2 Inventarisatie van bouwkundig erfgoed

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Elise Hooft, Katrien Verwinnen
  • Medewerkers: Veerle Cherretté, Hilde Kennes

2.1 Afbakening van het project

1 Doelstellingen

In voorliggende tekst wordt gestreefd naar een overzicht van de inventarissen van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Zonder volledigheid te pretenderen, hopen we met dit project een aanzet te kunnen geven voor een centralisatie van beschikbare inventarisgegevens over bouwkundig erfgoed in Vlaanderen.

2 Definities

We willen 'bouwkundig erfgoed' invullen in de ruimste zin van het woord. Wij denken aan gebouwen van alle mogelijke typologieën, gebouwengroepen, complexen, bijhorende interieurs en interieurelementen, infrastructuur, klein erfgoed, straatmeubilair, monumentale beeldhouwwerken enz. Ook het varend erfgoed en de tuinen en parken krijgen onder “bouwkundig erfgoed” een plaats, omdat ze administratief gezien onder deze bevoegdheid vallen.

De term 'inventaris' willen we eveneens zo ruim mogelijk interpreteren. Alle mogelijke geografische of thematisch opgevatte oplijstingen komen aan bod: inventarissen, architectuurgidsen, databanken, beeldbanken, catalogi, oeuvrelijsten van architecten, overzichtslijsten enz. Wij denken niet alleen aan digitale databanken, maar ook aan publicaties die een systematisch overzicht bieden van een segment van het bouwkundig erfgoed. Niet uitgegeven inventarissen zullen vanzelfsprekend ook aan bod komen, zolang die op één of andere manier kunnen geconsulteerd worden.

3 Aanpak

Voor de realisatie van dit project werd op verschillende sporen gewerkt. Er werd aan een groep contactpersonen gevraagd om mee te helpen zoeken naar informatie over hun vakgebied of regio. Zo werden de vijf Vlaamse provinciale diensten voor onroerend erfgoed en de Vlaamse erfgoedcellen bevraagd. Daarnaast werd een open oproep tot het aanbrengen van inventarissen gelanceerd via de website van het VIOE en via een aantal erfgoedtijdschriften. 1 Ten slotte werden de belangrijkste wetenschappelijke bibliotheekcatalogi op inventarissen doorzocht. Aan de Universiteit Gent werd in de vakgroep Kunstwetenschappen een steekproef gedaan van de licentiaatsverhandelingen bouwkunst, opnieuw met zeer interessante resultaten.

  • 1. In de Steigers (West-Vlaanderen), M&L en Heemkunde Vlaanderen

2.2 Inventarisatie in Vlaanderen: een historiek tot ca. 1960

Dit hoofdstuk is deels gebaseerd op de bijdrage van Suzanne Van Aerschot in het Plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 1

Al sinds het ontstaan van de Belgische staat worden ambtenaren belast met inventarisatie van bouwkundig erfgoed. In eerste instantie moest deze inventarisatie de nieuwe staat legitimeren en een eigen identiteit geven. Geïnspireerd door Koning Leopold I stuurt de minister van Binnenlandse Zaken in 1834 een omzendbrief naar de provinciegouverneurs waarin hij hen vraagt een inventaris op te maken van het waardevolle erfgoed: "Je vous prie de vouloir bien m'adresser un catalogue complet et exact des édifices ou monuments de la province, qui méritent de fixer l'attention du gouvernement par leur antiquité, par les souvenirs qu'ils rapellent ou par leur importance sous le rapport de l'art." De respons was erg mager: de gouverneur van Brabant kent bijvoorbeeld in Diest en Tienen geen enkel belangrijk gebouw.
In 1835 wordt de Koninklijke Commissie voor Monumenten opgericht, met een adviserende bevoegdheid. Deze Commissie neemt het initiatief om een klassering op te maken van gebouwen die behouden moeten blijven. Dit is echter niet gekoppeld aan een systematische inventarisatie. Vanaf 1861 wordt het inventariseren van kunstvoorwerpen wel een taak van de Commissie – aanvankelijk met weinig resultaat.

Toch is het Koninklijk Besluit van 23 februari 1861 een keerpunt. De Koninklijke Commissie voor Monumenten wordt opgedragen een algemene inventaris op te stellen van de kunstvoorwerpen of ‘antiquités nationales’ in openbaar bezit en meer bepaald die welke door hun kunsthistorische en archeologische waarde het behouden waard zijn. Voordien werd meestal het religieuze roerende erfgoed opgenomen; het is pas in een volgende fase dat het openbare, meestal religieuze gebouw dat het herbergt, vermeld wordt en bondig bestudeerd. In de loop van de volgende 100 jaar bleef het uitvoeren van dit K.B. beperkt tot een aantal publicaties dat fasegewijs en over de provincies verspreid tot stand kwamen, telkens op eigen en onvoltooide wijze. 2 3 4 Ten opzichte van het buitenland betekent dit een aanzienlijke achterstand, die grotendeels te wijten is aan een ontbrekende infrastructuur: de Koninklijke Commissie voor Monumenten en later ook Landschappen (KCML) beschikt niet over de nodige vaste medewerkers; van een officiële monumentendienst is al helemaal geen sprake.

Het duurt tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor er concrete inventarisatie-initiatieven genomen worden. De KCML publiceerde in 1914 een lijst met gebouwen, gezichten en landschappen die beschermd dienden te worden. De lijst was bedoeld als basisdocument voor de wederopbouw na de oorlog. Architect Eugène Dhuicque, briefwisselend lid van de KCML, maakte op vraag van de minister van Wetenschappen en Kunsten (d.d. 20 mei 1915) een snelinventaris in niet-bezet België. Hij gaf samen met zijn medewerkers aan de hand van tekeningen en foto's de toestand weer van het verwoeste oorlogsgebied in de Westhoek, een initiatief, gekend als de 'Mission Dhuicque'. 5
De KCML voelt na de Eerste Wereldoorlog de nood tot een systematische inventarisatie groter worden. In 1923 wordt een 'Règlement pour la rédaction des inventaires définitifs des monuments et des sites' geschreven. Daarin staat dat de inventaris een nauwkeurige omschrijving dient te bevatten van alle monumenten die dateren van voor 1830 en die een kunsthistorisch, archeologisch of historisch belang hebben. Jongere monumenten krijgen maar een summiere vermelding. Ook voor het inventariseren van roerende goederen, landschappen en zelfs verdwenen monumenten wordt een regeling voorzien. Door een gebrek aan financiële middelen had dit initiatief weinig resultaat.

In de sfeer van het Verdrag van 's-Gravenhage (1954) ter bescherming van het erfgoed in geval van een gewapend conflict, komt het "Repertorium van het belangrijk cultuurbezit. Gebouwen en Kunstwerken. Répertoire des biens culturels importants. Monuments et Oeuvres d'Art" tot stand. 6 De elf delen verschijnen in 1955 in Brussel als gestencilde uitgaven met een algemene typologische en topografische indeling en in de voertaal van het bestudeerde gebied. Per provincie en gemeente worden de belangrijkste te vrijwaren kunstwerken en monumenten chronologisch gesitueerd. Er verschijnt een boekdeel per categorie, namelijk bouwkunst, schilderkunst, tekeningen en gravures (niet verschenen); beeldhouwkunst, kunstnijverheid, vaderlandse oudheidkunde, uitheemse oudheidkunde, vaderlandse geschiedenis, volkenkunde, folklore en muziek.
In 1951 zet het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen de wetenschappelijke inventarisatie en publicatie in van haar eigen kunstpatrimonium. 7 8 9 In West-Vlaanderen en Antwerpen gebeurt vanaf de jaren 1960 hetzelfde. 10 11 Van topografische inventarissen van een paar steden of kantons wordt gaandeweg overgestapt naar een grondige studie van een bepaalde interessante en beschermde kerk, een ander type gebouw of een onderdeel ervan. 12 13 14

De KCML zelf houdt het in die periode bij het opzetten van voorlopige topografische lijsten per arrondissement, verwerkt in gestencilde publicaties zonder afbeeldingen. Alleen de provincie Brabant werd afgewerkt cf. Bondige Inventaris der Kunstvoorwerpen van het Arrondissement Brussel, 1961 (ook in het Frans), Arrondissement Leuven, 1961 (alleen in het Nederlands) en het Arrondissement de Nivelles (alleen in het Frans). Per gemeente wordt het verzamelde materiaal typologisch geordend, grotendeels terugvallend op de vroegere reglementen van de Commissie. Wat het bouwkundig erfgoed betreft, komen achtereenvolgens de vestingwerken, de openbare burgerlijke gebouwen, de openbare godsdienstige gebouwen met inbegrip van kapellen en kloosters en ten slotte de private gebouwen (herenhuizen en woningen) aan bod. Opmerkelijk is dat er soms interieurs, straatmeubilair als beelden of pompen opgenomen worden. Eventueel aanwezige kunstvoorwerpen werden na de architectuur opgesomd.

Het feit dat dit initiatief snel uitdooft, illustreert treffend de Belgische achterstand. Artikels over de inventarisatie van Krönig 15 en Devliegher 16 uit de jaren 1960 vestigen de aandacht op het probleem. Het toen nog unitaire ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, met zijn bezielende ambtenaren C. Pirlot en G. Théâtre, beslist daarom het roer over te nemen. Onder minister Frans Van Mechelen wordt gestart met de eerste experimentele fase (van 1965/1966 tot begin 1973) uitgevoerd door een beperkte tweetalige stuurgroep waartoe een aantal KCML-leden behoren. Internationaal expert prof. R.M. Lemaire was de projectleider, verder zijn onder andere prof. F. Desmidt, L. Devliegher, M. Bussels, Kanunnik A. Lanotte, S. Brigode en de KCML-secretaris L. Moulin erbij betrokken. Voor het eerst wordt voor het hele land en in beide landstalen een homogene en bevattelijke inventaris opgestart die moet beantwoorden aan de noden van een degelijk, nog uit te tekenen monumentenbeleid. Het project krijgt de naam Bouwen door de Eeuwen Heen. Deze per bestuurlijke entiteit opgevatte inventaris van het bouwkundig erfgoed is nog steeds lopende en omvat voor Vlaanderen ondertussen meer dan vijftig boekdelen en zal na afwerking in 2009 het volledige Belgische grondgebied omvatten, veertig jaar na de start van het project.

2.3 Geografisch inventariseren

2.3 Geografisch inventariseren

Het geografisch inventariseren van bouwkundig erfgoed is de oudste vorm van inventariseren. Het is daarbij de bedoeling om van een bepaald gebied de belangrijke, waardevolle gebouwen en sites, ongeacht hun typologie, te inventariseren. Aangezien de opstellers op de hoogte moeten zijn van de kenmerken en eigenschappen van alle bouwtypes en bouwperiodes – wat absoluut niet evident is en enkel mogelijk na jaren ervaring - vergt dit een grote inspanning. Het is evenwel noodzakelijk om een erfgoedbeleid te kunnen voeren, vermits dit beleid altijd geografisch is georganiseerd en uitgevoerd wordt door de administraties van de Vlaamse overheid, de provinciale besturen en de gemeentebesturen.

2.3.1 Beschermd erfgoed: het register van de beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten

Een belangrijk soort bouwkundig erfgoed is het beschermd erfgoed. Omdat dit belangrijke juridische consequenties heeft, werd bij decreet vastgelegd dat hier een inventaris of register van moet worden opgemaakt, toegankelijk voor elke burger. (Artikel 10 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten). De entiteit Onroerend Erfgoed van het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed, houdt dit register bij. Afschriften moeten berusten bij het agentschap, het provinciebestuur en het gemeentebestuur, elk voor hun ambtsgebied. "Eenieder kan zich op zijn kosten uittreksels uit het register doen verstrekken".
Deze registers bevatten ondertussen ca. 12.000 monumenten en ca. 2000 stads- en dorpsgezichten.

1 Beschermingsbesluiten en inhoudelijke dossiers

In het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed wordt centraal in Brussel het originele beschermingsbesluit bijgehouden, met handtekening van de minister. Afschriften worden bewaard in de provinciale cellen van het Agentschap (Brugge, Gent, Hasselt, Leuven en Antwerpen). Bij deze administraties kunnen de inhoudelijke dossiers van de beschermingen, de afbakening op kadasterkaart en het beschikbare fotomateriaal op aanvraag geconsulteerd worden. 1

2 Databank beschermd erfgoed

De administratieve gegevens over beschermingsdossiers (eigenaars, kadastrale gegevens, gegevens openbaar onderzoek, koppeling met premies enz.) worden vanaf 1995 bijgehouden op een interne, niet publiek toegankelijke databank 'Melanie'. Een publiek toegankelijk, maar inhoudelijk zeer beperkte databank van het beschermd erfgoed is beschikbaar op de website. In de databank van het beschermd erfgoed vindt u een actueel overzicht van voorlopig en definitief beschermde monumenten, landschappen, stads- en dorpsgezichten en archeologische monumenten en sites in het Vlaams Gewest. De databank kan geografisch, chronologisch en typografisch doorzocht worden. Er is ook een databank die de voorlopige beschermingen bijhoudt. Grote hiaten in deze databank zijn het ontbrekende fotomateriaal, gebrek aan actuele adressen of kadasternummers en het ontbreken van tekstmateriaal. Enkel dossiernummer, procedurele data en een korte typering "naam" van het beschermde object worden meegegeven. Met deze info dient de onderzoeker zich tot de administratie te richten, waar meer informatie uit de interne databank of de papieren dossiers kan opgevraagd worden.

Een private, interactieve website die aan het gebrek aan beeldmateriaal tegemoet tracht te komen, is www.erf-goed.be. Gebruikers worden aangespoord om zelf foto's te nemen van beschermd erfgoed bij hen in de buurt en die te posten op de website. De gebouwen worden ook gegeorefereerd en kunnen via een kaart opgezocht worden:

In mei 2008 is het VIOE gestart met de synchronisatie van de databank van de inventaris van het bouwkundig erfgoed en de databank van de beschermingen. In de databank van de inventaris wordt bij elk opgenomen item aangeduid of dit al dan niet beschermd is. Het nummer van het beschermingsdossier wordt ingevoerd en de link met de online databank beschermingen wordt gemaakt. Tevens wordt nagegaan of er in de databank van de inventaris beschermde monumenten ontbreken, iets wat zeker een feit is voor de zgn. jonge monumenten.

3 GIS-laag beschermd erfgoed

In 2007 werd het project rond het georefereren van het beschermd erfgoed op een aparte GIS-laag afgewerkt. Dit is onontbeerlijk om een efficiënt vergunningsbeleid van de lokale overheden en om een makkelijke dossierbehandeling bij het Agentschap R-O mogelijk te maken. Alle monumenten, stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites werden met polygonen op een kadasterkaart uitgetekend. Dit project werd uitgevoerd in een samenwerking tussen het Agentschap R-O Onroerend Erfgoed en het VIOE. De afgewerkte GIS-laag werd ter beschikking gesteld op de beleidsserver, zodat het Agentschap R-O deze gegegevens kan consulteren. Tot nog toe is deze laag echter nog niet publiek toegankelijk. De laag die via AGIV beschikbaar is, is zeer sterk verouderd.
In veel gemeenten of steden heeft men een eigen, lokale GIS-laag van het beschermd erfgoed ontworpen, omdat de centrale GIS-laag vooralsnog niet publiek toegankelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval in Gent, Antwerpen of Knokke-Heist.

4 Publicatiereeksen van de provinciale besturen

Om te voldoen aan hun plicht om een register van het beschermd erfgoed bij te houden, kozen drie van de vijf provinciebesturen ervoor over te gaan tot een publicatiereeks. In Limburg en Vlaams-Brabant nam men dit initiatief niet. In de drie andere provincies heeft men publicaties gemaakt waarin het materiaal geografisch wordt gepresenteerd in verschillende boekdelen. De beschermingen na het jaar van publicatie worden telkens in jaaroverzichten gepubliceerd. De kwaliteit van deze publicaties is dat ze beeldmateriaal voorzien en dat voor elk object een korte historische schets en een bibliografie bestaat, vaak gebaseerd op het beschermingsdossier. Dit is informatie die elders niet (makkelijk) toegankelijk is.

In Oost-Vlaanderen werd van 1975 tot 1990 een overzicht gemaakt van de beschermingen in het "Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen." 2 3 4 5 6 7 8 9 Deze informatie werd daarna ook gebundeld in drie publicaties, waarbij Oost-Vlaanderen in drie regio's werd gesplitst. 10 11 12 Na die gebundelde publicaties, werd tot in 2005 telkens een register opgenomen in de jaarverslagen van de provincie Oost-Vlaanderen. Voor de beschermingen vanaf 2005 wordt naar een nieuwe publicatie toegewerkt, die evenwel nog moet geconcretiseerd worden.
In West-Vlaanderen bracht het provinciebestuur tussen 2001 en 2005 eveneens een reeks van drie boeken uit met de beschermingen tot dan toe. 13 14 15 Sindsdien zorgt men in het erfgoedtijdschrift 'In de steigers' voor een regelmatig overzicht van de nieuwe beschermingen.
In de provincie Antwerpen bestaat een gelijkaardige reeks, die tussen 1987 en 2001 werd uitgegeven, telkens met de een update van de gegevens. 16 17 18 19 20 Sindsdien worden geen gegevens meer gepubliceerd voor deze provincie.

