten. Voor een groot deel hiervan werden de prospecties uitgevoerd door amateurarcheologen, die meestal regionaal actief waren. Zo werden in de vroege 20ste eeuw tot de jaren 1970 in de Vlaamse Ardennen heel wat prospecties uitgevoerd door onder meer Cambier, Delvaux, Verbecelte en Deconinck, 2 in het Hageland door onder meer Bols, Boschmans, Claes, Gilson en Scheys 3 4 en in Haspengouw door onder meer Jadoulle, Lux en Peuskens.5
De jaren 1980 zijn verantwoordelijk voor een nieuwe generatie amateurarcheologen en de ontdekking van heel wat nieuwe sites6 Net zoals voor andere perioden, reflecteert de spreidingskaart van sites deels de activiteitsgebieden van deze prospecteurs.
Vanaf de jaren 1980 werden heel wat van deze collecties geïnventariseerd in het kader van licentiaatsverhandelingen, met als onderwerp de verwerking en evaluatie van specifieke (grote) oppervlaktesites7 8 of de verwerking en evaluatie van oppervlaktevondsten uit een specifieke regio.9 10 11 12 Ook het inventarisatieproject ‘Archeologische Inventaris Vlaanderen’ dat in 1978 in Gent werd opgestart onder impuls van wijlen J. Nenquin kan eveneens in dit kader worden geplaatst.13 Door de grote hoeveelheid nieuwe sites en vondsten bleef de inventarisatie en verwerking van oppervlaktevindplaatsen niet beperkt tot studies in het kader van licentiaatsverhandelingen. Ook tal van andere inventarisaties aan wetenschappelijke instellingen of samenwerkingen tussen amateurarcheologen en beroepsarcheologen werden opgestart, opnieuw met betrekking tot zowel individuele vondstlocaties14 15 16 als ruimere regionale inventarisatieprojecten.17
Recente systematische prospectiecampagnes naar de neolithische occupatie van een bepaald gebied uitgevoerd door wetenschappelijke instellingen zijn erg schaars. Aan de UGent loopt momenteel wel een dergelijk project,18 waarvan een nauwkeurige inventaris van alle diagnostische neolithische artefacten een onderdeel vormt (types pijlpunten, gepolijste artefacten, afslagbijlen, mijnbouwklingen, …).
Een apart fenomeen vormen de vondsten van gepolijste bijlen, een van de meest herkenbare neolithische werktuigtypes. Het bijzondere aan dit type artefact is dat het vaak buiten nederzettingscontext wordt aangetroffen en er slechts zelden tot nooit volledige exemplaren in nederzettingscontext worden gevonden. Deze afwezigheid van diagnostische vormen in goed te dateren contexten bemoeilijkt vanzelfsprekend de datering van de stukken en hun toewijzing aan het neolithicum. Zo is het erg waarschijnlijk dat een deel van de bijlvondsten uit de metaaltijden dateert. Bijlen zijn in het verleden zowel als toevalsvondsten gerapporteerd, als gevonden in het kader van prospecties door voornamelijk amateurarcheologen. In de CAI zijn in totaal 243 gepolijste bijlen of fragmenten van gepolijste bijlen opgenomen die het resultaat zijn van een toevalsvondst, 743 waarnemingen zijn gerelateerd aan veldprospecties. Deze aantallen zijn vanzelfsprekend beperkt tot de gemelde en gepubliceerde objecten, wat een onderschatting is van het werkelijk aantal gevonden bijlen in dit soort contexten.

2.1.3 Opgravingen

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen opgravingen van neolithische sites en opgravingen van jongere of oudere sites waar neolithische sporen, vondsten of sites worden aangetroffen. Voorbeelden van deze laatste categorie zijn de ontdekking van een Bandkeramische pot in Oudenaarde Donk,19 middenneolithische kuilen en potten in Kerkhove,20 21 Aalter, 22 Dilsen23 en Lommel Kattenbos,24 een laatneolithische potbeker in Hansbeke25 en klokbekergraven in Kruishoutem Kapellekouter26 en Gent Flanders Expo.27
Opgravingen van vroegneolithische sites zijn in Vlaanderen veelal beperkt gebleven qua omvang. De belangrijkste uitzondering is wellicht nog de vroegneolithische site in Rosmeer Staberg, waar ca. 1 ha volledig werd opgegraven28 en in mindere mate ook de opgravingen in Wange en Overhespen.29 Elders werd niet meer dan een klein areaal opgegraven, wat het beeld op de ruimtelijke organisatie van de vaak erg uitgestrekte neolithische sites beperkt maakt. Dergelijk kleinschalig onderzoek gebeurde op de Bandkeramische sites in Vlijtingen,30 Lanaken Briegdendok31 en Herderen32 Recenter werd nog een volledige huisplattegrond geregistreerd in Riemst Toekomststraat,33 maar de site werd enkel bemonsterd en niet volledig opgegraven.
Ook voor het midden- en laatneolithicum overheersen de kleinschalige opgravingen, met inbegrip van de opgravingen in Assent, Ottenburg, Schorisse en Spiere. Deze laatste leverde wel de grootste hoeveelheid archeologisch materiaal op uit een middenneolithische context in Vlaanderen tot nog toe, maar ook daar bleef het onderzoek beperkt tot een oppervlakte van 0,15 ha, terwijl de lithische prospectievondsten verspreid zijn over een oppervlakte van 23 ha.

Het onderzoek van neolithische sites in een Malta-context 34 is tot nog toe beperkt gebleven. Recente opgravingen in deze context die wel een belangrijke aanvulling betekenen voor de kennis van het neolithicum situeren zich met name in de Vlaamse zandstreek en de vallei van de beneden Schelde: Doel Deurganckdok35 en Waardamme Vijvers.36 In beide gevallen werden betrekkelijk belangrijke neolithische occupatieresten aangetroffen in een gebied dat tot dan toe slechts sporadisch geïsoleerde vondsten had opgeleverd. Daarnaast kunnen we opnieuw verwijzen naar de toevalsvondsten van neolithische sporen bij het onderzoek van enkele recentere sites.

2.4 Evolutie van het terreinwerk op neolithische sites in de laatste dertig jaar, in de context van het steentijdonderzoek

Analoog aan de analyse die voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd uitgevoerd,37 kan ook voor het neolithicum een ‘objectieve’ diachronische kijk op het terreinwerk worden verkregen op basis van de gepubliceerde gegevens in het tijdschrift ‘Notae Praehistoricae’. Dit tijdschrift wordt sinds 1981 jaarlijks gepubliceerd en heeft als doel het archeologisch onderzoek met betrekking tot de steentijden jaarlijks te rapporteren. Naast artikelen rond nieuw veldwerk komen ook bijdragen van post-excavation onderzoek voor, net als een beperkt aantal verslagen over steentijdonderzoek in de buurlanden. We kunnen er redelijkerwijze van uit gaan dat nagenoeg al het ‘publicatiewaardig’ onderzoek van de wetenschappelijke instellingen maar ook van andere uitvoerders, in deze context is terechtgekomen. Dat dit ook nog steeds zo is voor het onderzoek in Malta-context tijdens de laatste vijf jaar blijkt uit een analyse van de zogenaamde grijze literatuur.
Voor deze analyse werden terreincampagnes in Vlaanderen in rekening genomen, die werden geïndexeerd op gewest, archeoregio, periode, fase, type project (prospectie, waardering, opgraving) en uitvoerende instelling (bij samenwerking de belangrijkste partner). In de tellingen werden meerperiodesites bij elk van de betreffende perioden meegerekend. Doordat de Notae Praehistoricae het onderzoek bundelt uit het hele land, kan de evolutie van het onderzoek in Vlaanderen meteen in nationale context worden gekaderd. Daartoe werden ook de terreincampagnes elders in België opgenomen, doch niet verder in detail geïndexeerd. Met uitzondering van een enkele referentie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest38 gingen al deze terreincampagnes door in het Waals Gewest. Voor de vergelijking werden dan ook enkel de campagnes in het Waals Gewest in rekening gebracht. Net zoals voor de andere steentijdhoofdstukken van deze onderzoeksbalans werd gebruik gemaakt van vijfjaarlijkse perioden om de evolutie van het terreinwerk in kaart te brengen. Momenteel zijn de gegevens beschikbaar voor de periode vanaf terreinseizoen 1979 tot en met 2009. Om ook de gegevens van het laatste seizoen in de vergelijking te kunnen betrekken en op te nemen in het laatste ‘jaarkwintet’, werden de jaarkwintetten samengesteld vanaf seizoen 1980. De gegevens voor het seizoen 1979 zijn apart gehouden.

Figuur 2 toont het totale aandeel van het steentijdonderzoek in Vlaanderen en de rest van het land, ingedeeld per periode. De meeste van de 388 terreincampagnes die tot en met 2009 zijn gerapporteerd, hebben betrekking op onderzoek van neolithische sites (n=160), gevolgd door de paleolithische (n=137). Terreincampagnes op mesolithische sites (n=91) zijn duidelijk in de minderheid. In Vlaanderen zijn de gegevens omgekeerd, met een dominantie van onderzoek op mesolithische sites (n=64 op een totaal van 159), gevolgd door neolithische (n=54) en paleolithische (n=41).
Momenteel hebben 41% van de 388 terreincampagnes die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd betrekking op onderzoek dat in Vlaanderen is uitgevoerd. Het is opvallend dat het mesolithisch onderzoek voornamelijk in Vlaanderen plaats vond (70%), terwijl het aandeel Vlaamse sites in het neolithisch en paleolithisch onderzoek om en bij 30% schommelt. Voor het neolithicum werden 54 terreincampagnes van de 160, ofwel 34% in het Vlaamse gewest uitgevoerd.

 Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per steentijdperiode en per gewest in BelgiëFiguur 2: Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per steentijdperiode en per gewest in België

De evolutie van het onderzoek over de laatste 30 jaar (Figuur 3) laat enkele belangrijke patronen zien. Tot 2005 bleef het aantal terreincampagnes in Vlaanderen min of meer gelijk, tussen 20 en 27 campagnes per vijf jaar, netjes verdeeld over de drie onderscheiden steentijdperioden. Voor het laatste jaarkwintet, dat de periode tussen 2005 en 2009 beslaat, is echter een sterke groei merkbaar met in totaal 43 terreincampagnes. Het is opvallend dat deze groei in min of meer gelijke mate geldt voor elk van de drie perioden. In totaal werden 14 neolithische campagnes gerapporteerd tijdens de laatste vijf jaar, terwijl dat in de daaraan voorafgaande jaarkwintetten beperkt bleef tot een zevental. In het zuiden van het land is een andere trend merkbaar. Daar groeide het aantal terreincampagnes gestaag tot een maximum van 60 in het jaarkwintet 1995-99. Daarna kende dit aantal een sterke terugval tot slechts 20 tijdens de laatste vijf jaar. Terwijl tot en met het voorlaatste jaarkwintet steeds meer terreincampagnes werden georganiseerd in het Waals Gewest dan in Vlaanderen is dat de laatste vijf jaar omgekeerd, met meer dan dubbel zoveel campagnes in Vlaanderen dan in het zuiden van het land (n=43 vs. 20).

 Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdperiode in de Belgische gewestenFiguur 3: Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdperiode in de Belgische gewesten

Zoals hierboven aangegeven is de tendens in het Vlaams Gewest, met een betrekkelijk gelijk aantal campagnes tot het laatste jaarkwintet, geldig voor het onderzoek op zowel paleolithische, mesolithische als neolithische sites. Wanneer deze perioden nog verder worden onderverdeeld, is evenwel heel wat variatie merkbaar (Figuur 4). Zo lag voor het neolithicum tot halfweg de jaren 1980 de klemtoon van het onderzoek op het vroegneolithicum. Na 1985 echter werden de meeste campagnes uitgevoerd op middenneolithische sites. Het laat- en finaalneolithicum kwam in het verleden slechts beperkt aan bod, maar kent tijdens de laatste vijf jaar een duidelijke groei. Het effect van meerjarige campagnes op enkele sites lijkt bij deze evoluties van beperkt belang te zijn. In de meeste gevallen (n=28 op 48 campagnes, i.e. 60%) werd slechts een enkele campagne georganiseerd, terwijl op vijf sites twee campagnes doorgingen. Slechts in drie gevallen gaat het om meer campagnes. Op de sites in Oudenaarde ‘Donk’ en Doel ‘Deurganckdok’ werden in beide gevallen in drie campagnes in feite telkens drie verschillende sites opgegraven in hetzelfde gebied en onder hetzelfde toponiem. De enige site waar meer dan twee campagnes werden georganiseerd is de middenneolithische site in Spiere ‘De Hel’. Daar gingen in totaal drie opgravingscampagnes door en werd een prospectie met monstername voor pollenonderzoek uitgevoerd.

