3 Neolithicum - Vroege landbouwers

  • Versie: 1
  • Datum: 13/04/2011
  • Auteur: Bart Vanmontfort
  • Medewerkers: Luc Amkreutz, Philippe Crombé, Marc De Bie, Ivan Jadin, Leendert P. Louwe Kooijmans, Marleen Martens, Marijn Van Gils, Philip Van Peer, Pierre Vermeersch

3.1 Inleiding

1 Inleiding

De archeologie van het neolithicum onderzoekt de vroegste landbouwerssamenlevingen in hun toenmalige milieu, op basis van achtergelaten en bewaarde materiële sporen en resten. Het neolithicum kan beschouwd worden als een van de belangrijkste en meest fundamentele transformaties in de menselijke voorgeschiedenis. Een economische omslag ging gepaard met een hele reeks sociale, culturele en ideologische veranderingen. Economisch was de mens niet langer aangewezen op wat de natuur te bieden had; hij slaagde erin plant en dier te domesticeren. Door deze artificiële versie van natuurlijke selectie had een verandering in genotype en fenotype plaats, waardoor populaties van hun wilde voorlopers werden geïsoleerd en afhankelijk werden van de mens voor hun voortplanting. Voor de mens resulteerde dit in een betere controle op de opbrengst van gewassen en huisdieren, een mogelijkheid tot sedentarisatie en opslag van voorraden en een grotere opbrengst per oppervlakte. Het resulteerde ook in bevolkingsgroei die een reeks van ontwikkelingen in gang zette, die uiteindelijk aanleiding gaf tot het ontstaan van steden, schrift en complexere sociale samenlevingsverbanden.

1.1 Afbakening in tijd en ruimte

Het begin van deze periode neemt een aanvang bij de aankomst van de eerste landbouwers, na een millennialange occupatie door de jager-verzamelaars van het paleolithicum en het mesolithicum. De definitie van de periode als economisch fenomeen heeft als belangrijke consequentie dat de aanvang ervan sterk verschilt van regio tot regio. Zo kan de oorsprong van het Europese neolithicum worden gesitueerd in het Nabije Oosten, bij de aanvang van het holoceen. Met een vooreerst aceramische fase neemt het neolithicum aldaar een start met de eerste gedomesticeerde planten en dieren. 1 Andere elementen die met het neolithicum zijn geassocieerd en er vaak mee worden gerelateerd, zoals gepolijste stenen werktuigen, aardewerk en sedentarisatie, kunnen in principe niet op zich als indicatoren worden beschouwd. Toch zullen ook deze elementen samen met de aanvang van het neolithicum in Vlaanderen worden geïntroduceerd.
Ook binnen Vlaanderen gaat het neolithicum, als economisch fenomeen, niet overal op hetzelfde ogenblik van start. Het neolithicum neemt een aanvang rond 5250 v.Chr.2 met de eerste sporen van de Bandkeramiek in de leemstreek. In de zandstreek, waar de meeste gekende mesolithische sites zijn gesitueerd, loopt het mesolithicum door tot in het 5de millennium v.Chr.3

 Chronologie van het neolithicum in Vlaanderen Figuur 1: Chronologie van het neolithicum in Vlaanderen 4

