3 Monitoring/Conservatie/Restauratie

3.1 Conservatie-restauratie van bouwkundig Erfgoed

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Nathalie Vernimme
  • Medewerkers: Joke Buijs, Hilde De Clercq, Roland Dreesen, Koen Van Balen, Birgit Van Laar, Yves Vanhellemont

Inleiding, definitie en afbakening van het studiegebied

De definiëring van het begrip conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed en de afbakening van het onderzoeksdomein is geen sinecure. Tot op heden is er geen internationale eenduidigheid voor wat betreft de wetenschappelijke terminologie m.b.t. conservatie-restauratie.

In Vlaanderen schaart men zich achter Europese conventies, zoals

Probleem is dat al deze documenten verschillende definities en termen hanteren m.b.t. conservatie-restauratie.

Naar aanleiding van initiatieven in diverse landen om tot standaarden te komen voor de conservatie-restauratie van cultureel erfgoed (roerend en onroerend erfgoed) en de wens om dit ook in een internationaal kader te plaatsen, heeft de Italiaanse nationale standaardenorganisatie UNI in 2004 het initiatief genomen om een aanvraag in te dienen bij het Europees Comité voor Standaardisatie (CEN) om een technisch comité op te starten met als titel TC 346 Conservation of Cultural Property. CEN is verantwoordelijk voor het plannen, ontwikkelen en implementeren van Europese normen (EN). Deze EN vormen het Europees equivalent van ISO-normen. Het doel van TC 346 is dus de creatie van Europese normen m.b.t. conservatie-restauratie van cultureel erfgoed.

Het Belgisch Instituut voor Normalisatie (BIN) werkt mee aan het project en heeft experten aangeduid uit het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf om België in deze materie te vertegenwoordigen. Binnen TC346 is een werkgroep actief rond “General guidelines and terminology”. 3
Het is o.a. de taak van deze werkgroep om een algemene terminologie voor de conservatie-restauratie van cultureel erfgoed uit te bouwen. Hieraan wordt ook meegewerkt door het International Committee for Conservation of the International Council of Museums (ICOM-CC) dat in dit kader een wereldwijde enquête op poten gezet heeft om tot een definitie te komen voor het overkoepelend begrip ‘conservatie-restauratie’ (‘conservation’ in het Engels en ‘conservation-restauration’ in het Frans).

De definities die opgemaakt zijn als resultaat van deze enquête zijn goedgekeurd door de ICOM-CC- leden op de conferentie van 22-26 september 2008 in New Delhi. Deze definities zullen in grote lijnen ook overgenomen worden in de te creëren Europese standaard die handelt over terminologie voor conservatie van cultureel erfgoed. Het voorliggende document zal daarom ook gebruik maken van deze definities:

Conservatie - restauratie van bouwkundig erfgoed staat volgens de resolutie van ICOM-CC voor alle acties en handelingen die gericht zijn op het vrijwaren van het erfgoed en het verzekeren van de toegankelijkheid ervan voor huidige en toekomstige generaties, met dien verstande dat deze acties en handelingen de betekenis en de fysieke eigenschappen van het onroerend erfgoedobject respecteren. 4

Conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed bestaat uit drie soorten ingrepen: ‘preventieve conservatie’, ‘curatieve conservatie’ en ‘restauratie’. In dit document zal elke ingreep in een afzonderlijk deel behandeld worden.

De specificiteit van erfgoedstructuren, met hun complexe geschiedenis, vraagt om een organisatie van erfgoedonderzoek en van de voorstellen voor ingrepen in een aantal stappen die vergelijkbaar zijn met die in de geneeskunde. Anamnese, diagnose, therapie en controle komen respectievelijk overeen met het vergaren van significante gegevens en informatie, de identificatie van de oorzaken van de schade en van het verval, de keuze van de te nemen maatregelen en de controle van de effectiviteit van de toegepaste ingrepen. Alle evaluatie- en monitoringactiviteiten moeten gedocumenteerd en bewaard worden als onderdeel van de geschiedenis van de structuur. 5

De diagnose is in deze vaak de moeilijkste fase, omdat de gegevens uit onderzoek meestal eerder verwijzen naar effecten dan naar oorzaken. Er zal dus steeds een component van intuïtie en ervaring meespelen in het diagnostisch proces.

De diagnose voor het in stand houden van bouwkundig erfgoed stoelt op historische, kwantitatieve en kwalitatieve benaderingen uit de analyse. 6 Er wordt gebruik gemaakt van

  • historische en archeologische informatie (verkregen uit bouwhistorisch onderzoek)
  • directe waarnemingstechnieken (visuele inspectie, documentatie en meettechnieken) voor het identificeren van structurele schade of schade aan materialen en proefresultaten op materialen en op structurele onderdelen
  • structurele analyse (labotesten en monitoring)
  • 1. International Charter for the Conservation and Restoration of Monuments and Sites (The Venice Charter) – 1964. Charter on the Conservation of Historic Towns and Urban Areas – 1987. Principles for the Preservation of Historic Timber Structures – 1999. Charter on the Built Vernacular heritage – 1999. ICOMOS Charter – principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage – 2003. ICOMOS Principles for the Preservation and Conservation-Restoration of Wall Paintings – 2003.
  • 2. Athens Charter for the Restoration of Historic Monuments (Athens Conference, 21-30 October 1931); Normas de Quito, 1967 (Informe final de la reunión sobre la conservación y utilización de monumentos y lugares de interés histórico y artístico); Declaration of Amsterdam (Congress on the European Architectural Heritage, 21-25 October 1975); European Charter of the Architectural Heritage (Council of Europe, October 1975); UNESCO Convention and Recommendations.
  • 3. Andere werkgroepen actief binnen dit TC zijn WG 2 “materials constituting cultural property”, WG 3 “Evaluation of methods and products for conservation”, WG 4 “Environment” and WG 5 “transportation and package methods”.
  • 4. Definitie vrij vertaald uit het ontwerp van resolutie “Terminology to characterize the conservation of tangible cultural heritage” dat goedgekeurd werd door de ICOM-CC leden op de conferentie van 22-26 september 2008 in New Delhi. De koepelterm ‘conservatie-restauratie’ is in het Engels ‘conservation’ en in het Frans ‘conservation-restauration’.
  • 5. Vrije vertaling van Art. 1.6 en 3.2.2 “Principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage” ICOMOS Charter uit 2003. Zie ook: Searls, C.L., L. Binda, J.F. Henriksen, P.W. Mirwald, A. Nappi, C.A. Price, K. Van Balen, V. Vergès-Belmin, E. Wendler, and F.H. Wittman, 1997. Group Report: How can we diagnose the condition of stone monuments and arrive to suitable treatment programs? Saving Our Architectural Heritage: the conservation of historic stone structures. Eds. N.S. Baer, and R. Snethlage, p.199-221. Chichester: J. Wiley and Sons Ltd.
  • 6. Art. 2.5 “Principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage” ICOMOS Charter uit 2003.

3.1.1 Preventieve conservatie

Definiëring van het onderzoeksdomein

Preventieve conservatie kan gedefinieerd worden als die acties en maatregelen die gericht zijn op het vermijden en minimaliseren van toekomstig verval of teloorgang en die uitgevoerd worden op of binnen de omgeving van een (onroerend) erfgoedobject, (of vaker een groep van objecten) onafhankelijk van hun ouderdom of toestand. Deze acties en maatregelen zijn bovendien indirect – ze grijpen niet in op de materialen en structuren waaruit de objecten bestaan en veranderen hun uitzicht niet. 1

Onder preventieve conservatie kunnen heel wat acties of maatregelen vallen zoals: non- destructief onderzoek, documentatie en monitoring (incl. toepassing van systemen voor beveiliging en veiligheid en omgevingsmanagement) en onderhoudsplanning en -maatregelen.

  • 1. Art. 2.5 “Principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage” ICOMOS Charter uit 2003.

3.1.1.1 Stand van zaken van het onderzoek in Vlaanderen

-

3.1.1.1.2 Onderzoekers en onderzoeksinstellingen

De huidige expertise rond onderzoek m.b.t. preventieve conservatie is verspreid over een aantal instellingen in Vlaanderen:

  • Raymond Lemaire Internationaal Centrum voor Conservatie –KUL (RLICC) is opgericht door professor Raymond Lemaire († 1997) in 1976, op initiatief van de Internationale Raad van Monumenten en Landschappen (ICOMOS), binnen het netwerk van het Europa College in Brugge. Het Raymond Lemaire Internationaal Centrum voor Conservatie maakt nu deel uit van de ManaMa (Master na Master) programma’s van de faculteit wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven.
    Het RLICC hangt af van twee departementen: het Departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening (ASRO) en het Departement Burgerlijk Ingenieur. Het opleidingsprogramma van het Centrum leidt tot het diploma van “Master in Conservation of Monuments and Sites” en is een internationaal en interdisciplinair programma in de conservatie en restauratie van historische monumenten en landschappen. In de schoot van het RLICC gebeurt o.a. doctoraatsonderzoek en projectgebonden onderzoek m.b.t. documentatie en monitoring van onroerend erfgoed. Het RLICC beheert de UNESCO leerstoel over preventieve conservatie, monitoring en onderhoud van monumenten en sites.
    Het onderzoek handelt over de “filosofie” en de methodologieën van het onroerend-erfgoedbehoud. In het bijzonder wordt onderzoek verricht naar het opstellen van driedimensionele documentatie- en monitoringstrategieën en naar de ontwikkeling van opmetingstechnieken. Dit past in een algemene focus voor onderzoek naar preventieve conservatie. De onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • dr. ir. arch. Koen Van Balen (preventieve conservatie alg., monitoringssystemen o.a. MDDS, onderhoud historisch metselwerk)
    • dr. ir. arch. Herman Neuckermans (departement ASRO) (coördinator van de module ”Analyse and Registratietechnieken” van het RLICC studie programma)
    • dr. Mario Santana (meet- en documentatietechnieken ten behoeve van de monumentenzorg)

