5.7.3 Religie

  • Auteurs: M. Martens en S. Vanhoutte

De verovering van onze gebieden en de daaropvolgende geleidelijke reorganisatie van de maatschappij hadden zeker ook een impact op de geloofsbeleving van de autochtone bevolking. De bewoners van de stad, de vici, de villae en de boerderijen op het platteland hadden hun systeem van ideeën over de metafysische wereld van voorouders, geesten en goden. Het is dit systeem van overtuigingen en waarden, dat door elk individu anders beleefd en ingevuld werd, dat we hier willen benaderen onder de hoofding van Gallo-Romeinse religie. Hoe deze mensen nieuwe invloeden uit de Romeinse wereld verzoenden met hun traditionele opvattingen is een moeilijk te beantwoorden vraag. Aan de religie van de Gallo-Romeinen in onze gebieden werd in het verleden nauwelijks aandacht besteed. Buiten de publicatie van opgegraven tempels en godenbeeldjes was er totnogtoe weinig aandacht voor religie in Vlaanderen. (Van Doorselaer 1977) (Thoen 1999) Er zijn bovendien weinig gegevens ter beschikking omwille van een algemene achterstand in het onderzoek. Aan de grondslag van deze achterstand ligt een aantal oorzaken.

Ten eerste zijn er weinig cultusplaatsen opgegraven. Bovendien zijn de onderzochte cultusplaatsen meestal maar gedeeltelijk opgegraven en vaak nog niet of amper bestudeerd. Verder zijn er voor onze regio geen synthesestudies beschikbaar. Het grondgebied van Vlaanderen komt wel aan bod in een aantal bijzonder interessante overzichten met betrekking tot één of meer aspecten van de Gallo-Romeinse religie. (Cabuy 1991) (Derks 1998) (Scheid 2006) Ten vierde werd in Vlaanderen pas de laatste jaren aandacht besteed aan de religieuze praktijken in en buiten cultusplaatsen. Over het algemeen heerste in Vlaanderen het theoretisch uitgangspunt dat de geloofs –en gevoelswereld niet te benaderen is vanuit de ons overgeleverde materiële cultuur. De laatste decennia kwam hier verandering in onder invloed van buitenlandse publicaties rond het onderwerp. (Roymans:1990) (Hill 1995) (Clarke 1997) (Derks 1998) (Fauduet 1993) (Fulford 2001) Ook de schaalvergroting van het archeologisch onderzoek in Vlaanderen ten gevolge van een algemenere toepassing van de principes van het Verdrag van Malta, was één van de oorzaken van de mentaliteitsverandering. Net door de grootschaligheid van de sites vielen bepaalde archeologische sporen en contexten door hun aard en samenstelling al tijdens de opgravingen op. De ontdekking van rituele deposities (Martens & Vanderhoeven 1999) (Martens 1999) (Martens e.a. 2002) en een Mithrastempel met een reeks offerkuilen in de zuidwestelijke periferie van de vicus van Tienen (Martens 2004; Martens 2007) lieten toe de buitenlandse inzichten met betrekking tot rituelen te toetsen aan eigen bevindingen en onderzoek.

Over rituele handelingen en de betekenis hiervan voor een analyse van specifieke cultusgemeenschappen kunnen we veel leren door het tot in detail analyseren van de cultusplaatsen en van de bijhorende rituele contexten met hun materiële cultuur. Binnen de context van dit hoofdstuk kan dit maar op een oppervlakkige manier. Vooreerst worden de epigrafische bronnen die meer leren over het onderwerp besproken. Vervolgens maken we een korte schets van de tempels en cultusplaatsen met hun eventuele rituele deposities en hun regionale verscheidenheid. Daarna bekijken we de overblijfselen van rituele activiteiten buiten de cultusplaatsen. Een belangrijke bron voor deze analyse is het onderzoek van de terracottabeeldjes en hun contexten in het kader van het doctoraat van J. De Beenhouwer. Dit werk leverde uitzonderlijke informatie op over rituele deposities binnen en buiten cultusplaatsen. (De Beenhouwer 2005) Naast godenbeeldjes zijn er andere vormen van materiële cultuur van belang voor de studie van religie in onze gebieden. Een goed voorbeeld hiervan is het recent onderzoek van de vuurbokken. (De Clercq 2007) Vroeger werd aangenomen dat het fenomeen van de vuurbokken een betekenisloze doorleving van pre-Romeinse tradities betrof zonder veel iconografische of religieuze waarde. (Bourgeois:1983) Nu wordt echter aangenomen dat deze voorwerpen regionale religie-gebonden betekenissen hadden waarin diervoorstellingen zoals bijv. everzwijnen figureerden. (De Clercq 2007)