 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Figuur 4: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.

Figuur 5 geeft opnieuw de evolutie van het terreinwerk weer, maar ditmaal afgezet tegenover de aanleiding van het onderzoek. Er werd hiervoor een onderscheid gemaakt tussen geprogrammeerd veldwerk, veldwerk op bedreigde sites met voornamelijk een financiering voorzien door de opgravende instelling en veldwerk op bedreigde sites waarbij de financiering werd opgelegd aan de bouwheer.39
Zoals te verwachten, werd het terreinwerk in de jaren 1980 gedomineerd door geprogrammeerd onderzoek. Steeds was het archeologisch onderzoek echter ook gericht op bedreigde sites. Vanaf de jaren 1990 neemt dit werk op bedreigde sites in belangrijke mate toe in aantal, niettegenstaande het totale aantal terreincampagnes min of meer gelijk bleef. Dit betekent dat het veldwerk van de wetenschappelijke instellingen reeds vanaf dat moment in toenemende mate afgestemd werd op de bedreigingen van het erfgoed. Het aandeel van geprogrammeerd veldwerk op niet-bedreigde sites neemt stelselmatig af. Vanaf het einde van de jaren 1990 wordt een deel van het onderzoek ook door de bouwheer gefinancierd en dit in toenemende mate. In totaal kunnen 19 van de 37 campagnes uit het laatste jaarkwintet worden gerelateerd met een dergelijk Malta-onderzoek, tegenover 3 op 20 voor het voorgaande jaarkwintet en 1 op 21 campagnes in de periode 1995-96. Dit betekent in absolute aantallen dus een belangrijke stijging vanaf de periode 2005-09.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 5: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

 Opgravingcampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 6: Opgravingcampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.

 Terreincampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoekFiguur 7: Terreincampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

 Opgravingcampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoekFiguur 8: Opgravingcampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

De verklaring voor de plotse stijging in het aantal terreincampagnes na 2005 is zeker te zoeken in de omslag die de Vlaamse archeologie vanaf dit ogenblik kenmerkte, met de integratie van de archeologische dossierbehandeling in het Agentschap RO-Vlaanderen40 en de veranderde toepassing van het zorgplichtprincipe uit de bestaande Vlaamse wetgeving. Toch is opvallend dat ook het aandeel van het geprogrammeerde onderzoek op niet-bedreigde sites opnieuw gevoelig toeneemt tijdens deze periode, al hebben deze dan voornamelijk betrekking op prospectiecampagnes.41 Specifiek voor het neolithicum zijn exact dezelfde tendensen te zien, zij het dat de opgravingen in het laatste jaarkwintet enkel in een zogenaamde Malta-context tot stand kwamen (Figuur 7 en Figuur 8). Het valt af te wachten of deze stijging zich doorzet in de nabije toekomst.
Een opvallende trend in het steentijdonderzoek in Vlaanderen, die eveneens tot uiting komt in de analyse van de Notae Praehistoricae, is het groeiende aandeel van prospectie- en waarderingsonderzoek (Figuur 9). Zeker voor de periode tot halfweg de jaren 1990 werd enkel opgravingsonderzoek in de Notae gerapporteerd. In het jaarkwintet 1980-1984 is evenwel een zeker aantal prospecties opgenomen, maar dit betreft voornamelijk een aantal studies op grote collecties van amateurarcheologen. Tijdens de laatste vijftien jaar worden echter ook meer prospectie- en waarderingscampagnes georganiseerd door professionele archeologen. Vaak gaat het hierbij om meerperiode-projecten, waarbij ook het neolithicum aan bod komt. Prospecties specifiek gericht op het onderzoek van neolithische sites zijn erg zeldzaam. Voor de periode van de laatste vijftien jaar betreft het de hierboven reeds aangehaalde prospectie voor pollenonderzoek in Spiere, de identificatie van een aardwerk in Assent Hermansheuvel bij een luchtfotografische prospectie42 en twee prospecties op eigen initiatief door jonge professionele archeologen in de gemeenten Oostrozebeke 43 en Sint-Genesius-Rode.44
Waarderingscampagnes werden hoofdzakelijk uitgevoerd op finaalpaleolithische en mesolithische sites, voornamelijk door het VIOE, maar ook door de UGent. Voor het neolithicum bleef het waarderingsonderzoek beperkt tot een campagne op de middenneolithische site in Ottenburg45 en op de vroegneolithische site in Riemst Toekomststraat,46 beide uitgevoerd door het VIOE.
Bij het opdelen van de campagnes per periode en per uitvoerder (Figuur 10), blijkt de dominantie van de K.U.Leuven in het onderzoek van vroeg- en middenneolithische sites, gevolgd door de UGent en het VIOE. Bij het onderzoek naar laat- en finaalneolithische sites is de UGent dan weer het meest actief. Met uitzondering van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, dat met een prospectie- en een opgravingscampagne in deze grafiek is vertegenwoordigd, hebben andere uitvoerders slechts een enkele keer neolithisch onderzoek in de Notae Praehistoricae gerapporteerd.
Indien we de activiteit van de instellingen op steentijdonderzoek over de tijd uitzetten, valt de uitgesproken dominantie van de K.U.Leuven op bij het begin van de registratieperiode (Figuur 11). Het aantal campagnes dat vanuit de K.U.Leuven in de Notae wordt gerapporteerd daalt vanaf dat ogenblik gradueel van 20 in de periode 1980-1984 tot slechts 3 in de periode 2000-2004. Tijdens de laatste vijf jaar is opnieuw een lichte stijging merkbaar met 8 terreincampagnes. Vanaf het jaarkwintet 1985-1989 start ook het steentijdonderzoek aan de UGent met Philippe Crombé en groeit het aandeel van deze instelling stelselmatig tot op vandaag. Hetzelfde kan gesteld worden over de activiteit van het VIOE dat zeker de laatste tien jaar een even groot aandeel heeft in het steentijdonderzoek als de UGent. Tenslotte is ook het belang van de restgroep merkbaar tijdens de laatste vijf jaar, en dit in tegenstelling tot de voorgaande periode. Deze groep wordt vertegenwoordigd door instellingen die niet meer dan een enkele keer een project leidden of er het belangrijkste aandeel in hadden. Voor de periode voorafgaand aan 2005 zijn dit steeds wetenschappelijke instellingen, zoals de universiteiten van Antwerpen, Namen, Luik en Louvain-La-Neuve. Voor het laatste jaarkwintet gaat het bij 4 van de 6 onderzoeken om opgravingen die rechtstreeks voortvloeien uit het Malta-principe met financiering van het onderzoek door de bouwheer. In een enkel geval betreft het onderzoek van een Vlaamse archeologische onderneming, zij het op initiatief van een expert verbonden aan de UGent,47 in de andere gevallen gaat het om een vzw. (Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting)48 of om intercommunale samenwerkingsverbanden49 Ook de grote wetenschappelijke instellingen realiseren meer projecten in de context van deze Malta-archeologie.

 Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintetFiguur 9: Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet

 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Figuur 10: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per steentijdfase en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Group1 is de restgroep van instellingen die maximaal een enkele keer een onderzoek uitvoerden.Figuur 11: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Group1 is de restgroep van instellingen die maximaal een enkele keer een onderzoek uitvoerden.

Zoals eerder aangegeven gaan we uit van een representativiteit van de publicaties in de Notae Praehistoricae voor het veldwerk naar steentijdsites in Vlaanderen en België. Een korte analyse van de grijze literatuur uit de laatste vijf jaar, waarin een vermelding naar vondsten uit het neolithicum is opgenomen, bevestigt deze representativiteit. In totaal zijn vijftien dergelijke rapporten opgenomen in de Bibliografie Onroerend Erfgoed. In de meeste gevallen gaat het hierbij om een vondstmelding (n=11), vaak van een enkel artefact dat aan het neolithicum kan toegeschreven worden. In twee andere gevallen gaat het om prospectieonderzoek (proefsleuven) waarbij een enkel spoor aan het neolithicum kan worden toegeschreven en waarbij vervolgonderzoek in deze zone wordt aanbevolen. In al deze gevallen gaat de informatiewaarde dan ook niet verder dan wat in een kroniek zou moeten worden opgenomen.
Met betrekking tot de aanleiding van het onderzoek is opvallend dat alle uitvoerende partijen, maar vooral de UGent en de overheidsdienst, vertegenwoordigd zijn bij het stijgende aandeel van Malta-onderzoek tijdens de laatste vijf jaar (Figuur 12). Terwijl het aandeel van bedreigde sites zonder Malta-financiering sterk afneemt aan de K.U.Leuven sinds 2000 en aan de UGent sinds 2005, blijft dit voor het VIOE min of meer stabiel. Voor wat betreft het geprogrammeerd onderzoek is de heropleving tijdens de laatste vijf jaar voornamelijk te wijten aan de activiteit van de UGent – voornamelijk in het kader van door het FWO gefinancierd prospectieonderzoek – en in veel mindere mate aan dat van de K.U.Leuven, terwijl het geprogrammeerd onderzoek aan het VIOE sterk is afgenomen in de laatste vijf jaar. Figuur 13 toont het steentijd terreinonderzoek dat tijdens de laatste vijf jaar is uitgevoerd per uitvoerende instantie. Bij alle instanties is de dominantie van veldwerk op bedreigde sites waar te nemen, telkens voornamelijk gefinancierd binnen de Malta-context. Het geprogrammeerd onderzoek vormt voornamelijk binnen de UGent nog een belangrijk aandeel van het totale veldwerk op steentijdsites. De gegevens met betrekking tot het neolithicum in het bijzonder volgen deze patronen maar zijn te beperkt in aantal om apart te analyseren.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per uitvoerende instantie, opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 12: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per uitvoerende instantie, opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen tijdens de laatste vijf jaar gerapporteerd in Notae Praehistoricae per uitvoerder en ingedeeld volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 13: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen tijdens de laatste vijf jaar gerapporteerd in Notae Praehistoricae per uitvoerder en ingedeeld volgens de aanleiding van het onderzoek.