    De doctorandi verbonden aan het RLICC zijn

    • Bjorn Van Genechten (onderzoeksthema: 3D-laserscanning)
    • Neza Cebron Lipovec (onderzoeksthema: preventieve conservatie, monitoring en onderhoudsgerichte monumentenzorg)
    • Veronica Heras (onderzoeksthema: opzetten van een beheers- en beleidsinstrument voor werelderfgoedsteden –toepassing op Cuenca, Ecuador).
  • Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) is een particuliere onderzoeksinstelling die in 1960 werd opgericht. De statutaire leden van het WTCB zijn de 70.000 Belgische bouwondernemingen. Het WTCB heeft drie hoofdopdrachten: het verrichten van wetenschappelijk en technisch onderzoek ten behoeve van zijn leden; het verlenen van technische voorlichting, bijstand en advies aan zijn leden en het bijdragen tot de algemene innovatie en ontwikkeling in de bouwsector, met name door middel van contractonderzoek op aanvraag van de industrie en de overheid. De onderzoeksactiviteit van het WTCB is voornamelijk gericht op nieuwbouw, maar in mindere mate wordt ook aandacht besteed aan preventieve conservatie o.a. binnen de stuurgroep “renovatie van gebouwen”.
    Onderzoeker preventieve conservatie is
    • Yves Vanhellemont (onderhoudstechnieken, kwantitatieve conditiemeting van gebouwenelementen, risico-analyse van gebouwenelementen, monitoringsstrategie, expert CEN TC 346, WG 2)
  • Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) werd in 1948 opgericht met de bedoeling het artistieke en culturele erfgoed van het land te bestuderen en te conserveren. Als federale wetenschappelijke instelling heeft het een opdracht van onderzoek en dienstverlening naar het publiek toe. De afdeling ‘Methodologie van de Conservatie en van de Monumentenzorg ‘ binnen het Departement Laboratoria verricht zowel in het labo als in situ onderzoek naar de conservatietoestand van de bouwmaterialen in historische gebouwen en de applicatiemodaliteiten van een steenverstevigende behandeling, de aanwezigheid van oplosbare zouten, het optreden van capillair opstijgend vocht en de samenstelling van afwerkingslagen. De afdeling is ook actief in de evaluatie van restauratieproducten voor het (on)roerend patrimonium en geeft advies in verband met preventieve conservatie.
    Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • dr. Hilde De Clercq (medewerking aan Drilling Resistant Measurement System (DRMS: in-situ techniek ter bepaling van de verweringsgraad en diepte van bouwmaterialen); diagnose van de conserveringstoestand van monumentale constructies en materiaaltechnisch onderzoek van steenachtige materialen; identificatie van natuursteen; expert CEN TC 346, WG 2 en 3)
    • dr. Marina Van Bos (monitoring en interpretatie van klimatologische condities).
  • Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek(VITO) is in 1991 opgericht door de Vlaamse overheid als onafhankelijk onderzoeks- en adviescentrum voor bedrijven en de overheid. VITO ontwikkelt duurzame technologieën op het vlak van energie, leefmilieu, materialen en aardobservatie. Binnen VITO wordt o.a. gewerkt rond materiaalkarakterisering voor natuursteen als bouwmateriaal van monumentale constructies. Onderzoeker preventieve conservatie is Roland Dreesen (karakterisatie van natuursteen).
  • Afdeling Bouwmaterialen en Bouwtechnieken, kortweg afdeling MAT van het departement Burgerlijke Bouwkunde (KUL). De onderzoeksafdeling MAT van de KUL heeft als een van haar onderzoeksthema’s de evaluatie van bestaande monumentale historische structuren, met inbegrip van monitoring en niet-destructief onderzoek (bouwtechnologie); en m.b.t. materiaalgedrag zoals bijv. (historisch) metselwerk. De onderzoeksafdeling beschikt ook over een up-to-date ingericht proeflaboratorium – het Laboratorium Reyntjens - dat kan wedijveren met vergelijkbare Labo’s op Europees topniveau. Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • Dr. Dionys Van Gemert (Em. Prof.)(niet-destructief onderzoek van bouwelementen en bouwmaterialen en risico-analyse)
    • dr. Koenraad Van Balen (historisch metselwerk en historische mortels, kalk, carbonatatie)
    • dr. Luc Schueremans (risicoanalyse, niet-destructief onderzoek van historische metselwerkstructuren, (lange termijn) monitoring en niet of weinig destructieve testtechnieken voor conservatie)
    • dr. Staf Roels (transportfenomenen in poreuze bouwmaterialen en componenten zoals metselwerk, beton en hout en modellering van degradatie)

    Doctorandi zijn

    • Sven Ignoul (beoordeling metselwerk via niet destructieve meettechnieken)
    • Els Verstrynge (beoordeling metselwerk via niet destructieve meettechnieken)
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) is een wetenschappelijke instelling, binnen het beleidsdomein RWO van de Vlaamse overheid, met als missie het onderzoek van, kennisbeheer en -verspreiding over, en ontsluiting van het onroerend erfgoed (zowel bouwkundig erfgoed, landschap, archeologisch erfgoed als maritiem en varend erfgoed).
    Het VIOE voert het beleid van de voor monumentenzorg verantwoordelijke minister uit en ondersteunt de minister via het uitvoeren van beleidsgericht onderzoek en het leveren van beleidsadviezen. Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • Joke Buijs (beheersplan op maat, praktische handleiding restauratie)
    • Willem Hulstaert (praktische handleiding restauratie; restauratie-architect)
    • Nathalie Vernimme (praktische handleiding restauratie, schoon schip: onderhoudsrichtlijnen; expert CEN 346 WG 1 guidelines and terminology).
  • Wissenschaftlich-Technische Arbeitsgemeinschaft für Bauwerkserhaltung und Denkmalpflege (WTA) is een in het verenigingsregister te München ingeschreven internationale vereniging, die in regionale groepen onderverdeeld is. De vereniging is erkend als vereniging tot algemeen nut. In de loop van ruim twintig jaar heeft de WTA zich tot een internationaal platform ontwikkeld. Er zijn leden in diverse Europese landen, die in regionale groepen zijn georganiseerd. De WTA Nederland - Vlaanderen is in het verenigingsregister te Delft ingeschreven als regionale vereniging, onderdeel van de WTA internationaal.
    De WTA Vlaanderen-Nederland stelt zich ten doel, het onderzoek en de praktische toepassing ervan op het gebied van het in stand houden van gebouwen en monumenten te bevorderen. Een ander belangrijk doel is nieuwe inzichten en moderne technologieën verantwoord in de praktijk te brengen. Om de internationale dimensie van de wetenschappelijke en praktische dialoog te benadrukken, ontwikkelt de WTA geschikte communicatiekanalen en biedt ze een betrouwbaar draagvlak voor een constante informatiestroom. WTA organiseert studiedagen, seminars en gesprekken tussen deskundigen, geeft ‘Technische Leidraden’ over actuele thema’s uit (door voor dat doel samengestelde werkgroepen). Ze publiceert (via WTA internationaal) het (internationale) tijdschrift: “WTA Journal. International Journal for Technology and Applications in Building Maintenance and Monument Preservation.” , maakt actuele onderzoeksresultaten en syllabi van studiedagen en seminars in de WTA-Schriftenreihe openbaar, geeft syllabi van de Nederlands-Vlaamse studiedagen uit.
  • Monumentenwacht Vlaanderen is geen onderzoeksinstelling maar eerder een ‘advies/expertisecentrum’ voor ‘best practices’ wat monitoring en onderhoud van bouwkundig erfgoed, hun interieurs en het aanwezige roerend erfgoed betreft. Monumentenwacht wil eigenaars en beheerders van historisch waardevolle gebouwen stimuleren om regelmatig onderhoud uit te oefenen en zo herstellings- en restauratiekosten te beperken. Dat doet Monumentenwacht door bij de aangesloten leden op regelmatige basis inspecties uit te voeren van het gebouw, zowel op bouwkundig vlak als voor het interieur en het roerend erfgoed in dat interieur. Monumentenwacht wordt hiervoor financieel ondersteund door de overheid (gewestelijk en provinciaal). Aan de hand van een inspectie stelt Monumentenwacht een toestandsrapport op met aanbevelingen naar onderhoud en instandhouding. Met de inspecties, die vooral gericht zijn op kleine gebreken en het nodige onderhoud, bevindt Monumentenwacht zich in een nichepositie.
    Naast de inspecties voor de aangesloten gebouwen, publiceert Monumentenwacht informatiebrochures en nieuwsbrieven over monitoring en onderhoud van bouwkundig erfgoed om de burger te sensibiliseren.
    De organisatie bestaat uit 5 provinciale verenigingen, die de inspecties uitvoeren op hun grondgebied, en een koepelorganisatie (Monumentenwacht Vlaanderen), die instaat voor de inhoudelijke ondersteuning van de provinciale verenigingen.
    De Vlaamse Monumentenwacht werd opgericht in 1991 (operationeel sinds 1992) naar het Nederlandse model, dat in 1973 ontstond. Ondertussen zijn in Europa verschillende ‘monumentenwachtverenigingen’ actief. In Wallonië en Brussel bestaan er evenwel geen zusterorganisaties. Monumentenwacht onderhoudt nauwe contacten met de collega’s uit Europa, zoals met de Engelse Monumentwatch, de Nederlandse Monumentenwacht etc.. In 1998 werd Monumentenwacht- interieur opgericht en dit jaar (2008) gaat de’ Monumentenwacht Varend Erfgoed ‘van start.
    Vandaag zijn er in Vlaanderen 3100 eigenaars (vrijwillig) aangesloten met in totaal zo’n 5100 gebouwen, waarvan 56% beschermd is. De leden zijn in te delen in 3 grote groepen: 10% overheidsinstellingen, 41% kerkraden, 48% privé-eigenaars met respectievelijk een aandeel van 31%, 29% en 40% in het gebouwenbestand.
    Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • Birgit Van Laar (onderhoudstechnieken bouwkundig erfgoed)
    • Veerle Meul (risk-assesment bouwkundig erfgoed/ vnl. interieur)
    • Anouk Stulens (onderhoudstechnieken bouwkundig erfgoed/ risk-assesment bouwkundig erfgoed)

3.1.1.1.1 Beleid op het vlak van preventieve conservatie in Vlaanderen

De zorg voor het onroerend erfgoed in Vlaanderen is gewestmaterie. De minister bevoegd voor onroerend erfgoed wordt o.a. ondersteund in de voorbereiding van zijn beleid door een wetenschappelijke instelling binnen de eigen administratie, nl. het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).
De erfgoedonderzoekers van het VIOE verrichten onderzoek en formuleren beleidsadviezen waarin het belang van preventieve conservatie (eerder dan restauratie) als efficiënte en duurzame wijze van monumentenbeheer benadrukt wordt. De erfgoedconsulenten van het agentschap RO-Vlaanderen, een agentschap van de Vlaamse administratie, ondersteunen deze boodschap bij de begeleiding van burgers en lokale overheden en andere instanties of personen aan wie delen van die uitvoerende opdracht worden toevertrouwd.
Monumentenwacht Vlaanderen heeft - als een van de partnerverenigingen van de Vlaamse overheid - de taak om via het uitvoeren van inspecties op beschermde monumenten en ander waardevol Vlaams erfgoed, preventieve conservatie in het werkveld te promoten via het verlenen van adviezen en de verspreiding van brochures.