Ondanks het gebrek aan algemeen diepgaand onderzoek betreffende dit onderwerp is het door het samenbrengen van alle beschikbare informatie toch mogelijk voorzichtige uitspraken te doen over de geloofsbeleving van de Gallo-Romeinen in onze gebieden en het potentieel van toekomstig onderzoek.

Onderzoek van epigrafische bronnen

Belangrijke informatie over geloofsbeleving van de bevolking in onze gebieden komt uit de studie van de inscripties. Deze werden voor de provincie Germania Inferior samengebracht en besproken door verschillende onderzoekers. (Derks 1998) (Scheid 2006) Informatie uit epigrafische bronnen is vanzelfsprekend complementair aan informatie die we verkrijgen door het archeologisch onderzoek van cultusplaatsen en hun materiële cultuur. Beide hebben hun beperkingen door het feit dat hun ontdekking berust op toeval en dat zij maar een beperkt deel van de religieuze praktijken in kaart kunnen brengen.

De opschriften vertellen ons meer over welke goden vereerd werden in onze gebieden, door wie en op welke plaatsen. In de bovenvermelde studies wordt veel aandacht besteed aan de dedicanten van de opschriften. Waren het militairen, Romeinse burgers, van autochtone oorsprong of niet, autochtone inwoners zonder Romeinse burgerrechten, of voorbijgangers? Zo kan er ook een beeld geschetst worden van welke bevolkingsgroepen op welke plaatsen bij voorkeur een bepaalde godheid aanbaden.

In de Civitas Tungrorum werden 32 opschriften aangetroffen met de vermelding van 26 godheden, waarvan 4 goden van locale oorsprong. (Scheid 2006) Ondanks het feit dat voor de Civitas Tungrorum geen echte hoofdcultus kon bepaald worden kunnen we toch vaststellen dat de cultus van Jupiter Optimus Maximus zeer goed vertegenwoordigd is. In Tongeren zelf worden de volgende godheden in opschriften vermeld: Iupiter Optimus Maximus en de Genius Municipii Tungrorum, Fortuna, Hercules Magusanus, Iuppiter Dolichenus, Hercules (?) en Volkanus. In Jeuk werden opschriften ontdekt waarop de god Hercules 4 maal en Alcmena één keer vermeld staat. In Sint-Huibrechts-Hern werd een opschrift aan Vihansa aangetroffen en in Vliermaal eentje met de vermelding van Iupiter Optimus Maximus. In Tienen is een votiefplaatje met Deus Invictus Mithras gevonden. (Scheid:2004) In vergelijking met de naburige civitates is het opvallend dat de Matrones in de opschriften volledig ontbreken.

Uit het onderzoek van Derks “Gods, Temples and Ritual Practices” blijkt bovendien dat meer dan 2/3 van de opschriften (Derks1998) afkomstig zijn van formuleringen in het kader van votiefpraktijken. Dit cijfer blijft consistent, of het nu gaat om militairen, Romeinse burgers of autochtonen, en eveneens voor alle godheden in de verschillende civitates of de individuele plaatsen. Dit betekent dat de praktijk van het votum een zeer belangrijke plaats innam binnen het religieuze leven van de Gallo-Romeinen in onze gebieden. Het votum is een soort van contract met de een godheid over het volbrengen van een specifieke wens tegen specifieke voorwaarden. Als de godheid de wens van de aanvrager inwilligde voerde deze het contract uit, in vele gevallen door het offeren van de overeengekomen goederen/dieren of het leveren van bepaalde diensten. Het einde van een succesvol contract werd besloten met een “schrijven” in de vorm van een inscriptie op steen, brons, keramiek of wellicht ook op meer vergankelijke materialen. Van deze laatste formuleringen is het aantreffen van zegeldoosjes in offerkuilen in en buiten cultusplaatsen wellicht het bewijs. De standaardformulering Votum Solvit Libens Merito (VSLM) of “heeft zijn gelofte graag en met reden uitgevoerd” betekend dan ook het einde van de reeks handelingen die het votum inhoudt. (Derks:1998)