3.3 Balans van de ontsluiting van het onderzoek

3.1 Werkwijze

Al het graaf- en onderzoekswerk wordt voor de wetenschap pas relevant wanneer de resultaten ervan ook behoorlijk gepubliceerd raken en opgepikt door de ruimere onderzoeksgemeenschap. In dit onderdeel gaan we na in hoeverre dit voor het onderzoek van het paleolithicum in Vlaanderen vlot verloopt.
De basis voor deze analyse is een zo exhaustief mogelijke lijst van de wetenschappelijke publicaties over onderzoek van het neolithicum in Vlaanderen. Die lijst werd voor het opstellen van deze onderzoeksbalans opgemaakt en aangevuld, en staat via de Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen voortaan ter beschikking van elke onderzoeker. Om deze databank in dit hoofdstuk te laten fungeren als analyse-instrument hebben we er een aantal bewerkingen op toegepast en er vervolgens verschillende indexen in aangebracht, naar analogie van de analyse die voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd uitgevoerd.
Omdat de hoeveelheid nieuwe kennis belangrijker wordt geacht dan het aantal publicaties, werd voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum van deze onderzoeksbalans een vertaling gemaakt van de publicatiedatabase naar een databestand waarin het aantal bladzijden originele onderzoeksresultaten berekend zijn. Dit vergt wat evaluatie- en interpretatiewerk, waarbij de volgende regels in acht zijn genomen:

  • Uitgangspunt en referentie is één pagina formaat A4 in een klassiek wetenschappelijk tijdschrift, genre Relicta of Archeologie in Vlaanderen. Voor de meeste referenties is bijgevolg effectief het aantal pagina’s genomen.
  • Voor publicaties (bv. synthesewerken) die ook andere perioden of andere regio’s behandelen, is ingeschat hoeveel pagina’s hierin daadwerkelijk betrekking hebben op de betreffende periode in Vlaanderen. Wanneer binnen die periode verschillende fases aan bod komen is dit gewoon vermeld, zonder verdere opsplitsing van het aantal pagina’s.
  • Voor verhandelingen en andere ongepubliceerde manuscripten die openbaar toegankelijk zijn, werd ingeschat hoeveel pagina’s het werk zou omvatten mocht het omgezet zijn naar een wetenschappelijke publicatie. Indien dit effectief ook is gebeurd (bv. in Terra Incognita), werd enkel de omvang van het gepubliceerde werk opgenomen. Dit geldt ook voor doctoraatsverhandelingen die naderhand als boek werden gepubliceerd.
  • De algemene regel is dat in geval van meerdere publicaties over hetzelfde onderwerp, dezelfde pagina’s maar eenmaal werden geteld, in principe bij de hoofdpublicatie. Louter populariserende en vulgariserende werken over het onderwerp werden sowieso uitgesloten. Zij presenteren in de regel geen originele resultaten. Hetzelfde geldt voor cursussen en andere educatieve werken.
  • Zuiver geografische, geomorfologische, paleoklimatologische en andere natuurwetenschappelijke publicaties over deze periode zijn niet opgenomen. Deze komen immers in andere hoofdstukken van de onderzoeksbalans aan bod. Wanneer het onderzoek wel direct in relatie staat tot de archeologische context (bv. stratigrafie, datering), werd het wel opgenomen.
  • Evenmin geaccepteerd zijn loutere vondstmeldingen zoals die vroeger in Archeologie of in andere kronieken werden opgenomen. Aangezien deze de laatste jaren rechtstreeks aan de Centrale Archeologisch Inventaris worden doorgegeven, zou dit voor een scheeftrekking hebben gezorgd. Bovendien kunnen dergelijke signalementen meestal bezwaarlijk echt wetenschappelijk onderzoek worden genoemd.

Om ook het publicatiejaar in rekening te kunnen brengen, en de evolutie in de publicaties te kunnen evalueren, werd net als voor de analyse van de publicaties in de Notae Praehistoricae gewerkt met perioden van 5 jaar, voor de steentijd in het algemeen beginnend in 1870, voor het neolithicum specifiek in 1888. De gegevens werden opgenomen tot en met het jaar 2009.
Voor het type van publicatie maakten we, zoals voorzien in de Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen, een onderscheid tussen boeken, bijdragen in boeken (‘boekdelen’), tijdschriftartikelen, ‘papers’ gepubliceerd in de ‘proceedings’ van een congres, thesissen en andere ongepubliceerde rapporten. Geëditeerde boeken zoals handelingen van een congres komen niet als geheel aan bod, aangezien de verschillende (relevante) bijdragen in principe apart zijn opgenomen.
Om een idee te krijgen van het internationale potentieel van het gepubliceerde onderzoek is ook de taal geregistreerd waarin het werk is geschreven. Daarnaast werd bepaald of een publicatie in een regionale context werd gepubliceerd, dan wel in een nationale of internationale context. Hier dient te worden aangestipt dat deze context niet steeds gelijk is aan de werkelijke verspreiding van de publicatie en haar gebruik in het internationale onderzoek. Zo werden bijdragen gepubliceerd in de Notae Praehistoricae in de onderstaande analyse aan een ‘nationale’ context toegeschreven. Individuele artikels uit dit tijdschrift zijn echter eveneens in een internationale context gekend en worden in het onderzoek geciteerd. In principe zou een echt bibliometrisch onderzoek met analyse van impactfactoren en de citaties van de individuele bijdragen of onderzoekers de beste methode zijn om de ontsluiting binnen het internationale onderzoek te meten. De gegevens hiervoor zijn helaas niet makkelijk voorhanden; het samenbrengen hiervan behelst een gedetailleerde inventarisatie van de citaties van de internationale literatuur.

3.2 Overzicht van gepubliceerd onderzoek

Momenteel hebben 311 originele wetenschappelijke publicaties betrekking op het neolithicum in Vlaanderen. Om dit in de context van de periodegebonden steentijdpublicaties te plaatsen, dienen we uit te gaan van de werken die tot en met 2007 werden gepubliceerd, gezien het databestand dat voor het paleolithicum en mesolithicum werd opgesteld tot die datum loopt. Van de toen 713 originele wetenschappelijke publicaties hadden 278 betrekking op het neolithicum, 283 op het mesolithicum en 263 op het paleolithicum. Dat de som van deze aantallen groter is dan het totaal van 713, heeft te maken met het voorkomen van 111 publicaties die expliciet betrekking hebben op twee van de drie perioden. Indien we ook deze buiten beschouwing laten is de verhouding lichtjes anders met 197 publicaties over het paleolithicum, 175 over het mesolithicum en 230 over het neolithicum in Vlaanderen. Het totaal aantal publicaties met betrekking tot het neolithicum, maar met uitzondering van de vondstmeldingen, vulgariserende publicaties en publicaties die gericht zijn op natuurwetenschappelijk onderzoek, bedraagt 365, dit is 32% van de 1125 steentijdpublicaties (met inbegrip van de niet periodegebonden werken).
Publicaties over het neolithicum in Vlaanderen beginnen in 1888, met een publicatie van de Loë 1 voor de ‘Fédération historique et archéologique de Belgique’ waarin hij een overzicht presenteert van de megalieten in België. Enkele van die zogenaamde megalieten worden gelokaliseerd binnen het huidige Vlaamse Gewest.2 Pas na de Tweede Wereldoorlog komt er enige regelmaat in het aantal publicaties, met een geleidelijke groei tot in de jaren 1970). Een plotse toename treedt op in de jaren 1980, gevolgd door een duidelijke afname in de jaren 1990. De laatste jaren is opnieuw sprake van een toename. De hierboven beschreven trend voor het neolithicum overlapt perfect met de algemene trend voor de steentijdpublicaties. 3

 Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaarFiguur 14: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaar

 Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatieFiguur 15: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatie

Tijdschriftartikels vormen voor alle perioden het leeuwendeel van de publicaties, evenzo voor het neolithicum met een totaal van 58% (Figuur 15). De verdeling van de andere publicatietypes is lichtjes anders dan voor het paleolithicum en mesolithicum. Congrespapers hebben met 14% een belangrijker aandeel bij het neolithisch onderzoek dan voor de voorgaande perioden. Boekdelen en thesissen volgen met respectievelijk 10 en 9% van alle neolithische originele publicaties. Net als voor het paleolithisch en mesolithisch onderzoek zijn boeken (4%) en rapporten (6%) duidelijk in de minderheid. Bij de boeken gaat het bovendien meestal om synthesewerken waarin de Vlaamse sites maar in beperkte mate aan bod komen. Er zijn slechts een drietal (bescheiden) boeken gewijd aan neolithische sites uit Vlaanderen.4 5 6

Voor het steentijdonderzoek in het algemeen hebben tijdschriftartikels altijd het gros van het publicatietype uitgemaakt, met opnieuw een opvallende piek in de jaren 1980, een al even opmerkelijke terugval in de loop van de jaren 1990 en een duidelijke groei vanaf 2000.

 Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaarFiguur 16: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar

Diezelfde trend is waar te nemen voor het neolithicum in het bijzonder, al situeert de piek in het aantal tijdschriftartikels zich eerder in de eerste helft van de jaren 1980 in plaats van in de tweede helft. Vanaf de jaren 1980 gaan ook de thesissen, congrespapers en boekdelen regelmatig een substantieel deel van de wetenschappelijke werken uitmaken, sinds de jaren 1990 maken ook de rapporten er deel van uit.

 Aantal wetenschappelijke publicaties van neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaarFiguur 17: Aantal wetenschappelijke publicaties van neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar

Boeken en doctoraatsthesissen komen maar occasioneel uit, maar spelen natuurlijk wel een grote rol in de omvang van de onderzoeksoutput. Dit komt het best tot uiting in het aantal gepubliceerde pagina’s origineel onderzoek over de jaren heen. In deze grafiek zijn twee opvallende pieken waar te nemen: een piek in de tweede helft van de jaren 1980 die gerelateerd is aan de publicatie van de Bandkeramische site Vlijtingen Kayberg7 en een piek in de eerste helft van de jaren 2000 die voornamelijk wordt gegenereerd door een doctoraatsthesis.8
Zoals hierboven vermeld, werd nagegaan in hoeverre een gelijkaardig patroon ook verkregen kan worden met een vereenvoudigde aanpak, zonder een individuele inschatting te moeten maken van elke publicatie.

 Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaarFiguur 18: Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar

Voor elk van de fasen binnen het neolithicum vormen de tijdschriften het belangrijkste publicatiekanaal, voor het vroegneolithicum op de voet gevolgd door de congrespapers. Dit is het geval wanneer het aantal originele publicaties in rekening wordt gebracht (Figuur 19). Bij het aantal originele pagina’s zijn opnieuw enkele verschillen zichtbaar ten gevolge van een beperkt aantal, hierboven reeds aangehaalde publicaties (Figuur 20). Zo houdt het hogere relatieve aandeel van boeken voor het vroegneolithicum verband met de publicatie van Vlijtingen Kayberg en het hogere aandeel van thesissen voor het middenneolithicum verband met een doctoraatsthesis. Voor het laatneolithicum ontbreken dergelijke werken en is het patroon tussen aantal publicaties en aantal pagina’s sterk gelijkend.

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 19: Aantal wetenschappelijke publicaties over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 20: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

Als maatstaf voor de (potentiële) internationale verspreiding van het gepubliceerde onderzoek werd ook naar de taal van de werken gekeken. Daaruit blijkt dat de meeste wetenschappelijke publicaties over neolithicum in Vlaanderen in het Frans (38%) en het Nederlands (36%) zijn uitgebracht, 21% in het Engels en slechts 5% in het Duits (Figuur 21). Het evenwicht tussen Franse en Nederlandse publicaties is voornamelijk het gevolg van het verschil tussen de publicaties van vroeg- en middenneolithisch onderzoek. Voor het vroegneolithisch onderzoek domineren de Franstalige publicaties (42%), gevolgd door de Engelstalige publicaties (33%) en slechts 19% Nederlandstalige. Bij het middenneolithicum is die trend sterk verschillend met 52% Nederlandstalige publicaties, 32% Franstalige en 15% Engelstalige. Het patroon voor het laatneolithicum sluit netjes aan bij dat van het middenneolithicum. Opnieuw is een verschil merkbaar wanneer we niet het aantal publicaties, maar het aantal gepubliceerde pagina’s in rekening brengen. Met enkel de bladzijden originele onderzoeksresultaten blijken de Nederlandstalige publicaties in de meerderheid (35%), op de voet gevolgd door een gelijke hoeveelheid Engelstalige en Franstalige (31%, Figuur 22). De vroegneolithische publicaties worden nog steeds door de Franstalige gedomineerd en blijft de volgorde behouden, maar voor het middenneolithicum is het aantal Engelstalige gepubliceerde pagina’s duidelijk dominant (47%). Opnieuw is dit te wijten aan de ene doctoraatsthesis voor deze periode, die in het Engels is opgesteld.

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 21: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 22: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

Tot de jaren 1950 zijn enkel Franstalige publicaties opgenomen (Figuur 23). De eerste Nederlandstalige publicatie over het neolithicum is het overzichtswerk van de hand van M.E. Mariën9 over de Belgische late prehistorie, vanaf het neolithicum tot aan de Romeinse periode. Vanaf de publicatie door Lux10 over de Bandkeramische vondsten op de Flikkenberg in Rosmeer in het tijdschrift Limburg, winnen ook de Nederlandstalige publicaties aan belang. Vanaf 1960 zal het Nederlands het aantal publicaties en het aantal gepubliceerde pagina’s originele onderzoeksresultaten domineren (Figuur 23 & Figuur 24), met uitzondering van de periode tussen 1995 en 2005, wanneer het Frans opnieuw de bovenhand neemt. Het Engels neemt een aanvang wanneer Scollar11 in de Proceedings of the Prehistoric Society de eerste Engelstalige bijdrage publiceert die ook betrekking heeft op het neolithicum in Vlaanderen. Vanaf dat moment zal het Engels een wisselend belang kennen. Het wordt in de periode net na de eeuwwisseling dominant in het aantal gepubliceerde pagina’s. Opnieuw is dit effect verbonden met een enkele doctoraatsthesis.

 Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerdFiguur 23: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd

 Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerdFiguur 24: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd

Zoals hierboven reeds aangegeven, werd met het oog op het bepalen van de impact van de publicaties in het internationale onderzoek, bijkomend een onderscheid gemaakt naar de context waarin het onderzoek werd gepubliceerd. Er werd een onderscheid gemaakt tussen regionale, nationale en internationale publicaties. De regionale publicaties omvatten voornamelijk tijdschriften van heemkringen of archeologieverenigingen, alsook de jaarverslagen van de provincies. Tijdschriften of boeken die op Vlaams niveau gepubliceerd worden, zoals het tijdschrift Relicta/Archeologie in Vlaanderen, werden ingedeeld bij de nationale publicaties. Hetzelfde geldt voor een tijdschrift als Notae Praehistoricae, dat evenwel ook een internationale verspreiding kent, maar toch hoofdzakelijk als Belgische publicatie moet worden aanzien. Internationale publicaties omvatten zowel internationale congresverslagen als tijdschriften. Bijdragen over het neolithicum in Vlaanderen in tijdschriften die in het buitenland uitgegeven worden, werden steeds onder internationale publicaties ondergebracht, ook al hebben ze in het buitenland een eerder nationale of regionale scope. Tijdschriften die in de loop van de geschiedenis een of meerdere naamsveranderingen doormaakten, werden onder de noemer van de meest recente benaming samengebracht.
Het is opvallend dat enerzijds de meeste originele onderzoeksresultaten in een internationale context werden gepubliceerd (32%), maar dat anderzijds 42% van de originele resultaten in ongepubliceerde of regionale bijdragen is opgenomen (Tabel 1 & Figuur 25). Voor de ongepubliceerde bijdragen is dit betrekkelijk grote aandeel voornamelijk het gevolg van een grote reeks (26) licentiaatsverhandelingen en een enkele doctoraatsthesis, die nog niet in een andere context werden gepubliceerd. Het grote aandeel regionale bijdragen bestaat voornamelijk uit artikelen in regionale tijdschriften. Verder is het aandeel regionale, nationale en internationale bijdragen voor de tijdschriftartikelen grotendeels gelijk. Het grootste deel van de tijdschriftartikelen in nationale of internationale context werd gepubliceerd in de vijf voornaamste tijdschriften/reeksen van de nationale archeologie voor steentijdonderzoek: Notae Praehistoricae (18%), Helinium (16%), Archaeologica et Praehistorica (13%), Relicta (10%) en Archaeologia Belgica (5%), samen goed voor 63% van de originele bijdragen in deze context (Tabel 2). Van deze vijf tijdschriften werden enkel Archaeologica et Praehistorica en Helinium als internationaal geklasseerd. De andere internationale tijdschriftartikelen zijn verdeeld over 24 tijdschriften en omvatten zowel publicaties in buitenlandse tijdschriften van onderzoekers die verbonden zijn aan Vlaamse instellingen als publicaties van buitenlandse onderzoekers die deels betrekking hebben op het neolithicum in Vlaanderen. Publicaties uit de laatste tien jaar in internationaal gereviewde tijdschriften zijn beperkt tot naar schatting 20 bladzijden origineel onderzoek dat direct op het neolithicum in Vlaanderen betrekking heeft, verspreid over zes bijdragen in drie verschillende tijdschriften: Antiquity, Archaeometry en Journal of Anthropological Archaeology.
Bij de congrespapers en boekdelen domineren de internationale publicaties in het aantal originele bladzijden (Figuur 25). Het aandeel van de congrespapers is bovendien sowieso betrekkelijk groot. Dit is het gevolg van het feit dat internationale congressen over neolithisch onderzoek op geregelde tijdstippen georganiseerd worden en dat deze in Noordwest-Europa een belangrijk forum bieden voor de verspreiding van de eigen onderzoeksresultaten. Publicaties in internationale congresbundels vormen dan ook een belangrijk onderdeel van de literatuurverwijzingen in het internationale onderzoek en moeten als dusdanig getaxeerd worden bij een evaluatie van de impact van het Vlaams neolithisch onderzoek in internationale context.

 Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per type publicatie en onderverdeeld naar de context van publicatieFiguur 25: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per type publicatie en onderverdeeld naar de context van publicatie

 Aantal gepubliceerde originele bijdragen ingedeeld naar de context waarin ze werden gepubliceerdTabel 1: Aantal gepubliceerde originele bijdragen ingedeeld naar de context waarin ze werden gepubliceerd

 Aantal nationaal of internationaal gepubliceerde originele bijdragen per tijdschriftTabel 2: Aantal nationaal of internationaal gepubliceerde originele bijdragen per tijdschrift

3.4 Balans in de tijd

4.1 Dateringsproblematiek en beschikbare dateringen

Bij de absolute datering van neolithische sites in Vlaanderen speelt in feite enkel de 14C methode een belangrijke rol. Dendrochronologische dateringen zijn voor deze periode in principe wel mogelijk, maar voor Vlaanderen is vooralsnog geen enkele datering beschikbaar. Doordat neolithische sites worden gekenmerkt door het voorkomen van uitgegraven sporen, is het vaak evidenter dan voor het mesolithicum om monsters te vinden waarvan de associatie met de te dateren fenomenen voldoende betrouwbaar is. Anderzijds dienen bij het evalueren van de dateringen een aantal bedenkingen in rekening te worden gebracht. 1 2 3 Zo is vanzelfsprekend de aard van het monster van belang. Vandaag gaat de voorkeur zeker naar kortlevende monsters zoals takken, schors, zaden en vruchten die goed zijn geassocieerd met de te dateren fenomenen, in plaats van naar ongedetermineerde houtskoolfragmenten. Dit wordt mogelijk gemaakt door de ontwikkeling en evolutie van de AMS-techniek sinds het einde van de jaren 1970, waarbij beduidend kleinere monsters voor datering in aanmerking komen. Terwijl het dateren van voedselresidu op potscherven eveneens als kortlevend monster kan worden beschouwd, is ook hier voorzichtigheid geboden. Ook hier is een analyse van de precieze samenstelling van het monster aangewezen, om een verouderde datering door het reservoireffect te vermijden.4 Deze bedenkingen worden in het huidig onderzoek in principe steeds meegenomen alvorens monsters naar dateringslabo’s te sturen. In het verleden werd hier echter vaak onvoldoende rekening mee gehouden, zodat heel wat dateringen werden bekomen op grote, ongedetermineerde houtskoolfragmenten. Een andere factor die de bruikbaarheid van dateringen kan beïnvloeden, is de omvang van de standaarddeviatie. Dit is voornamelijk problematisch voor conventionele dateringen die reeds lang geleden werden bekomen. Andere problemen zijn gelieerd aan de vergelijking van dateringen uit verschillende labo’s, dateringen die over een lange periode heen in hetzelfde labo zijn gedateerd, die met een verschillende techniek zijn gedateerd 5 of die op verschillende soorten monsters zijn bekomen. Ten slotte hangt de waarde van de bekomen dateringen ook nog af van de mate van overlap met één of meer plateaus in de calibratiecurve. Zo verkleint een belangrijk calibratieplateau tussen ongeveer 4260 en 4080 v.Chr. de chronologische resolutie van de dateringen, ook al is de standaardafwijking van die dateringen beperkt.

Bij de beschikbare dateringen voor het vroegneolithicum dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de dateringen van Bandkeramische sites in de leemstreek en dateringen die voor de finaalmesolithische/vroegneolithische Swifterbantoccupatie in de Scheldepolders beschikbaar zijn. Voor de Bandkeramiek in Vlaanderen zijn in totaal 17 dateringen beschikbaar, alle afkomstig van sites in Haspengouw. De meeste van deze dateringen werden uitgevoerd tijdens de jaren 1980. Dateringen voor recent opgegraven sites zijn niet beschikbaar. Gezien de Zuid-Limburgse sitecluster nauw aansluit bij de grotere cluster van sites in Luiks Haspengouw enerzijds en de Graetheidecluster in Nederlands Zuid-Limburg anderzijds, kan voor een datering van de Bandkeramische occupatie in Vlaanderen ook naar deze contexten worden gerefereerd, waarvoor heel wat dateringen beschikbaar zijn.
Voor de Swifterbantoccupatie van de Scheldepolders kunnen we verwijzen naar het grootschalige dateringsproject van de UGent en het KIK, waarbij met name voor de sites in Doel Deurganckdok al heel wat dateringen werden bekomen. In tegenstelling tot de Bandkeramische dateringen zijn deze voor de Swifterbant alle bekomen tijdens het laatste decennium.
Voor de periode tussen het einde van de Bandkeramische occupatie en het begin van het middenneolithicum, meer dan een half millennium later, zijn geen 14C-dateringen beschikbaar. Dit chronologische hiaat komt bovendien overeen met een hiaat in de kennis van de occupatie. In Bekkevoort is op basis van een oppervlaktekartering een enkele site geïdentificeerd die mogelijk door de Groep van Blicquy werd bewoond, maar sites van andere post-Bandkeramische groepen zoals de Rössencultuur ontbreken vooralsnog.6 Voor de rest van Vlaanderen zijn evenmin gedateerde sites voorhanden. Wel werden in een dateringsproject op hakken in gewei die in de Beneden Schelde gevonden werden enkele dateringen bekomen die in deze periode te situeren zijn.7 8 Of deze met een neolithische occupatie in verband moeten worden gebracht is onzeker. Mogelijk betreft het werktuigen van late (Swifterbant?) groepen jager-verzamelaars die eerder bij het mesolithicum dienen te worden ondergebracht. Het is evenmin duidelijk of de losse vondsten van Rössen Breitkeilen gelieerd zijn met een Rössenoccupatie van het gebied, dan wel het resultaat van uitwisseling met lokale, pre-neolithische groepen. In elk geval bevestigen ze dat het kennishiaat tijdens het midden van het 5de millennium geen gevolg is van een totaal verlaten van het gebied.
Vanaf de periode tussen 4260 en 4080 v.Chr. – die gekenmerkt wordt door een calibratieplateau – duiken de sites en 14C-dateringen weer op, ditmaal in de leemstreek gelieerd aan de Michelsbergcultuur en aanverwante groepen. In totaal zijn slechts 11 betrouwbare dateringen met een standaarddeviatie kleiner dan 100 jaar beschikbaar voor het middenneolithicum in Vlaanderen. Deze lopen door tot in het eerste calibratieplateau van het 4de millennium v.Chr., tussen 3950 en 3790 v.Chr. De periode daarna wordt nogmaals gekenmerkt door een hiaat in de kennis, opnieuw ingevuld door enkele dateringen op geweien hakken uit de Beneden Schelde. Deze dateringen lopen overigens door tot het einde van het neolithicum, omstreeks 2000 v.Chr. Ook in het zuiden van het land lopen de dateringen in grotsites door over deze periode.9 Deze dateringen zijn vaak bekomen op monsters die eind 19de of begin 20ste eeuw werden opgegraven en niet meer betrouwbaar met een materiële cultuur zijn geassocieerd, waardoor ze niet meer informatie opleveren dan het bevestigen van het doorlopen van de menselijke bewoning in het gebied.
In Vlaanderen duiken de eerste dateringen weer op voor het laat- en finaalneolithicum, tijdens het derde millennium v.Chr. De dateringen werden in de laatste jaren aangevuld en zijn intussen afkomstig van een negental sites: nederzettingsresten in Hertsberge en Waardamme (Deûle-Escaut), Deinze (Enkelgrafcultuur), Hansbeke en Oudenaarde Donk (Klokbekercultuur) en de funeraire sites in Kruishoutem (Wijkhuis en Kapellekouter), Mol en Sint-Denijs-Westrem. Enkele dateringen in de tweede helft van het 4de millennium, zoals in Ename, Oudenaarde en Deinze, zijn niet betrouwbaar geassocieerd met laatneolithische occupatieresten en zijn bijgevolg moeilijker te interpreteren.10 11