3.1.1.1.3 Stand van zaken van het actuele onderzoek in Vlaanderen

Grosso modo kunnen een aantal types van onderzoek m.b.t. preventieve conservatie onderscheiden worden, nl. onderzoek richtlijnen en beheersstrategieën, niet- en minor- destructieve onderzoeksmethoden van onroerende erfgoedobjecten en onderzoek naar onderhoudstechnieken en onderhoudsplanning.

1 Onderzoek richtlijnen en beheersstrategieën

1.1 Wat?

Om de burger aan te zetten tot een duurzame omgang met het bouwkundig erfgoed, zijn duidelijke richtlijnen en beheersstrategieën vereist. Bouwkundige erfgoedobjecten zijn vaak het resultaat van een complexe mix van historische versus actuele materialen, verschillende bouwfases, ambachtelijke en moderne bouwtechnieken, etc. . Het is bijgevolg niet altijd evident om de onroerend erfgoedwaarden integraal in stand te houden; vaak moeten keuzes gemaakt worden. Onderzoek is dan ook aangewezen om de waardebepalende elementen van onroerend erfgoed te definiëren en om te bepalen op welke wijze en met welke ingrepen het erfgoed op optimale wijze behouden kan worden. De neerslag hiervan in standaarden, richtlijnen en beheersstrategieën vormt een noodzakelijke stap op weg naar een duurzaam erfgoedbeheer.

1.2 Actoren

In verschillende sectoren is er een groeiende tendens naar de ontwikkeling van standaarden en normen. Standaarden worden gecreëerd op internationaal (ISO-normen en Europese normen) en op nationaal vlak (Belgische normen uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie BIN). Richtlijnen zijn minder strikt dan standaarden, maar niettemin onontbeerlijk.
Voor wat preventieve conservatie betreft, loopt een initiatief om EN te ontwikkelen (cfr. supra). Er bestaan momenteel geen officiële Vlaamse richtlijnen evenmin als er (Belgische) standaarden bestaan met betrekking tot de preventieve conservatie van bouwkundig erfgoed.
Vlaamse onderzoekers van het KIK, het WTCB en het VIOE werken mee aan de totstandkoming van Europese normen voor conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed (cfr. supra), waarin ook algemene richtlijnen voor preventieve conservatie aan bod komen. Daarnaast wordt in het kader van het internationale netwerk SPRECOMAH (cfr. infra) ook werk gemaakt van algemene richtlijnen m.b.t. preventieve conservatie.

Het WTCB publiceert (online en op papier) technische voorlichtingen (TV). Deze documenten worden opgesteld onder leiding van de Technische Comités van het WTCB of hun werkgroepen, bestaande uit aannemers, medewerkers van het WTCB en/of externe medewerkers en een ingenieur-animator van het WTCB. De TV vormen doorgaans leidraden voor de goede uitvoering van ingrepen op gebouwen en geven een gedetailleerde beschrijving van een welbepaald onderwerp uit het domein van de bouw. Meestal zijn het onderwerpen die op nieuwe constructies van toepassing zijn. Inzake preventieve conservatie (documentatie) zijn er ook een aantal TV’s gepubliceerd: Deze gaan over (karakterisatie van) natuursteen en schrijnwerk

Binnen het VIOE wordt via modelprojecten onderzoek gevoerd naar gepaste consolidatie-, conservatie-, restauratie- en presentatietechnieken van ons Vlaams erfgoed. De rapporten over de werkwijze en evaluatie van deze modelprojecten dienen o.a. als bron voor een “Handleiding Kwetsbare Erfgoedelementen”, waarvan de eerste delen (online) verschijnen begin 2009. Het is de bedoeling van de Vlaamse overheid via deze publicatie een duidelijke visie te brengen voor de omgang met waardevol erfgoed, gestaafd via ‘best practices’ van eigen bodem. De doelgroep van de publicatie zijn architecten, (lokale) overheden en eigenaars van waardevol onroerend erfgoed. De publicatie ligt in de lijn van de infobladen m.b.t. conservatie-restauratie en beheer van bouwkundig erfgoed, die verspreid worden door de Nederlandse Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM, voorheen RDMZ). 1 2 3 4

De verspreiding binnen de sector van onderzoek met betrekking tot preventieve conservatie gebeurt onder andere in het kader van de studiedagen van WTA Vlaanderen-Nederland .
Om bij te dragen tot de discussie over restauratiefilosofie, onderhoud, monitoring en beheer van monumenten heeft WTA Nederland/Vlaanderen in 2006 en in 2007 een studiedag rond het thema van ‘restauratie, onderhoud en beheer van monumenten’ georganiseerd. In 2005 was het onderwerp van de jaarlijkse studiedag ‘monitoring en diagnose’. De syllabi van deze studiedagen zijn gratis te downloaden van de website van WTA Vlaanderen-Nederland.

Binnen het SPRECOMAH project onder leiding van het RLICC (K.U.Leuven) werden leiddraden ontwikkeld voor het opzetten van preventieve conservatiestrategieën en werden voorstellen gedaan voor onderzoek in dat domein teneinde deze strategieën te verbeteren. Het PRECOMOS netwerk dat aan de UNESCO-leerstoel is verbonden zorgt voor een internationale uitwisseling van kennis en goed praktijkvoorbeelden.

2 Niet- en minor- destructieve onderzoeksmethoden van onroerende erfgoedobjecten

2.1 Wat?

Non- en minor- destructieve onderzoeksmethoden omvatten de ontwikkeling en toepassing van onderzoeksmethoden die niet of zeer beperkt ingrijpen op het onroerende erfgoedobject. In concreto gaat het over visuele inspectiemethodes, in situ documentatie- en meettechnieken en monitoringsystemen. Een belangrijke basis voor de opvolging is het ter beschikking hebben van een goede basisdocumentatie, bij voorkeur op een driedimensionele drager die aanpasbaar is in de tijd. Men spreekt van vierdimensionele (drie dimensies plus de tijd) documentatietechnieken.

2.2 Onderzoek visuele inspectiemethodes

Een gebouw wordt door middel van een visuele inspectie ter plaatse gecontroleerd (kijken, meten, vergelijken). Via niet-destructief onderzoek (o.a. tikken, ruiken, voelen, controle barstenmeters) worden de bouwmaterialen geïdentificeerd en wordt de toestand van de bouwdelen vastgesteld.
Deze directe observatie van het bouwkundig erfgoed door een bekwaam team is ook een essentiële eerste fase van het proces monitoring.
De voornaamste doelstellingen van een visuele inspectie zijn het registreren (‘mapping’) van een aantal zaken zoals de karakterisatie van materialen, de identificatie van uitwendig verval en schade, het bepalen of fenomenen al dan niet gestabiliseerd zijn, het beslissen of er onmiddellijk gevaar is voor de structuur en er al dan niet dringende maatregelen moeten genomen worden en het vaststellen van effecten van omgevingsfactoren op het gebouw.
Het onderzoek naar visuele inspectiemethodes situeert zich vooral op vlak van ontwikkeling van manieren en methodieken om de informatie te verzamelen en in de ontwikkeling van datasystemen voor de verwerking ervan.

2.3 Onderzoek in situ documentatie- en meettechnieken

Naast de louter visuele inspectie van het erfgoed wordt ook gebruik gemaakt van niet-destructieve technieken (en/of toestellen) om bepaalde eigenschappen van het gebouwde erfgoed ter plaatse te meten en te documenteren. Deze technieken zijn niet-intrusief, ze grijpen niet in op het materiaal.

Het resultaat van de metingen wordt o.a. opgenomen in een inspectietekening. Op inspectietekeningen worden de verschillende materialen aangegeven, worden tekenen van verval/ structurele onregelmatigheden en schade (o.a. barsten of aantastingen) aangeduid. In inspectieverslagen of in een toestandsrapport worden de observaties (bij voorkeur in een aangepaste databank) genoteerd die per bouwonderdeel te rapporteren vallen, gedocumenteerd met inspectietekeningen, meetresultaten en/of foto’s.

Onderzoek naar in situ documentatie- en meettechnieken richt zich enerzijds op de ontwikkeling van efficiënte tools om in situ te documenteren en meten.
Vermits vaak op weinig toegankelijke plaatsen en in allerlei weersomstandigheden gewerkt wordt, dienen deze tools low budget, klein en licht in gewicht te zijn, ze moeten tegen een stootje kunnen en bij voorkeur ook spatwater- en stofdicht zijn.
Anderzijds richt het onderzoek zich op de ontwikkeling van datasystemen voor het in kaart brengen en de verwerking van verzamelde meetgegevens. Deze systemen dienen gebruiksvriendelijk en efficiënt te zijn.