Cultusplaatsen en tempels

Derks omschrijft een cultusplaats als volgt: “Cultusplaatsen zijn plaatsen bedoeld voor het aanbidden van één of meerdere kosmologische krachten, afgescheiden van de profane wereld, waar de leden van een cultusgemeenschap regelmatig samenkomen om er hun persoonlijke of collectieve rituelen uit te voeren ten opzichte van een rituele focus.”

Er zijn verschillende categorieën van cultusplaatsen te onderkennen. Ten eerste zijn er de individuele tempels met hun temenos. Deze tempels kunnen van het Romeinse of van het Gallo-Romeinse type zijn. De Gallo-Romeinse tempels hebben een vierkante cella en zijn omgeven door een zuilengaanderij. De tempels van het Romeinse type bestaan uit een cella, voorafgegaan door een voorhal met zuilen en bevinden zich op een podium, bereikbaar met trappen aan de voorzijde. Een derde mogelijkheid is een inheemse Gallo-Romeinse tempel zonder porticus. Tempels kunnen gelegen zijn in de stad of in de vici (Tongeren, Kontich, Grobbendonk, Velzeke, Tienen), maar ook buiten bewoonde kernen (Hofstade). In Grobbendonk kunnen we eerder spreken van een tempelcomplex, met verschillende tempels bij elkaar.

Naast cultusplaatsen met tempelgebouwen, werden in Vlaanderen ook enkele cultusplaatsen in openlucht aangetroffen met ceremoniële en rituele functie (Tienen, Wijnegem). Deze bestaan minimum uit een ruimte, omgeven door een gracht of wal. Op andere plaatsen werden ook deposities aangetroffen zonder enige vorm van ruimtelijke structuren (Wijshagen). Rituele natuurlijke plaatsen zoals bronnen, vennen, grotten of stenen werden in Vlaanderen nog niet aangetroffen.

Tongeren

De enige plaats in Vlaanderen waar een tempel van het Romeinse type werd ontdekt, is Tongeren. Het is meteen ook de enige met zekerheid geïdentificeerde tempel van Tongeren. Het gebouw werd in de jaren 1960 met parallelle sleuven in kaart gebracht. (Lesenne 1975, 62-63 en 66; Mertens 1977a; De Boe 1980a) Van deze opgraving is nooit een eindverslag verschenen. Toch hebben velen er aandacht aan besteed, in het kader van onderzoek naar cultusplaatsen of tempelcomplexen. (Cabuy 1991; Derks 1998; Fauduet 1993; Raepsaet-Charlier 2007; Trunk 1991; Van Doorselaer 1973) In de jaren 1990 werden de oude gegevens gedeeltelijk onderzocht en werd tevens een bijkomende sleuf aangelegd met als doel de bewaringstoestand van het niet in de jaren 1960 opgegraven bodemarchief na te gaan. Ook van dit onderzoek is op dit ogenblik nog geen rapport beschikbaar. Aan de Hasseltsetraat werd tijdens werken een monumentale podiumfundering van een andere vermoedelijke tempel verwijderd. De contouren daarvan werden zo goed als mogelijk door Mertens opgetekend. (Mertens 1977a)

Velzeke

In Velzeke werden twee Gallo-Romeinse tempels opgegraven, één in de oostelijke en één in de westelijke sector van de vicus. (Jamée 1972) (Meex & Mertens 1972) (Meex & Mertens1973) (Rogge 1994) De tempel in de oostelijke sector was waarschijnlijk in gebruik van het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw tot aan de eindfase van de site. Bij deze tempel werd in een ondiepe kuil één beeldje gevonden, van een staande Fortuna, samen met een bronzen armband en enkele dierenbeenderen. Verder onderzoek van de omgeving van deze tempel zou meer gegevens over de cultus en rituele activiteiten aan het licht kunnen brengen. (De Beenhouwer 2005)