4.2 Overzicht van de gekende sites per periode

Voor een overzicht van de bekende neolithische sites per chronologische fase, werd de Centrale Archeologische Inventaris van Vlaanderen (CAI) als bron gebruikt. De aanpak werd afgestemd op deze gehanteerd voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum van deze onderzoeksbalans. Het is evident dat de CAI met een grote omzichtigheid moet worden gebruikt in kwantitatief onderzoek. In verband met de waarde en het gebruik van de CAI dienen volgende zaken immers te worden opgemerkt:

  • Enkel de sites waarvan de ligging enigszins12 bekend is, zijn in deze analyse in aanmerking genomen.
  • De belangrijkste problematiek bij het gebruik van deze bron is de vraag naar de representativiteit. Bevat de CAI daadwerkelijk een inventaris van alle neolithische vindplaatsen die in Vlaanderen bekend zijn, of ten minste gepubliceerd of gemeld? We moeten er sowieso van uitgaan dat bepaalde collecties nog niet ontsloten zullen zijn, zoals ook bleek uit een grondige evaluatie van de Oost-Vlaamse records in de CAI.13 Voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd reeds opgemerkt dat er ook met betrekking tot de gepubliceerde vondsten nog lacunes zijn. De vraag werd er gesteld in hoeverre alle lokale tijdschriften volledig zijn geëxcerpeerd. Een dergelijke screening impliceert echter een aparte evaluatie van de CAI op zich en gaat de opzet van de onderzoeksbalans te boven.
  • Eveneens voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd opgemerkt dat de kwaliteit en nauwkeurigheid van de ingevoerde CAI-gegevens momenteel nog erg variabel is. Vaak gaat het om vondstmeldingen zonder grondige evaluatie. Er werd dan ook intern aan het VIOE gestart met deze evaluatie en de redactie van de CAI. Deze redactie is momenteel nog niet afgerond. De gegevens die in dit hoofdstuk werden opgenomen zijn gebaseerd op de toestand in april 2010.

Van de bijna 6565 locaties die in april 2010 in de CAI geregistreerd stonden als steentijdsite, heeft de helft betrekking op lithisch materiaal waarvan de steentijdperiode niet kon worden gedetermineerd (Figuur 26). Zowat 31% van de 6565 locaties werd met het neolithicum in verband gebracht (n=2027). Dit aantal is goed voor meer dan 60% van alle periodegebonden locaties in de CAI. Bij deze aantallen dient in rekening te worden gebracht dat sites waar meerdere perioden zijn aangetroffen ook meerdere malen in deze tellingen zijn betrokken. Dat betekent dat het totaal aantal sites de facto lager ligt dan de 6565 locaties die hier in de discussie zijn betrokken.
Binnen het neolithicum is het grootste aantal sites niet verder bepaald naar fase (Figuur 27). Van de sites die wel naar fase zijn gedetermineerd, is er een erg uitgesproken meerderheid middenneolithische sites. Vroegneolithische sites zijn het zeldzaamst met een totaal van 76, gevolgd door laat- en finaalneolithische sites (n=173). Voor een gedetailleerde analyse van deze aantallen verwijzen we naar de paragraaf met het overzicht van gekende sites per archeoregio van dit hoofdstuk.14

 Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periodeFiguur 26: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode

 Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per faseFiguur 27: Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase

4.3 Balans van het onderzoek per chronologische fase

Voor een overzicht van het terreinwerk dat per neolithische fase plaatsvond, verwijzen we naar vorige besprekingen van de evolutie van het terreinwerk in de laatste dertig jaar en van de dateringsproblematiek. De bespreking van publicaties per chronologische fase is eveneens boven terug te vinden in het overzicht van gepubliceerd onderzoek.

3.5 Balans in de ruimte

5.1 Overzicht van de gekende sites per archeoregio

De verspreiding van de neolithische sites over de archeoregio’s werd eveneens bekeken op basis van de gegevens in de CAI. Voor het neolithicum kan een ander patroon worden waargenomen dan voor de voorgaande steentijdperioden (Figuur 28). Het grootst aantal sites is voor het neolithicum gekend in de zandleem- en leemstreek (53%), terwijl dat voor paleo- en mesolithische sites de Kempen is. In Zandig Vlaanderen (19%) zijn slechts iets minder sites gekend dan in de Kempen (26%). In de Maasvallei en de duin- en poldergebieden werden totnogtoe het minst aantal neolithische sites geregistreerd (samen 2%).

 Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’sFiguur 28: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s

Binnen het neolithicum zijn middenneolithische sites duidelijk dominant in elk van de archeoregio’s, met uitzondering van Zandig Vlaanderen waar meer laat- en finaalneolithische sites zijn gekend (Figuur 29). Terwijl het vroegneolithicum nagenoeg uitsluitend is gekend in de zandleem- en leemstreek en er ook voor het middenneolithicum sterke verschillen zijn in de verspreiding van sites met opnieuw de zandleem- en leemstreek als dominante, is de verdeling van laat- en finaalneolithische sites vrij gelijk gespreid over Zandig Vlaanderen, de Kempen en de zandleem- en leemstreek.

 Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase in de verschillende archeoregio’s. Group1=laat- en finaalneolithicum.Figuur 29: Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase in de verschillende archeoregio’s. Group1=laat- en finaalneolithicum.

Een verspreidingskaart van alle gelokaliseerde neolithische sites in Vlaanderen bevestigt dit patroon en toont dat de sites nagenoeg overal binnen de archeoregio’s voorkomen (Figuur 30). Enkele concentraties van sites zijn wellicht eerder gelinkt aan een concentratie van archeologisch onderzoek, in het bijzonder veldkartering, dan aan een daadwerkelijke concentratie van sites.

 Verspreiding van neolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 30: Verspreiding van neolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Vroegneolithische sites zijn wel duidelijk geconcentreerd in het oostelijk uiteinde van de zandleem- en leemstreek (Figuur 31). Dit is het gebied van de Bandkeramische nederzettingscluster in oostelijk Haspengouw die naar het zuiden aansluit bij de nederzettingscluster in Luiks Haspengouw en naar het noordoosten bij de Graetheidecluster in Nederlands Zuid-Limburg. De nederzettingscluster op het plateau tussen de bovenloop van Demer en Maas wordt in de wetenschappelijke literatuur aangeduid als Heeswatercluster.1 2 Momenteel zijn 28 van deze Bandkeramische nederzettingen in deze cluster in Vlaanderen bekend. De tweede Bandkeramische nederzettingscluster, in het gebied van de Kleine Gete, is ca. 20 km meer naar het westen gesitueerd en bevat slechts een drietal sites. Een enkele site, in Sluizen, is gelegen op de linkeroever van de benedenloop van de Jeker en behoort niet tot deze clusters. Het voorkomen van de Bandkeramische sites in slechts enkele nederzettingsclusters in de leemstreek sluit aan bij het patroon van sites elders in Noordwest-Europa.
Daarnaast zijn een beperkt aantal vroegneolithische sites verspreid over de rest van de zandleem- en leemstreek en in de zandige delen van Vlaanderen. Deze verspreiding moet in verband worden gebracht met de verspreiding van losse, diagnostische vondsten zoals pijlpunten en dissels, voornamelijk in een gebied dat zich uitstrekt tot ca. 30 km buiten de Bandkeramische nederzettingsclusters.3 4 5 Een deel hiervan kan wellicht in verband worden gebracht met expedities van de Bandkeramiek buiten de nederzettingsclusters en ten noorden van de leemgronden, maar het is niet uit te sluiten dat het bij een ander deel uitwisselingsvondsten betreft tussen de eerste landbouwersgemeenschappen en de laatste jager-verzamelaar groepen van het gebied. De enkele vroegneolithische vondsten in het poldergebied van de Beneden Schelde corresponderen met de vondsten van de Swifterbant cultuur in Doel Deurganckdok.6

 Verspreiding van vroegneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 31: Verspreiding van vroegneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Het middenneolithicum wordt niet enkel gekenmerkt door het grootst aantal sites, maar ook door een ruimere spreiding van de sites (Figuur 32). Ze zijn verspreid over nagenoeg de hele zandleem- en leemstreek. In de Kempen en in Zandig Vlaanderen is eveneens een gelijkmatige spreiding, van ditmaal een stuk minder sites, waar te nemen. Enkel in het oostelijk deel van de Kempen is een concentratie van waarnemingen gekarteerd. Voor het grootste deel betreft dit vondsten die in verband kunnen gebracht worden met de Michelsbergcultuur en verwante groepen.

 Verspreiding van middenneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 32: Verspreiding van middenneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Voor het laat- en vooral het finaalneolithicum zijn weer een heel stuk minder sites gekend in Vlaanderen. Begin jaren 1980 beschreef Louwe Kooijmans dit nog als het “grote, ‘lege gebied’ dat de kaart van het laat-neolithicum ons laat zien tussen de ‘Néolithiques de la Meuse’ en de ‘Vlaardingen-cultuur’” en sindsdien is dit beeld niet erg veranderd.7 Terwijl de sites van het laatneolithicum net als die van het middenneolithicum vrij homogeen over de archeoregio’s verspreid zijn (Figuur 33), zijn voor het finaalneolithicum voornamelijk sites gekend in het westelijk deel van de Vlaamse dekzandgebieden (Figuur 34).

 Verspreiding van laatneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 33: Verspreiding van laatneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

 Verspreiding van finaalneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 34: Verspreiding van finaalneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Hier is het van belang om te wijzen op het aparte fenomeen van de gepolijste bijl. In totaal zijn 1123 gepolijste bijlen in de CAI geregistreerd als prospectievondst of toevalsvondst. In de meeste gevallen betreft het losse vondsten van volledige exemplaren of fragmenten. De oorsprong van de gepolijste vuurstenen bijl moet bij het begin van het middenneolithicum gezocht worden,8 al blijft het werktuigtype wellicht ook nog na het neolithicum in gebruik. Volledige exemplaren worden echter zelden tot nooit in nederzettingscontext aangetroffen en het blijft dan ook onmogelijk om dergelijke exemplaren op basis van hun morfologie nauwkeurig te dateren. De dateringen die in de CAI werden toegevoegd aan de (losse) prospectievondsten van gepolijste bijlen, gaande van middenneolithicum tot de vroege ijzertijd, moeten dan ook met een korrel zout genomen worden. In ieder geval zijn deze vondsten van gepolijste bijlen verspreid over alle archeoregio’s.

 Verspreiding van gepolijste bijlen in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010). Losse vondsten zijn aangegeven in het zwart.Figuur 35: Verspreiding van gepolijste bijlen in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010). Losse vondsten zijn aangegeven in het zwart.