2.3.2 Publicatiereeks "Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen": inventaris van het bouwkundig erfgoed

Onder minister Frans Van Mechelen startte men in 1965 met een inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, die in heel België met dezelfde criteria en volgens dezelfde methodiek uitgevoerd zou worden. De boekdelen zouden telkens in beide landstalen uitgegeven worden. De publicatiereeks telt ondertussen 55 delen en wordt sinds 2001 verder gezet met aparte geringde bundels per gemeente (de zogenaamde pdf's) waarvan er ondertussen een veertigtal zijn verschenen. Meer dan veertig jaar later, in 2010, werd de laatste Vlaamse gemeente geïnventariseerd door het Agentschap Ruimte en Erfgoed. Sinds 2004 maakt het VIOE een prioriteit van het optimaliseren en actualiseren van de databank van deze inventaris.

1 Ontstaan en evolutie

Dit hoofdstuk is gebaseerd op de bijdrage van Suzanne van Aerschot in het plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 1

In het voorwoord van het eerste boekdeel van de reeks verwijst minister Van Mechelen naar de Europese ministerconferentie van 1969 te Brussel waar "de regeringen voor de eerste maal op één en hetzelfde ogenblik en gemeenschappelijk hun ongerustheid uitten over de bedreiging van de historische monumenten, één van de meest kostbare erfenissen van de Europese cultuurgeschiedenis". 2 Een beschermende overzichtsinventaris moet hiervoor het noodzakelijke basismateriaal aanbrengen. Omdat die bestemd is voor de betrokken overheden - niet alleen monumentencommissies, maar evenzeer stedenbouwkundige en technische diensten - en voor de te sensibiliseren bevolking, lijkt een vernieuwende formule wenselijk, ook in de presentatie. Bedoeling is: "een lijst op te stellen van de gebouwen en groepen van gebouwen, die dienen bewaard te worden, omdat zij een uiterst waardevol cultuurbezit vormen, waarvan het verlies in elk opzicht zeer betreurenswaardig zou zijn; ten tweede: de lezer een beknopte gids verschaffen voor het architecturale patrimonium van onze dorpen en steden; ten derde: een - opzettelijk onvolledig - ontwerp van wetenschappelijke inventaris voorleggen.

Deze drievoudige doelstelling veronderstelt het op punt stellen van een pragmatische methodologie die vatbaar moet zijn voor verdere aanpassingen en verbeteringen. De topografische benadering behoudt het arrondissement als hanteerbaar gebied. Het systematische plaatsbezoek en de kritische visuele vaststelling en ontleding blijven als uitgangspunt fungeren. Wegens het dringende karakter van de operatie blijft het bijkomende onderzoek beperkt en wordt het raadplegen van archiefstukken en de volledige speciale literatuur uitgesloten. Omdat het de bedoeling is minstens het erfgoed op te nemen dat juridisch moest worden beschermd, wegen de toenmalige opvattingen uiteraard door op de keuze van de op te nemen items. De beschermingswaardige gebouwen worden daarbij met een stip aangeduid, de al beschermde monumenten met een asterix. Het aanduiden van items die voor bescherming vatbaar zouden zijn, is ook in het tweede deel van Vlaams-Brabant, in de eerste, in 1976 gepubliceerde delen van Stad Antwerpen en Stad Gent gebruikt, maar nadien afgeschaft op vraag van de verantwoordelijke overheid. De toen nog geldende chronologische limiet bij het begin van de 19de eeuw is bepalend.

Het arrondissement Leuven, voltooid in 1967 met drukproeven in 1969, maar met vertraging gepubliceerd in het Nederlands en in het Frans in 1971, fungeert als pilootstudie. Klassiek in de publicatie in boekvorm is de topografische behandeling waarbij de gemeenten vanzelfsprekend in alfabetische volgorde behandeld worden, met verwijzing van gehuchten en andere plaatsnamen naar de gemeente in kwestie. De interne indeling naar bouwtype, die op internationaal niveau en hier te lande door de KCML werd gevolgd, wordt ook hier, met enige kleine wijzigingen, toegepast. Vernieuwend is de gewild aantrekkelijke publicatie, die bedoeld is om zowel specialisten, geïnteresseerden als het grote publiek te bereiken. De bondige beschrijvingen en de (voor die tijd) talrijke zwart-witfoto’s en plannen in het boekblok dragen hiertoe bij. De naar type en stijl ingekleurde stadsplattegronden en dito arrondissementskaart lokaliseren de aparte gebouwen, ensembles en concentraties, terwijl de kleurenplaten de materialen, vormen en omgeving overtuigend visualiseren. De oplage (tweemaal 5000 exemplaren) leek een waagstuk, maar raakte uitverkocht en werd later aangevuld.

De regionalisatie heeft het nationale plan doorkruist: het deel 2, gewijd aan het arrondissement Nijvel in het huidige Waals-Brabant, is de laatste tweetalige publicatie, verschenen in 1973. De basisprincipes blijven ongewijzigd, maar verbeteringen komen al aan bod, zoals de weliswaar nog bondige algemene inleiding en een eerste geïllustreerd lexicon met de meest gehanteerde vaktermen. De selectie wordt ruimer door de groeiende aandacht voor de documenterende rol van het werk. Wallonië zet zonder onderbreking en nagenoeg volgens dezelfde basisprincipes het onderzoek verder en rondt het in 1998 af met de publicatie van 23 nummers en 36 delen, plus het eerste volume Leuven. Sinds 1997 is in Wallonië een aanvullende herinventarisatie opgestart die vertrekt van globaal terreinwerk en volledig past in de doelstellingen van de duurzame regionale ontwikkeling gedragen door de lokale overheden.

In Vlaanderen is de inventarisatie, naast andere taken, toevertrouwd aan de Rijksdienst voor de Monumenten- en Landschapzorg, opgericht bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1972. Het deel 2n (voor Nederlands en verder aangehouden in de nummering), gewijd aan Vlaams-Brabant, arrondissement Halle-Vilvoorde, verschijnt tijdens het Europees Monumentenjaar 1975, na een soms onderbroken optekeningperiode van 1971 tot 1975. Dit ‘overgangsdeel’ volgt de drievoudige doelstellingen en behoudt nog grotendeels de basisprincipes en het format van de vorige twee delen; het bevestigt hiermee het voortzetten van de opgestarte reeks met behoud van het A5-formaat en de lay-out. De chronologische limiet, die in het decreet volledig achterwege zal worden gelaten, wordt hier overschreden. Met vereisten als kwaliteit en representativiteit krijgt het werk van vooraanstaande 20ste-eeuwse architecten als onder anderen R. Braem, L. Dekoninck en J. Dupuis, een korte vermelding. Ook de merkwaardigste voorbeelden van industriële archeologie worden opgetekend.

In de loop van het Europese Monumentenjaar van 1975 krijgt de inventarisatie een nieuwe impuls, mede dankzij minister Rika De Backer-Van Ocken, bevoegd voor monumentenzorg. Vrijwilligers werken in de eerste fase mee aan een soort van pre-inventaris van het bouwkundig erfgoed van hun gemeente. De talrijke, al dan niet geïllustreerde steekkaarten, brengen heel wat informatie aan die qua omvang, inhoud en kwaliteit zeer uiteenlopend was en meestal objectgericht. Interessant is dat de lokale architectura minor, gaande van herberg, wegkapel, oorlogs- en grafmonumenten tot wegwijzers en grenspalen, meteen bewust wordt voorgedragen. Binnen de Rijksdienst kan het in 1975 aangestelde inventaristeam in zekere mate terugvallen op deze gegevens en de verantwoordelijke plaatselijke comités zo nodig raadplegen voor de te uniformeren verruimde inventarisatie. De bestaande drievoudige doelstelling wordt hiervoor behouden. De evolutie van de begrippen ‘monumenten’ en ‘stads- en dorpsgezichten’, zoals gedefinieerd in het toekomstige decreet van 1976 vergt een aanpassing van de methodologie. Het wegvallen van een chronologische limiet verbreedt het onderzoek in de tijd. Door het behandelen van de ensembles en de historisch-geografische en stedenbouwkundige context wordt meer aandacht besteed aan de ruimtelijke dimensie. Anderzijds veronderstellen de in het decreet vermelde "artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieelarcheologische en andere sociaal-culturele waarden" een typologische uitbreiding, o.m. afgestemd op de specifieke (her)ontdekte architectura minor en het industriële erfgoed die in de algemene topografische context zijn opgenomen.
In de praktijk monden deze nieuwe invalshoeken uit in een gefaseerde en doelgerichte aanpak: vooronderzoek met raadpleging van literatuur, kaartmateriaal enz., analytisch veldwerk met gebruik van typesteekkaarten en fotografie, bijkomend onderzoek o.m. met waar mogelijk raadpleging van bouwaanvragen en ander beschikbaar plan- en historisch kaartmateriaal, ‘nuttige’ archivalia enz. De teksten, opgevat als kritische synthese van het geheel, vormen de voorlopige eindfase en worden in de publicatie afgeleverd als aanzet voor verdere wetenschappelijke uitdieping.

Deze contextuele aanpak introduceert straatbeelden en inleidingen bij de gemeenten en het hele studiegebied met aandacht voor de historisch-geografische, stedenbouwkundige en architecturale aspecten. Na de fusies van de gemeenten in 1977 is de alfabetische volgorde veranderd: eerst wordt de samenstelling van het hele gebied vermeld en in kaart gebracht. Nadien komen achtereenvolgens de spilgemeente en de alfabetisch geordende deelgemeenten met hun eigen actuele plattegrond die soms ter vergelijking wordt vergezeld door een uittreksel uit een historische kaart. Gehuchten worden, met de nodige verwijzingen, nog apart behandeld voor zover ze nog duidelijke entiteiten vormen. In het voorwerk komt een alfabetische lijst van de spilgemeenten met hun deelgemeenten, telkens gevolgd door de aanduiding van de beginpagina in het boek. Een aanvullende lijst brengt een volledige opsomming in alfabetische volgorde van zowel de spil- als deelgemeenten en dit telkens met een gelijksoortige verwijzing. Bepalende gebouwen worden niet meer typologisch voorgesteld, maar wel ondergebracht in hun straat of plein om hun lokalisatie en samenhang met de rest van de bebouwing aan te tonen. Ze worden na de bibliografie bij de gemeente-inleiding opgesomd met verwijzing naar de pagina waarop ze worden voorgesteld. Per item, dat historisch gesitueerd wordt en systematisch beschreven komen ten slotte ook de referenties aan de geraadpleegde bronnen. Voor grote historische steden als Antwerpen, Gent en Brugge is ter wille van de samenhang een andere aanpak uitgewerkt. Rekening houdend met hun historisch-stedenbouwkundige groei komt eerst de oudste in het stadsweefsel nog herkenbare kern aan de beurt, nadien de opeenvolgende stadsuitbreidingen.

Aanvankelijk blijft het arrondissement het studiegebied voor onderzoek en uitgave, wat leidt tot bijvoorbeeld drie in alfabetische volgorde der gemeenten gesplitste delen voor het arrondissement Antwerpen (1985). Vanaf 1987-1988 wordt, om praktische redenen en zorg om samenhang, overgeschakeld op een kanton of groep van aanverwante kantons, uitgebracht in aparte delen. De hoofdbekommernis blijft het streven naar een overzicht en vergelijkingsmogelijkheden voor een gebied dat de gemeentegrenzen overschrijdt. De algemene inleidingen blijven het verband aanduiden tussen bouwkundig erfgoed en de geografische, landschappelijke en historische en stedenbouwkundige omgeving en haar evolutie en belichten het typerende streekeigen bouwen met zoals gebruikelijk een verwijzing naar de goed bewaarde voorbeelden en hun afbeelding in het boekblok. De uitgebreide documentatie blijft gestoffeerd met grond- en situatieplannen, doorsneden, een representatieve selectie van zwart-wit foto’s, ook van bouwaanvragen- en kleurenopnamen. Sinds 1976 vult een fotoregister met alle opgetekende items het geheel aan in het nawerk. Tot 1985 telt het register 20 kleine foto’s per pagina; nadien wordt, voor een meer duidelijke identificatie dit aantal herleid tot 12 ietwat grotere opnamen.

De Engelse samenvatting van het Woord Vooraf en de Algemene Inleiding komt sinds 1979, in een periode van nieuw internationaal onderzoek en overleg, tegemoet aan de buitenlandse belangstelling voor deze vorm van inventaris in maatwerk die het midden begint te houden tussen de ‘snelle, voorlopige’ en de ‘wetenschappelijke’ inventaris.

Inventarisatie is duidelijk een dynamisch proces dat niet enkel onderhevig is aan de evoluerende interpretatie van het bouwkundig erfgoed, maar dat het ook in zekere zin mee bepaalt. Een inventarisatie heeft immers naast een vaststellende functie een ontdekkende functie. Gaandeweg werden naargelang het studiegebied niet enkel wederopbouwarchitectuur, kust- en interbellumarchitectuur en recenter werk, maar ook militair en funerair erfgoed en voor zover mogelijk, privé-interieurs onderzocht. Deze nieuwe invalshoeken nuanceren en verzwaren uiteraard het veldwerk, het bijkomende onderzoek en de publicaties. Contacten met lokale kringen en specialisten en het groeiende aantal publicaties ter zake hebben samen met de steeds grotere nood aan precieze informatie in de loop der jaren de overzichtsinventaris opgetild tot een intermediair niveau dat zowel binnen als buiten de administratie tegemoet komt aan de gestelde vereisten.

Inventarisatie wordt doorgaans bestempeld als een werk van lange adem. Van 1975 tot heden zijn in de reeks 19 nummers en 55 volumes verschenen (plus één ouder deel voor het arrondissement Leuven en één voor het arrondissement Nijvel). Daarbij werden de provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant volledig gepubliceerd. In Oost- en West-Vlaanderen blijven een paar onafgewerkte gemeenten over wanneer in ca. 2000 beslist wordt de publicatiereeks stop te zetten. De delen van Antwerpen en Limburg die toen in voorbereiding waren, worden nog gepubliceerd.

Gemeenten per boekdeel in de reeks ‘Bouwen door de Eeuwen heen’Fig. 1: Gemeenten per boekdeel in de reeks ‘Bouwen door de Eeuwen heen’.

2 Heroriëntering

Vanaf eind 2000 is een heroriëntering in het inventarisatieproces opgetreden. Door de toen opgedreven beschermingspolitiek moest versneld gewerkt kunnen worden. Voor de nog te inventariseren gemeenten in Oost- en West-Vlaanderen koos men ervoor geen tijd meer te spenderen aan de publicatie in boekvorm en om de inventarisatie enkel via de databank te ontsluiten, zie ook hoofdstuk Databank van de inventaris bouwkundig erfgoed. In West-Vlaanderen werd ervoor gekozen om de digitale gegevens ook per gemeente in een geringde A4-bundel uit te brengen. Een andere belangrijke wijziging van lay-out is dat de foto naast de tekst van het gebouw kwam te staan, wat het gebruiksgemak van de inventaris verhoogde. 
De opzet van de teksten en methodologie van de inventaris werd echter behouden. Dit concept werd overgenomen door Vlaams-Brabant, waar men in 2000 de rand rond Brussel begon te herinventariseren.

3 Kwaliteiten en knelpunten van Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen

De inventaris ‘Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur’ is binnen de monumentenzorgsector steeds een belangrijk werkinstrument geweest. Het is immers het enige overzicht van het waardevolle bouwkundige erfgoed dat voor Vlaanderen zo goed als gebiedsdekkend is en dat alle typologieën, stijlen en bouwperiodes in achting tracht te nemen. Daardoor vormt het al tientallen jaren het uitgangspunt voor het beschermingsbeleid van de Vlaamse overheid. De inventaris is verder een hulpmiddel voor het gemeentelijke beleid betreffende het architecturale patrimonium; daarnaast vormt het een gids voor de architectuur in de streek en ten slotte een uitstekend uitgangspunt voor dieper wetenschappelijk onderzoek.
Tijdens de negende VCM-ontmoetingsdag omtrent niet-beschermd waardevol erfgoed in 2002 is opnieuw vanuit alle actoren en gebruikers onderstreept dat de inventaris een belangrijk hulpmiddel is voor het gemeentelijk beleid en dat de inventaris de basis moet vormen voor een gemeentelijk reflecteren over het bouwkundig erfgoed. 3

Weinig bekend zijn de zeer uitgebreide, gedetailleerde fotoarchieven die opgebouwd zijn door de inventaristeams in de verschillende provincies. Dit fotomateriaal is nog nergens gedigitaliseerd, maar is na afspraak ter plaatse bij de bevoegde administraties te consulteren. 4
Het gaat om tienduizenden foto's die genomen werden tijdens het veldwerk voor de reeks Bouwen door de Eeuwen heen. Bij elk gebouw dat opgenomen werd in de inventaris, werd vanaf het derde boekdeel (dus niet voor Vlaams-Brabant) achter in het boek een afbeelding opgenomen, jammer genoeg in heel klein formaat en zwart-wit. Al deze foto's, en nog veel meer nooit gepubliceerde exemplaren, werden bewaard. In West-Vlaanderen is daarvoor een apart, geografische geklasseerd fotoarchief uitgebouwd. In de andere provincies worden de foto's bewaard in het archief van de inventaris, samen met de veldwerkfiches en de verzamelde literatuur- en archiefgegevens.