2.4 Onderzoek monitoringsystemen

Soms is niet onmiddellijk duidelijk of een bepaalde gemeten waarde of toestand echt schadelijk is. Daarom is monitoring noodzakelijk. Monitoring is een continu proces waarbij de veranderingen (ten gevolge van ouderdom, externe omstandigheden – zoals vocht, vervuiling, het klimaat - of menselijke acties) doorheen de tijd in de toestand van bepaalde parameters van bouwkundig erfgoed gemeten worden. Het doel hiervan is te kunnen bepalen/controleren of de karakteristieke erfgoedwaarden bewaard blijven en op basis hiervan maatregelen te voorzien om (verder) verval te voorkomen. Monitoring reikt ook noodzakelijke gegevens aan voor het opstellen van een correcte en adequate diagnose, die moet leiden tot een zinvolle therapie. Het iteratieve proces stelt voorop dat er een voortdurende dialoog wordt gevoerd tussen monitoren, bestuderen, opvolgen en ingrijpen.

Het repetitief karakter van monitoring houdt in dat monitoringsystemen niet destructief of weinig evasief mogen zijn. Het onderzoek op dit vlak spitst zich dan ook toe op het ontwikkelen van systemen die in situ op – bij voorkeur automatische wijze – bepaalde parameters op en om het bouwkundig erfgoed meten, zonder in te grijpen op het erfgoed zelf en bij voorkeur zonder storend te zijn voor het uitzicht van het erfgoed.
Daarnaast is ook de verwerking van de verzamelde gegevens in datasystemen een belangrijk onderzoeksonderwerp.

2.5 Actoren

Monumentenwacht Vlaanderen voert sinds 1991 visuele inspecties van bouwkundig erfgoed uit. Er wordt bij de inspecties van beschermde monumenten en ander waardevol erfgoed naar gestreefd het gebouw in zijn totaliteit te bekijken. Voor de moeilijk bereikbare plaatsen werken de bouwkundige wachters met behulp van industriële touwtechnieken.
Tijdens een inspectie wordt volgens een vaste methodiek, waarbij alle onderdelen van het gebouw afgegaan worden, de toestand van bepaalde bouwdelen beschreven, er worden foto’s genomen en er wordt desgewenst een actie/maatregel naar instandhouding en onderhoud voorgesteld (voor zover dit mogelijk is vanuit een visuele, niet-destructieve inspectie). De resultaten van de inspectie worden weergegeven in een inspectierapport ten behoeve van de eigenaar van het gebouw. Sinds het ontstaan van de vereniging is de methodiek van inspecteren geëvolueerd, vooral wegens de veranderende wetgeving met betrekking tot veiligheidsvoorschriften. De inspecties van Monumentenwacht worden op regelmatige basis aangeboden (om de twee à drie jaar) en uitgevoerd op vraag van de aangesloten leden (eigenaars – beheerders). De toestand op het moment van inspectie wordt vergeleken met de toestand tijdens de vorige inspectie. Deze monitoring komt in de praktijk neer op een intervalperiode variërend van twee tot vier jaar. Voor verschillende bouwdelen is dit voldoende. Indien een nauwkeurigere (lees regelmatigere) opvolging vereist is, kan dit in sommige gevallen: bijv. scheurmeters worden om de paar maanden gelezen; bijv. vermoedelijke problemen met het binnenklimaat kunnen tijdens een beperkte periode (bijv. een maand) continu gelogd worden.
De inspectierapporten worden momenteel aangeleverd onder de vorm van een word-document waarin foto’s zijn opgenomen. De provinciale verenigingen van monumentenwacht bezitten grote fototheken van de aangesloten gebouwen. De inspectierapporten zijn enkel bedoeld voor de eigenaar, maar zijn met zijn toestemming ook beschikbaar voor anderen, zoals architecten en het agentschap RO-Vlaanderen (wat de beschermde monumenten betreft).

Het WTCB past in zijn adviesverlening en onderzoek vooral technieken m.b.t. visuele inspectie toe. Daarnaast bepalen ze via een niet destructieve methode de aard van zouten in metselwerk, nl. door het ter plaatse aanbrengen van teststrips voor chloriden, nitraten en sulfaten. Ook monitoringssystemen worden in zéér beperkte mate toegepast. Het gaat dan over het meten en monitoren van vervormingen.

In Vlaanderen zijn er een aantal specialisten voor wat betreft visuele inspectie ter karakterisatie van materialen.
Specialisten met betrekking tot de karakterisatie van natuursteen zijn Eddy De Witte (gepensioneerd, voorheen KIK), Hilde De Clercq (KIK); Roland Dreesen (VITO), Michiel Dusar (KBIN) en Jan Elsen (KUL, Geologie).

RLICC heeft (in samenwerking met Monumentenwacht Vlaanderen) in 2008 een UNESCO-leerstoel “preventive conservation, monitoring and maintenance of the built heritage” en een bijhorend netwerk (PRECOMOS: International network on Preventive Conservation, Maintenance and Monitoring of Monuments and Sites) volgens de UNESCO richtlijnen opgericht. Via deze UNESCO-leerstoel zal het RLICC een geïntegreerd geheel opzetten van onderzoek, opleiding, vorming, informatie en documentatie m.b.t. preventieve conservatie, onderhoud en monitoring van het onroerend erfgoed (gebouwd erfgoed inclusief stedelijke gehelen en archeologische sites). Via onderzoekers van het centrum Europese projecten werden in het verleden expertsystemen ontwikkeld voor het visueel inspecteren en determineren van schadepatronen, zoals bijv. het MDDS (Masonry Damage Diagnostic System). Dit expertsysteem gaat wel een aantal stappen verder dan louter preventieve conservatie. 5
Het helpt de gebruiker een doordachte diagnose te stellen voor de schade aan metselwerk via opeenvolgende fases, gaande van visuele inspectie, het vaststellen van het schadetype (o.a. via een Metselwerk Schadeatlas), ontworpen om hulp aan de gebruikers van MDDS te bieden bij de correcte definitie van de schade. De definities van de schade zijn voorzien van illustraties en een uitleg over de schademechanismen en omstandigheden, het vaststellen van het schadeproces, het vaststellen van de omstandigheden en eventueel aanvullend labo-onderzoek. Op basis hiervan kan overgegaan worden tot een rapportering met het vaststellen van de diagnose en het formuleren van maatregelen voor herstel en instandhouding. Het MDDS werd als basis gebruikt voor het ontwikkelen van een nieuw systeem, het ‘Monument Damage Diagnostic System’, ontstaan binnen het EU project COMPASS. 6
Dit nieuwe systeem bevat meer kennis over verschillende bouwmaterialen en schademechanismen. Ook informatie over pleister en zoutschade komt aan bod. Eindgebruikers vinden richtlijnen om hun keuzes te ondersteunen en een diagnose van de schade en de oorzaak ervan te maken. Verder worden ze geholpen bij het plannen van restauraties. Het doorgeven van de expertise en kennis om dit en dergelijke systemen in de praktijk toe te passen behoort ook tot de opzet van de leerstoel en het netwerk. In dit kader werden in 2007 en 2008 twee internationale seminaries georganiseerd via een project (SPRECOMAH: Seminars on Preventive Conservation and Monitoring of the Architectural Heritage) gefinancierd met middelen van de Europese Commissie (6de kaderprogramma).
Het RLICC draagt ook bij tot het onderzoek naar documentatie- en meettechnieken. Met het VL-ICOON project dat liep van 1999 tot 2002 werd via een projectmatige samenwerking (RLCC en LIBIS-NET van de KULeuven met de Administratie Monumenten en Landschappen (AML) van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) een coherente gegevensstructuur ontwikkeld voor iconografische informatie over het gebouwde patrimonium dankzij de uitwisseling van expertise en de integratie van diverse databanksystemen (BASISplus en Digital Library en LIBIS-Net).
In de rand van deze studie situeert zich ook het vertaalproject voor de Art and Architecture Thesaurus (i.s.m. de Vlaamse overheid en het Nederlandse Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD). 7
Via het VIRTERF (Virtueel erfgoed)-project dat liep van 1999 tot 2001 werd beoogd een technologie te ontwikkelen die vanuit beeldverwerking over reverse engineering geleid heeft tot de opmaak van driedimensionele modellen. Deze modellen kunnen in een CAD omgeving dienen als informatiedrager (multimedia database), als weergave van de ontwerpen voor restauratieve ingrepen en voor representatie naar het grote publiek in het kader van cultuurtoerisme: Het project werd ingediend door een onderzoeksconsortium samengesteld uit onderzoekers van het Departement Architectuur, Stedebouw en Ruimtelijke Ordening (ASRO), het RLICC, het Departement Electronica, en het Departement Mechanica van de KULeuven en heeft geleid tot een verbetering van het onderzoek en de documentatie van erfgoed.

Van 2002 tot 2007 sloot RLICC zich ook aan bij een partnerschip ‘for Heritage Recording, Documentation and Information Management’ (RecorDIM). Het doel van dit netwerk, dat ontstaan was op initiatief van International Council on Monuments and Sites (ICOMOS), Getty Conservation, Institute (GCI) en van International Committee for Documentation of Cultural Heritage (CIPA), was om de samenwerking tussen leveranciers en de gebruikers van erfgoedinformatie in het kader van conservatie te verbeteren.

Ook werden en worden aan RLICC heel wat doctoraten over preventieve conservatie uitgewerkt, o.a. over het gebruik van 3D Documentatie- en verspreidingstechnieken in de studie van het gebouwde erfgoed (Mario Santana Quintero, 2003) en over de toepassing van 3D-laserscanning en fotogrammetrie in de monumentenzorg (Bjorn Van Genechten). 8
De nodige technologie en infrastructuur voor uitvoeren van fotogrammetrische restitutie (situatie reconstrueren m.b.v. luchtfoto’s) is de laatste jaren sterk vereenvoudigd. Ook de opkomst van de digitale camera heeft tal van nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor het 3D-modelleren van constructies en terreinen. De technologie van de laserscanner staat al enkele jaren op punt maar wacht nog op een doorbraak zowel langs de aanbodzijde als langs de vraagzijde.
Momenteel loopt ook een doctoraat over preventieve conservatie, monitoring en onderhoudsgerichte monumentenzorg (Neza Cebron Lipovec).