5.2 Het neolithisch potentieel van de archeoregio’s

Het belang van het onderscheid tussen de verschillende archeoregio’s voor het neolithicum houdt verband met twee aspecten. Vooreerst is er het tafonomische aspect, waarbij verschillen in bewaringstoestand en vondstkansen zijn gerelateerd aan de variatie in sediment, hydrografie, topografie, bodemvorming en historisch landgebruik. Daarnaast zullen deze verschillen ook op de neolithische occupatie een impact hebben gehad. De leemgronden van de zandleem- en leemstreek zijn in principe geschikter voor primitieve landbouwactiviteiten dan de zure zandgronden van Zandig Vlaanderen en de Kempen. Er kan dan ook worden verwacht dat de aard van de neolithische occupatie tot op zekere hoogte verschillend is geweest in de verschillende archeoregio’s. Dit kan een impact hebben gehad op nederzettingssystemen en de mate waarin structuren werden uitgegraven. Op zijn beurt zal dit opnieuw de bewaringstoestand en vondstkansen beïnvloeden.
De evaluatie van het neolithisch potentieel van de archeoregio’s is een taak die met name wordt bemoeilijkt door het feit dat de representativiteit van het gegevensbestand tot op zekere hoogte onbekend is. Een belangrijk gevaar bij de evaluatie van het neolithisch potentieel van de archeoregio’s is dan ook een cirkelredenering waarbij gekende neolithische sites als standaard worden aanzien, terwijl ongekende situaties over het hoofd worden gezien. We kunnen er immers van uit gaan dat doorheen het verleden, maar in belangrijke mate vanaf het neolithicum, het landschap actief door de mens werd ingedeeld, waarbij specifieke activiteiten op bepaalde ogenblikken in specifieke contexten werden uitgevoerd. Aldus kan een specifieke situatie, bijvoorbeeld het voorkomen van Bandkeramische nederzettingen (en grafvelden) bovenop leemplateaus, uitgroeien tot de standaard perceptie van de occupatie van die bepaalde cultuur in een specifiek gebied. Dit sluit echter niet uit dat andere activiteiten, of zelfs gelijkaardige activiteiten (i.c. een nederzetting), zich buiten de ‘typische’ geomorfologische context kunnen afspelen. In deze optiek kan verwezen worden naar de ontdekking van (late) Bandkeramische nederzettingsterreinen langsheen de Maas in Nederlands Limburg,9 10 11 die aantonen dat ook zones waar voorheen nooit met een Bandkeramische occupatie rekening werd gehouden een zeker potentieel bevatten. In die zin is het overzicht van het neolithisch potentieel eerder een aangeven van de mogelijkheid voor een goede bewaring van neolithische sites, dan wel het voorspellen van de aanwezigheid van dergelijke sites.
De zandleem- en leemstreek is in het verleden zwaar onderhevig geweest aan watererosie, mede onder invloed van de intensieve landbouw in deze vruchtbare contexten.12 Deze erosie is het sterkst op de plateauranden en bovenaan de hellingen en zal een vernielende impact hebben gehad op sites die zich in deze context bevonden. Onderaan de hellingen en in de valleien kunnen sites bedekt zijn met een belangrijk pakket colluvium, wat hun identificatie bemoeilijkt. Niettegenstaande deze processen bevatten de plateaus in deze regio nog steeds een groot potentieel voor het aantreffen van neolithische sites. Allereerst, en in tegenstelling tot bijvoorbeeld het mesolithicum, zorgen de grootte van de lithische artefacten en de aard van de sites met gegraven sporen van gebouwplattegronden, voorraad- of afvalkuilen en grachten, dat de oppervlakkige erosie niet alle sporen wegwiste. Bovendien is de erosie erg variabel en zijn de neolithische sites vaak betrekkelijk uitgestrekt, waardoor ook goed bewaarde delen voorkomen.13Bijgevolg zijn heel wat neolithische sites tot op vandaag gekend door vrij omvangrijke concentraties lithisch materiaal dat in de huidige bouwvoor is opgenomen en via veldkartering aan het licht kan komen. Tot nog toe bleven de opgravingen in dergelijke context echter kleinschalig, waardoor de kans op het aantreffen van de goed bewaarde delen beperkt bleef. Een voorbeeld van een dergelijk recent ontdekte en goed bewaarde neolithische site in een verder voor erosie erg vatbaar gebied, is de Bandkeramische site Riemst Toekomststraat waar een volledige Bandkeramische gebouwplattegrond werd aangetroffen.14 De waarnemingen werden gedaan bij de voorbereidende werkzaamheden voor de constructie van een paardenpiste, in een zone waar bovendien nog geen indicaties waren voor het aantreffen van een neolithische site. Te verwachten problemen bij de prospectie en opgraving van neolithische sites in deze contexten houden voornamelijk verband met de identificeerbaarheid van neolithische sporen met de standaard prospectiemethoden, alsook het inschatten van het belang op basis van vaak beperkte indicatoren.15 Gezien de zure en droge bodems op de plateaus is onverkoold organisch materiaal er nagenoeg niet te verwachten. De tafonomische context reduceert eveneens de kans op het aantreffen van rijke, gestratifieerde vindplaatsen tot nul.
Valleisites16 zijn in veel mindere mate gekend. Dit heeft wellicht hoofdzakelijk te maken met de hierboven reeds aangehaalde problematiek van selectieve prospecties op de plateaus en hellingen waar de meeste neolithische artefacten aan het oppervlak kunnen gevonden worden. Een gelijkaardige problematiek doet zich eveneens voor met betrekking tot de voorgaande perioden van de prehistorie. Desalniettemin is het bewaringspotentieel in deze valleicontexten groot, en dan in het bijzonder op de oeverwallen van de rivieren en de donken in de brede valleien. Daar is er een grotere kans op het aantreffen van begraven, goed bewaarde sites die een grotere informatiewaarde bevatten dan plateausites door het behoud van stratigrafische informatie en de mogelijkheid op het aantreffen van niet verkoolde organische resten.
De dekzandlandschappen van de Kempen en Zandig Vlaanderen zijn sinds het laatglaciaal veel minder vatbaar geweest voor watererosie en -sedimentatie dan de leemgebieden, wel voor eolische erosieprocessen. Neolithische sites in deze gebieden zijn dan ook voornamelijk aan of nabij het huidige oppervlak bewaard gebleven. Bodemvorming, bioturbatie en verploeging zijn de belangrijkste verstorende processen voor neolithische sporen in deze contexten, waardoor prospecties met ingreep in de bodem voornamelijk te kampen hebben met problemen van spoorherkenning. Daarnaast bestaan in dit gebied ook uitgebreide zones waar plaggengronden voorkomen, die de aanwezige neolithische sites zullen hebben afgedekt. Lithische artefacten aan het oppervlak zijn de meest voor de hand liggende indicatoren voor de aanwezigheid van sites in akkerbouwcontext. Dit is voornamelijk het geval in Zandig Vlaanderen, terwijl er heel wat meer ‘woeste gronden’17 bestaan in de Kempen. Theoretisch zijn de neolithische sites in deze context beter bewaard, want minder verstoord door verploeging, maar ook hier spelen bodemvorming en bioturbatie als voornaamste verstorende processen voor de bewaring van grondsporen. De droge, zure zandbodems bieden enkel bewaringskansen voor verkoold organisch materiaal. In alluviale context in de archeoregio’s van de Kempen en Zandig Vlaanderen zijn betere bewaringskansen voorhanden voor zowel stratigrafische informatie als voor niet verkoold organisch materiaal. Bekende neolithische sites zijn in deze contexten nog erg zeldzaam, maar dit houdt ongetwijfeld verband met de beperktere archeologische activiteit in het verleden en de moeilijkheid om de sites op te sporen, eerder dan dat het een reflectie zou zijn van de zeldzaamheid van neolithische activiteit. De recente vondsten van mesolithische en neolithische sites in deze context18 19 20 bieden eveneens perspectieven voor het aantreffen van neolithische sites.
Een groot onderzoekspotentieel situeert zich in de natte gebieden van de kust- en Scheldepolders en het alluvium van beken en rivieren.21 Swifterbantvindplaatsen22 zijn voornamelijk gekend in deze ‘wetlands’ met goed bewaringspotentieel. De sites werden afgedekt met veen, alluviale en/of mariene sedimenten en dus op een gegeven ogenblik afgesloten voor verdere verstoring en palimpsestvorming. Helaas kan deze afdek in realiteit een hele tijd na de occupatie dateren, waardoor de bewaringscondities op de nederzettingsterreinen23 voor organisch materiaal even beperkt zijn en er eveneens een mogelijkheid bestaat tot vermenging van occupatieresten uit verschillende perioden. Aldus is het bestaan van een feitelijk, cumulatief palimpsest mogelijk zoals onder meer de site en dateringen in Melsele ‘Hof ten Damme’ aangeven.24 25 De beste bewaringscondities voor stratigrafische informatie en organisch materiaal kunnen, naar analogie met de hoge resolutie sites in het Nederlandse rivierengebied,26 worden verwacht aan de voet van de nederzettingsterreinen. Helaas, en in tegenstelling tot de hierboven aangehaalde voorbeelden uit het Nederlandse rivierengebied, zorgde de dynamiek van de rivieren waarlangs de sites zijn gelegen, voor het verstoren en eroderen van mogelijk oorspronkelijk aanwezige afvallagen. Vooralsnog zijn dan ook geen goed bewaarde, gestratifieerde afvallagen aangetroffen, maar in principe bevat dit gebied wel degelijk het potentieel voor dergelijke vondstlocaties. Systematisch prospectiewerk naar dit soort vindplaatsen loopt momenteel, via enkele projecten aan de UGent en door het VIOE in het kader van de archeologische begeleiding van het Sigmaplan.

5.3 Evolutie van het terreinwerk in de archeoregio’s

De evolutie van het neolithisch terreinwerk in de archeoregio’s kan voor de laatste 30 jaar worden bestudeerd op basis van de publicaties in de Notae Praehistoricae
De dominantie van veldwerk in de zandleem- en leemstreek is daarbij erg opvallend en dit voornamelijk voor het vroeg- en middenneolithicum. In Zandig Vlaanderen en de Kempen is heel wat minder veldwerk gericht op het neolithisch onderzoek. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het minder voorkomen van sites enerzijds, zeker voor het vroegneolithicum, en de traceerbaarheid van neolithische sites anderzijds. Voor het laat- en finaalneolithicum is een ander patroon merkbaar, met een min of meer gelijkmatige verspreiding over alle archeoregio’s en zelfs het meeste veldwerk in Zandig Vlaanderen.

 Terreincampagnes (1979-2009) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg- (VN), midden- (MN) en laat- en finaalneolithische (LN) sites, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 36: Terreincampagnes (1979-2009) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg- (VN), midden- (MN) en laat- en finaalneolithische (LN) sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

Bij de uitvoerders is de dominantie van de K.U.Leuven in zowel de Kempen als de zandleem- en leemstreek merkbaar, in beide gevallen gevolgd door de overheidsdienst. In Zandig Vlaanderen en de Polders is de UGent dan weer uitgesproken het meest actief (Figuur 37). Diezelfde verhoudingen voor de steentijd spelen eveneens voor het neolithisch onderzoek (Figuur 38). In tegenstelling tot het paleolithisch onderzoek wordt dit patroon in geen van deze archeoregio’s gedomineerd door meerjarige campagnes op één of enkele sites. Zoals reeds eerder aangegeven, hebben de meeste projecten betrekking op sites waarvoor niet meer dan twee campagnes werden gerapporteerd.

 Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op steentijdsites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 37: Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op steentijdsites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

 Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 38: Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

Doordat twee van de drie belangrijkste uitvoerende instellingen voornamelijk binnen de grenzen van een tweetal archeoregio’s onderzoek uitvoeren 27 werken de patronen geldig voor deze instellingen eveneens sterk door op de activiteit binnen de archeoregio’s. Aldus is een verschuiving van het onderzoek op neolithische sites merkbaar (Figuur 39): terwijl tot eind de jaren 1990 het neolithisch onderzoek voornamelijk werd uitgevoerd in de zandleem- en leemstreek,28 is die positie na 2000 weggelegd voor de polders en na 2005 voor Zandig Vlaanderen. 29Deze evolutie reflecteert de groeiende aandacht van de UGent voor het onderzoek op neolithische sites, na een jarenlange nadruk op mesolithisch onderzoek binnen haar werkgebied. Ook het lichte overwicht van Zandig Vlaanderen in het Malta-onderzoek op neolithische sites dat in de Notae werd gerapporteerd (Figuur 40) is met de activiteit van de UGent en het VIOE in deze regio gerelateerd. Het is evenwel een belangrijke trend die in contrast staat met de kennis en verspreiding van neolithische sites over de archeoregio’s. Hieruit kunnen slechts twee conclusies worden getrokken: ofwel is het spreidingspatroon van gekende neolithische sites in Vlaanderen scheefgetrokken door de jarenlange concentratie van geprogrammeerd onderzoek van met name de K.U.Leuven, ofwel is het belang van neolithisch onderzoek in Malta-context sterk afhankelijk van de activiteit van de grote wetenschappelijke instellingen.30

 Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 39: Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

 Aanleiding van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 40: Aanleiding van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

3.6 Balans van de bronnen

Net als voor de voorgaande perioden, is de ‘voorraad’ van neolithisch erfgoed in Vlaanderen en haar toestand nauwelijks te schatten. Een evaluatie van de bekende neolithische sites op basis van de beschikbare archeologische inventaris (CAI), wordt bemoeilijkt door het ontbreken van indexen die voor steentijdarcheologie zijn aangepast en door lacunes in deze inventaris, onder meer door een beperkte ontsluiting van oude collecties.1 Bovendien is voor een echte balans van het erfgoed nood aan systematische waarderingscampagnes op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s. Dit proces is aan de gang, met een groeiende aandacht voor de waardering van gekende sites, mede in opdracht van het Agentschap Ruimte en Erfgoed,2 maar bleef voor het neolithicum vooralsnog beperkt. Desalniettemin wordt in onderstaand deel getracht een balans te maken van de gekende sites en van het gekende archeologische materiaal, per subfase binnen het neolithicum.