Er zijn wel een aantal knelpunten binnen deze reeks, die eigen zijn aan een dergelijk grootschalig, langlopend inventarisatieproject.

Zo is er de steeds aangehouden opdeling van de in arrondissementen en kantons. Samen met de bijkomende problematiek van de fusies in de jaren 1970 zorgt deze opdeling ervoor dat het zoeken van een bepaalde gemeente in de zeer uitgebreide reeks niet altijd eenvoudig is. Het VIOE kon in 2007 de gegevens van mevrouw Yvonne De Maeyer gebruiken om een plaatsnamenregister op de volledige reeks Bouwen door de Eeuwen heen uit te geven. Daarin wordt voor elke hoofdgemeente, deelgemeente en elk gehucht dat opgenomen is in de reeks, een aanduiding gegeven van het juiste boekdeel. 5

Een tweede, en veel belangrijker knelpunt, vloeit voort uit de lange historiek van de reeks. Op veertig jaar tijd zijn de principes en selectiecriteria enorm geëvolueerd, waardoor er grote verschillen bestaan tussen de oudste en de nieuwere delen. Terwijl voor de eerste twee boekdelen de gebouwen ouder moesten zijn dan ca. 1850, geldt voor de latere delen geen tijdslimiet meer. Ook nieuwere typologieën als industrieel erfgoed en eenvoudige woningen worden maar gaandeweg in de reeks opgenomen. Voor de oudste delen ontbreekt eveneens het onderzoek van archief- en literatuurgegevens en wordt het per provincie sowieso anders aangepakt.
Een algemeen probleem ten slotte is dat de adressen van de opgenomen gebouwen nooit werden geactualiseerd, waardoor een groot percentage van de adressen op dit moment niet meer klopt. Ook kon niet bijgehouden worden welke gebouwen verbouwd of gesloopt werden, een aspect dat onontbeerlijk is met betrekking tot een erfgoedbeleid. Het VIOE werkte deze problematiek ondertussen weg met een groot actualisatieproject, dat liep van 2006 tot oktober 2008.

De grootste problemen gelden vanzelfsprekend voor de oudste twee delen, die de provincie Vlaams-Brabant omvatten. Deze boekdelen zijn van zeer groot belang, omdat ze het pionierswerk in de inventarisatie bevatten en omdat ze de methodologie hebben ontwikkeld en toegepast. Het gebrek aan fotomateriaal voor elk gebouw, het ontbreken van een bibliografie en van archiefonderzoek, de opgelegde tijdslimiet van 1850 en het ontbreken van nieuwere typologieën zoals industrieel erfgoed en architectura minor maakt een herinventarisatie van dit gebied echter broodnodig. In 2000 is men dan ook begonnen met de herinventarisatie van de provincie, een project dat tot nog toe voor vier gemeenten gegevens opleverde die publiek toegankelijk zijn. Deze inventarisdelen zijn niet meer te koop. Een oplossing voor het deel van Leuven is de in opdracht van de Heemkundige kring "Oost-Brabant, Hagelandse geschied- en heemkundige kring" volledig gedigitaliseerde en online beschikbare versie, inclusief alle afbeeldingen.

2.3.3 Databank van de inventaris bouwkundig erfgoed

In het midden van de jaren 1990 nam de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap het initiatief om de inventarisgegevens uit de reeks Bouwen door de Eeuwen heen te ontsluiten via een databank, die via de website publiek toegankelijk moest worden. De databank zou een identieke weergave vormen van de publicatiereeks: de teksten werden exhaustief ingescand. De gemeente-inleidingen en opgenomen ensembles werden in de databank “Cultuurhistorische ensembles” ondergebracht, de straatinleiding in een tweede databank “Straten” en ten slotte de apart opgenomen gebouwen in een derde databank “Gebouwen”.

De inventarisatie van bouwkundig erfgoed wordt vanaf 2003 één van de kerntaken van het nieuw opgerichte Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE). In samenspraak met het agentschap R-O, werkt het VIOE aan het beheer en de optimalisatie van de databank terwijl R-O de geografische inventarisatie in Oost- en West-Vlaanderen afwerkt.

1 Knelpunten van de inventarisdatabank

De databank bevat alle gegevens van de publicatiereeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. De belangrijkste kwaliteit van deze databank is de toegankelijkheid via internet. Op dit moment staat de databank op de website van het VIOE. In de databank wordt voor elk gebouw een veld met adresgegevens en een tekst- en een fotoveld voorzien.

Een meerwaarde aan de databankstructuur is dat er gemakkelijk gezocht kan worden via het zoekformulier. Dit is geografisch opgevat en bevat tevens de mogelijkheid om een vrije zoekterm in te vullen, dat in alle beschikbare teksten zal gezocht worden. Knelpunten hierbij zijn de sterk verouderde adresgegevens en het ontbreken van de mogelijkheid om typologisch te zoeken. Het probleem van de verouderde adressen wordt op dit moment opgelost door een grootschalig actualisatieproject van alle adres- en statusgegevens (gesloopt/bewaard). Deze actualisatie is een vereiste om de officiële vaststelling van de inventaris mogelijk te maken, zodat deze effectief als beleidsinstrument kan worden gebruikt. Dit is onder meer noodzakelijk om de uitvoering mogelijk te maken van een aantal bepalingen in de wetgeving van het beleidsdomein ruimtelijke planning.

Tegelijkertijd wordt door het VIOE intensief gewerkt aan de opmaak van thematisch-typologische zoekmogelijkheden. Er worden drie thesauri gekoppeld aan alle inventarisitems: een typologische thesaurus, een thesaurus met bouwstijlen en een thesaurus met bouwperiodes. Daarnaast is er een zoeklijst met architectennamen. Deze informatie zal pas te consulteren zijn begin 2009, wanneer de vernieuwde databank wordt gelanceerd.

Een direct gevolg van het letterlijk inscannen van de teksten uit de boeken is de beperkte leesbaarheid in de databank van sommige bibliografische nota's die bij de gebouwen horen.
In de boekdelen werd gewerkt met de verwijzing "o.c.", voor de al eerder genoemde werken. Omdat alle teksten in de databank uit hun boekverband zijn gerukt, kan de databankgebruiker niet te weten komen over welk boek het gaat. Dit zal in 2009 handmatig opgelost worden door inventarismedewerkers van het VIOE.

Bij elke tekst in de databank werd een fotoveld voorzien. Tot nog toe zijn er echter zeer weinig foto's voorzien op de databank. Vanaf 2000 worden voor de inventarissen van West-Vlaanderen, die in gemeentebundels uitgegeven worden, digitale foto's geleverd. Dit geldt ook voor de vier opnieuw geïnventariseerde Vlaams-Brabantse gemeenten. In het kader van de actualisatie begon het VIOE met een inhaalbeweging: op die manier kon de volledige provincie Vlaams-Brabant al van foto's worden voorzien (dit was een lacune in de boekenreeks). Ook het historische centrum van Antwerpen kreeg fotomateriaal. Ondertussen zijn digitale foto's van een deel van Mechelen, een deel van de fusie van Antwerpen en een deel van Gent gemaakt. Wij kregen voor Nevele ook een groot pakket fotomateriaal van de vzw Wende. Al die foto's zullen in 2009 in de nieuwe databankstructuur gekoppeld worden.

In de boeken van Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen werd beschermd erfgoed telkens met een asterix aangeduid. Deze aanduiding werd in de databank jammer genoeg niet voorzien. Het VIOE werkt momenteel wel aan de volledige synchronisatie tussen de databank van de beschermingen en van de inventaris: bij elk item in de inventaris wordt opgezocht in welk beschermingsdossier het eventueel vervat is. Beschermde monumenten die niet in de inventaris zijn opgenomen, worden aan de databank toegevoegd. Dit is onder meer het geval voor recente architectuur of voor eind-19de-eeuwse gebouwen in Vlaams-Brabant. Dit is meteen de eerste realisatie binnen het project om de inventarisdatabank te linken met externe databanken.

2 GIS-laag inventaris bouwkundig erfgoed in functie van beleid niet-beschermd bouwkundig erfgoed

Alle gebouwen in de inventarisdatabank worden gegeorefereerd op een aparte GIS-puntenlaag. Er werd gekozen voor een puntenlaag (en niet voor polygonen), omdat het niet haalbaar is om voor 70.000 gebouwen de precieze afbakening op te zoeken en in te tekenen. In de attributentabel wordt het unieke objectidentificatienummer uit de databank GIS-laag gebruikt, aangevuld met de naam van het object en de verwijzing naar het adres-ID in de Melanie GIS-databank. De Melanie GIS-databank is intern in het VIOE ontwikkeld om zoveel mogelijk geactualiseerde adressen via CRAB automatisch in te tekenen op de GIS-laag. Gebouwen met een onvolledig adres (bijv. zonder huisnummer, denk aan kerken) worden manueel ingetekend.
Belangrijk aan deze GIS-laag is dat de informatie visueel op kaart wordt weergeven, wat ideaal is voor gebruik van het materiaal in het kader van het ruimtelijke ordeningbeleid dat onroerend erfgoed integreert. De beschikbare informatie van deze GIS-laag in opbouw kan op aanvraag verkregen worden bij het VIOE en zal na afwerking van de laag via de nieuwe portaalsite beschikbaar worden gesteld.

2.3.4 Externe, geografisch aangepakte inventarissen

Ook provinciale en gemeentelijke overheden werken vaak intensief aan inventarisprojecten. Meestal gebeurt dit rond een bepaald thema binnen een geografische afbakening.

Hieronder volgt een (niet-exhaustief) overzicht van bestaande, lokale inventarisprojecten die van een geografische afbakening vertrekken en die daarbinnen een overzicht bieden van alle waardevolle bouwkundige erfgoed. Een belangrijke bron van informatie voor het opstellen van deze lijst was het verslagboek van de VCM-ontmoetingsdag rond niet-beschermd bouwkundig erfgoed 1.

1 Provincies

Het grootschalige databankproject 'ErfgoedLimburg.be' is een van de meest opvallende inventarisatieprojecten van de laatste jaren. De provincie Limburg tracht de verschillende inventarissen van het onroerende, roerende en immateriële erfgoed betreffende de provincie te centraliseren in een nieuw daarvoor ontwikkelde, aan de Art and Architecture Thesaurus (AAT) gekoppelde inventarisdatabank. Momenteel is men bezig met de inventarissen van de musea. Er wordt samengewerkt met de provincies Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. Op dit moment komt het onroerend erfgoed nog niet aan bod. Het VIOE wordt op de hoogte gehouden, zodat een samenwerking onmiddellijk kan opgestart worden wanneer de centralisatie van inventarisgegevens van onroerend erfgoed opgestart wordt.

De provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen geven erfgoed- en cultuurgidsen uit, waarin regelmatig publicaties worden gemaakt die zich baseren op het inventariseren van een deel van het bouwkundig patrimonium. 2 3 4 5

2 Steden en gemeenten

Het verslagboek van VCM geeft een overzicht van alle gemeentelijke initiatieven omtrent niet-beschermd bouwkundig erfgoed, waaronder talrijke inventarisatieprojecten. 6

In het kader van de actualisatie van inventarisgegevens van Bouwen door de Eeuwen heen kwam voor de steden Gent, Antwerpen, Mechelen en Kortrijk op een spontane manier een samenwerking met het VIOE tot stand. Door hun gedetailleerde kennis van de bestaande inventarisgegevens kon het VIOE heel goed helpen bij het opzoeken van juiste adressen of statussen. Tevens werden afspraken gemaakt rond de inhoudelijke aanvulling van de bestaande gegevens. Antwerpen en Gent hebben bijvoorbeeld gespecialiseerde ambtenaren in dienst die in de nabije toekomst eigen inventarisprojecten zullen opstarten die onmiddellijk naar de inventarisdatabank van het VIOE kunnen terugvloeien, zodat de juridische vaststelling van deze panden mogelijk gemaakt wordt.

De West-Vlaamse gemeente Zedelgem (nog niet opgenomen in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen) maakte zelf een lijst met waardevol niet-beschermd bouwkundig erfgoed in de gemeente en stelde die in Word-formaat ter beschikking aan het VIOE .
Een schitterend initiatief is de inventaris van het bouwkundig erfgoed die Sarah Willems in 2004-2006 in opdracht van de gemeente Koksijde maakte. In het kader van het "Cultuurbeleidsplan Koksijde 2003-2007" stelde het gemeentebestuur de kunsthistorica aan voor de aanvulling van de bestaande inventarisgegevens met nieuw materiaal. Koksijde werd in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in boekdeel 8n opgenomen, een publicatie die dateert van 1982. De uitgebreide, systematische herinventarisatie door Sarah Willems, bestaande uit veldwerkfiches, archiefmateriaal en foto's van alle interessante gebouwen in de gemeente, wordt door de gemeente digitaal bewaard . Deze databank zal de basis vormen van een lokaal beleid rond bouwkundig erfgoed en wordt in functie van de opmaak van Gemeentelijke Ruimtelijke Uitvoeringsplannen digitaal in kaart gebracht. Ter gelegenheid van Open Monumentendag 2006 verscheen tevens een boek onder de titel "Koksijde, een bewogen architectuurgeschiedenis." 7 Het boek is opgevat als een chronologisch overzicht van de architectuurgeschiedenis van Koksijde. Het bevat een ruime selectie van de waardevolle gebouwen in Koksijde, gebaseerd op de informatie uit het inventarisproject. Het is een toegankelijke publicatie, die de geschiedenis van de oorspronkelijke kerkdorpen Koksijde, Oostduinkerke en Wulpen en hun uitbouw tot bloeiende badplaatsen toelicht aan de hand van honderden foto's, prentkaarten en plannetjes. Daarbij ligt de nadruk vooral op de talrijke vakantiewoningen die de gemeente rijk is. Naast de goed uitgewerkte architectuurhistorische informatie biedt het boek verhalen en anekdotes van bewoners of omwonenden, dit om tegemoet te komen aan de wens van het gemeentebestuur om de publicatie voor een ruim publiek aantrekkelijk te maken.

Voor de stad Brugge is een ontzettend interessante en vooruitstrevende website huizenonderzoek voorhanden. Deze site behandelt de stad Brugge en biedt een inventaris beschermde monumenten, een inventaris van standbeelden en beeldhouwwerken en van cinemazalen. Er kan gezocht worden op kaart (tot perceelsniveau) en op adres. Interessant is dat naast de tekstuele informatiefiche voor heel wat percelen de link bestaat met hetzelfde perceel op historisch kaartmateriaal. Dit is een zeer sterke benadering naar wetenschappelijk onderzoek toe.

In de provincie Antwerpen maakten verschillende gemeenten een inventarisatie van het bouwkundig erfgoed uit in functie van het vergunningsbeleid: Niel gaf opdracht aan een studiebureau om dit uit te voeren (in functie van BPA/RUP), de gemeente Schoten inventariseerde de villawijken Schotenhof en Koningshof, Ranst besteedde de herinventarisatie van Bouwen door de Eeuwen heen uit. In Oud-Deurne werd een inventaris opgemaakt waar o.m. interessante noodwoningen aan het licht kwamen. De Stad Antwerpen gaf opdracht tot inventarisatie van de wijk Sint-Mariaburg (Ekeren) in functie van een RUP. 8 Hetzelfde zal gebeuren voor (een deel van) de binnenstad.

Het Sint-Lukasarchief maakte herinventarisaties van de reeks Bouwen door de Eeuwen heen voor Wemmel, Heuvelland, Halle en Kortenberg. Voor Knokke-Heist maakte het archief een "inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in de villawijk Prins Karellaan te Knokke-Zoute." (Knokke was toen nog niet geïnventariseerd binnen de Bouwen-reeks) 9
Verschillende gemeenten of hun heemkundige kringen maakten werk van het inventariseren van 19de- en 20ste-eeuws bouwkundig erfgoed binnen hun gemeente. Voorbeelden zijn Kalmthout, Brasschaat, Deurne, Mortsel, Nijlen, Wilrijk, Nieuwpoort, De Panne. Deze gegevens werden uitgewerkt in wandelgidsen of publicaties bij Roularta. 10 11 12 13 14

Geert Vanthuyne (Gemeente De Panne) werkt aan een doctoraatsverhandeling omtrent architectuur aan de Westkust. Voorlopig is deze informatie nog niet beschikbaar.
De dienst Monumentenzorg van de stad Mechelen is zeer actief op het vlak van inventarisatie. Samen met "Restauratie en integratie in Mechelen" (RIM) werkten ze wandelingen uit rond historisch erfgoed in de stad.
In Tielt, Torhout en Beernem had men in de gemeente voor het verschijnen van de gegevens van Bouwen door de Eeuwen Heen een eigen inventaris ter beschikking, die verwerkt is in Bouwen.

3 Heemkundige kringen15

De heemkundige kring van de Antwerpse polder vzw en de vzw Poldermuseum Lillo-Fort stelden een brochure samen onder de titel wandelen in Lillo-Fort en het Poldermuseum met aandacht voor het beschermd en niet-beschermd waardevol erfgoed in Lillo-Fort.