Het labo monumentenzorg van het KIK stelt diagnoses van de conserveringstoestand en schadefenomenen van monumentale constructies. Het voert ook materiaaltechnisch onderzoek uit van steenachtige materialen met als doel het verlenen van conservatie- en restauratieadvies. In dit kader heeft het labo meegewerkt aan het op punt stellen van een in situ techniek (DRMS) ter bepaling van de verweringsgraad en -diepte van bouwmaterialen. Momenteel wordt dit onderzoek toegepast in het kader van dienstverlening (en verder gezet onderzoek) ter evaluatie van de noodzaak tot een steenverstevigende behandeling naast het vastleggen van de modaliteiten van een dergelijke behandeling.

In de onderzoeksafdeling MAT van de KULeuven loopt al een tiental jaar onderzoek naar niet-destructieve technieken voor het monitoren van structuren. Vaak worden technieken die uit een andere onderzoeksector komen of een toepassing kennen in andere industrieën in de sector van preventieve conservatie van het onroerend erfgoed binnengebracht. Veelal gaat het over onderzoek van metselwerk. Verschillende onderzoekers (Janssens, H.;Van Rickstal, F.; Venderickx, K.; Keersmaekers, R.) hebben gewerkt of werken rond de toepassing van de geo-elektrische meettechniek als niet-destructieve methode om de toestand van (historisch) metselwerk te beoordelen. Zones met verhoogde elektrische weerstand duiden op slecht geconsolideerd metselwerk. De techniek kan ook gebruikt worden om de stroming van een grout bij een consolidatie-injectie op te volgen. 9
De belangrijkste vernieuwing bij de toepassing in de conservatiesector is de ontwikkeling van softwarematige hulpmiddelen bij het verwerken en interpreteren van de metingen.
Er loopt momenteel ook een doctoraatsonderzoek (Els Verstrynge) met betrekking tot het langetermijngedrag van historisch metselwerk en de effecten van schadeaccumulatie op het draagvermogen van historische metselwerkstructuren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van metingen van de akoestische emissie. De akoestische- emissietechniek wordt tot op heden in verscheidene toepassingsgebieden met succes gehanteerd. Het innovatieve is gesitueerd in de uitbreiding van de techniek naar schadeaccumulatie in (historisch) metselwerk. 10
Het doctoraatsonderzoek van Sven Ignoul gaat dieper in op de praktische toepasbaarheid van deze schademodellen en legt het verband met structurele ingrepen (consolidatie, versterking) en de tijd die een structuur nodig heeft om zich aan te passen aan de nieuwe gewijzigde structurele situatie. 11
In de loop van de jaren werd in samenwerking tussen MAT en RLICC uitgebreid onderzoek gedaan naar monitoringtechnieken m.b.t. stabiliteit met de Sint- Jacobskerk te Leuven als proefproject. Verschillende documentatietechnieken (van gerectifieerde foto’s, fotogrammetrie tot 3D laser scanning) werden uitgeprobeerd en vergeleken.

3 Onderzoek naar onderhoudstechnieken en onderhoudsplanning

3.1 Wat?

Een onaangepast onderhoud (verkeerde of te agressieve schoonmaakproducten, geen of niet aangepaste klimaatregeling, etc.) kan een schadelijke invloed hebben op de vaak oude materialen waaruit het onroerend erfgoed is opgebouwd. Onderzoek naar aangepaste onderhoudstechnieken is geen overbodige luxe als we ons erfgoed integraal willen bewaren voor het nageslacht. Dergelijk onderzoek omvat studie van verschillende producten, de creatie van onderhoudsrichtlijnen en specifieke werkbeschrijvingen, etc. .

Maar het volstaat niet enkel om te weten hoe je een materiaal of bouwonderdeel moet onderhouden, het is ook belangrijk de onderhoudscyclus, de frequentie van onderhoud te kennen. In die optiek past ook onderzoek naar onderhoudsplanning en systemen voor onderhoudsmanagement in het plaatje van preventieve conservatie, evenals de link tussen erfgoed en duurzaamheid. Hiervoor dient gekend te zijn wat de levensduur is van materialen, wanneer materialen aan vervanging toe zijn, wat de ideale cyclus is waarin onderhoud toegepast wordt voor specifieke bouwonderdelen in een welbepaald gebouw, hoe men duurzaam om kan gaan met energie in een historisch gebouw etc. . Idealiter heeft elk gebouw een eigen onderhouds- of beheersplan waarin de verschillende onderhoudsstappen, de te gebruiken producten en de frequentie van onderhoud opgenomen staan.
Internationaal maken de Conservation Management Plans uit Australië furore, Vlaanderen zou hierbij echt aansluiting moeten proberen te zoeken. Een belangrijke uitdaging bestaat er voor de toekomst in om bijvoorbeeld toestandsrapporten, zoals deze die door Monumentenwacht worden gemaakt, te integreren in het beheersplan van historische monumenten.

3.2 Actoren

Monumentenwacht geeft aanbevelingen naar onderhoud en instandhouding in zoverre dit mogelijk is vanuit visuele, niet destructieve inspectie. Indien verder onderzoek nodig is, verwijzen de monumentenwachters naar gespecialiseerde studiebureaus of restauratiearchitecten. Monumentenwacht stimuleert onderhoud door middel van de gerichte toestandsrapportage met aanbevelingen voor de aangesloten objecten en door middel van de toegankelijke onderhoudstips. 12
De publicaties (onderhoudstips) worden in gedrukte vorm verstuurd naar abonnees en overheden. Ze zijn ook te koop tegen kostprijs en kunnen gratis gedownload worden van het web.
Daarnaast heeft Monumentenwacht in samenwerking met - de in 2000 in vereffening gegane vzw - Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie een onderhoudsdraaiboek voor monumentale gebouwen opgesteld evenals een publicatie over het praktisch onderhoud van kerkinterieurs.
In de nabije toekomst (2009 e.v.) is Monumentenwacht van plan zich toe te spitsen op de opmaak van beheersplannen met kostencalculatie.
Om een gebouw te onderhouden, bijvoorbeeld voor het reinigen van dakgoten, moet men zich soms op moeilijk bereikbare plaatsen begeven. De monumentenwachters weten dit maar al te goed, want ze zijn extreem kwetsbaar tijdens hun soms gevaarlijke inspecties van bouwkundig erfgoed. Om reden hebben ze een brochure geschreven over de toegankelijkheid van zolders, daken en goten.

WTCB heeft een technische voorlichting gepubliceerd over het onderhoud van buitenschrijnwerk waarin ook de periodiciteit van de onderhoudswerken aangegeven staan. Ook wordt vaak advies gegeven aan de leden en andere klanten over onderhoudsmateries.

VIOE heeft een monument in eigen beheer, nl. het Renaat Braem Huis. Voor het courant onderhoud van dit monument werd in samenwerking met Monumentenwacht een beheersplan met kostencalculatie op maat opgemaakt. De methodiek en de aanpak van deze oefening kunnen model staan voor het creëren van dergelijke plannen voor ander bouwkundig erfgoed.

  • 1. Praktijkboek Instandhouding Monumenten, RDMZ. SDU november 2000.
  • 2. Restauratievademecum van de RDMZ, Zeist, SDU 1985-1998.
  • 3. Brochures m.b.t. conservatie-restauratie en beheer van bouwkundig erfgoed door RACM (voorheen RDMZ).
  • 4. Brochures Techniek
  • 5. Onderzoek “Environment research project (STEP)” 1993-1995 Expert system for the evaluation of deterioration of historic brick structures, in collaboration with T.N.O.-Bouw (The Netherlands), Technische Universität Hamburg (Germany) en Politectnico di Milano (Italy). Betrokkenen centrum Lemaire: Joao Mateus cfr. ook doctoraat in bibliografie, Koen Van Balen).
  • 6. EU Research Project COMPASS ‘Compatibility of plasters and renders with salt loaded substrates in historic buildings’ (EVK-CT 2001-00047).
  • 7. De Art & Architecture Thesaurus (AAT) is een wereldwijd toegepast ontsluitingsmiddel voor het toegankelijk maken van architectuur-, kunst- en cultuurhistorische collecties in musea, bibliotheken, diatheken, kenniscentra, archieven en documentatie-instellingen. De Art & Architecture Thesaurus-Nederlandstalig (AAT-Ned) is een vertaling en bewerking van de door het Getty Research Institute samengestelde Engelstalige Art & Architecture Thesaurus.
  • 8. 3D-laserscanning is een opmetingstechniek die enorme voordelen biedt t.o.v. traditionele opmetingstechnieken, voornamelijk door het direct contactloos opmeten in drie dimensies van grote constructies op zeer korte tijd. De datasets afkomstig van een laser scanner bieden dan ook een permanent archief van de structuur of gebouw, en kunnen gebruikt worden voor allerlei doeleinden in de monumentenzorg zoals: het maken van ‘as-built’ of ‘as-is’ plannen en doorsneden, als geometrische onderlegger voor het mappen van thematische informatie, of voor het monitoren en analyseren van vervormingen in de structuur door externe krachten. Voor een reële constructie is het resultaat van een in situ opmeting een wolk van punten samen met digitale fotografische opnames gemaakt van op dezelfde positie als de laser scanner. De miljoenen punten worden opgemeten met hoge nauwkeurigheid en met een resolutie in functie van de wens van de opdrachtgever. Daarenboven is de benodigde tijd voor het opmeten van deze puntenwolk relatief beperkt. Als resultaat kan gesteld worden dat het vergaren van de data een beperkte kost inhoudt.
  • 9. Grout is een vloeibare samenstelling van cement, water, eventueel kalk en andere toeslagstoffen. Het injecteren van metselwerkmassieven met grout is een techniek die gebruikt wordt om onder andere stabiliteitsproblemen van monumenten op te lossen.
  • 10. Akoestische Emissie (AE) is een niet-destructieve meettechniek die toelaat geluidssignalen van lage energie in een breed frequentiedomein op te vangen en te lokaliseren. Wanneer in een materiaal schade ontstaat, zullen de elastische golven die hierbij gegenereerd worden, i.e. de akoestische emissies, doorheen het materiaal propageren en aan het oppervlak gedetecteerd kunnen worden door AE sensoren. De AE techniek kan de energie die vrijkomt karakteriseren en indien meerdere sensoren gebruikt worden ook lokaliseren. De techniek onderscheidt zich van andere technieken in die zin dat de informatie van het schadeproces zelf gebruikt wordt. Wanneer een continue meetcampagne (monitoring) wordt toegepast kan op deze wijze het ontstaan en groeien van de schade in een structuur gevolgd worden. De techniek verlegt onze geluidsdetectiegrens naar hogere frequentie en lagere intensiteiten, maar de interpretatie van de opgemeten signalen en de link met de hoeveelheid en aard van schade is niet eenvoudig en vraagt voor ieder materiaal en toepassing een aparte expertise.
  • 11. Doc: Sven Ignoul, Structural assessment of masonry structures - long term behavior “Residual Service Life Predicton of ancient masonry”, 2003-2008.
  • 12. De Nederlandse Monumentenwacht heeft een handboek uitgegeven over haar inspectiemethodiek: B: inspectiehandboek Monumentenwacht Nederland (reeks van mappen, wordt regelmatig aangevuld).