6.1 Balans van de sites

6.1.1 Vroegneolithicum

Swifterbantvindplaatsen zijn vooralsnog uitsluitend gekend uit de natte, alluviale gebieden in de benedenloop van de grote rivieren en in het bijzonder van de Schelde. De vondsten blijven tot nog toe beperkt tot scatters van lithisch materiaal, aardewerk en verbrand botmateriaal en enkele uitgegraven sporen. De functionele interpretatie van deze vindplaatsen is nog aan de gang, maar op basis van de reeds bekomen 14C-dateringen blijken de vindplaatsen gedurende lange tijd herhaaldelijk te zijn opgezocht.3 Desalniettemin biedt deze regio het potentieel om via systematisch prospectiewerk meer informatieve sites op te leveren.
Voor de Bandkeramiek zijn voornamelijk nederzettingen gekend in een tweetal nederzettingsclusters binnen de leemstreek. De nederzettingen zijn, zoals ook elders in Noordwest-Europa voor de Bandkeramiek als typisch wordt beschouwd, gelegen op de leemplateaus, in de onmiddellijke nabijheid van water. De bewaarde resten omvatten sporen van gebouwplattegronden, voornamelijk paalgaten en de langskuilen, en andere kuilen waaronder kuilen die als silo kunnen worden geïnterpreteerd. Stratigrafische informatie is meestal beperkt tot de inhoud van de kuilen. Oversnijdingen van sporen zijn erg zeldzaam. Tot nog toe had geen enkel project in Vlaanderen, in tegenstelling tot in het Waals Gewest,4 5 de ambitie om een volledige nederzetting bloot te leggen. De beperkte schaal van de meeste opgravingen laat dan ook niet toe om de omvang van de nederzettingen te bepalen. Grafvelden van de Bandkeramiek zijn in het algemeen zeldzaam, en tot nog toe zijn geen grafvelden bekend in Vlaanderen. Het dichtstbijzijnde grafveld is dat van Maastricht Lanakerveld dat slechts enkele jaren geleden net over de Belgisch-Nederlandse grens werd ontdekt in het kader van een Malta-gerelateerd prospectieonderzoek.6 De nederzettingscluster van de Kleine Gete vormt een bijzonder geval. Het is een erg beperkte cluster, met tot op heden slechts drie geïdentificeerde sites. Bovendien vertoont het archeologisch materiaal er enkele specifieke eigenschappen, waarin Lodewijckx 7 8 een link ziet tussen de Bandkeramiek en lokale jager-verzamelaar groepen.
Buiten de gekende nederzettingsclusters van Bandkeramische sites worden vaak Bandkeramische vondsten gerapporteerd, maar tot nog toe zijn geen van deze opgegraven en is het moeilijk hun aard te bepalen. Deels zal het gaan om geïsoleerde vondsten, maar het is niet uit te sluiten dat kleine clusters van Bandkeramisch materiaal het resultaat zijn van expedities van de Bandkeramiek buiten de nederzettingsarealen.
Van de ‘Groep van Blicquy,’ een aan de Bandkeramiek verwante en in de tijd op de Bandkeramiek aansluitende vroegneolithische groep, zijn slechts weinig sporen in Vlaanderen bewaard gebleven. Slechts een enkele site, in Bekkevoort Leuvenaar, komt in aanmerking als mogelijke nederzetting maar ook hier zijn de gegevens beperkt tot een oppervlakte-ensemble.

6.1.2 Middenneolithicum

Sites die dateren uit het middenneolithicum zijn verspreid over heel Vlaanderen.9 Voornamelijk voor de leemgebieden, waar een heel aantal sites uit deze periode werd opgegraven, beschikken we over meer informatie omtrent de aard van de vindplaatsen. De meeste gekende sites zijn gelegen bovenop de leemplateaus, vaak op landtongen en uitkijkend over de riviervallei. Ze worden herkend door het grote aantal lithische artefacten aan het oppervlak, vaak verspreid over een zone van enkele tot enkele tientallen hectare. In Vlaanderen zijn vier van deze sites gekend als aardwerken, dit zijn omvangrijke en door grachten, wallen en/of palissaden omgeven sites: in Assent, Heuvelland (Kemmelberg), Ottenburg en Spiere. Daarnaast zijn ook kleinere vuursteenconcentraties gekend met materiaal dat aan deze periode kan worden toegeschreven. Door de beperkte omvang en resultaten van archeologische opgravingen op deze sites, is het erg moeilijk om een goed beeld te krijgen op de functie van de verschillende sites en aldus op het hele nederzettingssysteem. Om dezelfde redenen bestaat er voor de Vlaamse sites geen duidelijk idee omtrent de interne organisatie van aardwerken. De opgravingen in Spiere hebben in elk geval uitgewezen dat deze sites intens werden gebruikt, als residentiële nederzetting of als trefpunt voor grote bijeenkomsten. De (kleinschalige) opgravingen op de meeste andere sites leverden vaak niet meer dan enkele geïsoleerde kuilen op. Huisplattegronden werden in Vlaanderen nog niet geïdentificeerd. Een enkele claim voor Kruishoutem Kerkakkers,10 bleek na verder onderzoek een vervalsing te zijn.11
Vuursteenmijnbouwsites zijn in Vlaanderen niet gekend, wel enkele gespecialiseerde vuursteenextractieplaatsen in de Voerstreek. Het gaat telkens om openluchtgroeven waar vuursteen uit de vrij ondiepe ondergrond werd gewonnen.12
Het is mogelijk dat in het noorden van het Vlaamse landsdeel een ander nederzettingssysteem bestond, of dat de zandgronden een andere functie hadden in het ruimere nederzettingssysteem. Daar zijn vooralsnog geen aardwerken ontdekt, hoewel het bestaan ervan strikt genomen niet uitgesloten kan worden. Slechts een erg klein aantal sites werd hier opgegraven. Het betreft voornamelijk enkele sites in de Scheldevallei, onder meer in Oudenaarde en Doel. Deze sites, steeds gelegen op zandruggen in de alluviale vlakte, leverden voornamelijk archeologisch materiaal en een beperkt aantal sporen op. Daarnaast zijn ook een aantal geïsoleerde aardewerkvondsten gekend, die mogelijk met een aparte traditie van depositie in verband stonden.13
Tot op vandaag kunnen geen sites die worden toegeschreven aan de Groep van Spiere of de Michelsbergcultuur na 3800 v.Chr. worden gedateerd. In het oostelijk deel van de Kempen kunnen enkele vindplaatsen worden toegeschreven aan de Hazendonkgroep, die in Nederland na 3800 v.Chr. wordt gedateerd.14 In elk van de gevallen betreft het helaas een identificatie van vaak losse scherven, waarvoor de contextuele informatie erg beperkt is. Het grootste ensemble, opgegraven in Meeuwen Donderslagheide,15 leverde eveneens aardewerk dat eerder aan de Michelsbergcultuur dient te worden toegeschreven. Helaas is slechts weinig informatie voorhanden om tot een gefundeerde functionele interpretatie van de site te komen.

6.1.3 Laat- en finaalneolithicum

In Vlaanderen zijn slechts een erg beperkt aantal informatieve sites bekend die met de laatneolithische Vlaardingen / Seine-Oise-Marnecultuur (2de helft 4de millennium) in verband kunnen worden gebracht.16 Een groot deel van de resten zijn bovendien losse of geïsoleerde vondsten, die bijvoorbeeld bij baggerwerken werden aangetroffen. Daarnaast is materiaal toegeschreven aan de Steingroep in secundaire context aangetroffen in Geistingen Huizerhof.17 We kunnen er dan ook redelijkerwijze van uit gaan dat – niettegenstaande tot nog toe geen nederzettingen zijn aangetroffen – het kennishiaat niet overeenkomt met een echt occupatiehiaat en dat nieuwe sites in de toekomst kunnen verwacht worden.
Het finaalneolithicum vangt aan rond 3000 v.Chr. en was tot voor kort net als het laatneolithicum amper gekend in Vlaanderen,18 in grote mate beperkt tot een paar niet nauwkeurig te dateren oppervlaktevindplaatsen19 en een reeks 14C-dateringen op geïsoleerde artefacten.20 Voor de Deûle-Escaut groep is sinds een half decennium wel meer informatie voorhanden. Zo werd in Waardamme, in Zandig Vlaanderen, een nederzetting van deze cultuur aangetroffen, bestaande uit een enkele gebouwplattegrond.21 Een tweede site werd in 2008 aangetroffen in Hertsberge.22 De bewaringskansen voor stratigrafische informatie en organische resten zijn erg beperkt door de tafonomische kenmerken van deze regio. Verder wijzen geïsoleerde vondsten in de Scheldevallei, al dan niet absoluut gedateerd, op een continuïteit van de bewoning in deze periode. Het aantal hoog informatieve sites blijft evenwel erg beperkt.
Ook voor het finaalneolithicum blijft de informatie betrekkelijk beperkt, al is iets meer informatie voorhanden. In de Kempen en Zandig Vlaanderen werden tot nog toe een reeks finaalneolithische grafcontexten opgegraven, naast enkele stukken aardewerk die mogelijk eveneens met een grafcontext in verband kunnen worden gebracht.23 24 Een beperkt aantal van deze sites is betrekkelijk goed bewaard en informatief, terwijl de meeste bestaan uit geïsoleerde kuilen met wat bekeraardewerk. Nederzettingen en nederzettingsresten zijn erg zeldzaam. Enkel in Oudenaarde Donk werden dergelijke resten aangetroffen, maar de vondstomstandigheden lieten helaas niet toe om een duidelijk zicht te krijgen op de aard en omvang van de nederzetting. Verschillende recent opgegraven sporen in Zandig Vlaanderen kunnen mogelijk in verband worden gebracht met nederzettingen, al is het geassocieerde materiaal niet voldoende diagnostisch en is het wachten op de resultaten van 14C-dateringen.25 Dankzij nieuw onderzoek van uit de laatste vijf jaar, lijkt een beeld te ontstaan van een vrij intense bewoning van Zandig Vlaanderen tijdens deze eindfase van het neolithicum.26

6.2 Balans van het archeologisch materiaal

Net zoals voor de voorgaande steentijdperioden is lithisch materiaal de belangrijkste vondstcategorie op neolithische sites. Vanaf het begin van het neolithicum in de leemstreek, en het finaalmesolithicum in het zandige noordelijke deel van het land, verschijnt ook aardewerk als een belangrijke vondstcategorie. Het aardewerk is enkel goed bewaard in begraven toestand en maakt dan ook uiterst zelden deel uit van oppervlaktevindplaatsen. Het aantal hoog informatieve neolithische sites in Vlaanderen is eerder beperkt, en dit voor alle subfasen van deze periode. Het onderzoek dat op deze vindplaatsen en artefactenensembles werd uitgevoerd, beperkt zich dan ook hoofdzakelijk tot eerder descriptieve studies met een beschrijving van typologische samenstelling en technische kenmerken. Organische resten zijn in het algemeen veel zeldzamer en zijn veelal slechts in verbrande of verkoolde vorm bewaard.