Heemkundige Kring De Vlierbes maakte in september 2001 een lijst van niet-beschermde waardevolle gebouwen in Beerse en Vlimmeren ( Antwerpen). Deze lijst was gebaseerd op Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen en vulde de gegevens daarvan aan.
De gemeente Zonhoven (Limburg) besteedt aandacht aan niet-beschermd waardevol erfgoed door de uitgave van de Kleine Gids voor Zonhoven, waarin een overzicht geboden wordt van beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen, van waardevolle gebouwen, gedenktekens, kunstwerken, enz. Alle gebouwen uit deze gids kregen een herkenningsteken.

De heemkundige kring van Mortsel geeft in hun tijdschrift regelmatig overzichten van landhuizen, villa's en herbergen. Ze werken al twintig jaar rond deze thema's.

4 Kwaliteiten en knelpunten

Een absoluut voordeel van een lokaal opgevatte inventaris is de grote kennis van het eigen erfgoed. Daardoor wordt veel vaker het historische of socio-culturele belang van het erfgoed duidelijk.
Een minpunt van deze projecten is de vaak beperkte ontsluiting. De publicaties zijn vaak enkel lokaal gekend en beschikbaar. Slechts in enkele gevallen biedt een website een publieke databank aan. Een duidelijk voorbeeld is de zeer uitgebreide reeks brochures die opgemaakt werd voor de verschillende Open Monumentendagen. Daar staat vaak nieuwe onderzoeksinformatie in die nergens anders gepubliceerd werd. Deze brochures zijn echter vaak enkel in de lokale bibliotheken beschikbaar en worden dus niet genoeg gebruikt.

2.4 Beeldbanken

2.4 Beeldbanken

Een type inventarissen dat heel vaak geografisch werkt, zijn de beeldbanken. Door de websitevorm zijn de gegevens voor elke onderzoeker toegankelijk. Talrijke lokale overheden, wetenschappelijke instellingen of erfgoedverenigingen bezitten een enorme schat aan iconografisch beeldmateriaal, dat recent werd gedigitaliseerd en beschikbaar gesteld via een beeldbank. Dit materiaal is bij de opmaak van nieuwe inventarissen zeer interessant als basis. De beeldbank van het VIOE is een recent voorbeeld. Een overzicht van deze beeldbanken wordt gemaakt door het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed (faro). Onder digitale collecties krijg je een overzicht van de bestaande beeldbanken en interessante links.

Belangrijke initiatieven rond digitaliseren van waardevol beeldmateriaal werden ontwikkeld door de Universiteitsbibliotheek Gent:

  • "recollecting landscapes": deze website herbergt een fotocollectie van huizen en gebouwen in gans België. De foto’s dateren van rond 1900 en ze werden ooit door het KIK (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium) aan UGent geschonken waar ze nu een nieuw leven krijgen. De collectie is toegankelijk via een kaartje van België en via namen of postnummers van gemeenten.
  • de digitalisering van de topografische collectie van de Universiteit Gent. Met meer dan 40.000 historische postkaarten, foto's, knipsels en gravures van steden, gebouwen, landschappen, monumenten en kunstwerken in België uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw biedt de topografische collectie een unieke blik op het culturele bouwpatrimonium van België.

Een steeds wisselende, virtuele verzameling postkaarten kan worden geconsulteerd op deze commerciële veilingsite. Het gaat hier niet om een beeldbank, maar om een tijdelijke collectie, die beschikbaar is zolang deze te koop wordt aangeboden.

Talrijke heemkundige kringen bezitten uitgebreide postkaarten- en fotocollecties.

  • Een voorbeeld is Turninum Volksmuseum Deurne vzw, dat een collectie van ca. 10.000 foto's en postkaarten verzamelde over Deurne. Ze willen dit uitbouwen als deel van een documentatiecentrum. De papieren collectie is geordend per onderwerp en bevat krantenartikels, nota's, plans, foto's (analoog en digitaal). De collectie is ter plaatse te raadplegen (Koraalplaats 2, Deurne – contact: F. Van Visschel). De digitalisering van de collectie is al voor een derde gerealiseerd.
  • De provincie Antwerpen werkte een belangrijke publicatie uit die dergelijke collecties met beeldmateriaal of beeldbanken in het bezit van erfgoedhouders aan het licht kan brengen: repertorium van lokale erfgoedhouders in de provincie Antwerpen, waarbij de collecties van de verenigingen opgesomd en toegelicht worden. 1

2.5 Thematisch - typologisch inventariseren

2.5 Thematisch-typologisch inventariseren

2.5.1 Gebouwd Erfgoed

2.5.1 Gebouwd erfgoed

2.5.1.1 Religieus erfgoed

1 Kerken en kloosters

Kerken en kloosters behoren tot het belangrijkste historische bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Van bij het begin van de inventarisatie werd veel aandacht besteed aan dit type gebouw binnen de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. Knelpunt van deze reeks is evenwel het niet gebiedsdekkend aanwezig zijn van alle 19de- en 20ste-eeuwse kerken. Deels omdat de eerste inventarissen een tijdslimiet van ca. 1850 oplegden, deels omdat de appreciatie van neostijlen en hedendaagse architectuur binnen de kerkenbouw sterk geëvolueerd is doorheen de tijd. Om deze hiaten op te lossen werden twee onderzoeksopdrachten uitgeschreven door de Vlaamse overheid

  • "Kerken in neostijlen" was een opdracht die in 2001-2003 door het Kadoc werd uitgevoerd in opdracht van de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen. Thomas Coomans kreeg de opdracht een overzicht te maken van de parochiekerken in neostijlen in Vlaanderen en bijkomend om een methodologie voor selectie te maken wat beschermingen betreft. De gegevens werden in boekvorm gepubliceerd 1 en in een accessdatabank gegoten, die bij het VIOE beschikbaar is. 2 De inventaris bevat een methodologie voor selectie van dit zeer talrijk aanwezige, maar weinig gekende erfgoed (1479 items). Een knelpunt is de onvolledigheid van de databank. Deze wordt niet systematisch, maar enkel naar aanleiding van beschermingsdossiers aangevuld. Er is weinig tekstinformatie beschikbaar; niet aan alle items werd een plaatsbezoek gebracht. Er is geen fotomateriaal voorhanden en de beleidsoptie is niet telkens ingevuld.
  • Het VIOE besteedt in 2008 een opdracht uit aan het Kadoc voor de inventarisatie van kerken en kloosters van 1914 tot 2000. Dit project is in juni 2008 opgestart in nauw overleg met de inventariscel van het VIOE. Het is de bedoeling om de bestaande VIOE-inventarisdatabank zo efficiënt mogelijk aan te vullen door uitwisseling van gegevens. Tevens moet een selectie gemaakt worden wat de beschermingsdossiers betreft. De nauwe samenwerking met het inventaristeam en de zeer ruime en gespecialiseerde wetenschappelijke begeleiding maakt dit project zeer beloftevol.

Een aantal belangrijke, klassieke publicaties richten zich op kerken en gebruiken vooral een opdeling per stijl. Zo zijn er overzichtswerken van bijvoorbeeld Romaanse kerken in een bepaalde streek, onder meer 3, of gotische architectuur enz. Deze werken kunnen als inventarissen worden gezien en bevatten vaak zeer bruikbare, wetenschappelijke informatie. Een opdeling per typologie komt ook voor bijvoorbeeld "kathedralen en kapittelkerken in België" van Delmelle 4. Omdat deze werken meer als monografieën van een bepaalde stijl of typologie opgevat werden met een inventarisatie als wetenschappelijke basis, bespreken we deze werken hier maar heel summier. In het hoofdstuk architectuurgeschiedenis van de onderzoekbalans, wordt per periode een overzicht gegeven van de belangrijkste basiswerken.

2 Kruisen en kapellen

De inventarissen van Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen besteden van bij de start van de reeks aandacht aan dit type klein religieus erfgoed. De kruisen en kapellen met voldoende erfgoedwaarde worden als apart item opgenomen. Andere worden vaak in de straatinleiding vermeld.

Kruisen en kapellen vormen een populair onderwerp bij talrijke erfgoedverenigingen, heemkundige kringen en lokale overheden. Er werden voor heel wat gemeenten inventarissen, wandel- en fietsgidsen gemaakt rond dit religieus erfgoed. De lijst met publicaties omtrent inventarisprojecten van kapellen is schier eindeloos. De inventarismedewerkers van Bouwen door de Eeuwen heen consulteren de plaatselijke werken zoveel mogelijk, de bibliografische referenties zijn grotendeels in Bouwen verzameld en werden zoveel mogelijk opgenomen in de bilbiografie van de onderzoeksbalans. De informatie die in deze inventarissen werd verzameld, bevat vaak de ontstaansgeschiedenis en belicht ook immateriële, devotionele facetten. Architectuurhistorische informatie is vaak minder prioritair. Meerdere eindverhandelingen nemen de inventarisatie van kapellen als uitgangspunt en werken de gegevens bouw- en kunsthistorisch verder uit.

Op de website van FARO is een pdf te downloaden van een tekst van Henri Vannoppen uit 2002 waarin een mooie stand van zaken, gekoppeld aan een uitgebreide bibliografie betreffende omgaan met kapellen als erfgoed wordt gegeven. Hierbij een samenvatting uit deze nota:
Jan Van den Broeck schreef een reeks artikelen Langs de kapellen van Antwerpen in het driemaandelijkse tijdschrift van het Verbond voor Heemkunde, Gouw Antwerpen.5 In Oost-Vlaanderen maakte Lut Bavay in 1981 haar licentiaatverhandeling over Kapellen en Kruisen te Mere. 6 Die werd in 1982 door de Heemkundige Kring van Erpe-Mere uitgegeven. A. Van Oostveldt maakte een inventaris op van de kapellen in Vlaams-Brabant in drie boeken: Het Hageland aan Maria 7, Het Pajottenland aan Maria 8 en Midden-Brabant aan Maria. 9 In 1974 begon Eigen Schoon en De Brabander met een actie rond kapellen en kruisen. Men wou zoveel mogelijk foto’s verzamelen rond de devotieoorden. Valeer Wouters maakte een boek rond Hageland en Vlaams-Brabants Haspengouw. 10 A. Roeck vulde dit aan met het artikel 'Kerken en kapellen in Midden-Brabant anno 1999', dat verscheen in Volkskunde. 11 Ook in Aarschot werden de kapelletjes geïnventariseerd. 12 De heemkundige kring Andreas Masius publiceerde in 1983 het boek Kapellen en Kruisen te Lennik. De Stichting Monumenten- en Landschapszorg, de ABB-Verzekeringen, de Landelijke Gilden en VTB-VAB kwamen in 1993 met het project De Kapelletjesbaan naar voren en dit op initiatief van Luc Devliegher. De bedoeling was de kapel op te waarderen als sociaal verankerd lokaal cultuurhistorisch erfgoed. Deze tijdelijke actie duurde tot 1997. Ca. 8000 kapelletjes werden door vrijwilligers geïnventariseerd, 43 dossiers voor restauraties werden goedgekeurd. In Vlaams-Brabant was er het project 'Kapelletjes' met als leidraad 50 basisvragen, waarin alle aspecten van de kapelletjes aan bod kwamen zowel deze als monumentwaardig gebouw als de hele devotiebasis. In Kortenberg in 1988 en in Haacht in 1998 werden fiets- en wandelpaden ingericht onder de term ‘De Fietsroute De Kapellekensbaan’ en ‘Haachtse Kapelletjesroute’. Ook tentoonstellingen werden aan kapelletjes gewijd zoals ‘Heilige Huisjes in het Hageland’ in 1999 in Huize Hageland in Tielt-Winge.

Om deze zeer omvangrijke, waardevolle, maar verspreide en vaak niet (goed) ontsloten inventarisinformatie van lokale initiatiefnemers te homogeniseren en een centralisatie mogelijk te maken, ontwikkelt VCM een inventarisfiche voor kruisen en kapellen.

Een aantal grote initiatieven houden zich actief bezig met de inventarisatie van kruisen en kapellen en werken overkoepelend. Op dit moment zijn de meest grootschalige initiatieven de inventaris op de site van het KADOC en het InterregIIIA-project van IGO Leuven.

2.1 KADOC

Via de website www.kadoc.kuleuven.be werd een enorme verzameling foto's van Dries Clauwaert en Marieke van Heukelom ontsloten. Ze bevat foto's van kapellen, grotten, kruisen, nisjes en andere vormen van volksdevotie in Vlaanderen, ook te consulteren via kapelletjes in Vlaanderen. Het is in de eerste plaats de bedoeling alle "officiële" kapellen, kapelletjes, grotten, kruisen en andere vormen van volksdevotie in Vlaanderen die als dusdanig op de topografische kaarten met het overeengekomen teken zijn aangeduid te inventariseren. Daarnaast worden ook alle "toevallige" kapelletjes in kaart gebracht die de auteurs op hun tochten ontdekten, meestal boomkapelletjes, gevelnisjes of heiligenbeelden in kloostertuinen en Mariaparken. Er wordt geen aanspraak gemaakt op volledigheid. 
Opgepast: deze inventarisatie is zeer volledig, maar bevat geen historische of bouwhistorische informatie.

2.2 IGO Leuven

Einde maart 2007 zette Europa het licht op groen voor het zogenaamde Interregproject IIIA  'Verborgen Monumenten: kruisen en kapellen' van het Vlaamse IGO Leuven en de Nederlandse Monumentenwacht Limburg, twee partners in de Euregio Benelux Middengebied. Beide organisaties zullen dankzij dit project gedurende een jaar grensoverschrijdend een gemeenschappelijk basissysteem uittesten om het vrij kleine maar waardevolle erfgoed van kruisen en kapellen een toekomst te garanderen. Deze monumenten zijn beeldbepalend in betrokken regio’s (zijnde het arrondissement Leuven in Vlaanderen en de provincie Limburg in Nederland) en vormen een belangrijke cultuurhistorische getuige in hun culturele identiteit. Bovendien zijn deze locaties zeer betekenisvolle plekjes met een karakteristieke historische, volksdevotionele, sociale waarde. De doelstelling is dubbel: er wordt in functie van behoud en beheer van dit kwetsbare erfgoed bouwfysische informatie verzameld en er wordt ook sensibiliserend/informerend gewerkt. De veldwerkfiche die getest wordt, wordt afgetoetst met VCM en bevat ook bouwhistorische informatie. Er wordt een website gebouwd om de databank te ontsluiten.
Voor andere provincies werden ook al grootschalige inventarisprojecten van kapellen en kruisen gedaan. Bij het Verbond voor Heemkunde werd voor de provincie Antwerpen in 1997 door H. Geybels een synthesewerk gemaakt op basis van de beschikbare, door heemkundige kringen samengestelde, literatuur. Behalve met een boek, werd het project 'Langs deze weg zet gene voet...De kapellen van de provincie Antwerpen' afgesloten met een rondreizende tentoonstelling waarbij oorsprong, achtergrond, devotie en monumentwaarde van dit patrimonium werden belicht. 13
In de provincie Vlaams-Brabant bouwde men verder op de tijdens dit project opgedane ervaring en werkt een team heemkundigen onder leiding van H. Vannoppen aan een syntheseboek over de kapellen van de provincie Vlaams-Brabant. Op basis van eerdere inventarismodellen, lokaal en regionaal, werd een uitgebreide vragenlijst opgesteld. Met deze leidraad van 50 basisvragen komen alle aspecten aan bod, die ruimer zijn dan alleen de kapel als monumentwaardig gebouw, maar de hele devotiebasis bestrijken.
Valentin Degrande deed hetzelfde voor West-Vlaanderen. Hij inventariseerde 2.530 weg- en veldkapellen in West-Vlaanderen en verzamelde die in een publicatie. Van elke kapel maakte hij een gedetailleerde fiche met beschrijving, foto, literatuur en ligging. Het resultaat zit in dikke mappen die in het provinciale tolhuis in Brugge geraadpleegd kunnen worden. Om het geheel overzichtelijk te maken heeft de auteur de kapellen ingedeeld naar de bouwvorm.
Voor Oost-Vlaanderen vonden wij een werk van Van Vlierberghe dat de kapellen uit het Waasland samen brengt. 14

3 Roerend religieus erfgoed

Strik gezien is dit roerend erfgoed niet de bevoegdheid van het VIOE. Omdat men er van bij het begin van de inventarisatie en bescherming als monument van het bouwkundig erfgoed is van uitgegaan dat het roerend religieus erfgoed in een optimaal scenario integrerend deel uitmaakt van kerken, kloosters of kapellen, wordt binnen de onderzoeksbalans toch de nodige aandacht aan dit erfgoed besteed.
Ook in Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen wordt bij elke opgenomen kerk een bondig overzicht gemaakt van de belangrijkste roerende goederen, gebaseerd op de informatie van het KIK, die ter plaatse geverifieerd wordt en, indien beschikbaar, aangevuld met gepubliceerde gegevens.