In Vlaanderen worden binnen het neolithicum vier perioden onderscheiden: het vroeg-, midden-, laat- en finaalneolithicum. Een belangrijk verschil met de voorgaande periode van het mesolithicum, is dat er binnen de fasen van het neolithicum nog een extra onderscheid gemaakt kan worden tussen culturele groepen. Het voorkomen van deze groepen is veelal gelieerd aan een deel van een bepaalde neolithische fase.
De Swifterbantcultuur neemt in de neolithisatieproblematiek een aparte plaats in. Op basis van de vondsten uit Nederland weten we dat terwijl de vroege Swifterbant in feite een aardewerk producerend en gebruikend mesolithicum is, deze cultuur in de loop van haar bestaan op gezette tijden neolithische elementen heeft overgenomen, met als voornaamste het gebruik van gedomesticeerde planten en dieren. Aldus kan het begin van de Swifterbant als finaalmesolithicum worden aangeduid, terwijl de latere Swifterbant bij het vroegneolithicum kan worden ingedeeld. Gezien deze bijzondere positie wordt de Swifterbantcultuur in dit hoofdstuk mee in beschouwing genomen, ook al werden op Vlaamse Swifterbantsites nog geen duidelijke aanwijzingen gevonden van het gebruik van gedomesticeerde planten en dieren als belangrijk onderdeel van de voedseleconomie.
Na het verdwijnen van de Bandkeramiek uit de leemstreek, en aansluitend de Groep van Blicquy waarvoor een enkele site in Vlaanderen is gekend, volgt een periode van een half millennium waarvoor geen sites zijn gekend. Slechts enkele losse vondsten kunnen in deze periode worden gedateerd, terwijl verder naar het zuiden de Groep van Cerny en in het Duitse Rijnland de Rössencultuur voorkomen. In Vlaanderen is het echter wachten tot rond 4300 v.Chr. eer opnieuw duidelijke resten van een neolithische occupatie gekend zijn: het middenneolithicum start er met de nederzettingen van de Michelsbergcultuur en de ‘Groep van Spiere’. Die laatste, een aparte groep binnen het middenneolithicum, situeert zich zowel geografisch als stilistisch in de overgangszone tussen Michelsbergcultuur en het noordelijke Chasseaan 5 en werd slechts een klein decennium geleden gedefinieerd op basis van het onderzoek van het aardwerk in Spiere. 6
Goed gedateerde sites uit het late 5de millennium zijn enkel beschikbaar voor de leemgebieden, maar na 4000 v.Chr. zijn ook sites gekend uit de dekzandgebieden en de Scheldevallei. Na 3850 v.Chr. zijn echter geen dateringen meer beschikbaar voor middenneolithische sites en start een nieuw kennishiaat, dat voorlopig enkel wordt ingevuld door radiometrische dateringen op geïsoleerde vondsten en enkele schervenensembles in de oostelijke Kempen die aan de Hazendonkgroep kunnen worden toegeschreven. In Vlaanderen duurt het hiaat verder tot het begin van het derde millennium, wanneer met de Deûle-Escaut groep en de Enkelgrafcultuur opnieuw sites zijn gekend. Gezien de link tussen de Enkelgrafcultuur 7 en het latere Klokbekerfenomeen uit de tweede helft van het derde millennium v.Chr., wordt er in Vlaanderen gekozen om dit hele millennium als ‘finaalneolithicum’ aan te duiden. Het is duidelijk verschillend van de vroege landbouwerssamenlevingen van het vroeg- en middenneolithicum.
Een scharniermoment in het neolithicum kan rond 3000 v.Chr. worden geplaatst en wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke economische ontwikkelingen die Sherratt 8 onder de term ‘secondary products revolution’ onderbracht. Het gaat om het voorkomen van ploegsporen, het wiel, wolproductie enzovoort al zijn hiervan in Vlaanderen geen goed gedateerde vroege aanwijzingen voor beschikbaar. Daarnaast werd wellicht geleidelijk het gebruik van metalen voorwerpen geïntroduceerd.
Het einde van het neolithicum sluit in principe aan op het begin van de vroege bronstijd, op het moment dat stenen door metalen werktuigen worden vervangen. Het beperkte databestand, zowel voor het finaalneolithicum als voor de vroege bronstijd, het doorlopen van het gebruik van stenen werktuigen en het ontbreken van metalen voorwerpen op de eerste bronstijdsites bemoeilijkt het aanduiden van een grens tussen beide. Toch wordt algemeen aanvaard dat deze overgang op 2100/2000 v.Chr. gesitueerd dient te worden,9 met het zogenaamde wikkeldraadaardewerk, de laatste fase van de bekerculturen. Er dient enige nuancering te worden aangebracht bij het belang van deze grens. De vroege bronstijd lijkt in vele opzichten een voortzetting te zijn van de ontwikkelingen die het late neolithicum kenmerken. De problematiek van de archeologie van het laat- en finaalneolithicum sluit dan ook goed aan bij die van de vroege bronstijd. In het recente overzichtswerk dat voor de Nederlandse prehistorie werd opgesteld, werden de ontwikkelingen tussen ca. 2900 en 1100 v.Chr. 10 dan ook geïntegreerd behandeld in het deel over ‘boeren met gemengd bedrijf.’11 12