6.2.1 Vroegneolithicum

De Swifterbantvindplaatsen zijn tot op heden uitsluitend gekend uit natte contexten die heel wat potentieel bieden voor de bewaring van niet-verkoolde organische resten en aldus aansluiting vinden bij de hoogst informatieve Swifterbantvindplaatsen uit het Nederlandse rivierengebied.27 Tot op heden bleef het materiaal dat deze sites opleveren echter beperkt tot lithisch materiaal en aardewerk, naast hoofdzakelijk verbrande botresten en wat verkoold botanisch materiaal. Het lithisch materiaal van de Swifterbant sluit vrij goed aan bij dat van het laatmesolithicum, met als belangrijkste diagnostische elementen Montbani-klingen, Montbani debitage en trapezia die in het geval van de Swifterbant klein en onregelmatig zijn.28 Het aardewerk, gemagerd met chamotte en plantaardig materiaal en hoofdzakelijk onversierd, wordt gedomineerd door S-vormige potten met een licht uitstaande hals en een ronde tot conische bodem. Het sluit betrekkelijk goed aan bij het aardewerk van de vroege Swifterbantvindplaatsen uit het Nederlandse rivierengebied.29 De botresten leverden tot nog toe enkel jachtwild en visresten op.30 Bij het botanische materiaal valt een enkele graankorrel, gedetermineerd als Triticum aestivum, te vermelden.31
Ook voor de Bandkeramiek, waarvoor de sites uitsluitend gekend zijn in contexten met minder goede bewaringsomstandigheden, domineren de vondstcategorieën van lithisch materiaal en aardewerk. Het lithisch materiaal vormde het onderwerp van enkele gespecialiseerde studies.32 33 Het lithisch materiaal wordt gedomineerd door de vuursteenindustrie. De sites uit de Kleine Gete cluster lijken hier een uitzondering op te vormen met een belangrijke productie van werktuigen in andere grondstoffen, zoals Wommersom en ftaniet34 Eindschrabbers maar ook sikkelelementen, spitsen en boren zijn de meest voorkomende werktuigtypes en meestal geproduceerd op klingen. Daarnaast komen dissels, maal- en polijststenen, alle in andere gesteenten dan vuursteen, vaak voor. Het zijn vooral de Bandkeramische spitsen en dissels die voldoende diagnostisch zijn om in het geval van geïsoleerde vondsten buiten nederzettingscontext aan de Bandkeramiek te worden toegeschreven. 35 De dissels vormden reeds verschillende malen het onderwerp van petrografische studies.36 37 Gebruikssporenonderzoek op lithisch materiaal van de Bandkeramiek werd nog niet uitgevoerd op ensembles van binnen Vlaanderen. Ook het aardewerk van de Vlaamse sites vormde slechts beperkt het onderwerp van gedetailleerde studies.38 Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen versierde en onversierde waar. Het onversierde aardewerk is dikwandig en meestal gemagerd met chamotte. De versierde waar is kleiner, dunwandig en fijnkorrelig. Vaak kunnen macroscopisch geen mageringselementen worden geïdentificeerd. De vormen worden gedomineerd door half bolvormige kommen. De versieringen, uitgevoerd met enkelvoudige of meervoudige spatels (kammen) beantwoorden aan een complexe logica. Op basis van de patronen en motieven kan het versierde aardewerk ingepast worden in de seriatie van de Bandkeramiek. De voor Vlaanderen meest toepasselijke seriatie is van de hand van P.J.R. Modderman.39 In Vlaanderen zijn, net als voor de rest van de Bandkeramiek ten westen van de Maas, voornamelijk sites van de jonge Bandkeramiek bekend vanaf Modderman fase II. Onlangs werd echter een site in Riemst gedeeltelijk onderzocht, die voorlopig enkel materiaal uit de oude fase (Bandkeramiek Ib/c) opleverde.40 Organische resten zijn slechts zelden bewaard en enkel in verkoolde vorm. Het verkoolde botanische materiaal, voornamelijk bestaande uit houtskool, werd bovendien slechts in beperkte mate geanalyseerd. Meestal werd het enkel gebruikt voor het bekomen van een 14C-datering. Het verbrande botmateriaal is vaak niet determineerbaar.

6.2.2 Middenneolithicum

Net als voor het vroegneolithicum vormen lithisch materiaal en aardewerk de voornaamste vondstcategorieën. Het lithisch materiaal is dominant op de vele oppervlaktevindplaatsen die aan deze periode worden toegeschreven. Het onderzoek dat op dat materiaal werd uitgevoerd, beperkte zich hoofdzakelijk tot het beschrijven van de typologische samenstelling van de ensembles. Verdere analyse van grondstoffen of gebruikssporen op lithisch materiaal dat in context werd opgegraven is eveneens eerder beperkt, enkele uitzonderingen niet te na gesproken.41 42 In het lithisch materiaal van deze culturele groepen kan meestal een onderscheid worden gemaakt tussen de import van brede klingen en bijlen uit de gespecialiseerde vuursteenexploitatiecentra, en een lokale afslagdebitage op vuursteen van vaak iets mindere kwaliteit. Typische werktuigen zijn grote, massieve eindschrabbers op afslag 43 en afslagbijlen. De pijlpunten zijn meestal bladvormig, hoewel voornamelijk in het westen van Vlaanderen ook pijlsneden voorkomen. Gepolijste bijlen zijn in grote mate geproduceerd op vuursteen, maar vooral in het oosten van Vlaanderen worden ook heel wat hardstenen bijlen teruggevonden. 44 Doorgedreven analyse van de petrografische samenstelling van het stenen materiaal, alsook van gebruikssporen op lithische artefacten bleef tot op vandaag erg beperkt, 45 hoewel het beschikbare materiaal uit opgravingen hier wel enkele kansen biedt. Een enkele studie richtte zich op de schachtingsmogelijkheden van gepolijste bijlen.46
Goede en omvangrijke aardewerkensembles zijn eerder zeldzaam. Meestal bevatten de neolithische sporen enkele, sterk gefragmenteerde stukken aardewerk die enkel op basis van hun technische kenmerken aan de Michelsbergcultuur worden toegeschreven. De analysemogelijkheden voor dit materiaal is dan ook veelal beperkt. Enkel de site in Spiere leverde tot op heden een aardewerkensemble op dat omvangrijk genoemd kan worden, met ca. 350 kg scherven waaruit een honderdtal aardewerkvormen konden worden ineengepuzzeld. Dit materiaal biedt heel wat potentieel voor gedetailleerde petrografische en functionele studies, waarvoor tot op heden slechts een korte aanzet werd gegeven.47 Op het middenneolithisch aardewerk van de sites in Doel en Oudenaarde werd voedselresidu aangetroffen dat aan een gedetailleerde analyse werd onderworpen.48 49 Het middenneolithisch aardewerk is doorgaans gemagerd met een combinatie van grit en plantaardig materiaal. De steenmagering bestaat in het westen van Vlaanderen voornamelijk uit vuursteen, en de Kempen eerder uit kwarts. Dit ruimtelijk onderscheid houdt ongetwijfeld verband met de lokale mogelijkheden.50 De vormenrijkdom is groter dan voor het vroegneolithicum en omvat grote potten met S-vormig profiel of versmalde halsopening en subverticale hals, open kommen met licht geknikt of S-vormig profiel, schalen en aardewerkschijven. De meeste potten zijn onversierd. De weinige versieringen sluiten aan bij de patronen en motieven van andere middenneolithische groepen in het noorden van het Bekken van Parijs, zoals de westelijke Bischheim en Cerny.51
De meeste vindplaatsen van de Michelsbergcultuur / Spieregroep bevinden zich op droge zandleem- en leemgronden die geen goede bewaringsomstandigheden bieden voor niet verkoold organisch materiaal. Enkel in de natte contexten in het rivieralluvium kan op goede bewaringscondities gerekend worden. Een enkele site, in Oudenaarde Donk, leverde dergelijke condities en het bijhorende organische materiaal.52 53 De fauna wordt opmerkelijk gedomineerd door wild, terwijl varken de groep van gedomesticeerde dieren domineert. Helaas kon de site niet onderzocht worden in de best mogelijke omstandigheden, waardoor zeker niet alle mogelijkheden die de site bood geëxploiteerd konden worden. Op de site van Spiere De Hel werd heel wat verkoold en sterk gefragmenteerd botmateriaal aangetroffen; door de grote hoeveelheid kon een nog behoorlijke hoeveelheid gedetermineerd worden naar soort. Het blijkt voornamelijk om resten van varkensbotten te gaan. De gedetailleerde monstername voor botanisch materiaal op dezelfde site leverde een opmerkelijke hoeveelheid aan informatie op, dankzij de in de omheiningsgracht bewaarde fragmenten verbrand en verkoold plantaardig materiaal.54 Het neolithisch aardwerk in Ottenburg is een andere vindplaats waar heel wat fauna werd aangetroffen.55 Aangezien het voornamelijk om oppervlaktemateriaal gaat, is de datering eerder onzeker. Op andere vindplaatsen werd slechts een beperkte hoeveelheid flora- en faunaresten aangetroffen.

6.2.3 Laat- en finaalneolithicum

Sites uit het laat- en finaalneolithicum in Vlaanderen worden eveneens gedomineerd door gelijkaardige bewaringsomstandigheden en de zeldzaamheid van onverkoolde organische resten. Ook hier domineren lithische en ceramische artefacten de vondstenspectra.
De lithische industrie van de Deûle-Escaut groep wordt gekenmerkt door een eerder opportunistische debitage, waarbij een minimale energie-investering in de productie van werktuigen wordt gespendeerd.56 Bij de werktuigen komen vooral getanden en microgetanden voor, alsook eindschrabbers op afslag en fragmenten van gepolijste bijlen. Het lijkt erop dat, net als voor het middenneolithicum, een onderscheid gemaakt kan worden tussen een import van gespecialiseerde producten uit de vuursteenmijnbouwcentra, in het bijzonder gepolijste bijlen maar mogelijk ook klingproducten en een opportunistische lokale debitage. Het aardewerk is weinig versierd en er lijkt een onderscheid te zijn tussen fijne en dikwandige waar, beide gemagerd met voornamelijk chamotte. De bodems zijn dik en vlak, de vormen veelal gesloten. Daarnaast komen ook weefgewichten en spinklosjes voor.57
Het archeologisch materiaal dat in Vlaanderen bekend is voor de Bekerculturen is van een andere orde, doordat dit meestal enkel uit grafcontexten afkomstig is. 58 Het spectrum van het lithisch materiaal is dan ook erg verschillend, met grafgiften zoals spitsklingen of dolken in silex uit Grand-Pressigny, alsook wrijf- of polijststenen. Het aardewerk is vrij diagnostisch, voornamelijk door de typische versiering, en is verschraald met chamotte of kwartsfragmenten. Geïsoleerde vondsten die voldoende diagnostisch zijn voor een toewijzing aan de occupatie in het 3de millennium zijn strijdhamers, dolken in Grand-Pressigny vuursteen, ruitvormige, gesteelde of gevleugelde pijlpunten, hulzen in gewei voor vuurstenen bijltjes en Klokbekeraardewerk. Ten slotte dient de afwezigheid van niet-verkoold organisch materiaal vermeld te worden. Het verkoolde botanische materiaal werd tot nog toe voornamelijk aangewend voor het dateren via de radiokoolstofmethode. Botspectra zijn nog niet samengesteld voor deze periode.

6.2.4 Hiaten

Ten slotte passen nog enkele woorden over geïsoleerde vondsten van artefacten in organisch materiaal die met behulp van 14C-dateringen in het neolithicum gedateerd kunnen worden. Een doorgedreven dateringsproject dateerde aldus heel wat hakken in gewei in perioden die verder eerder als kennishiaten geboekstaafd staan.59 Daarnaast werden op enkele sites dateringen bekomen die momenteel nog niet in verband kunnen gebracht worden met specifieke bewoningssporen en -activiteiten of diagnostische artefacten.60 61 Dit bevestigt dat de kennishiaten wellicht niet corresponderen met echte bewoningshiaten. Het mag gehoopt en verwacht worden dat archeologisch onderzoek in de toekomst in staat zal zijn deze kennishiaten in te vullen.