3.1 Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium (KIK)

Een van de meest ambitieuze inventarisprojecten van roerend erfgoed is het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, uitgegeven van 1972 tot 1983 en bestaande uit 214 delen. Het is een project van het KIK. Het VIOE zal in de planning van 2009 werken aan de link tussen de on-line fototheek van het KIK en de centrale inventarisdatabank van het bouwkundig erfgoed Bouwen door de Eeuwen heen.
In 1900 wordt het Fotografische Atelier van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis opgericht. In 1920 richten de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis de Dienst voor Belgische Documentatie op. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bezitten de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis ongeveer 30.000 negatieven, waaronder een 12.000-tal die waren afgekocht van Duitsland op de rekening van de marken die na de Eerste Wereldoorlog geblokkeerd waren (in het bijzonder glasnegatieven 40x40cm). In juli 1940 beginnen de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis bij hoogdringendheid een fotografische inventaris voor het Commissariaat Generaal voor 's Lands wederopbouw. Tussen 1941 en 1945 worden zo meer dan 165.000 negatieven gemaakt. Volgende gebouwen en voorwerpen komen voor de opnamen in aanmerking: monumenten en kunstvoorwerpen van voor 1840, zowel burgerlijke als kerkelijke gebouwen, musea, maar ook oude glasramen die uit de gebouwen waren verwijderd, torenklokken (die in 1943 werden opgeëist), werken die overgebracht waren naar de schuilplaatsen te Gent, Antwerpen, Brussel en het kasteel van Lavaux Saint-Anne (meesterwerken uit de musea van Brugge, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, het Museum Plantin- Moretus en het Antwerps Prentenkabinet. In 1943 wordt het Fotografische Atelier van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis bij de Dienst voor Belgische documentatie toegevoegd en kan het rekenen op een ploeg van een veertigtal personen.
Dankzij lokale wetenschappelijke medewerkers en fotografen wordt de inventaris na de oorlog uitgebreid. In 1948 wordt de ACL opgericht. In 1957 wordt het ACL het KIK. Om de verzameling te vervolledigen koopt men ook fondsen aan bij andere instellingen of bij privé-fotografen. Deze fondsen, waarvan sommigen tot in de 19de eeuw teruggaan, zijn erg waardevol omdat ze een vaak verdwenen toestand oproepen van een landschap, het aspect van een gemeente of een gebouw.
In 1967 gaven de ministers van Cultuur aan het KIK de opdracht om een versnelde inventaris te maken van het meubilair in de Belgische bedehuizen. Het was een dringende opdracht, omdat door het Tweede Vaticaans Concilie verscheidene wijzigingen waren ingevoerd met betrekking tot de liturgie en de kerkelijke kalender; hierdoor raakten onder meer sommige kerkmeubelen zoals de communiebank of de preekstoel in onbruik. In elke provincie werd een kunsthistoricus aangeworven om deze inventarisatieopdracht uit te voeren, vertrekkende van de bestaande documentatie. Indien nodig werden aanvullende fotografische opnamen uitgevoerd door privéfotografen. Elk waardevol voorwerp werd beschreven en gefotografeerd. De publicatie van het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen (FMBB) vormt er de neerslag van; het is een enig instrument voor het beleid en een basiswerk voor de wetenschap. De publicatie van de bedehuizen van België werd ingedeeld per kanton en beslaat 213 delen. In het FMBB worden alle voorwerpen per bewaarplaats opgenomen; na de beschrijving van het gebouw waarin ze voorkomen, worden de voorwerpen vermeld met een elementaire kunsthistorische identificatie; de ordening van de voorwerpen gebeurt volgens het in het KIK gangbare trefwoordensysteem. Elke identificatie wordt gevolgd door de nummers van de foto’s die er op het KIK van bewaard zijn. De fotorepertoria zijn bijzonder interessante hulpmiddelen voor de kerkfabrieken, die jaarlijks verplicht zijn een inventaris op te maken, bestemd voor het controlerende provinciebestuur.
Er worden door het KIK ook zendingen naar het buitenland ondernomen om belangrijke Belgische kunstwerken te fotograferen of om de restauratie van in België bewaarde werken te documenteren. Vanaf 1990 worden voor de fotografische inventaris ook kleurenopnamen gemaakt. Vanaf 2000 maakt het KIK digitale opnamen. Op dit moment bestaat de collectie uit meer dan 900.000 zwart-wit- en kleurenfoto’s waarvan het gros op deze fototheek te consulteren valt. De oudste documenten dateren van het einde van de 19de eeuw. Dit fonds wordt voortdurend aangevuld dankzij fotografische zendingen en door het documenteren van restauraties, uitgevoerd op het KIK.

3.2 Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC)

Het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur vzw werd in 1997 opgericht met als doel de instandhouding en de valorisatie van het waardevolle culturele erfgoed van de kerkelijke instellingen in Vlaanderen. Eveneens wil het centrum de hedendaagse religieuze kunst en cultuur in al haar uitingsvormen bevorderen.

Het centrum fungeert als adviescentrum voor het beheer, de instandhouding, de valorisatie, de conservering en restauratie en de presentatie van het kerkelijk kunst- en cultuurpatrimonium. Bij het centrum kunnen congregaties, klooster- en abdijgemeenschappen, parochies en katholieke instellingen (bv. scholen, ziekenhuizen) maar ook families en privépersonen terecht met hun vragen op het gebied van het kerkelijk cultuurhistorisch erfgoed. Verder houdt het zich bezig met vorming en sensibilisatie via onder andere het organiseren van studiedagen, tentoonstellingen en door op termijn een Museum voor Religieuze Kunst en Cultuur te openen.
Een hoofdtaak van het centrum is de kloostergemeenschappen bijstaan bij het behoud en beheer van hun erfgoed. Het centrum ontwikkelt onder meer belangrijke initiatieven op het vlak van de inventarisatie van het roerend kerkelijk kunst- en cultuurpatrimonium van deze instellingen. Op verzoek van de betrokken religieuze gemeenschap kan het centrum het materiële beheer van de collectie in een goed uitgerust depot overnemen.

De inventaris van het CRKC, die is ondergebracht in de databank ‘Religieus Erfgoed in Vlaanderen’, werd in 2004 ontwikkeld voor de registratie van religieus erfgoed van privaatrechtelijke religieuze instellingen, zoals kloosters en abdijen. In 2006 werd op vraag van de Provincie Oost-Vlaanderen de databank aangepast om ook openbaar religieus erfgoed beheerd door de kerkbesturen te registeren. Sinds 2008 is de provincie Antwerpen partner van dit project, cf. infra. Dit inventarisatieproject is tevens één van de pilootprojecten voor het VIOE om de mogelijkheden van linken vanuit en met de inventarisdatabank van het bouwkundig erfgoed te onderzoeken.

Bij het zoeken in de databank krijgt men niet de volledige objectfiches te zien, maar een beperkte selectie van de registratievelden bedoeld voor het grote publiek. Voor het raadplegen van de volledige gegevens op de CRKC-databank werden verschillende toegangsniveaus of gebruikersgroepen aangemaakt. Indien gewenst kunnen onderzoekers, eigenaars, collectiebeheerders met een log in en paswoord meer lees- en/of schrijfrechten aanvragen …, de uitgebreide fiches kunnen bekeken worden naargelang de toegekende rechten.

In de publieke objectfiches, die beperkte informatie weergeven, kan gezocht worden op objectnaam of vervaardiger. Men kan een uitgebreide zoekopdracht invoeren en zoeken op titel, objectnaam, vervaardigers, stijl, perioden, plaats van ontstaan, materialen, technieken en toestand algemeen. Als men wil zoeken op locatie heeft men uitgebreide toegangsrechten nodig . Elke gezocht object werd voorzien van één of meerdere duidelijke afbeelding.

3.3 Provincie Antwerpen

De provinciale overheden zijn bij wet verplicht om de inventarissen van het roerend erfgoed van de kerkfabrieken bij te houden. De provincie Antwerpen voert hierin sinds 1975 een actieve politiek en helpt de kerkfabrieken mee bij het inventariseren. In totaal bezit de provincie ca. 385 inventarissen, met ca. 200.000 opgenomen items.
Knelpunten zijn de onvolledigheid van de inventarissen: ze zijn grotendeels door niet-gevormde vrijwilligers opgemaakt, de inventarissen zijn onderhevig aan modeverschijnselen en daardoor selectief, beschrijvingen zijn vaak ondermaats, beeldmateriaal ontbreekt vaak.

Er is een papieren, niet gepubliceerde vorm van de inventaris, bestaande uit fiches met volgende gegevens: nr., typologie, auteur, datering, materiaal, technische gegevens, korte beschrijving, opschriften, plaats van bewaring. Deze kunnen geconsulteerd worden bij de dienst Erfgoed van het Provinciebestuur Antwerpen (contact: Marc Mees, Jan Geudens, Ann Bries). Ongeveer 20% van de gegevens werd in een databank gedigitaliseerd, die niet online beschikbaar is. Het project sloot zich onlangs aan bij het inventarisatieproject van het CRKC, wat extra mogelijkheden kan bieden voor de ontsluiting van deze waardevolle gegevens.

2.5.1.2 Woningen

In Bouwen door de Eeuwen heen vormen de woonhuizen het belangrijkste bestanddeel van de inventaris, gaande van zeer bescheiden arbeiderswoningen tot rijke herenhuizen.

De vzw Ar-Tur, een Turnhoutse architectuurvereniging maakt met een subsidie van de Vlaamse Gemeenschap (Cultuur) een inventaris op van de hedendaagse architectuur in de regio Turnhout. Daarmee wil het een aanvulling bieden op de gegevens van Bouwen door de Eeuwen heen in die regio. De inventarisatie zal uitgevoerd worden door architect Saskia Kloosterboer. Er is contact met het VIOE om de ontsluiting van de gegevens te optimaliseren.
De vriendenkring van de stadsgidsen van Blankenberge maken sinds 2001 een inventaris op van art nouveau-architectuur in Blankenberge en spitsen zich daarbij toe op tegels en smeedwerk. De inventaris bevat ca. 90 items en heeft als bedoeling dit erfgoed te promoten en te laten beschermen. Een gelijkaardige inventarisatie werd opgemaakt voor het interbellumerfgoed en bevat 86 items. Door de wandelbrochures van beide thema's komen toeristen in aanraking met het patrimonium, verkrijgbaar bij het VVV-kantoor van Blankenberge en bij Alberta Vanasbroek. Kwaliteiten van deze brochures zijn de sensibiliserende functie: ze worden erg veel verkocht, ook aan toeristen. Nadeel is de beperkte beschikbaarheid van de gegevens en de soms beperkte wetenschappelijke informatie en beeldmateriaal.
Veel gemeentebesturen en heemkundige kringen houden zich bezig met de opmaak van een inventaris van een deel van het bouwkundig patrimonium van hun gemeente; heel vaak gaat dit om woonhuizen. Deze gegevens zijn ter plaatse beschikbaar in de vorm van wandelgidsen, brochures, folders Open Monumenten dag of uitgegeven in een publicatie.
Het thema Wonen van Open Monumentendag 2007 bracht heel wat lokale initiatieven tot stand. Veel brochures geven een overzicht van waardevolle woningen binnen een provincie of gemeente. Een heel mooi voorbeeld is "Van tuinwijk tot hoogbouw. Woonwijken in Waregem, 1922-1977", uitgaande van een inventarisatie van de woonwijken. 1
Een recent initiatief is "Historische huizen Vlaanderen", een netwerk van waardevolle, voor het publiek opengestelde woonhuizen. De website biedt een (voorlopig erg kort) overzicht van waardevolle huizen in Vlaanderen waarbij de samenhang tussen collectie en gebouw centraal gesteld wordt.

2.5.1.3 Kastelen en landhuizen

De erfgoedwaarde van kastelen en landhuizen is een evidentie. Ze zijn dan ook goed vertegenwoordigd in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. Knelpunt is opnieuw dat niet alle 19de- en 20ste-eeuwse kastelen en landhuizen systematisch werden geregistreerd, omdat de eerste inventarissen de tijdslimiet van ca. 1850 hanteerden, maar ook omdat de appreciatie van neostijlen sterk evolueerde de laatste decennia.

De twee boekdelen van het Groot Kastelenboek van België gelden nog steeds als basisbron voor deze typologie, maar zijn dringend aan actualisatie toe, vooral wat betreft 19de-eeuwse of jongere kasteeldomeinen. 12
Een gelijkaardige publicatie is Van kasteel tot kasteel, een grootschalige, tiendelige reeks van Paul Arren. 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 In deze inventaris worden nagenoeg alle kastelen en landhuizen opgenomen, maar de publicatie spitst zich vooral toe op heraldiek en familiegeschiedenis. Er wordt een bondige historiek gegeven bij elk kasteel, bouwkundige gegevens ontbreken echter bijna altijd.
Talrijke eindverhandelingen en lokale publicaties nemen een stuk inventarisatie van kastelen en landhuizen in hun streek op zich. Vaak is daar zeer waardevolle bouwkundige informatie uit te halen.
Het Regionaal Landschap Dijleland vzw is bezig met inventarisatie van ijs- en groentekelders; ijskelders zijn typische elementen die horen bij kasteeldomeinen. De bedoeling is om een prioriteitenlijst op te stellen van welke objecten in aanmerking komen voor een opwaardering. 14
D'Hoine maakte een inventarisatie van ijskelders in Vlaanderen en Brussel, een zeer interessante en wetenschappelijke studie. 15
De gemeente Boechout heeft een inventaris van hoven van plaisantie en landhuizen uit de 19de eeuw. Bouwen door de Eeuwen heen is wat betreft de boekdelen 10n1,2 en 3, die de groene gordel rond Antwerpen behandelen, niet volledig.
"Vreemd Gebouwd", een publicatie van de provincie Antwerpen rond invloeden van vreemde bouwstijlen op de architectuur in Antwerpen, bevat twee zeer interessante inventarissen die vaak met een kasteeldomein of landhuizen te maken hebben, nl. inventarisatie van chinoiserieën en japonaiserieën. 16

2.5.1.4 Landelijk erfgoed

Bouwen door de Eeuwen heen heeft van bij het begin ruim aandacht besteed aan landelijke architectuur. Dit type is in de hele reeks ruim vertegenwoordigd. In de delen van Vlaams-Brabant dient men in acht te nemen dat 19de- en 20ste-eeuwse boerderijen ontbreken. Bescheiden hoeves worden in de oudste delen vaak niet opgenomen. Opvallend is ook dat men zich in de oudste delen streek per streek vooral richt op een specifiek type zoals bijv. leembouw en daarbij de andere, "gewonere" types soms uit het oog verliest.

Wetenschappelijke publicaties over landelijke erfgoed zijn nauwelijks voorhanden. Inventarissen zijn er niet, behalve de klassiekers van Tréfois, waaronder een aantal fotoboeken die als inventaris opgevat zijn. Deze inventarissen en de bijhorende typologische en vormgerichte indeling van de hoevetypes zijn dringend aan actualisatie toe. 1 2 3 Ze hebben nog absoluut hun waarde, omdat ze goed weergeven welke hoeves toen al als waardevol beschouwd werden en omdat ze interessant beeldmateriaal bevatten. De publicatie van Goedseels "Op land gebouwd" werkt grosso modo op dezelfde manier verder en geeft ook een selectie van de meest typische hoeves per streek. 4 Ronse en Raison zijn een belangrijke bron voor West-Vlaanderen. 5 Auteurs als Laenen, Weyns De Maesschalkck en Claerhout zorgen samen voor een goed overzicht van de verschillende boerderijtypes in België. Nergens echter een volledige, systematische inventarisatie.

Sinds juli 2003 is een inventarisatieproject bezig omtrent bakovens: "Red de Bakovens." Deze inventarisatie behelst zowel de bestaande als de verdwenen bakovens voor privégebruik, waarbij momenteel 2 746 bestaande bakovens geïnventariseerd werden. Rond dit project werd een databank gebouwd die beschikbaar is via de website van het Museum van Oude Technieken. Deze databank wordt samengesteld met gegevens die vrijwilligers op een beschikbare invulfiche kunnen noteren.
De doelstellingen van de inventaris zijn: Het onderzoek en/of de bescherming mogelijk maken door historische documentatie samen te brengen, vergelijkingsmateriaal leveren als ondersteuning bij de handleiding van het restaureren/bouwen van een bakoven (hoe ziet een bakoven in jouw buurt er uit ?) en het publiek sensibiliseren: interactiviteit in de hand werken door vrijetijdsbesteding te bieden en geïnteresseerden te helpen.
Positief is dat de inventaris door het publiek zelf wordt aangevuld en verbeterd. Door de grote interesse groeit de inventaris daadwerkelijk en wordt hij opgevolgd. Omdat bakovens als "verplicht" uitgangspunt zijn gesteld, is het in te vullen formulier laagdrempelig gebleven. Men kan er desgewenst bijkomende informatie aan toevoegen. Er is ten slotte veel beeldmateriaal beschikbaar. Er zijn een aantal hiaten: doordat de inventaris door het publiek wordt aangevuld, is de inventaris niet systematisch aangepakt, niet volledig en niet altijd wetenschappelijk.

  • Er is tevens een publicatie rond bakovens.6
  • Het Regionaal Landschap Dijleland vzw is bezig met inventarisatie van ijs- en groentekelders. Groentekelders maken soms deel uit van een hoeve. Bedoeling is om een prioriteitenlijst op te stellen van welke objecten in aanmerking komen voor een opwaardering.7
  • De heemkundige kring van de gemeente Baarle-Hertog maakte een inventaris op van rurale architectuur, in samenwerking met de Nederlandse gemeente Baarle-Nassau. Het is niet duidelijk waar deze gegevens beschikbaar zijn.
  • Rosmolens in West-Vlaanderen: een zeer interessante, wetenschappelijke inventaris van dit verdwijnend type landelijk erfgoed voor West-Vlaanderen. Veel rosmolens verdwenen ondertussen. 8
  • Anne Marie D'Hooghe maakte voor West-Vlaanderen een zeer interessante inventarisatie rond bergschuren. Nadeel is dat dit werk aan actualisatie toe is, zowel inzake de benadering van de typologie, de status van de gebouwen als van de adresgegevens. 9
  • De provincie West-Vlaanderen werkt aan een inventarisatie en publicatie rond bergschuren, op basis van de talrijke metingen.
  • Suzan Jurgens voerde in 2006 en 2007 in samenwerking met de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon een onderzoek naar de paalschuren (of hooibergen) in België. In de bijhorende inventarisatie werden 57 paalschuren bekeken.