De westelijke tempel werd aangelegd in de post-Flavische tijd en bleef in gebruik tot ongeveer 275 n.Chr. Bij deze tempel werden talrijke sporen van rituele activiteiten aangetroffen. In de 2de-eeuwse occupatielaag rond de tempel bevonden zich fragmenten van een terracottabeeldje van een paard en van een vrouw. De voortzetting van deze laag ten westen van de tempel leverde vooral fragmenten op van Venus en Nutrix. Ten oosten van deze tempel bevond zich een groep van kuilen met in de vulling vaak intact vaatwerk en voorwerpen die verwijzen naar de cultus van Mercurius, Jupiter en Mars. Deze complexe vergraving met op de bodem drie intacte maalstenen, bevatte verschillende fragmenten van terracottabeeldjes met de voorstellingen van Nutrix, Jupiter-Taranis, een buste en een paard. Fragmenten van een leeuw of stier werden gevonden in een kuil ten zuiden van deze vergraving. (De Beenhouwer 2005)

Kontich

In Kontich werd een Gallo-Romeinse omgangstempel aangetroffen in het centrum van de vicus. (Lauwers 1967) (Lauwers 1971) (Verbeeck 2001) In het oostelijk deel van de cella werd in een kuil een fragment van een Minervabeeldje gevonden. Deze kuil was door zijn vorm en ligging het spiegelbeeld van een funderingskuil voor een stenen sokkel in het westelijk deel van de cella. In een vondstrijke laag bij een paalspoor tussen de tempel en de zuidoostelijke afbakening van de temenos werd het hoofd van een Minervabeeldje aangetroffen. Mogelijk gaat het om een fragment van hetzelfde beeldje dat in de cella werd gevonden. Fragmenten van een Venusbeeldje werden ontdekt in de archeologische laag ter hoogte van de noordwestelijke cellamuur. (De Beenhouwer 2001) (De Beenhouwer 2005)
Mogelijk wordt deze tempel voorafgegaan door een oudere fase in hout.

Hofstade

De Gallo-Romeinse tempel van Hofstade werd aangelegd binnen een trapeziumvormige temenos. (De Laet 1950) Het gaat om een Gallo-Romeinse tempel, die alleen uit een cella bestaat en dus geen zuilengaanderij heeft. Dit is meteen de enige tempel van dit type in Vlaanderen. De tempel wordt gekenmerkt door twee bouwfasen. Volgens De Laet had de vernieling van het oudere heiligdom plaats kort voor het midden van de 1ste eeuw. De Beenhouwer toont echter, op basis van detailonderzoek van terracottabeeldjes, aan dat de brand en de heropbouw van de tempel van Hofstade moeten hebben plaatsgevonden in de loop van het vierde kwart van de 2de eeuw. Een aantal van de rituele deposities staan volgens De Beenhouwer in verband met de heropbouw van een nieuwe tempel. De grootste en meest talrijke fragmenten van terracottabeeldjes werden bijgezet als bouwoffer in een kuil (kuil 3) onder de cellamuur van de nieuwe tempel. (De Beenhouwer:1996) Ook 2 andere kuilstructuren werden aangelegd tussen twee bouwfasen van het tempelcomplex. (contexten Hofstade 83, 84 en 85) De eerste (kuil 1) was aanzienlijk dieper en bevond zich buiten de temenos. Hij bevatte een groot aantal ongeschonden voorwerpen. Beide andere kuilen (2 en 3) bevonden zich binnen de temenos. De gelijktijdigheid van de drie structuren werd aangetoond door het onderzoek van de statuetten en het vaatwerk. Inhoudelijk is er een verschil tussen de vullingen van de kuilen. Het meest frappant is de overvloed aan terra sigillata in kuilen 2 en 3 en de afwezigheid ervan in kuil 1 en onder de bevloering van de tempel. Anderzijds bevatte kuil 1 vele bronzen voorwerpen, die opvallend afwezig waren in de andere kuilen. Ook het aandeel van de terracotta’s was er beduidend groter. Het verschil tussen de kuilen is bijgevolg niet chronologisch, maar eerder een gevolg van een selectie van de voorwerpen per context. Het schaarse vaatwerk uit kuil 3 komt typologisch en chronologisch wel overeen met dat van kuilen 1 en 2. In dit licht kan ook de ligging van kuil 3 worden verklaard, die door de noord - en de westmuur van de cella wordt gesneden. Het aanleggen van offerkuilen met een welbepaalde inhoud in de fundering van gebouwen is een gekend fenomeen dat ook op andere plaatsen werd vastgesteld. Het is ook opmerkelijk dat de vulling van deze kuil bijna geen vaatwerk bevatte, maar wel bijna alle bronzen voorwerpen en vooral alle grote fragmenten van de statuetten van godinnen die duidelijk uit het afval geselecteerd werden. (De Beenhouwer 2005)