3.1.1.2 Internationaal kader

Gezien het feit dat Vlaanderen een relatief kleine regio is in Europa -en bij uitbreiding -mondiaal, zal het belangrijk zijn om zich te integreren in een ruimer onderzoeksnetwerk of zelf een dergelijk netwerk op te zetten. Dit is tevens noodzakelijk om de schaarse beschikbare onderzoeksbudgetten efficiënt te benutten en geen ‘dubbel’ werk te leveren.

Ethiek en deontologie lijken ook onderwerpen die in samenspraak met de ons omringende landen moeten behandeld worden.

Het zou ons te ver leiden om alle relevante onderzoeksnetwerken hier op te sommen, we geven hier een aantal websites van de belangrijkste instanties of netwerken waarbij Vlaanderen aansluiting kan zoeken of reeds zoekt.

Met de oprichting van de UNESCO-leerstoel over preventieve conservatie, monitoring en onderhoud van monumenten en sites krijgt Vlaanderen de kans de specifieke know-how in dit domein te verspreiden ten behoeve van een betere conservatie van het werelderfgoed. Tevens wordt niet alleen onderzoek, maar ook onderwijs in dit domein gestimuleerd. De samenwerking met monumentenwachtverenigingen in Vlaanderen en Nederland ,die pioniers zijn in het domein van de preventieve conservatie is een belangrijke troef. De resultaten van het onderzoek en het onderwijs zullen ten goede komen van de wereldwijde betrachting om het werelderfgoed beter te conserveren en zal uiteraard ook bijdragen tot een verbetering van de conservatiestrategieën in Vlaanderen.

Binnen de Focus Area Cultural Heritage van het European Construction Technical Platform is men een “European Research Agenda” aan het opzetten m.b.t. erfgoed waarin ook de aspecten onderhoud, monitoring en preventieve conservatie aan bod komen. Op nationaal vlak werd o.a. een onderzoeksagenda door English Heritage ontwikkeld.

3.1.1.3 Hiaten in het onderzoek en aanbevelingen vanuit de sector

Het onderzoeksbeleid m.b.t. het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen is nog te eenzijdig gericht op bouwhistorisch en architectuuronderzoek. Onderzoek over preventieve conservatie krijgt onvoldoende aandacht/middelen van de beleidsmakers, terwijl dit internationaal beleidsmatig en ook wetenschappelijk toch van primordiaal belang is. 1 Er wordt heel wat interessant onderzoek opgestart vanuit het Vlaamse onderzoeksveld, maar door gebrek aan structurele ondersteuning voor dit onderzoek is continuïteit niet altijd gegarandeerd en vinden onderzoeksresultaten ook slechts druppelsgewijs ingang in het werkveld zelf. Het is gewenst dat de promotie van preventieve conservatie (onderhoud) als beheersactie boven restauratie in het algemeen (als beheersstrategie) systematischer wordt aangepakt – men gaat vandaag nog teveel uit van de idee dat we “na een restauratie 50 jaar gerust zijn”.
Een vaststelling is verder dat het multidisciplinaire karakter van onderzoek in erfgoedzorg algemeen en met betrekking tot conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed in het bijzonder onderkend wordt. Er is dringend nood aan identificatie en erkenning van dit probleem en aan een actieplan om dit te verhelpen.
Een ander belangrijk aandachtspunt is het vastleggen van waarderingscriteria voor onroerend erfgoed (waardestellingen).
Met betrekking tot de toepassing van de Vlaamse Wetgeving Onroerend Erfgoed, wordt daarnaast vastgesteld dat er veel ‘besparingen’ worden gemaakt op het vooronderzoek in het kader van ingrepen op het erfgoed, of dat vooronderzoeken steevast samen met de uitvoering van een restauratiedossier worden uitgevoerd, waardoor het vooronderzoek zijn doel voorbijschiet: de functie van het vooronderzoek is namelijk de uitvoering sturen wat niet kan als vooronderzoek deel uitmaakt van de uitvoering. Wenselijk zou ook zijn dat resultaten van vooronderzoeken op één of andere manier systematisch beschikbaar worden gemaakt voor meer algemeen onderzoek via internet of via een centraal documentatiecentrum (bvb. bij de Vlaamse overheid).

Voor het lopend onderzoek in Vlaanderen is een belangrijk hiaat het onderzoek naar algemene richtlijnen voor preventieve conservatie van onroerend erfgoed.
De ontwikkeling van een “Handleiding Kwetsbare Erfgoedelementen” vanuit de Vlaamse overheid is een goede stap in de ontwikkeling van algemene richtlijnen. Er bestaan al vergelijkbare internationale of commerciële voorbeelden, maar het belang van de illustratie van richtlijnen via ‘best practices’ van eigen bodem en de actieve verspreiding ervan is niet te onderschatten. Ideaal zou zijn dat zoveel mogelijk experten uit verschillende onderzoeksinstellingen in Vlaanderen hieraan meewerken.
Daarnaast is het essentieel dat Vlaanderen zijn actieve medewerking blijft verlenen aan de Europese normen met betrekking tot preventieve conservatie die momenteel in opbouw zijn. Tevens is belangrijk dat de gecreëerde EN snel een vertaling krijgen naar het Nederlands (dit wordt normaal gezien gecoördineerd door het BIN) en ook opgenomen worden in een handige publicatie of online raadpleegbare databank.

Mogelijkheden voor onderzoek met betrekking tot visuele inspectiemethodes liggen vooral in het zoeken naar manieren en instrumenten om beter te kunnen kijken en vast te leggen. Vermits er bij visuele inspectie vaak gewerkt moet worden op weinig toegankelijke plaatsen en in allerlei weersomstandigheden, dienen instrumenten low budget, klein en licht in gewicht zijn, moeten ze tegen een stootje kunnen en bij voorkeur ook spatwater- en stofdicht zijn.
Wat de neerslag van de inspecties betreft (inspectierapport), wordt door Monumentenwacht gewerkt met een schriftelijke neerslag en foto’s. Er wordt bekeken in hoeverre het mogelijk is de inspectiegegevens in te brengen in een databank i.p.v. in een word-document. Onderzoek dringt zich op naar de ontwikkeling van een gebruiksvriendelijk softwarepakket dat eenvoudige inspectie van diverse gebouwentypes mogelijk maakt en dat bij voorkeur ook als monitoringsysteem gebruikt kan worden. De huidige inspectiemethodiek van Monumentenwacht kan hiervoor als uitgangspunt dienen.
Tevens wordt aangedrongen op het systematisch onderzoek en de inventarisatie (via een atlas of een digitale databank) van het gebruik, de fysisch chemische karakteristieken, de exacte herkomst en het voorkomen van historische bouwmaterialen in het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen.

Over meetmethodes en technieken om het bouwkundig erfgoed in situ te onderzoeken is er internationaal - en in mindere mate in Vlaanderen - al heel wat onderzoekwerk verricht en/of nog aan de gang. De resultaten van dit onderzoek zijn ook vrij - vaak online - toegankelijk. Met betrekking tot de beschikbare informatie op het web (vooral internationaal), is het soms moeilijk te onderscheiden of het om betrouwbare of niet betrouwbare informatie gaat. Daarnaast kan men zich de vraag stellen of al deze digitale gegevens ook in de toekomst nog leesbaar en raadpleegbaar zullen zijn. Ook zijn duidelijke en actuele overzichten niet beschikbaar.

Inzake de ontwikkeling van monitoringssystemen heeft men in Vlaanderen meegewerkt aan Europese onderzoeksprojecten rond monitoring van schade aan metselwerk, voor het bepalen van de verweringsgraad en –diepte van bouwmaterialen en van schade aan het bouwkundig erfgoed in zijn geheel.

Wat de concrete toepassing van al deze meetmethodes, technieken en monitoringsystemen in de praktijk in Vlaanderen betreft, zijn er nog weinig grote resultaten te melden. Momenteel is er op het werkveld zelf immers weinig te merken van de toepassing van de resultaten van het onderzoek. Het is niet altijd duidelijk waar de meettoestellen en/of software te verkrijgen zijn, wat ze kosten en hoe ze gebruikt dienen te worden. Eenvoudige en goedkope systemen genieten uiteraard de voorkeur, maar daarvoor moet men weten wat er op de markt is en wat de kwaliteit ervan is. Overzichten hieromtrent zijn niet of zeer moeilijk te vinden.
Binnen de opleiding van het RLICC wordt momenteel wel werk gemaakt van het vertrouwd maken van de studenten met een aantal meettoestellen en software. In het kader van SPRECOMAH en PRECOMOS is het de bedoeling ook een ruimer netwerk van betrokken professionelen vertrouwd te maken met deze nieuwe methoden, technieken en systemen. Het geven van opleidingen, het schrijven van publicaties en het centraal (online) ter beschikking stellen van gegevens is in deze cruciaal.