2.5.1.5 Militair erfgoed en oorlogserfgoed

In de reeks Bouwen door de Eeuwen heen is van bij het begin aandacht besteed aan historische vestingbouw. Kleiner militair of oorlogserfgoed (bijv. bunkers) werd sporadische en niet systematisch opgenomen, vaak in de straatinleiding. Militaire kerkhoven (in de Westhoek) werden niet systematisch opgenomen.

  • Simon Stevin -Vlaams Vestingbouwkundig Centrum - vzw houdt zich al jaren bezig met vestingbouwkundig erfgoed. Hun wetenschappelijk onderbouwde projecten en publicaties zijn terug te vinden op hun website. De vzw werkt als basis voor al deze publicaties al jaren aan verschillende inventarisprojecten. Ze kampen echter met het probleem dat deze informatie niet gedigitaliseerd is. Een eerste inventaris is die van vestingbouw, een tweede van forten en schansen, een derde van linies (incl. bunkerstellingen), een vierde van kunstverdediging en ten slotte een vijfde rond het ijzerfront en de Ieperboog van de Eerste Wereldoorlog. Deze vereniging staat bekend voor zijn gespecialiseerd advies aan de inventaristeams van de Vlaamse Gemeenschap en voor zijn input voor beschermingsdossiers omtrent dit erfgoed. Zij bezitten een enorme hoeveelheid inventarismateriaal dat niet gepubliceerd werd.
  • Een belangrijke inventaris van de provincie West-Vlaanderen is die van de oorlogsgedenktekens. 1 Dit is een zeer gedetailleerde, wetenschappelijke en volledig van foto's voorziene publicatie.
  • het Regionaal Landschap Dijleland vzw is bezig met inventarisatie van bunkers (vnl. KW-linie) en met ijs- en groentekelders. De bedoeling is om een prioriteitenlijst op te stellen van welke objecten in aanmerking komen voor een opwaardering. 2
  • Het VIOE cofinancierde een aantal onderzoeksprojecten rond de Eerste Wereldoorlog. Het eerste project betreft een samenwerkingsovereenkomst met de provincie West-Vlaanderen voor een inventarisatieproject van materiële relicten van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek. De provincie West-Vlaanderen selecteert twee onderzoekers, die een analyse maken van publicaties, inventarisfiches etc. Zij voeren daarnaast aanvullend terreinonderzoek uit. Het gehele inventarisatieproject kadert in een rechtstreekse vraag van het kabinet van Grembergen dat de relicten van als werelderfgoed wenste te laten erkennen en in het vijfjarenproject ‘De Westhoek: oorlog en vrede' van de provincie West-Vlaanderen. Minister Van Mechelen zet dit project verder onder de noemer "Inventarisatie 1914-2014".

De externe studie “Sensibilisatie i.v.m. oorlogserfgoed in de Westhoek” was een project dat in de periode 2003-2005 voortbouwde op de samenwerking tussen het Vlaams Gewest en de provincie West-Vlaanderen m.b.t. de creatie van een snelinventaris van de nog aanwezige relicten van de Eerste Wereldoorlog langsheen de frontlijn en het niet-bezette gebied in West-Vlaanderen.
In het belang van de vrijwaring van het via de inventaris in kaart gebrachte oorlogserfgoed worden sensibiliserende acties uitgewerkt met betrekking tot het beheer, behoud en onderhoud van dit erfgoed. De studie omvatte 3 luiken: de medewerking aan de overzichtspublicatie “De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek” 3 van de uitgeverij Lannoo, de begeleiding van de integratie van de inventaris over oorlogsrelicten in de online databank inventaris Bouwkundig erfgoed op Vlaams niveau en de redactie van een ‘vademecum’ voor lokale overheden over de omgang met oorlogserfgoed (publicatie voorzien in 2009).

2.5.1.6 Industrieel erfgoed

In het hoofdstuk van de inventarissen kunnen we ook de subcategorie van de inventarissen van het industrieel erfgoed plaatsen. Voor een verdere precisering van de stand van het onderzoek van het industrieel erfgoed verwijzen we naar de gelijknamige subcategorie in het hoofdstuk bouwkundig erfgoed.

Voor wat het onroerende van het industrieel erfgoed betreft, is de reeks Bouwen door de eeuwen heen nog steeds het meest gebiedsdekkende werk. Dit geldt echter alleen voor de latere publicaties waarin het industrieel erfgoed werd opgenomen. De oudste publicaties vormen hierin een leemte.

Over het algemeen zijn er voor het specifieke onderdeel van het industrieel onroerend erfgoed nog maar weinig inventarissen beschikbaar. Een eerste inventaris kwam er in 1986 met de publicatie van Industriële Archeologie in België door Patrick Viaene, met bijdragen van René De Herdt. De publicatie omvat het volledige land en behandelt alle typologieën. Jammer is dat de beschrijvingen erg kort zijn en dat er niet voor alles beeldmateriaal voorzien is. Hoewel deze informatie ondertussen verouderd is, is het nog steeds de enige inventaris die zo gebiedsdekkend en algemeen is. 1

De beschikbare inventarissen handelen voornamelijk over een deelonderwerp van de industriële archeologie. Zo springen de in boekvorm gepubliceerde inventarissen wat betreft het molenpatrimonium het meest in het oog. Zij waren zeker bij heemkundige kringen een geliefd onderwerp vanaf de jaren 1970. In West-Vlaanderen werden zowel wind-, water- als rosmolens door het provinciebestuur op een wetenschappelijke manier onderzocht en gepubliceerd onder leiding van Luc Devliegher. 2
Vele moleninventarissen werden opgesteld door Herman Holemans en uitgegeven door de studiekring ‘Ons Molenheem’. 3 4 5 6 7 8 9 Deze vaak regionale inventarissen willen een aanzet geven tot onderzoek, maar zijn vaak geen uitgebreide inventarissen en bevatten weinig informatie. Vaak gaat het om volgende gegevens: molennaam, waterloop, oprichtingsdatum, aard van de molen, kadasternummer, plaatsaanduiding in de gemeente,…met weinig aandacht voor het technische aspect van de molens.
Een zeer uitgebreide databank is deze van de molenecho’s ( de databank maakt deel uit van de molendatabase), die het volledige grondgebied van Vlaanderen beslaat en alle soorten molens opneemt. Per molen is er een fiche voorzien met zoveel mogelijk informatie en een korte beschrijving met bibliografie. Eveneens is elke fiche voorzien van fotomateriaal. Ook de databank van molenwacht Oost-Vlaanderen biedt een goed overzicht en wil alle molens van de provincie grondig in kaart brengen. De hedendaagse toestand wordt aan de hand van foto's en teksten gedetailleerd verzameld in een databank. Deze gegevens kunnen worden geraadpleegd met het oog op restauratie en wederopbouw van een molen. Deze databank is aan de vorige databank gelinkt per fiche. De belangrijkste publicaties en databanken bieden samen een volledig, grotendeels wetenschappelijk verantwoord overzicht van het molenbestand in Vlaanderen.

Voor andere deelthema’s binnen het industriële erfgoed zijn de inventarissen veel schaarser. Een aantal werken is zeer bruikbaar, omdat ze een volledig en zeer gespecialiseerd overzicht bieden van de typologie in Vlaanderen of zelfs België en dus gebruikt kunnen worden als basis voor een gespecialiseerd beleid. Wij denken aan de 'Stationsarchitectuur in België' 10 11 en 'Watertorens in België'. 12
‘Stationsarchitectuur in België’ wil een eerste stap zetten naar de inventarisatie van het Belgische spoorwegpatrimonium, door de stationsgebouwen te behandelen. Het werk hanteert een ordening volgens bouwstijl en typologie en is zeer rijk geïllustreerd.
‘Watertorens in België’ is een grondige studie rond de verschillende types watermolens en bevat een overzichtslijst van alle bestaande watertorens in België met kort weergeven het adres, het bouwjaar en de typologie.

Een recent opgestart inventarisatieproject dat zal uitmonden in een databank betreft de fabrieksschouwen in Vlaanderen, 'belforten van de arbeid'. Deze inventaris heeft niet tot doel een wetenschappelijke inventaris te zijn, maar dient om de belangstelling voor fabrieksschouwen op te wekken en onder de aandacht te brengen.

Geleidelijk aan komen er steeds meer regionale projecten die aandacht hebben voor streekgebonden industrieel erfgoed. Zo komt er bijvoorbeeld een inventaris van het industrieel erfgoed in de Rupelstreek (publicatie voorzien in maart/april 2008) in opdracht van het samenwerkingsverband Musea Rupelstreek. De doelen van deze inventaris zijn het onroerende in kaart brengen en eveneens het grote publiek laten kennis maken en sensibiliseren rond onroerend erfgoed. Nog een voorbeeld hiervan is de recente inventaris van het bouwkundig hoperfgoed in de Westhoek met medewerking van de vereniging De Keteniers. 13 14 15 16

Er komen ook steeds meer databanken online die betrekking hebben op het industriële erfgoed. Verder zijn er nog de databanken van de erfgoedcellen. Bijvoorbeeld voor het industriële erfgoed kunnen volgende beeldbanken van belang zijn: de beeldbank van het mijnerfgoed van de Mijn-erfgoedcel en de beeldbank van het vlaserfgoed binnen de Provinciale Dienst voor Cultuur van West-Vlaanderen. De beeldbank van de Mijn-erfgoedcel wil voornamelijk het beeldmateriaal van de mijnstreek bekend maken bij de bewoners van de mijnstreek en het roerend erfgoed van de mijnstreek zo ontsluiten en promoten. Haar doel is dus niet wetenschappelijk.

De twee verenigingen die in het Vlaamse landschap actief zijn op het vlak van het industrieel erfgoed zijn de koepelverenging en het contactforum Steunpunt voor Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed (SIWE www.siwe.be 1996) en de vrijwilligersvereniging Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vzw (VVIA – Vlaanderen en Brussel – http://www.vvia.be - 1978). VVIA heeft niet tot doel om inventarissen op te stellen. Wel sporen ze aan tot medewerking aan dergelijke initiatieven. SIWE lanceert en ondersteunt inventariscampagnes. Beide verenigingen hebben een tijdschrift, namelijk SIWE-Magazine en Industrieel Erfgoed in Vlaanderen, sinds 2000 verder gezet in het Vlaams-Nederlandse tijdschrift Erfgoed van Industrie en Techniek. Nog een tijdschrift in het landschap van het industrieel erfgoed is TIC (Tijdschrift voor Industriële Cultuur) dat gepubliceerd wordt door het MIAT (Museum voor Industriële Archeologie en Techniek).

Er komen dus geen inventarissen van de grote koepelverengingen, maar meer uit de hoek van regionale en lokale verenigingen. Zo zijn bijvoorbeeld vele kleinere moleninventarissen opgesteld door de vereniging Ons Molenheem. Voor de molens is er het tijdschrift Molenecho’s, Vlaams tijdschrift voor molinologie.

De "Belgian Aviation History Association" (BAHA) maakt sinds 2006 een database van "aviation heritage" of erfgoed van de luchtvaart in België. De inventaris bevat ca. 1100 items, nl. sites die belangrijk zijn voor de Belgische luchtvaartgeschiedenis. De inventaris groeit sterk en snel aan, waardoor de vereniging IT-support nodig heeft. De vereniging maakte een bundel van zijn eerste resultaten in 2007. 17

Vindplaatsen

Het MIAT bevat een uitgebreide bibliotheek die zich gespecialiseerd heeft in alles wat met industriële cultuur te maken heeft. Deze bibliotheek heeft een databank die echter online niet te raadplegen is. Verder werkt het MIAT mee aan de Bibliografie industriële archeologie en industrieel erfgoed – België. Dit is een zeer uitgebreide onlinebibliografie, die sinds 1991 jaarlijks verder gezet wordt in het TIC. Het moet gezegd dat niet alle werken aanwezig zijn in de bibliotheek van het MIAT.

Voor de provincie Oost-Vlaanderen bestaat er een grondig overzichtswerk met een uitgebreide bibliografie voor het industrieel erfgoed. 18

2.5.1.7 Gebouwen voor cultuur en vermaak

"Een hart voor volkscafés" is een project van Volkskunde Vlaanderen vzw. Sinds 1992 is Volkskunde Vlaanderen vzw erkend door de Vlaamse gemeenschap als landelijk organisatie voor volkscultuur. Volkscafés zijn met uitsterven bedreigd. De sociale functie van het buurtcafé staat onomstotelijk vast. Maar de toekomst van het buurtcafé ziet er somber uit. Vaak wordt geen overnemer gevonden als een uitbater stopt. Met het vaak kostbare interieur gaat eveneens het sociale gebeuren in zo’n café verloren. Ons cultureel erfgoed krijgt dan wel extra aandacht, maar vreemd genoeg worden de volkscafés schromelijk over het hoofd gezien. Volkskunde Vlaanderen vzw vindt dan ook dat het tijd wordt om de volkscafés in de kijker te zetten, dat volkscafés beter moeten beschermd worden. Daarom werkt men aan een inventarisatie van dit erfgoed, dat een combinatie is van roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Volkskunde Vlaanderen vzw is een erkende landelijke organisatie volkscultuur die de volkskunde vanuit een hedendaags perspectief bestudeert en onder de aandacht brengt. Volkskunde Vlaanderen vzw werkt mee aan de opbouw van een stevig netwerk rond het thema volkskunde. Onze vijf pijlers: feestcultuur, religieuze cultuur, verzamelcultuur, verhaal- en liedcultuur en leefcultuur. In dit netwerk neemt Volkskunde Vlaanderen vzw de taak op zich van coördinator, ondersteuner en stimulator.
Een gelijkaardig, maar niet gesubsidieerd project is de inventarisatie van danszalen. Radio Modern en vzw Dans'ant ( contactpersoon Cornelis Vanistendael) zijn allebei bezig met het in kaart brengen van de nog bestaande zalen die in het verleden of tot op heden voor bals en dansavonden werden gebruikt. De doelstelling van Radio Modern is deze locaties hergebruiken voor bals en dansfeesten in jaren 1950-stijl. De opzet van vzw Dans'ant is meer wetenschappelijk en kadert in een algemeen onderzoek naar historische danscultuur.

1 Muziekkiosken

Een interessante eindverhandeling aan de Universiteit Gent werd door Van Haevermaet gemaakt over de muziekkiosken in West-Vlaanderen. Volledig, systematisch en wetenschappelijk opgevatte inventaris. 1 Voor het Meetjesland werd een gelijkaardige inventarisatie opgevat door de provincie Oost-Vlaanderen in 2002. 2

2 Cinemazalen

De databank ‘huizenonderzoekbrugge’ biedt eveneens een inventaris van cinemazalen. Er kan gezocht worden op kaart (tot perceelsniveau) en op adres. Interessant is dat naast de tekstuele informatiefiche ook voor heel wat percelen de link bestaat met hetzelfde perceel op historisch kaartmateriaal. Dit is een zeer sterke benadering wat wetenschappelijk onderzoek betreft
Aan de Universiteit Gent werd een zeer interessante eindverhandeling gemaakt betreffende cinemazalen in Antwerpen, uitgaande van een inventarisatie. 3 Deze thesis bevat veel meer wetenschappelijke gegevens dan de publicatie die onlangs omtrent dit onderwerp uitgekomen is. 4

2.5.1.8 Materialen en technieken

1 Tegels en keramiek

Mario Baeck is de specialist op het vlak van tegels in Vlaanderen. Hij maakte een wetenschappelijke inventaris van Belgische tegelrealisatie in situ. Deze inventarisatie resulteerde tevens in een selectie van het meest waardevolle erfgoed van dit type. Concreet beoogt Baeck een registratie en toewijzing aan fabrikanten van keramische tegelpanelen en/of bouwaardewerk vervaardigd door Belgische en buitenlandse fabrieken in exterieurs en waar mogelijk ook in betekenisvolle interieurs uit de periode 1840-1940. De doelstelling is een overzicht te krijgen van de concrete verspreiding van realisaties op dit gebied, naar buitenlandse voorbeelden als de "Tile Gaetteer – A Guide tot British Tile and Architectural Ceramics Locations" of de "In-situ betegelingen in Nederland". De inventaris is opgebouwd op eigen steekproefsgewijze plaatsbezoeken in 19de-eeuwse stadsuitbreidingsgebieden, deels gestuurd door de beschrijvingen uit Bouwen door de Eeuwen Heen en door toevalsvondsten bij stadswandelingen en plaatsbezoeken in dorpen en gemeenten. Het geheel werd opgebouwd sinds 1994, sommige realisaties zijn ondertussen gesloopt. De inventaris is als een Word-document opgevat en is voorlopig enkel voor eigen gebruik beschikbaar. In talrijke publicaties is de inventarisatie al verwerkt. De fiches zijn alfabetisch geordend per gemeente.