Wijnegem

In Wijnegem werd een cultusplaats aangetroffen, bestaande uit een plaats omgeven door palenrijen, met zijdes van 30 tot 33 m, met een annex. De ingang bevindt zich in het midden van de zuidoostelijke zijde. Binnen de omheining werd een aantal kuilen aangetroffen. Uit deze kuilen en hun omgevingen werden in het totaal 43 munten, 9 bronzen armbanden en 8 fibulae ingezameld. Oorspronkelijk werd dit complex geïnterpreteerd als een veekraal, (Cuyt 1983) maar het grote aantal bronzen voorwerpen zette andere onderzoekers aan tot een interpretatie als cultusplaats (Slofstra & Van der Sanden 1987). De zgn. ‘cultus’armbanden vormden het onderwerp van een aparte publicatie. (Sas & Cuyt 2003)

Tienen

Aan de zuidwestelijke rand van de vicus van Tienen werd in de Augusteïsche periode een vierkant enclos aangelegd, omgeven door een gracht en waarschijnlijk ook een wal. Het vierkant had een zijde van ongeveer 40 m. De ingang bevond zich in de noordoostelijke zijde en was gericht op een weg en ook op het centrum van de vicus. In de noordelijke hoek van het enclos bevond zich een groot gebouw van het inheemse type. In de onderste laag van de gracht werden een aantal tanden van runderen teruggevonden. Deze zijn wellicht overblijfselen van runderschedels die op de bodem van de gracht begraven werden. In de gracht, aan weerszijde van de ingang, werden deposities van keramiek, waaronder een groot aantal gefragmenteerde zoutcontainers, Belgische bekers en kurkurnen aangetroffen. In deze depositie bevond zich ook een intaglio in glaspasta van Italische oorsprong, fragmenten van glazen armbanden en kralen, munten, een bronzen palmet en een groot aantal schoennageltjes. Dit enclos wordt in verband gebracht met ceremonieën en rituelen voor de stichting van de vicus. (Martens ea 2002)

Grootschalige noodopgravingen in de zuidwestelijke sector van de vicus van Tienen brachten een cultuscomplex voor de god Mithras aan het licht. (Martens 1999) (Martens e.a. 2004) (Martens 2004) De ontdekking van de cultusplaats was een grote verrassing. Dit is het eerste mithraeum aangetroffen in de Benelux. Het gebouw werd in de 3de eeuw n.Chr. opgericht tussen de ambachtelijke zone en het zuidwestelijk grafveld van de vicus. Van het gebouw zelf blijft alleen de middenbeuk, die in de grond was uitgegraven, gespaard van erosie. Van de zijbeuken (zitbanken) bleven maar enkele paalkuilen bewaard. De belangrijkste plaats binnen de tempel is gelegen aan de noordwestelijke zijde, recht tegenover de ingang. Hier, waar de stierdodingsscène zich bevonden moet hebben, was een vloertje van 2 m op 2 m geconstrueerd in dakpannen en vierkante hypocausttegels. Onder dit vloertje bevond zich een kuil met een dolk, aardewerk en dierenbeen. De dolk en de overige inhoud van deze kuil hebben zeker een rituele betekenis, aangezien ze zich op de heiligste plaats in de tempel bevonden.