1.2 Historiek van het neolithisch onderzoek in Vlaanderen

Het neolithisch onderzoek in Vlaanderen begint in de late 19de eeuw. Dit overzicht van de historiek van het onderzoek vertrekt dan ook vanuit de toenmalige Belgische, nationale realiteit. Voortbouwend op de ontdekking van de neolithische vuursteenmijnen in Spiennes in de jaren 184013 nemen het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) 14 vanaf het einde van de 19de eeuw het voortouw in het onderzoek met de prospectie en opgravingen van heel wat ‘stations néolithiques’. Oorspronkelijk was het onderzoek voornamelijk gericht op de culturele context van het neolithicum in de Belgische leemstreek. Er werd al vlug een onderscheid gemaakt tussen een Campignien en een Robenhausien lithische industrie, op basis van enkele stratigrafische waarnemingen in Spiennes door De Pauw en Van Overloop. 15 Aardewerkfragmenten werden gelinkt aan de tweede van deze industrieën en werden eerst ondergebracht bij het fenomeen dat toen als het ‘Westelijke Neolithicum’ werd aangeduid. 16 Enkele jaren later legde Bersu 17 het stilistische verband tussen het aardewerk dat in Bosvoorde en Spiennes was aangetroffen en dat van aardewerkensembles uit het Rijnland die aan de Michelsbergcultuur waren toegeschreven. Ook enkele geïsoleerde vondsten in het gebied van de Beneden Schelde in Antwerpen en Zwijndrecht konden aan deze traditie worden gelinkt.
In West-Vlaanderen komt het neolithisch onderzoek op gang door autodidacten Ch. baron Gillès de Pelichy en J. Claerhout. 18 19 Claerhout was een geestelijke die tot dan voornamelijk op taalkundig gebied actief was, onder meer in een dichte vriendschap met Guido Gezelle. Hij werd lid van de toenmalige archeologische kringen, onder meer van de Société d’Anthropologie de Bruxelles en de opgravingscommissie van de Société d’Archéologie de Bruxelles. In die hoedanigheid voerde hij veldwerk uit in West- en Oost-Vlaanderen, voornamelijk gericht op de prehistorie met onder meer de opgravingen van het zogenaamde moerasdorp in Dentergem, waar naast resten uit de brons- en ijzertijd ook heel wat neolithische vondsten worden geregistreerd.
Eveneens op het einde van de 19de eeuw, vanaf 1888, start Marcel De Puydt van het Luiks archeologisch instituut met een reeks opgravingen van een neolithische vuursteenbewerkingsplaats in Rullen 20 en zogenaamde hutkommen 21 van de Bandkeramiek in voornamelijk Luiks Haspengouw. De vondsten worden door Rutot22 ondergebracht onder de term Omalien, naar de vindplaats Omal in westelijk Haspengouw. Het aantal vondsten in België steeg gestaag, voornamelijk onder impuls van onderzoekers als J. Hamal-Nandrin en J. Servais van de Universiteit Luik en A. baron de Loë (KMKG). Ook in het toen nog Zuid-Limburgse Bitsingen (Bassenge) 23 werden enkele sites aangetroffen.24 25
Op de eerste vondst van een Bandkeramische site in het huidige Vlaanderen was het wachten tot de vroege jaren 1950. Op zoek naar het restant van een Romeinse villa, ontdekte Heli Roosens in 1952 resten van een Bandkeramische nederzetting op de Staberg in Rosmeer. Aangespoord door het toenmalige hoofd van de Dienst voor Opgravingen, Jacques Breuer, zette Heli Roosens het archeologisch onderzoek op de Staberg tot 1960 voort. 26 Het leverde de eerste bandkeramische gebouwplattegronden van het land op. Dit onderzoek bevestigde dat ook ten westen van de Rijn de mensen van de Bandkeramiek in rechthoekige huizen leefden, en niet in hutkommen zoals eerder gedacht. Min of meer aansluitend op de opgravingen van de Staberg ondernam H. Roosens samen met G. Beex een opgraving op de zogenaamde drieperiodengrafheuvel in Mol, 27 tot vandaag een van de belangrijkste finaalneolithische sites van Vlaanderen.