Kwaliteit van deze inventaris is de specifieke wetenschappelijke kennis waardoor voor het eerst ongesigneerde ensembles met zekerheid toegewezen zijn aan een fabriek, wat interessante conclusies oplevert.
Knelpunt is de noodgedwongen onvolledigheid. Toch levert deze inventarisatie geregeld aanvullingen op qua niet in Bouwen door de Eeuwen heen geregistreerd materiaal.
In de reeks Bouwen door de Eeuwen heen worden de meeste tegeltableaus opgenomen. Mario Baeck meldt echter volgende belangrijke tekortkomingen, die dankzij zijn inventarisatie opgelost kunnen worden: De vermelding van tegelrealisaties over de diverse delen van Bouwen is niet consequent gebeurd, noch wat de vermelding, noch wat de gehanteerde terminologie betreft. Voor bepaalde regio's (zeker Vlaams-Brabant) ontbreken dan ook waardevolle realisaties. Waar ze wel geregistreerd zijn, zijn ze niet gemakkelijk terug te vinden door een gebrek aan eenduidig gehanteerde terminologie. In de teksten worden betegelingen met verschillende, soms foute of te algemene termen aangeduid. Mario Baeck zou het zeer interessant vinden om zijn gegevens te koppelen aan de databank van Bouwen door de Eeuwen heen. Dit is een project dat op de nieuwe portaalsite zeker een plaats kan krijgen en zeer haalbaar is gezien de hoge graad aan wetenschappelijkheid en door de precieze lokalisatie van de gegevens.

2 Natuursteen

Het Koninklijke Belgische Natuurwetenschappen (KBNW)-Belgische Geologische Dienst maakte een fototheek van natuurlijke bouwstenen in Belgische monumenten. De fototheek bevat 1622 items (+2400 nog te klasseren). De bedoeling is dat er een link gemaakt kan worden met de inventarisdatabank van het KBIN-BGD. Op dit moment bestaat de inventaris uit een accestabel met o.a. auteur, steensoort en link naar monument. Contactpersonen: Marleen De Ceukelaire en Michiel Dusar. 1
Deze wetenschappelijke instelling maakte eveneens een databank over monumenten met natuursteen. Daarin zitten 3463 gebouwen, gegeorefereerd met coördinaten. De databank wil een overzicht bieden van alle natuursteensoorten in België in historische monumenten. De accessdatabank vertrekt vanuit de databank horend bij de Natuursteenatlas Limburgse Monumenten. 2 Verdere aanvulling gebeurt ad hoc. Ze maken een link met hun natuursteendatabank. Contactpersonen: Marleen De Ceukelaire en Michiel Dusar.
Een derde databank van het KBNW is de inventaris van de natuursteencollecties. Die bevat 1616 items en maakt de diverse monsters beschikbaar voor vergelijkend onderzoek. Is beschikbaar in een databank. Contactpersonen: Marleen De Ceukelaire en Michiel Dusar.

3 Vakwerk

Van bij het begin van de reeks Bouwen door de Eeuwen heen werd veel aandacht besteed aan deze techniek. Ook sporen van leembouw en vakwerk binnen ondertussen verbouwde gehelen werden vermeld.

"Verborgen Vakwerk", uitgegeven door de dienst Toerisme van Maaseik. In 59 bouwhistorische verkenningen laat de auteur zien dat achter de gevels van Maaseik (Limburg) een ware historische schat verscholen zit. Het grote aantal vakwerkhuizen dat dankzij het onderzoek gevonden werd, is verrassend. Deze publicatie is het resultaat van jarenlang wetenschappelijk onderzoek door Ronald Glaudemans. Het boek is zowel een inventaris, die een nuttig beleidsinstrument kan zijn voor de erfgoedzorgers, als een goed gedocumenteerd naslagwerk voor belangstellenden. Het biedt een vernieuwende kijk op de oudste bouwgeschiedenis van Maaseik en beschrijft 59 huizen, namelijk alle panden rondom de markt, inclusief achtererven en -bebouwing, en enkele woningen in de Bos-, Bleumer-, Hepper- en Eikerstraat. Het boek wordt aangevuld met vele foto's en tekeningen van het gevonden vakwerk. 3 4

Vakwerkbouw in West-Vlaanderen - reeks provinciale erfgoedgidsen. Vakwerkbouw is een traditionele bouwwijze met hout en leem, waarvan in het zuiden van de provincie West-Vlaanderen een beperkt aantal voorbeelden bewaard bleven. De belangrijkste concentratie bevindt zich in de streek van Poperinge, maar ook in de regio rond Kortrijk en de Schelde worden nog enkele restanten aangetroffen. Deze publicatie wil de West-Vlaamse vakwerkbouw onder de aandacht brengen. Aan de hand van opmetingsschetsen en foto's wordt de historische bouwwijze van woningen en van hoevegebouwen verduidelijkt. Naast bewaarde West-Vlaamse voorbeelden zijn enkele gebouwen opgenomen die naar openluchtmusea werden overgebracht, constructies die in de loop van de laatste decennia verdwenen en enkele vergelijkbare huizen uit Oost-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.
Deze publicatie behoort bij de reeks 'Provinciale Erfgoedgidsen' en werd in 2006 uitgegeven. Een uitgebreidere lijst inventarisfiches is beschikbaar op het provinciebestuur bij Johan Vansteenkiste. 5

4 Metaal

Voor de gemeente Herentals werd een inventaris opgemaakt van de gietijzerconstructies van de firma Van Aerschot. 6

2.5.1.9 Oeuvrelijsten

De oeuvrelijsten van architecten zijn inventarissen van gebouwen die vaak aan de basis liggen van een monografische studie van een bepaalde architect. Wij denken aan de studies rond Renaat Braem (in voorbereiding door Jo Braeken) en Huib Hoste, 1 die aan de basis lagen van nieuwe inzichten omtrent deze architecten.
Talrijke eindverhandelingen maken ook een overzicht van het oeuvre van een bepaalde architecten, wetenschappelijke informatie die dringend aan centralisatie toe is.

2.5.2 Beelden en straatmeubilair

Waar ze aanvankelijk in de inventaris “Bouwen door de Eeuwen heen” vooral in de straatinleidingen werden vermeld als beeldbepalende elementen, werden beelden en straatmeubilair later als zelfstandige items in de reeks opgenomen. In de eerste twee boekdelen van Vlaams-Brabant komt deze typologie sporadisch voor (enkele beschermde pompen en schandpalen bijvoorbeeld).

  • Voor de stad Brugge kan terug gerefereerd worden naar het geoloket van de website Huizenonderzoek Brugge. Er kan gezocht worden op kaart (tot perceelsniveau) en op adres. Interessant is dat naast de tekstuele informatiefiche voor heel wat percelen de link bestaat met hetzelfde perceel op historisch kaartmateriaal. Dit is een zeer sterke benadering wat wetenschappelijk onderzoek betreft.
  • De Win publiceerde in 2006 een volledige wetenschappelijke inventaris van de schandpalen in België. 1 2 Een zeer bruikbare, degelijke wetenschappelijke bron.
  • De Dienst Monumentenzorg van de Stad Gent maakte een inventaris van het straatmeubilair in de stad. Eind de jaren 1970/80 werd in een BTK-project een eerste inventaris opgemaakt voor het Gentse straatmeubilair waarin niet alleen standbeelden, gevelbeelden, maar ook merkwaardige gevelankers en straatlantaarns opgenomen werden. Deze lijst bevindt zich in het stadsarchief (inventaris straatmeubilair). In de jaren ’90 werd de lijst geactualiseerd voor wat betreft de monumenten (standbeelden, gedenkplaten) die stadseigendom zijn. Deze lijst - die onvolledig is en opnieuw moet ter hand genomen worden - bevindt zich bij Anke D’Haene van de Dienst Kunsten
  • Heemkunde Vlaanderen vzw maakte een publicatie: Beelden in de straat. Zij vertellen hun verhaal. Kleine monumenten in Oost-Vlaanderen. Met de steun van de Vlaamse gemeenschap en de provincie Oost-Vlaanderen werden alle kleine monumenten van Oost-Vlaanderen geïnventariseerd. 3
    Het boek bevat 264 pagina’s waarvan 72 in kleur en beschrijft 364 monumenten met foto uit ruim 60 verschillende Oost-Vlaamse fusiegemeenten.
    De Erfgoedcel Antwerpen maakte enkele publicaties die gebaseerd zijn op inventarissen van roerend cultureel erfgoed:
    • "Stadsbeelden Antwerpen", een wandelgids uit 2001 langs beelden in de stad.
    • "Madonna. Beelden van Maria in de Antwerpse binnenstad" is een verzameling wetenswaardigheden over de Maria-gevelbeelden binnen de Leien. Aan bod komen onder meer een nieuw en eigenzinnig Madonnaverhaal, het historische verhaal, een kunsthistorische en een iconografische beschrijving en een overzicht van de Mariadevotie in de kerken.
      Het boek bevat tevens een volledig nieuwe inventaris van alle Madonna's binnen de Leien, met een overzichtelijke plattegrond. De vele foto's en het (vaak niet eerder gepubliceerde) historische illustratiemateriaal maken van 'Madonna' bovendien een kijkboek.
  • De Zonnewijzerkring Vlaanderen vzw zet zich sinds 1995 in voor de inventarisatie van zonnewijzers in Vlaanderen en het Brussels Gewest. Dit wordt jaarlijks bijgewerkt en bevat ca. 600 zonnewijzers op of bij gebouwen.
    De doelstellingen zijn: Weten waar er zonnewijzers zijn, welk type, historiek en toestand, aandacht vragen voor zonnewijzers en adviseren bij eventuele restauratie of renovatie. De informatie is ontsloten via een publicatie 4 en via de website van Patric Oyen en Zonnewijzer Vlaanderen en wat betreft de provincie Limbure (gerealiseerd door Willy Leenders, bestuurslid Zonnewijzerkring Vlaanderen vzw is er de wijzerweb en is er nog gnomonica (in opbouw, in samenwerking met bevriende Waalse werkgroep, heel België, drietalig).
  • Heel wat gemeenten, heemkringen en erfgoedverenigingen verzamelen informatie omtrent beelden in hun regio. Deze informatie is telkens verschillend en vaak niet kunsthistorisch van opzet (eerder de verhalen rond de beelden en de heiligen). Om deze zeer omvangrijke, waardevolle, maar verspreide en vaak niet (goed) ontsloten inventarisinformatie te homogeniseren en een centralisatie mogelijk te maken, ontwikkelt VCM een inventarisfiche voor beelden.
  • De vzw kruis en beeld zet zich in voor de instandhouding van de straatbeelden van OLV of andere heiligen in Antwerpen. Op de website www.verbeelding.be, (contactpersoon L. De Maere) is een databank voorhanden van de religieuze gevelbeelden in Antwerpen. Geklasseerd per straat, voorzien van een foto en van een kort stukje tekst.

2.5.3 Funerair erfgoed

In Bouwen door de Eeuwen heen is het funerair erfgoed voornamelijk aanwezig bij de beschrijving van de (omgeving van) kerken, nl. bij de beschrijving van de kerkhoven met hun belangrijkste grafmonumenten. Recentere begraafplaatsen hebben in de jongere boekdelen ook hun plaats, afhankelijk van de aanwezigheid van waardevolle grafmonumenten zoals bijv. Oostende. Er is echter geen systematische, gelijkmatige inventarisatie gebeurd van dit type erfgoed.

Sinds januari 2004 is er een nieuw decreet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging dat de federale wetgeving moet vervangen. Deze materie valt onder Binnenlands Bestuur, een bevoegdheid van minister Marino Keulen. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria, 1 treft in hoofdstuk VIII een regeling betreffende graven met lokaal historisch belang. Steden en gemeenten worden verplicht een lijst op te maken met te bewaren erfgoed, waarvoor zij de zorg gedurende 50 jaar op zich nemen. Wanneer de lokale besturen aan deze verplichting verzaken, kan de Vlaamse overheid, bijvoorbeeld op vraag van een lokale vereniging, de lijst goedkeuren. Om erfgoedverenigingen te helpen bij het opstellen van een kwalitatieve lijst, heeft VCM samen met Epitaaf vzw een basis-inventarisatiefiche ontwikkeld. Artikel 18 van het decreet vraagt dat "Een afschrift van de bekrachtigde lijst met plan wordt bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de monumenten en de landschappen." Het is tot nog toe niet duidelijk hoe deze informatie zal gecentraliseerd worden. De VCM-inventarisfiche werd door verschillende gemeenten al opgevraagd en werd door Prof. Linda Van Santvoort (UGent) ondertussen vereenvoudigd. De gegevens kunnen verzameld worden in een Accessdatabank die door VCM en Epitaaf ter beschikking gesteld wordt.

De opmaak van inventarissen van funerair erfgoed kent al een lange geschiedenis. Een belangrijke actor is de vzw Epitaaf, die als een van hun belangrijkste doelstellingen heeft : het inventariseren van kerkhoven, begraafplaatsen en grafmonumenten met historisch, cultureel, urbanistisch, sociaal, architectonisch of thanatologisch belang .

Een algemeen probleem in België is het ontbreken van centraal verzamelde gegevens over de identiteit van oorlogsslachtoffers en soldaten die begraven liggen op de oorlogskerkhoven van de gemeentelijke begraafplaatsen.

Voor een vollediger overzicht kan men bij de vzw terecht; wij belichten hier enkele databanken en publicaties die recent gemaakt werden. Voor een aantal gemeenten werd ondertussen het initiatief genomen om een inventaris op te maken. Een overzicht van deze gemeenten is er niet. Centralisatie van de gegevens zou interessant zijn vanuit wetenschappelijk oogpunt.

  • Ann Bulcke maakte in 2003 een inventaris van de begraafplaatsen van Kortemark, Handzame, Zarren en Werken.
  • Een gelijkaardig project liep in Koksijde, Oostduinkerke en Wulpen: de publicatie van Evy Van de Voorde zal in november 2008 voorgesteld worden.
  • De heemkundige kring 't Zwin rechteroever maakte in 2006 een inventaris van de begraafplaatsen van de gemeente Damme op.
  • Voor de stedelijke begraafplaatsen in Antwerpen vond een uitgebreide inventarisatie plaats. De website over de Antwerpse begraafplaatsen is een privé-initiatief. In de eerste plaats is het de bedoeling om de begraafplaats Schoonselhof, niet voor niets het Antwerpse Père Lachaise genoemd, bij een zo breed mogelijk publiek bekend te maken. Dit kan door het aanbieden van algemene rondleidingen op deze 84 hectare grote dodenakker of, voor we iets meer wenst, e door het organiseren van themawandelingen. Deze rondleidingen zijn steeds mogelijk voor verenigingen maar kunnen, op welbepaalde data, ook door de individuele bezoeker gedaan worden. 
Een tweede doelstelling van deze website is het inventariseren van het belangrijk funerair erfgoed dat op de begraafplaats Schoonselhof, maar bij uitbreiding op alle andere Antwerpse begraafplaatsen, aanwezig is. Niet alleen de rustplaatsen van figuren die een rol speelden in de geschiedenis van Antwerpen en omstreken komen aan bod maar de website heeft ook oog voor de talrijke prachtige grafmonumenten die onze begraafplaatsen rijk zijn. Ook het inventariseren van belangrijk lokaal funerair erfgoed geniet onze belangstelling. De informatie haalde men grotendeels uit de talrijke archieven die de stad Antwerpen rijk is, maar onze dank gaat in de eerste plaats uit naar de mensen die er het beheer en onderhoud voor hun rekening nemen. Tevens mag de inbreng van de heemkundige kringen niet onderschat worden.
  • Iemand die in Antwerpen maar ook daarbuiten bijv. Lokeren erg actief is op het vlak van inventariseren van funerair erfgoed is Annemie Havermans.
  • Turninum-Volksmuseum Deurne vzw maakt sinds 1976 een inventarisatie op van het funerair erfgoed op het Sint-Fredegandusbegraafpark en het Sint-Rochusbegraafpark. De inventaris bestaat uit ca. 8000 papieren inventarisfiches. Deze bevatten grondplannen van de begraafperken, dossiers per graf voor de beschermde zone van Sint-Fredegandus, verslagen van de Beheerscommissie en een fotoarchief van alle items. 2
    De doelstelling is om het historische gedeelte van Sint-Fredegandus gedetailleerd te inventariseren (concessiehouders, bouwstijlen, symboliek, steensoorten enz.). Bij Sint-Rochus is er vooral aandacht voor concessionarissen. De inventarisatie is gebaseerd op vrijwilligerswerk zonder enige logistieke of financiële steun. Digitalisering is gepland: het DICE-programma is beschikbaar. Men zoekt vrijwilligers om de gegevens in te geven. Er is een website in voorbereiding (nu enkel introductie). Er is tevens een bezoekersgids voor het Sint-Fredegandusbegraafpark, uitgegeven door het district Deurne.
  • In de reeks van de "Kleine Cultuurgidsen" van de provincie Oost-Vlaanderen zijn een aantal inventarissen van funerair erfgoed verschenen, zij het dat ze beide sterk selecteren en dus niet exhaustief zijn.
    • "Het Campo Santo van Sint-Amandsberg" is een beknopte monografie over een van de merkwaardigste begraafplaatsen in Vlaanderen. Ze laat u kennismaken met een uitzonderlijke concentratie aan gedenktekens voor figuren die in het culturele, economische en politieke leven een vooraanstaande rol hebben gespeeld. De publicatie is beperkt tot de periode van de aanleg van de begraafplaats in 1847 tot 1878. Deze tijdsspanne valt ongeveer samen met de geschiedenis van het oudste en historisch waardevolste gedeelte van de 'heldenheuvel'. In een eerste deel beschrijft men de geschiedenis van het Campo Santo en wordt er komaf gemaakt met de misvattingen en legendes die leven rond deze begraafplaats. De ontwerpers en de uitvoerders van de grafmonumenten komen in een volgend deel aan bod en worden opgedeeld in drie hoofdgroepen: de steenhouwers, de beeldhouwers en de architecten. Ten slotte worden 10 belangrijke graven en hun historische achtergrond belicht. Achteraan is ook een lijst met funeraire symbolen opgenomen. 3
    • De vzw Gent Cultuurstad, die belast is met de uitvoering van het convenant cultureel erfgoed tussen de Vlaamse Regering en de Stad Gent, heeft de bekendmaking van het stedelijk funerair erfgoed ingeschreven in haar werking voor het jaar 2001. Het lag voor de hand dat de bekendste begraafplaats van Gent, het Campo Santo, het eerst aan bod zou komen. Daartoe kon een beroep worden gedaan op Luc Lekens, lid van het Campo Santocomité, iemand die sinds vele jaren geduldig alle mogelijke informatie heeft ingezameld. Johan Decavele, directeur Dienst Culturele Zaken van de stad Gent, stond in voor de eindredactie. "Het Campo Santo in 131 levensverhalen" Het Campo Santo in Sint-Amandsberg wordt wel eens de merkwaardigste begraafplaats van Vlaanderen genoemd. Op de lijst van graven die door het Campo Santocomité worden beschermd staan zo'n honderddertig namen van belangrijke figuren uit de wereld van kunst en cultuur, wetenschap, politiek en industrie. De waardevolle grafmonumenten maken van dit kerkhof een waar openluchtmuseum.
    • "De Westerbegraafplaats van Gent" geeft een beeld van de enorme rijkdom aan grafvormen op dit 'Geuzenkerkhof'. De voorgeschiedenis vertelt hoe de Westerbegraafplaats niet alleen ontworpen werd als rustplaats voor alle doden, maar ook als wandelplaats voor de levenden en terecht een 'jardin des morts' werd genoemd. De verschillende grafvormen worden ingedeeld in enkele grote groepen: baldakijnen, minitempels als grafkapellen, tempelportieken, deurportieken, beelden als graftekens en graven als reclameborden. In een volgend deel bespreekt men de uitzonderlijke openheid van deze begraafplaats voor alle gezindten, zowel katholieken als vrijmetselaars en vrijzinnigen werden er te rusten gelegd. Ten slotte wordt er een bloemlezing gegeven van enkele merkwaardige graven. 4