Naast de tempel lag een reeks kuilen met rituele vulling. Het hele complex was omgeven met een palissade. Op de kiezelweg voor het mithraeum werd een bronzen votiefplaatje aangetroffen met de inscriptie: D(eo) I(nvicto) M(ithrae) | Tullio Spuri (f of s?) | vslm.: “Aan de onoverwinnelijke god Mithras, Tullio (zoon of slaaf van) Spurius heeft zijn gelofte gaarne en met rede ingelost”.

De reeks kuilen naast de tempel was gevuld met overblijfselen van rituele activiteiten, vooral houtskool, aardewerk en dierenbeen. Al het aardewerk werd tot in detail gepuzzeld, zodat het aantal individuen nauwkeurig kon geteld worden. Er waren grote aantallen kannen, kookpotten, deksels en borden. Verrassend was ook het aantal wierookbranders van lokale makelij. Van de 107 was een groot deel aangetast door het branden van wierook. Minder onverwacht zijn de 12 olielampen, die vaak in mithraea worden aangetroffen. In het totaal werden ook 94 drinkbekers in metaalglans aardewerk ingezameld, de meeste afkomstig van ateliers in Trier. Deze bekers vormen het belangrijkste criterium om de rituelen in de 2de helft van de 3de eeuw te plaatsen. Naast het gewone aardewerk werden er ook speciaal voor de Mithrascultus gemaakte objecten aangetroffen. Het gaat om een lokaal geproduceerde geglazuurde krater met een medallion in de vorm van een Mithrasbuste, een deksel met leeuw, krater en slang, een krater in sigillata met op één handvat een slang en op het andere een leeuw en een groot slangenvat. Dit laatste vat is het enige van de honderden gekende vaten waarbij de slang functioneel is en niet zuiver decoratief.

Naast de keramiek werden in het totaal 14.000 dierenbeenderen opgegraven en bestudeerd. (Lentacker e.a. 2004) Een gedetailleerd onderzoek van de beenderen, in combinatie met voorgaande observaties en interpretaties laten toe een hypothetische reconstructie te maken van de gebeurtenissen die plaatsvonden net voor het opvullen van de kuilen. De overblijfselen blijken het resultaat te zijn van een enorm feest of banket. De reconstructie van het minimum aantal individuen geeft aan dat er naast vissaus, minstens 3 vissen, 285 kippen, een aantal wilde vogels, een haas, 10 biggen, 14 lammeren en een hoeveelheid rundsvlees werden geserveerd. Deze totalen geven aan dat er ongeveer 285 personen konden aanwezig zijn op het banket. Het aantal bekers, borden en kookpotten lijkt dit aantal te bevestigen.

De aanwezigheid van enkele soorten dieren in de kuil duiden op een symbolische betekenis.
De dierlijke overblijfselen verwijzen naar bepaalde cultushandelingen, maar ook naar de rituele feestmaaltijden die gehouden werden na de inwijdingsrituelen. Deze feestmaaltijden symboliseren de legendarische maaltijd van Mithras met de god Sol die op de meeste cultusvoorstellingen van Mithras met de stier afgebeeld wordt. De overblijfselen van ca. 285 kippen verwijzen wellicht naar offerrites maar ongetwijfeld werd het overgrote deel van de dieren daarna opgegeten. Gevogelte komt zeer vaak voor in rituele contexten en meestal ook bij mithraea. In dezelfde kuil werden ook de beenderen van biggen en lammeren teruggevonden. Aan de hand van kaakbeenderen van deze lammeren kon men vaststellen op welke leeftijd de dieren geslacht waren. Zo hebben we afgeleid dat de vulling van deze specifieke kuil en dus het ritueel dat eraan voorafging, heeft plaatsgevonden rond eind juni. Deze datum komt goed overeen met één van de twee belangrijkste feesten van de cultus, namelijk de langste dag van het jaar of de midzomernacht. Aan de hand van het aardewerk kon het mithraeum gedateerd worden rond de tweede helft van de 3de eeuw n.Chr.