Mede gestimuleerd door de opgravingen in Rosmeer, werden in de daaropvolgende twee decennia heel wat prospecties georganiseerd met het oog op het verder in kaart brengen van de Bandkeramische occupatie van het gebied. Het prospectiewerk van onder meer G.V. Lux en N. Peuskens levert een twintigtal nieuwe sites op, met name in de huidige gemeenten Bilzen en Riemst. 28 Vaak werden de prospecties gevolgd en gesteund door de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO), die op enkele van de pas ontdekte sites kleine sonderingen uitvoert ter bevestiging van de waarnemingen. Andere opgravingen werden uitgevoerd door René Seret 29 in Hoeselt en Rijckhoven, door N. Peuskens en D. Tilkin in Vroenhoven en Zichen-Zussen-Bolder en door het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren in Vlijtingen ‘Kayberg.’30 Ook elders in België werd het archeologisch databestand voor het neolithicum tijdens de jaren 1960 en 1970 gevoelig uitgebreid, met in Vlaanderen onder meer de opgravingen van de middenneolithische site op de Kemmelberg 31 en van een klokbekergraf in Kruishoutem ‘Wijkhuis.’ 32
Vanaf de toewijzing van het middenneolithisch aardewerk aan de Michelsbergcultuur door Bersu, werden ook de nieuwe vondsten van middenneolithisch aardewerk aan deze cultuur toegewezen.33 34 35 36 Het bracht Scollar 37 op het einde van de jaren 1950 zelfs tot het onderscheiden van een Belgische groep in zijn supraregionale overzicht van deze cultuur. De tot dan toe bekende sites werden eveneens opgenomen in de seriatie die Lüning 38 in de jaren 1960 voor deze voornamelijk in het Rijnland bekende cultuur ontwierp. De toewijzingen aan de Michelsbergcultuur waren steeds gebaseerd op stilistische en deels ook op technische kenmerken van het aardewerk. Nieuwe data die tijdens de jaren 1960 en 1970 werden verkregen, bleken echter voornamelijk een verschil met het Rijnland aan te geven. Zoals Scollar reeds had aangegeven in 1959, vertoonde het Michelsbergaardewerk van de Belgische groep duidelijke gelijkenissen met het aardewerk dat in Noord-Frankrijk aan het noordelijk Chasseaan werd toegeschreven. 39 40
Lithische ensembles met resten van gepolijste bijlen die niet geassocieerd waren met aardewerkvondsten werden dan ook niet aan de Michelsbergcultuur toegeschreven maar aan wat bekend werd onder de term ‘secundaire neolithische culturen’. Deze nazaten van de lokale jager-verzamelaars zouden gelijktijdig met de Michelsbergcultuur in de regio aanwezig zijn geweest en artefacten met deze ‘primaire’ neolithische cultuur hebben uitgewisseld. 41 42 Dezelfde ideeën lagen aan de grondslag bij de toewijzing van lithische oppervlakte-ensembles aan een ‘secundair Neolithicum’ of een ‘Neolithiserend Mesolithicum’ tot in de jaren 1990. 43 44 45 46 47 48 49
Vanaf de jaren 1970 speelt ook het Laboratorium voor Prehistorie van de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) een belangrijke rol in het neolithisch onderzoek in Vlaanderen. Deels wordt dit gevoerd door het verwerken en herwaarderen van oude collecties uit opgravingen of prospecties. 50 51 52 53 54 Een aantal studies richt zich op het fenomeen van de gepolijste bijl, een van de meest herkenbare neolithische werktuigen. 55 56 57 58 Na de opgravingen in Thieusies (Henegouwen)59 start P.M. Vermeersch echter ook met nieuw veldwerk in Vlaanderen. Een deel van dit veldwerk is gericht op de Bandkeramische occupatie van Haspengouw, met onder meer Lanaken Briegdendok 60 en later ook in Herderen. 61 In diezelfde periode identificeert Marc Lodewijckx van dezelfde instelling een nieuw cluster van Bandkeramische sites in het gebied van de Kleine Gete in Brabants Haspengouw, 62 63 buiten het tot dusver gekende verspreidingsgebied van de Bandkeramiek en een kleine tien jaar na de identificatie van ook al een nieuwe nederzettingscluster in het gebied van de boven Dender in Henegouwen. 64 Tot nog toe omvat deze kleine cluster een drietal sites in Wange en Overhespen die halfweg de jaren 1980 werden onderzocht door middel van enkele opgravingscampagnes. Nieuw veldwerk wordt eveneens gericht op de middenneolihtische occupatie elders in het leemgebied, met onder meer de opgravingen van de sites in Dilsen, 65 Meeuwen 66 en Schorisse. 67 In deze periode worden ook de sites in Geistingen 68 en de vuursteenontginningsplaats in Sint-Pieters-Voeren 69 70 ontdekt en onderzocht.