2.5.4 Orgels en klokken

Orgels worden in de mate van het mogelijke vermeld in Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen, zij het met informatie die gebaseerd is op bestaande literatuur en op de hieronder genoemde orgelinventarissen.
Klokken worden niet opgenomen in Bouwen door de Eeuwen heen.

1 Inventaris van het orgelbezit in Vlaanderen

De inventaris van pijporgels in publiek toegankelijke gebouwen in Vlaanderen wordt op dit moment beheerd vanuit het VIOE, door Patrick Roose. De inventaris bevat ca. 2000 orgels en bestaat uit een historisch en technisch rapport per orgel. Doelstellingen zijn het opmaken van een status quaestionis - "weten wat we hebben" – en het beschikbaar stellen van vertrekmateriaal voor vergelijkende studies voor experten, basismateriaal voor auteurs van lokale monografieën en technische gegevens ten gebruike van ontwerpers van restauratiedossiers. De belangrijkste kwaliteit is de zeer diepgaande technische analyse (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Waalse of sommige buitenlandse inventarissen).
Knelpunten zijn de de inhoudelijke hiaten van de eerste boekdelen, die minder diepgaand werden aangepakt en dus toe zijn aan actualisatie. De inventarisatie is ook nog niet gebiedsdekkend voor Vlaanderen. Het veldwerk gebeurde voor nagenoeg het volledige grondgebied, de publicatie ervan vergt echter nog redactioneel werk voor wat betreft de technische onderzoeken.
De ontsluiting gebeurt met publicaties, aangepakt per arrondissement. 1 2 3 4 5 Enkel het laatste deel is nog beschikbaar, de vier eerste delen zijn uitgeput. Deze zijn enkel nog in bibliotheken of antiquariaten te vinden. De teksten zijn reeds ten dele in Word beschikbaar bij het VIOE, op aanvraag.6 Sinds oktober 2010 wordt de orgelinventaris digitaal ontsloten via de Inventaris van het Onroerend Erfgoed als een specifieke module met historische orgels. Deze inventaris is nog in volle opbouw en bevat momenteel (begin 2011) enkel informatie over orgels in de arrondissementen Diksmuide, Ieper, Roeselare en Veurne.

Stand van zaken orgelinventarisatieFig. 1: Stand van zaken: orgelinventarisatie.

2 Inventaris van luidklokken in torens van publieke gebouwen

De inventaris van de luidklokken werd in de jaren 1977-1980 door een administratief medewerker van de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen opgemaakt. Dit was geen deskundige. Er werd een invulformulier toegezonden aan elke potentiële eigenaar van één of meerdere luidklokken (kerkfabrieken, kloosters, gemeentehuizen…) en die gegevens werden verzameld.
Deze inventaris is maar een schriftelijke enquête: er is geen veldwerk verricht door deskundigen.
Omdat niet alle aangeschrevenen hebben geantwoord, is deze inventarisatie sowieso onvolledig. De kwaliteit van de antwoorden is zeer ongelijk, naargelang de kennis en de inzet van de respondent. Wellicht is een deel van de invulfiches verloren gegaan.

Het VIOE heeft in 2006 een volledige lijst opgesteld van alle beschikbare enquêteformulieren. Deze lijst is verkrijgbaar bij Patrick Roose
Er is geen personeel of budget om deze formulieren te ontsluiten. In bijzondere gevallen kunnen ze ingekeken en gekopieerd worden (enkel op aanvraag).

2.5.5 Tuinen en parken

1 Stand van zaken

Stand van zaken inventarisatie tuinen en parkenFig. 1: Stand van zaken inventarisatie tuinen en parken.

Chris De Maegd schreef in M&L een artikel over de stand van zaken en het belang van het lopende inventarisatieproject van historische tuinen en parken in Vlaanderen. 1 De voorliggende tekst is uit deze bijdrage overgenomen, met dank aan de auteur. In de reeks Bouwen door de Eeuwen Heen worden de gebouwen niet systematisch gekaderd in hun omgeving van erven, tuinen, parken, hagen enz. Zeker in de oudste delen ontbreekt dit element helemaal. Pas sedert het Charter van Firenze van 1982 is er internationale erkenning van het belang van tuinen. In navolging van Wallonië werd in 1994 in Vlaanderen de inventarisatie gestart van dit onroerend erfgoed. Een belangrijke doelstelling van de auteurs was om via de inventaris niet-ingewijden te leren kijken met de ogen van een inventaris. Die moet het object analyseren, er de essentie van onderstrepen en het evalueren. Dat proces helpt bij het beheren van erfgoed vanuit de juiste historische reflex.
De inventarisatie gebeurde eerst uitsluitend in Limburg, sedert 1997 nagevolgd in Vlaams-Brabant. Ondertussen beslaat de "Inventaris Historische Tuinen en Parken" toch al een goed deel van deze beide provincies.

Voor Limburg gebeurden het onderzoek en de publicatie volgens dezelfde administratieve indeling (arrondissementen en kantons) als voor de reeks Bouwen door de Eeuwen heen; in Wallonië werd dit systeem ook gevolgd. Sint-Truiden en vier landelijke gemeenten op de grens met Brabant zijn het onderwerp van het eerste Limburgse deel. De stad Hasselt en de twaalf overige gemeenten maken het tweede deel uit. Het derde deel wordt gevormd door de stad Borgloon en vier naburige gemeenten. Samen vormen ze het kanton Borgloon in het arrondissement Tongeren. De inventarisatie van Bilzen en Hoeselt (kieskanton Bilzen) is achter de rug; voor Hoeselt is de redactie al beëindigd, voor Bilzen bijna. De tuininventaris van Voeren staat nu op het programma; Tongeren en Riemst. Maasmechelen en Lanaken, de vier overige kantons in het arrondissement Tongeren en alle gemeenten van het arrondissement Maaseik blijven voorlopig op tuingebied een blanco kennisvlak.

In de Bouwen-reeks beslaan de Vlaams-Brabantse arrondissementen Leuven en Halle-Vilvoorde elk maar één boekdeel. Het zijn de twee allereerste inventarissen in de reeks en ze moeten beschouwd worden als pilootprojecten om de methodologie te ontwikkelen en uit te testen. Een aantal criteria zijn ondertussen sterk verouderd, zoals het gegeven dat enkel het bouwkundig erfgoed van voor 1830 behandeld werd. De tuininventaris is veel uitgebreider, immers in de 19de en begin 20ste eeuw werden veel nieuwe kastelen en voorstedelijke villa's en woningen van dorpsnotabelen gebouwd. Het onderzoek gebeurde disparaat: een beheersdossier voor een landschap of een beschermingsaanvraag was dikwijls de aanleiding om een onderzoek van een gemeente te starten. De inventaris van Vlaams-Brabant wordt dus niet per arrondissement, niet per kanton gepubliceerd en evenmin gegroepeerd rond een stad. De provincie zal uiteindelijk zeven boekdelen beslaan; het vijfde deel dat in 2008 wordt gedrukt, sluit aan bij het eerste deel van de provincie Limburg. De redactie van het zesde deel met Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst is voltooid en de uitgave is eind 2008 zo goed als persklaar. Van een zevende deel dat Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk en Wemmel zal omvatten zal de redactie tegen einde 2008 rond zijn. Maar de gemeenten Beersel, Bertem, Drogenbos, Halle, Herent, Hoeilaart, Huldenberg, Kortenberg, Leuven, Linkebeek, Overijse, Sint-Genesius-Rode en Tervuren blijven voorlopig zonder inventaris, al zijn een aantal teksten wel al beschikbaar.

De particulariteiten van de onderzochte streek bepalen vanzelfsprekend de inhoud van elke inventaris, maar de persoonlijke interesse van de inventarissen schemert in elk deel door. Zo weegt de dendrochronologie in de Vlaams-Brabantse inventaris zwaarder door. In de Limburgse boeken is er meer aandacht voor hagen, hekken, muren, boerentuintjes en erven.

2 Samenstelling

De inventarissen zijn allemaal gedocumenteerd met historische kaarten, oude prentkaarten, plannen, gravures, tekeningen, aquarellen, oude en recente foto's. Alle opgenomen objecten zijn per gemeente gelokaliseerd op de recente stafkaart met schaal 1/50.000. In de inleiding worden de doelstelling, het onderzochte gebied, de definitie van de gebruikte termen, de onderzoeksprocedure en de gebruikte bronnen voorgesteld.

De opgenomen objecten worden beschreven en getypeerd en van de belangrijkste tuinen en parken wordt het ontstaan gesitueerd en de evolutie tot vandaag gevolgd. Een synthese gaat elke tekst vooraf en de vertalingen daarvan in het Frans en Engels werden achteraan verzameld. Het personenregister en de synthetiserende tabel met het typologisch overzicht, een overzicht volgens de oorsprong van de opgenomen objecten en een overzicht van hun belangrijkste kwaliteiten en kenmerken moeten verder onderzoek stimuleren en het formuleren van conclusies vergemakkelijken. Deze kunnen invloed hebben op het beleid en de dagelijkse zorg voor het patrimonium.

3 Kwaliteiten en knelpunten

De inventarissen van historische tuinen en parken bewijzen hun nut op velerlei gebied. Ze zijn nodig bij de adviesverlening in de zorgende omgang met landschappen, parken en dorpsgezichten, ze zijn de basis voor het onderzoek naar eventuele beschermingen en zijn er het referentiekader voor. Ze worden geraadpleegd voor het cultuurhistorische aspect bij de afbakening van ankerplaatsen en voor het schrijven van de verantwoording daarvoor. Bovendien zijn ze een niet te onderschatten steun in het overleg over aangelegenheden waar de belangen van natuurverdedigers in conflict komen met de cultuurhistorische benadering die voor beschermde parken en tuinen een vanzelfsprekende reflex zou moeten zijn.

De zeven, weldra acht inventarisdelen van Inventaris Historische Parken en Tuinen zijn degelijke opstappen naar de nog te schrijven geschiedenis van de tuinkunst in België. In overzichten, ongeacht of ze vulgariserend zijn of wetenschappelijke pretenties hebben, worden onze tuinen zelden vermeld of zijn het altijd hetzelfde handvol, niet eens in Vlaanderen gelegen tuinen.

Enkel in Limburg en Vlaams-Brabant is de inventarisatie van tuinen en parken aan de gang. In de andere drie provincies werd nog geen inventarisatie opgestart. Hoewel het onderzoek in Limburg en Vlaams-Brabant tegen einde 2008 niet voltooid zal zijn, is de voortzetting ervan vanaf 2009 een groot vraagteken.

De "Inventaris Historische Tuinen en Parken" is ontsloten met rijk geïllustreerde wetenschappelijke publicaties, die verschenen in de reeks M&L Cahiers. 2 3 4 5 6 7 8 9 10 De gegevens zijn echter tot nog toe niet opgenomen in een databank en zijn niet digitaal beschikbaar.

4 Externe initiatieven

  • Voor Kortrijk werd door Debrabandere een inventaris opgemaakt van de tuinen en parken. 11
  • Volkstuinen in Vlaanderen. Op donderdag 6 september 2007 organiseerde het departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid, in samenwerking met de provincie Oost-Vlaanderen, UGent en KADOC de studiedag ‘Volkstuinen in Vlaanderen: verleden, heden en toekomst’. Daarop werd onder meer de studie Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit een sociologische en ruimtelijke benadering voorgesteld. De studie is een realisatie van UGent (Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning) in opdracht van het departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid. De studie beoogde in eerste instantie een inventarisatie van de volkstuinparken in Vlaanderen en het Brussel Hoofdstedelijk Gewest. Aan de hand daarvan worden die parken in het studierapport onderling vergeleken en hun beleids- en juridische context geanalyseerd. Er wordt eveneens een richtnorm voor de behoeftebepaling van volkstuinen berekend. Op basis van een sterkte-zwakteanalyse formuleren de onderzoekers aanbevelingen. Op de website 'het abc van de volkstuin' kunnen de studieresultaten gedownload worden. Er is ook een publicatie aan verbonden.12

2.5.6 Varend erfgoed

2.5.6 Varend erfgoed

Varend erfgoed wordt niet opgenomen binnen de inventarisreeks Bouwen door de Eeuwen heen. Voor Oostende werden wél een aantal boten opgenomen in de straatinleidingen.

Het VIOE maakt een aparte, gespecialiseerde inventaris van varend erfgoed. De doelstelling is de wetenschappelijke vaststelling van de inventaris van het varend erfgoed ten behoeve van het beleid. Men wil een basis voor het bepalen van de waarden, zoals vernoemd in het decreet op het beschermen van het varend erfgoed.
Het belang van deze inventaris ligt in de nieuwe benadering van het begrip erfgoedwaarde op vlak van varend erfgoed. De knelpunten van de inventaris zijn de beperkte bronvermelding en de beperkte wetenschappelijkheid van de bestaande literatuur en van het beschikbare onderzoek.
De inventaris bestaat uit een negentigtal relicten; de inventarisfiches zijn digitaal beschikbaar, er zijn digitale foto's voorzien. Contactpersoon in het VIOE is Tom Lenaerts.

2.6 De nieuwe website "Inventaris Onroerend Erfgoed" van het VIOE

2.6 Website "Inventaris Onroerend Erfgoed" van het VIOE

Op 27 mei 2009 stelde het VIOE de website inventaris.vioe.be voor. Met deze site wil het instituut zijn inventarissen via een centrale plek digitaal ter beschikking stellen. De grootste inventaris die momenteel wordt aangeboden is die van het Bouwkundig Erfgoed in Vlaanderen. In tegenstelling tot de oude inventariswebsite bevat deze alle verzamelde info uit de actualisatie van de adres- en statusgegevens. Door de aanvulling met thematisch-typologische zoekmogelijkheden is de vernieuwde inventaris ook gebruiksvriendelijker en beter doorzoekbaar.

Gaandeweg zullen meer inventarissen aan de site worden toegevoegd. Zo kan nu reeds de inventaris van wereldoorlogerfgoed in de Westhoek geraadpleegd worden. De inventaris van orgels zal geïntegreerd worden in de databank van de Inventaris Bouwkundig Erfgoed. En ook de inventarissen van het archeologisch erfgoed en van het landschappelijk erfgoed zullen op termijn een plek vinden in de digitale inventaris. Het doel is om alle digitaal beschikbare inventarissen via één gemeenschappelijke weg aan te bieden.