Rituele deposities

Hieronder bespreken we een aantal opvallende archeologische sporen, waarvan de inhoud duidelijk in verband te brengen is met rituele activiteiten. Het is hier uiteraard niet de bedoeling om exhaustief te zijn. Een aantal van deze deposities staat mogelijk in verband met cultusplaatsen. Om de context van deze deposities beter te kunnen bepalen is verder onderzoek van hun nabije omgeving meestal aangewezen. In tegenstelling tot wat men in het verleden vaak veronderstelde kunnen rituele deposities ook worden aangetroffen buiten cultusplaatsen, in of aan de rand van woonzones. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de zuidwestelijke periferie van de vicus van Tienen. (Martens e.a. 2002) (Martens 2007) Onderzoek van J. De Beenhouwer naar de plaatsen waar terracotta statuetten voorkomen heeft ook uitgewezen dat deze vaak in ambachtelijke zones worden begraven. Dit is het geval voor Tienen, Tongeren, Destelbergen (Eenbeekheide), Harelbeke (Halleberg), Merendree (Molenkouter) en in het castellum Oudenburg. Een verder onderzoek naar de samenstelling van rituele deposities dringt zich ook hier op.

Asse

Te Asse (Kalkoven) werd een grote kuil, met een vulling die duidelijk met rituele handelingen kan geassocieerd worden, gedeeltelijk opgegraven tussen 1982 en 1986. (De Beenhouwer 2005) Naast grote hoeveelheden aardewerk, bouwafval en dierenbeenderen werden ook voorwerpen die eenduidig in de rituele sfeer te situeren zijn aangetroffen: statuetten in terracotta, rookkelken, een bronzen statuette van een bok en een beeldje in vertind messing dat een paard voorstelt. Uit de refitting van de statuetten bleek dat scherven van uiteenlopende niveaus aan elkaar konden worden gepast. Dit bevestigt de homogeniteit van de kuilvulling. Blijkbaar werd deze kuil na het eerste kwart van de 3de eeuw op korte tijd gevuld met bouwpuin van een vernield gebouw en voorwerpen die verwijzen naar de cultus. In totaal werden 232 fragmenten van terracottabeeldjes ingezameld, waarvan wij er 45 aan series konden toeschrijven. De terracotta’s bestaan voor het overgrote deel uit paardenvoorstellingen. Daarnaast komen fragmenten voor van minstens twee cavaleristen, een groep van een man tussen twee paarden, drie Venusbeeldjes en een zittende hond. Van de bouwmaterialen en de beenderen werd niets bewaard. Algemeen beslaat het materiaal een periode van het einde van de 1ste eeuw tot het begin van de 3de eeuw. Hoewel het duidelijk is dat deze kuil in verband staat met rituele activiteiten is het niet duidelijk of ze bij een cultusplaats hoort of er onderdeel van uitmaakt. Verder onderzoek in de omgeving zou toelaten deze vondst beter te kaderen. Het bouwpuin in de kuil zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een tempel in de buurt.

In de directe omgeving van deze kuil werden in lange uitbraaksporen, samen met andere vondsten, een ring in bergkristal met de voorstelling van de god Bonus Eventus, een ketting van loden zonnewieltjes en een fragment van een terracottastatuette met de voorstelling van een nutrix teruggevonden. In de nabijheid werd buiten context tevens een karikaturaal hoofdje gevonden van een oude man.