De ontdekking van een gebouwplattegrond van de Michelsbergcultuur in Kruishoutem71 – wat later een vervalsing bleek te zijn72 – en de noodopgravingen van de mesolithische en neolithische sites te Oudenaarde ‘Donk’ gaven een nieuwe impuls aan het prospectieonderzoek in Zuid-Oost-Vlaanderen. In de (zand)leemstreek van de Vlaamse Ardennen werd in de tweede helft van de jaren 1980 een project opgestart met het oog op de gedetailleerde verwerking van prospectievondsten en de aanvulling ervan met nieuwe verkennende opgravingen van enkele Michelsbergsites, onder meer op de Muziekberg in Wortegem-Petegem en in Saint-Sauveur. 73 Ten slotte is ook de opgraving van de middenneolithische site op de Kemmelberg in deze periode te situeren. 74
Ondanks het groot aantal onderzoeken bleef de kwaliteit van de data voor het middenneolithicum vrij beperkt. Meestal betreft het grote oppervlakte ensembles of opgravingen van beperkte omvang waarbij een beperkte hoeveelheid vondsten wordt aangetroffen in aardwerken of geïsoleerde sporen.
In de jaren 1990 vervolgt het Laboratorium voor Prehistorie zijn activiteit in het neolithisch onderzoek in de persoon van Jean-Paul Caspar. 75 76 en met enkele opgravingen in Assent 77 en Spiere. 78 Deze laatste zullen bepalend blijken voor het verdere onderzoek naar het middenneolithicum in het Scheldebekken. Hoewel slechts een kleine oppervlakte werd opgegraven, leverden de opgravingen heel wat nieuwe informatie op over de ceramische en lithische productie alsook over de voedselvoorziening en het milieu tijdens het middenneolithicum. Dankzij de omvang van het ensemble, met wat betreft potvormen nog steeds het grootste middenneolithische ensemble van België, kon voor het eerst een samenhangend beeld worden verkregen van de stilistische kenmerken van wat de Belgische groep van de Michelsbergcultuur zou zijn. De verwerking van de gegevens gaf aanleiding tot de creatie van een nieuwe stilistische groep, de zogenaamde ‘groep van Spiere’, op het raakpunt van de Michelsbergcultuur en het noordelijke Chasseaan. 79
Kort na de eeuwwisseling zagen twee overzichtswerken het licht voor het vroeg- en middenneolithicum in België, telkens in het kader van een doctoraatsonderzoek. 80 81 Op datzelfde ogenblik werd ook het neolithisch onderzoek in Zandig Vlaanderen en de aangrenzende polderstreek opgestart. Directe aanleiding waren de ontdekkingen tussen 2000 en 2003 van een drietal Swifterbantsites en een Michelsbergvindplaats in het Deurganckdok in Doel 82 en van een finaalneolithische huisplattegrond in Waardamme ‘Vijvers’. 83 Deze vondsten vormen het vertrekpunt van nieuw opgestart onderzoek aan de Universiteit Gent (UGent) gericht op het neolithicum en de neolithisatie. Tussendoor werd aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) een project uitgevoerd dat gericht was op het evalueren van de bewaringstoestand van neolithische sites in functie van de erosieproblematiek. 84
Het neolithisch onderzoek van de laatste vijf jaar was zowel gericht op syntheseonderzoek als op nieuw veldwerk. Nieuw veldwerk vond voornamelijk plaats in Malta-context – aangevuld met enkele geprogrammeerde opgravingen vanuit de UGent in het kader van een lopend FWO-project–, met als opmerkelijkste bijdrage een aantal laat- en finaalneolithische sites in Zandig Vlaanderen. 85 Voor het synthesewerk dient, naast de publicatie van de nieuwe inzichten uit het begin van de jaren 2000 omtrent de neolithisatie en de neolithische occupatie van Zandig Vlaanderen, ook het vanuit Nederland gevoerde ‘Oogst van Malta’ project vermeld te worden, 86 waarvoor de eindpublicatie in de nabije toekomst wordt verwacht.