Inzake werkbeschrijvingen (handleidingen) voor de uitvoering van onderhoudstechnieken is al heel wat onderzoek gebeurd. Brochures en handleidingen voor het grote publiek (de erfgoedzorgers in eerste lijn) over deze problematiek bestaan al, maar zijn wellicht te weinig bekend of te weinig gebruiksvriendelijk. Het vroegere VCAR, het KIK en de Monumentenwacht ontwikkel(d)en terzake initiatieven en verzorg(d)en publicaties (Vademecum van het KIK, Schoon Schip van het VCAR, brochures van Monumentenwacht). Het onderzoek naar het langetermijneffect van sommige onderhoudsproducten kan wel een impuls gebruiken.

Wat het onderzoek naar onderhoudsplanning voor het onroerend erfgoed betreft, staan we in Vlaanderen nog niet ver. Internationale en Vlaamse publicaties inzake systemen voor onderhoudsplanning – en vooral ook de strategie voor onderhoud over lange termijn (meer dan vijf jaar) - en kostenanalyse ontbreken. Ook over risicoanalyse (en niet alleen de grote calamiteiten!) als integrale strategie voor conservering van het erfgoed is nog te weinig studie gebeurd.
De algemene principes m.b.t. onderhoudsfrequentie en planning zijn momenteel te weinig bekend of toch zeker te weinig toegepast in Vlaanderen. Het ware nochtans aangewezen dat minimum elk beschermd monument in Vlaanderen een onderhoudsdraaiboek op maat had. Dit is momenteel helaas niet het geval, waardoor dure restauraties (interveniëren als het eigenlijk al te laat is) de regel blijven.

Verder is volgens werkveldonderzoek naar andere facetten van preventieve conservatie noodzakelijk, zoals:

  • early warning systems en dosimetrie
  • thematisch materieeltechnisch onderzoek
  • onderzoek naar relatie dosis-schade (bijv. effect van luchtvervuiling)
  • 1. “Vision 2030 & Strategic Research Agenda”, opgesteld door Focus Areas Cultural Heritage van ECTP: “To set up sustainable strategies for the preservation of cultural heritage assets by developing new management and monitoring tools to ensure their added value for European cities and the local environment; this will enhance the European Society’s knowledge and understanding, and promote a reliable predictive and cost effective maintenance.”

3.2 Conservatie-restauratie van interieur en kunstwerken

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Marjan Buyle

1 Inleiding op het onderzoeksdomein

1.1 Afbakening

Het onderzoeksdomein overlapt gedeeltelijk dat van het Historisch Interieur en dat van de Materialen en Technieken. Het ligt immers voor de hand dat verantwoorde restauraties van interieurs en kunstwerken voorafgegaan worden en samengaan met het onderzoek van het interieur als een geheel en met het onderzoek naar de gebruikte materialen en technieken. Restauraties leveren overigens vaak gegevens voor voornoemde onderzoeksdomeinen.

Eng gezien is het onderzoeksdomein beperkt tot het onderzoek van restauratieproducten en -technieken. In een breder kader omvat dit het onderzoek naar gebruikte materialen en hun verwerking.
Wat schilderingen betreft, heeft dit dan te maken met onderzoek naar pigmenten, kleurstoffen, bindmiddelen, kleefmiddelen en lijmen, afwerkingmaterialen zoals vernissen, glacis, wassen e.a. Onderzoek naar de laagopbouw levert gegevens op over achtereenvolgende interieuraankledingen, waarbij het interieur als een samenhang steeds in het achterhoofd gehouden wordt en waarbij de link gelegd moet worden naar de rest van de interieurcomponenten: los en vast meubilair, textiel, vloeren en tapijten, vensters en deuren, plafondafwerkingen, vaste interieurcomponenten zoals schouwen, lambriseringen, verlichting en verwarming, losse kunstwerken.

Onderzoek naar de bewaringstoestand, alteratiefenomenen, oorzaken van de schade: “natuurlijke” oorzaken zoals veroudering, vocht, invloed van het licht, klimaat, zouten en “onnatuurlijke” beschadiging door vandalisme, verwaarlozing, gebrek aan onderhoud, historische gebeurtenissen (iconoclasme, oorlogen,..), natuur- en andere rampen (overstromingen, aardbevingen, branden, instortingen).

Onderzoek naar uitvoeringstechnieken, volgorde van handelingen door de kunstenaar (welke lagen eerst, preparaties, verflagen, afwerkingslagen), technische hulpmiddelen (passer, sjablonen, schetsen, ontwerpen).

Evolutie van het interieur en de kunstwerken: latere overschilderingen, aanpassingen, toevoegingen, herstellingen, evolutie van stijl en smaak, van gebruik en functie, verbouwingen e.a.

1.2 Traditionele aanpak van dit onderzoeksdomein

De traditionele aanpak is grotendeels ad hoc: naar aanleiding van een welbepaalde conservatie-restauratie wordt er onderzoek rond verricht. Bovendien is het onderzoek meestal opgesplitst in gespecialiseerde deeldomeinen.

De oprichting van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in 1948 is een belangrijk historisch gegeven, omdat de toenmalige opzet van interdisciplinariteit. 1 Dit had veel, zoniet alles, te maken met de visionaire figuur van Coremans die aan de leiding stond van deze instelling.

2 Stand van het onderzoek

Verschillende personen en instellingen zijn momenteel bezig met onderzoek op dit domein.

2.1 Instellingen

  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed VIOE
    • Marjan Buyle en ploeg (Els Jacobs en Philippe Schurmans)
      • Onderzoek van conservatieproducten en technieken ad hoc
      • Evolutie van de restauratiedeontologie en de weerslag hiervan op de restauratiepraktijk
    • Patrick Roose
      • Onderzoek en conservatie-restauratie van orgels
    • Archeologische conservatie Zellik
    • Aanverwant onderzoek VIOE: dendrochronologie e.a.
  • Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium KIK
    • Jan Wouters
      • kwantitatieve analyse van organische stoffen op micromonsters: natuurlijke organische kleurstoffen, plantaardige looistoffen, proteïnen
      • studie van de representativiteit en reproduceerbaarheid van de resultaten van microanalyses
      • evaluatie van de conditie van papier, leer, perkament, wol en zijde door chemische analyse
    • Hilde De Clercq
      • diagnose van de conserveringstoestand van monumentale constructies en materiaaltechnisch onderzoek van steenachtige materialen
      • identificatie en toepassingsmodaliteiten van behandelingsproducten gebruikt voor de conservatie en restauratie van onroerend erfgoed
      • uitwerken van een databank met analyseresultaten van producten gebruikt in de monumentenzorg als werkinstrument voor de Belgische Unie voor de technische goedkeuring in de bouw: onderzoek van waterwerende en anti-graffiti producten
      • onderzoek van de samenstelling van natuursteen en beton
      • lid van Werkgroep 2, Materials Constituting Cultural Property, en Werkgroep 3, Evaluation of Methods and Products for Conservation Works, binnen de Commissie Europese Normalisatie CEN/TC346 Conservation of Cultural Property: uitwerken van Europese standaarden
      • identificatie van natuursteen
      • analyse van historische mortels en pleisters
      • zoutanalyses, detectie van capillair opstijgend vocht
      • evaluatie en langetermijnefficiëntie van conservatieproducten
    • Marina Van Bos
      • analyse verfmonsters van muurschilderingen, historische gebouwen, miniaturen e.a.
      • identificatie van pigmenten en bindmiddelen en stratigrafie van de lagen met optische microscopie, infrarood spectroscopie en microscopie FT-IR, μRaman spectroscopie, electronenmicroscopie met energiedispersief X-straaldetectiesysteem SEM-EDX, X-straal fluorescentie XRF en gaschromatografie gekoppeld aan massaspectrometrie GCMS
      • preventieve conservatie
      • onderzoek papier, leder, perkament
    • Ina Vanden Berghe
      • onderzoek textiel, papier, leder, perkament
    • Leen Wouters
      • onderzoek glas, metaal, email
    • Mark Van Strydonck en Mathieu Boudin
      • 14 C- datering en stabiele isotopenonderzoek
    • Pascale Fraiture
      • Dendrochronologie
    • Jana Sanyova
      • chemie en geschiedenis van materialen gebruikt als artistieke kleurstoffen en pigmenten (organisch en anorganisch)
      • ontwikkeling van nieuwe extractiemethodes voor organische kleurstoffen vertrekkende van gekleurde lagen en lakken
      • ontwikkeling van nieuwe analysemethodes voor kleurstoffen met LC-DAD-MS
      • reductie van de vereiste hoeveelheid monsters noodzakelijk voor de analyse van kleurstoffen afkomstig van schilderijen
      • chemisch gedrag van pigmenten en organische kleurstoffen gedurende hun natuurlijke veroudering; onderzoek naar degradatieproducten die toelaten de oorspronkelijke kleurstoffen te bepalen in picturale lagen die nu ontkleurd zijn
      • interactie pigment - bindmiddel: invloed van het pigment op het gedrag en de veroudering van het bindmiddel
      • onderzoek van de structuur en de karakteristieken van kraplakken
    • Steven Saverwyns
      • bindmiddel- en vernisanalyse van schilderijen, GC-MS, met daarnaast andere technieken zoals FT-IR, Ramanspectroscopie,…
      • aanpassen van monstervoorbereidingsmethodes voor GC-MS analyses, zodat de analyses vlugger zijn en naar alle waarschijnlijkheid minder monsters vereisen
      • onderzoek naar een methode die de simultane bepaling toelaat van proteïnen en oliehoudende bindmiddelen met GC-MS
      • ontwikkeling van een methode voor de bepaling van polysaccharides
      • gebruik van micro-Ramanspectroscopie voor de identificatie van pigmenten
      • onderzoek naar de toepasbaarheid van micro-Ramanspectroscopie voor bindmiddelidentificatie
      • onderzoek naar het gebruik van micro-Ramanspectroscopie voor in situ analyses op bijvoorbeeld schilderijen
      • reduceren van de hoeveelheid materiaal noodzakelijk voor de analyse van bindmiddelen afkomstig van schilderijen.
    • Mohamed Rich
      • mortelanalyses, zoutdosering en opstijgend vocht
    • Guido Van de Voorde en Catherine Fondaire
      • radiografisch onderzoek van kunstwerken
  • Hogeschool Antwerpen, Departement conservatie en restauratie

    • Patrick Storme
      • conservatie en restauratie van metalen, tincorrosie
    • Joost Caen
      • onderzoek en conservatie glasramen
    • Onderzoeksprojecten
      • Salut-project
        • Study of Advanced Lasertechniques for the Uncovering of polychromed Works of Art, projectleider Dirk Anthierens
      • Smartplasma
        • ontwikkelen van prototype voor reinigen van metalen in historische objecten door middel van plasma, projectleider Patrick Storme
      • Studentenproefschriften?