Harelbeke

Te Harelbeke (Halleberg) werd een grote kuil aangesneden met voorwerpen die onmiskenbaar thuishoren in de cultussfeer. De voorwerpen zijn te dateren van de Flavische tijd tot het begin van de 3de eeuw. Uit deze context beschreef De Beenhouwer in totaal 201 terracottafragmenten, waarvan er 95 aan een serie konden worden toegeschreven. Veruit het grootste aantal van deze beeldjes (92 fragmenten) is afkomstig van voorstellingen van Venus. Verder werden ook hier 29 fragmenten ingezameld van paardenbeeldjes en één cavalerist. Daarnaast komen voorstellingen voor van Minerva, Nutrix, Cybele, Juno, Diana, een doorntrekker, een vrouwenbuste, een zittende man met konijnen, een zittende hond, een stier, een haan en een duif. Door het ontbreken van gegevens over de vorm en de kenmerken van de kuil en de vulling is het vooralsnog moeilijk deze context beter te interpreteren. Verder onderzoek is zeker nodig om de aard en functie van deze Gallo-Romeinse site te leren kennen. Mogelijk is in de nabije omgeving van de kuilen een tempel aanwezig, die functioneerde in de periode die correspondeert met het chronologisch interval van archaeologica uit de kuilvulling: voor Harelbeke valt dit in een periode tussen 70 en 220 n.Chr. (De Beenhouwer 2005)

De statuettes van Harelbeke-Stasegem werden samen aangetroffen met een 400-tal bekertjes. (Despriet 1975) (Despriet 1979) (Matton & Ferfers 1993)

Elewijt

Op de plaats “ Se Steentjes” in Elewijt wijzen zowel talrijke kuilen met rituele inhoud, als de toevallige vondst in 1933 van een fragment van een levensgroot bronzen beeld, een stenen paardenkop en een brokstuk van een getorste witmarmeren zuil, op de aanwezigheid van een cultusplaats. (De Beenhouwer 2005) De terreinen zijn zwaar beschadigd door zandwinningswerken op verschillende tijdstippen in de 20ste eeuw. Verschillende vondstmeldingen van statuetten zijn dan ook slecht gedocumenteerd. Het gaat grotendeels om dezelfde thema’s en series als diegene die opgegraven werden in de kuil die tussen 1982 en 1986 werd opgegraven in Asse. Naast de vele paardenbeeldjes werden ook hier fragmenten gevonden van een cavalerist, een Venusbeeldje, een zittende hond, een groep van een man tussen twee paarden en een buste. Over een andere vondst in 1955 met fragmenten van zeven paardenbeeldjes zijn wij beter ingelicht. Tijdens de opgravingen door J. Mertens op dezelfde vindplaats, werd in 1951 een pootfragment gevonden van een paardenbeeldje. Het kuiltje behoort tot een belangrijk geheel van “afvalkuilen” dat bij de opgravingen van Mertens in kaart werd gebracht. Het is daarom van belang na te gaan wat de precieze aard is van deze structuren, die archaeologica bevatten uit de tweede helft van de 1ste eeuw en de volledige 2de eeuw. De grootste concentratie afvalkuilen bevond zich aan de oostzijde van het opgravingsvlak, grenzend aan het perceel waar eerder kuilen met terracotta’s waren aangetroffen.

Twee grote kuilstructuren vertonen grote overeenkomsten. De vulling bestaat uit een vette organische zwarte grond. Zij bevatten zowel gewoon aardewerk als luxevaatwerk dat zich chronologisch uitspreidt over de tweede helft van de 1ste eeuw en de volledige 2de eeuw. In de aanzet van de eerste kuilstructuur bevonden zich architectuurfragmenten zoals pannen en kalkzandsteen. In de tweede kuilstructuur bevonden zich dierenbeenderen van rund, everzwijn, kip, schaap en hond en enkele ijzeren nagels. Het zand op de bodem van de kuil was rood verbrand, waaruit kan besloten worden dat vuur werd gestookt in de kuil, of dat er brandend afval ingeworpen was. Deze kenmerken zijn ook terug te vinden in andere kuilen, verspreid over het terrein. De depots vertonen onderling verschillen door het voorkomen van brandsporen op de wanden van de kuil en de aanwezigheid van dierenbeenderen, bouwmateriaal of technisch vaatwerk. (Mertens 1954)

Kruishoutem

In Kruishoutem werd de fundering van een altaar en een aantal bronzen statuetten teruggevonden. (Vermeulen 1992) In een kuil met donkere organische vulling en volledig vaatwerk werd ook een terracottabeeldje van een duif aangetroffen. De vondst hoort thuis op het einde van de 2de of het begin van de 3de eeuw. (De Beenhouwer 2005)