1.3 Overzicht actuele onderzoekers

Net zoals bij het onderzoek van het paleolithicum en het mesolithicum is ook voor het neolithicum min of meer een geografische en deels ook chronologische scheiding waar te nemen in het onderzoeksgebied van de belangrijkste wetenschappelijke instellingen.
Onderzoek naar het vroegneolithicum en de overgang van (laat)mesolithicum en neolithicum wordt voor Zandig Vlaanderen uitgevoerd onder leiding van Philippe Crombé aan de Onderzoekseenheid Prehistorie en Protohistorie van de UGent. In dit kader valt het lopende FWO-onderzoek te vermelden dat door Joris Sergant wordt uitgevoerd naar de impact van het neolithicum in de Vlaamse zandstreek (2008-2011). Doel van dit project is het karakteriseren van de neolithische occupatie in een gebied waarvoor voorlopig niet erg veel gegevens voorhanden zijn en dit met het oog op het identificeren van de neolithische nederzettingssystemen en landgebruik. Het neolithicum vormt ook een onderdeel in het ruimer opgevatte project omtrent prehistorische en protohistorische nederzetting- en landgebruikssystemen in Zandig Vlaanderen dat aan dezelfde onderzoeksinstelling wordt uitgevoerd door Machteld Bats en de periode tussen het laatglaciaal tot aan de Romeinse periode behelst. De neolithisatieproblematiek vormde ook een onderdeel van het doctoraatsonderzoek van Erick Robinson 87 dat in nauwe samenwerking met de Gentse universiteit werd uitgevoerd en momenteel wordt afgerond. Zijn huidige onderzoeksproject, vanuit de UGent, is gericht op grondstofnetwerken en de evolutie van lithische technologie tijdens het mesolithicum, met bijzondere aandacht voor het kwartsiet van Wommersom en Tienen. Tevens bestaat er een samenwerkingsverband tussen de UGent en Paris X-Nanterre,88 specifiek rond de lithische technologie in laat/finaalmesolithische en vroegneolithische tradities. Het ‘foodcrust project’ in samenwerking met Mark Van Strydonck 89 behandelt dan weer de problematiek van het dateren van voedselresidu op Swifterbantaardewerk.
Aan de K.U.Leuven vormt het vroeg- en middenneolithicum, met inbegrip van de overgangsperiode tussen mesolithicum en neolithicum het onderwerp van het voorbije en lopende onderzoek van Bart Vanmontfort. Dit onderzoek is voornamelijk gericht op het neolithicum in de leemstreek, met occasioneel een uitbreiding naar de Kempen. Tot 2008 was hij ingeschakeld in een grootschalig ‘Oogst van Malta’ project dat vanuit Nederland werd gevoerd rond de neolithisatieproblematiek. Momenteel is hij ook verbonden aan de universiteit Paris X-Nanterre, als lid van een Frans-Duits onderzoeksproject naar het ontstaan van sociale complexiteit in het middenneolithicum.
Aan het VIOE komt het onderzoek naar het neolithicum occasioneel aan bod in het kader van vondstmeldingen. 90 Daarnaast vormt het neolithicum ook een onderdeel van het prospectie- en evaluatieonderzoek in de Scheldevallei in het kader van het Sigmaplan. 91
Vanuit de andere (federale) wetenschappelijke instellingen wordt momenteel geen neolithisch onderzoek meer gevoerd in Vlaanderen. Voorlopig is er ook nauwelijks actieve expertise in neolithisch onderzoek in de (inter)gemeentelijke, stedelijke of provinciale archeologische diensten en in de zich ontwikkelende commerciële archeologie in Vlaanderen. De hierboven vermelde onderzoekers van met name de UGent 92 en de K.U.Leuven 93 zijn momenteel dan ook de aanspreekpunten voor advies en ondersteuning bij neolithisch onderzoek in Vlaanderen.