2.2 Personen

  • Mario Baeck
    • Belgische industriële vloer- en wandtegels 1840-1940
  • Veerle Meul
    • preventieve conservatie, risicoanalyse
  • Aletta Rambaut
    • conservatie en restauratie van gebrandschilderd glas
  • Lieve Watteeuw
    • onderzoek conservatie papier, perkament en boeken
  • Geert Wisse
    • studie en conservatie van behangpapier
  • Leon Smets
    • Preventieve conservatie, monitoring

3 Hiaten

Hiaten zijn vooral de meer synthetische onderzoeken en bepaalde specialisaties die weinig of niet aan bod komen.

De meeste onderzoeken zijn gelinkt aan lopende conservatie- en restauratieprojecten, hetgeen overigens ook normaal is, omdat dan de mogelijkheid geboden wordt om sommige ensembles meer gedetailleerd te onderzoeken. 2

Een andere vaststelling is dat onderzoek gelinkt is aan de interessesfeer en de specialisatie van personen, die, autodidactisch of niet, autoriteiten geworden zijn in hun vakgebied.

Resultaten van onderzoek blijven nog al te vaak weinig toegankelijk. Analyseresultaten blijven ‘hangen’ tussen de opdrachtgever van de onderzoeken en de uitvoerder ervan, tenminste in het - spijtige - geval dat het onderzoek niet gepubliceerd wordt.

Veel vooronderzoeken van conservaties-restauraties, waarin meestal een schat aan gegevens vrijkomt, blijven ontoegankelijk omdat ze verdwijnen in archieven, administraties, instellingen.

Er is weinig grootschalig onderzoek naar bijvoorbeeld restauratieproducten: lijmen en fixeermiddelen, insecticide-fungicidesystemen en producten, reversibele producten voor specifieke doelen, producten en technieken voor reiniging e.a. Probleem hierbij is waarschijnlijk dat iemand de opdracht moet geven voor deze onderzoeken en dat deze de onderzoeken wellicht zelf moet financieren.

Er is weinig fundamenteel ‘theoretisch’ onderzoek wat restauratiedeontologie en –filosofie betreft. Pogingen worden ondernomen om dit hiaat op te vullen via gespecialiseerde congressen en studiedagen. 3 Essentieel hierbij is wel dat er binnen een redelijke termijn een publicatie beschikbaar is.

Er zijn te weinig (gecoördineerde) initiatieven betreffende de wetenschappelijke terminologie van de conservatie-restauratie. Een duidelijk voorbeeld hiervan, maar uitsluitend een deelaspect behandelend, is het Beknopt glossarium voor de conservator-restaurateur van beeldhouwwerk 4 opgemaakt in het kader van het CRISTAL-project. 5 Het VIOE (Marjan Buyle), de Hogeschool Antwerpen (Charles Indekeu) en Culturele Biografie Vlaanderen (Leon Smets) waren bij dit project betrokken. Aanleiding was het feit dat de Art and Architecture Thesaurus van het Getty Institute niet specifiek ingaat op terminologie van de conservatie-restauratie. Opzet van het CRISTAL-project was het verwezenlijken van een meertalig glossarium met technische termen vanuit drie landen van de Unie: Frankrijk, België en Italië. België kreeg de beeldhouwkunst toegewezen, Italië de muurschilderkunst en Frankrijk de schilderijen op doek en de metalen en ceramiek. Het eindresultaat was iets minder ambitieus dan de oorspronkelijke opzet. Het deelaspect muurschilderingen werd uitsluitend in het Italiaans gepubliceerd en schoot hierdoor haar doel volledig voorbij. 6

4 Prioriteiten in het onderzoek

Prioritair is een onderzoek naar de meest efficiënte en tegelijkertijd milieuvriendelijke, ecologisch verantwoorde producten voor de behandeling en de preventie van biologische aantasting (schimmels, zwammen, insecten) van hout?
Het onderzoek zou klaarheid moeten scheppen over volgende punten:

  • welk recent wetenschappelijk onderzoek werd hierover uitgevoerd in binnen- en buitenland? Welke publicaties bestaan hierover?
  • welke schade brengen deze producten toe aan het milieu en de mens in zijn omgeving (manipulatie van behandelde houten werken, schade door inademing, uitwasemingen, …)
  • wat is de efficiëntie van deze producten: curatief? Preventief? Duurzaamheid van de bescherming?
  • wat is hun interactie met afwerkingslagen op het hout: was, vernis, kleurstof, polychromie, metaalopleg,…? Welke residu’s laten ze na in het hout?
  • op welke manier worden deze producten aangebracht? Zijn deze producten in dit land verkrijgbaar? Zoniet, waar zijn ze te bekomen? Kostprijs?

Dit onderzoek is nuttig voor een brede basis: in praktisch alle monumenten is hout aanwezig (constructie, decoratie, kunstbezit).

Hierbij aansluitend en in uitbreiding is onderzoek nodig naar andere facetten van preventieve conservatie (lucht, licht, klimaat e.a.). Brochures en handleidingen voor het grote publiek (de erfgoedzorgers in eerste lijn) over deze problematiek bestaan al, maar zijn wellicht te weinig bekend of te weinig gebruiksvriendelijk. Het vroegere VCAR, het KIK en de Monumentenwacht Interieur nu ontwikkelden initiatieven ter zake en verzorgden publicaties (Vademecum van het KIK, Schoon Schip van het VCAR, brochures van Monumentenwacht). Onze Franstalige collega’s publiceerden bruikbare handleidingen. Enige coördinatie en eventueel vertalingen zijn zeker wenselijk.

Een andere prioriteit is het synthetisch onderzoek naar restauratieproducten (voor het fixeren, verharden, reinigen e.a.), zoals ze in de handel worden aangeboden. Het is bekend dat firma’s vaak zonder veel ruchtbaarheid de samenstelling van hun producten wijzigen. Het is bovendien moeilijk om te allen tijde te beschikken over geactualiseerde technische fiches.

Type- of standaardbestekken zijn in deze sector niet mogelijk noch wenselijk, maar de opmaak van een standaardformulier als richtlijn voor bijvoorbeeld een volledig onderzoek van een historisch interieur moet mogelijk zijn. Dit is nu nog te veel gefixeerd op louter onderzoek van afwerkingslagen en dan nog alleen op de kleur hiervan (en niet op de textuur, dikte, uitzicht, esthetiek, samenstelling, verfsysteem, preparatielagen, …). Bij onderzoek voorafgaande aan de conservatie en restauratie mag vooral de samenhang niet uit het oog worden verloren van afwerkingslagen met los meubilair, vast meubilair, vaste aankleding (schouwen, vensters, ramen, stucwerk e.a.), vloeren en tapijten, correlaties tussen bepaalde afwerkingslagen en andere aankleding van de ruimte, geschiedenis, wijzigingen, verbouwingen, functieveranderingen. Nog te veel onderzoeken worden zodanig opgesplitst in diverse deelspecialisaties en verschillende personen dat het onderzoek wel een massa gegevens oplevert, maar dat de praktische bruikbaarheid niet erg groot is. Vaak ontbreekt een eindbeoordeling en evaluatie van al die onderzoeksresultaten in hun samenhang.

Theoretisch onderzoek naar restauratiedeontologie is niet systematisch en wordt te weinig verricht. Ook in publicaties over onderzoeken komt dit te weinig aan bod: het formuleren van de restauratieopties en de argumentering en de deontologie die hierachter zit.

Er is ook nog werk aan de winkel betreffende wetenschappelijke terminologie van de conservatie. Als inspiratiebron kan wellicht het bovengenoemde glossarium dienen. De schema’s betreffende vervaardiging, alteratie en interventie zijn ook bruikbaar en kunnen herwerkt worden voor andere deelgebieden. De formulieren die opgemaakt werden door M. Savko van het KIK en gebruikt werden voor onderzoek en conservatie van muurschilderingen zijn bijzonder volledig en bruikbaar en kunnen als voorbeeld dienen voor onderzoek en conservatie van andere deelgebieden.

  • 1. het onderbrengen van de afdelingen inventarisatie en fotoarchief, wetenschappelijk onderzoek en uitvoerende ateliers conservatie-restauratie voor die tijd vooruitstrevend en toonaangevend was
  • 2. bereikbaarheid – stellingen! -, tijd, mogelijkheid tot samenwerking en interdisciplinaire contacten, mogelijkheid tot publicatie en communicatie, mogelijkheid tot uitdiepen van een problematiek
  • 3. voorbeeld het BRK-VIOE congres in 2007 over authenticiteit en interpretatie in de conservatie-restauratie en de studiedagen Historisch Interieur van de Universiteit Gent
  • 4. wetenschappelijke uitgevers Ingrid Geelen en Wivine Wailliez van het KIK
  • 5. Conservation Restoration Institutions for Scientific Terminology dedicated to Art Learning Network
  • 6. NIMMO M. (ed.), Pittura murale, proposta per un glossario, Lugano, 2001