3.2 Balans van het terreinwerk

2.1 Overzicht van toevalsvondsten, prospectievondsten, opgravingen

2.1.1 Toevalsvondsten

Toevalsvondsten zijn archeologische sporen en voorwerpen die werden aangetroffen buiten de context van een archeologisch onderzoek in de vorm van een prospectie of opgraving. De moeilijke herkenbaarheid van materiaal uit het neolithicum voor niet-specialisten zorgt dat, net als voor de andere perioden van de prehistorie,1 het aantal toevalsvondsten vrij beperkt is. Een van de belangrijke uitzonderingen hierop vormt de vondstcategorie van de gepolijste bijlen.

2.1.2 Prospectievondsten

Heel wat neolithische sites werden ontdekt via prospectievondsten. Voor een groot deel hiervan werden de prospecties uitgevoerd door amateurarcheologen, die meestal regionaal actief waren. Zo werden in de vroege 20ste eeuw tot de jaren 1970 in de Vlaamse Ardennen heel wat prospecties uitgevoerd door onder meer Cambier, Delvaux, Verbecelte en Deconinck, 2 in het Hageland door onder meer Bols, Boschmans, Claes, Gilson en Scheys 3 4 en in Haspengouw door onder meer Jadoulle, Lux en Peuskens.5
De jaren 1980 zijn verantwoordelijk voor een nieuwe generatie amateurarcheologen en de ontdekking van heel wat nieuwe sites6 Net zoals voor andere perioden, reflecteert de spreidingskaart van sites deels de activiteitsgebieden van deze prospecteurs.
Vanaf de jaren 1980 werden heel wat van deze collecties geïnventariseerd in het kader van licentiaatsverhandelingen, met als onderwerp de verwerking en evaluatie van specifieke (grote) oppervlaktesites7 8 of de verwerking en evaluatie van oppervlaktevondsten uit een specifieke regio.9 10 11 12 Ook het inventarisatieproject ‘Archeologische Inventaris Vlaanderen’ dat in 1978 in Gent werd opgestart onder impuls van wijlen J. Nenquin kan eveneens in dit kader worden geplaatst.13 Door de grote hoeveelheid nieuwe sites en vondsten bleef de inventarisatie en verwerking van oppervlaktevindplaatsen niet beperkt tot studies in het kader van licentiaatsverhandelingen. Ook tal van andere inventarisaties aan wetenschappelijke instellingen of samenwerkingen tussen amateurarcheologen en beroepsarcheologen werden opgestart, opnieuw met betrekking tot zowel individuele vondstlocaties14 15 16 als ruimere regionale inventarisatieprojecten.17
Recente systematische prospectiecampagnes naar de neolithische occupatie van een bepaald gebied uitgevoerd door wetenschappelijke instellingen zijn erg schaars. Aan de UGent loopt momenteel wel een dergelijk project,18 waarvan een nauwkeurige inventaris van alle diagnostische neolithische artefacten een onderdeel vormt (types pijlpunten, gepolijste artefacten, afslagbijlen, mijnbouwklingen, …).
Een apart fenomeen vormen de vondsten van gepolijste bijlen, een van de meest herkenbare neolithische werktuigtypes. Het bijzondere aan dit type artefact is dat het vaak buiten nederzettingscontext wordt aangetroffen en er slechts zelden tot nooit volledige exemplaren in nederzettingscontext worden gevonden. Deze afwezigheid van diagnostische vormen in goed te dateren contexten bemoeilijkt vanzelfsprekend de datering van de stukken en hun toewijzing aan het neolithicum. Zo is het erg waarschijnlijk dat een deel van de bijlvondsten uit de metaaltijden dateert. Bijlen zijn in het verleden zowel als toevalsvondsten gerapporteerd, als gevonden in het kader van prospecties door voornamelijk amateurarcheologen. In de CAI zijn in totaal 243 gepolijste bijlen of fragmenten van gepolijste bijlen opgenomen die het resultaat zijn van een toevalsvondst, 743 waarnemingen zijn gerelateerd aan veldprospecties. Deze aantallen zijn vanzelfsprekend beperkt tot de gemelde en gepubliceerde objecten, wat een onderschatting is van het werkelijk aantal gevonden bijlen in dit soort contexten.

2.1.3 Opgravingen

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen opgravingen van neolithische sites en opgravingen van jongere of oudere sites waar neolithische sporen, vondsten of sites worden aangetroffen. Voorbeelden van deze laatste categorie zijn de ontdekking van een Bandkeramische pot in Oudenaarde Donk,19 middenneolithische kuilen en potten in Kerkhove,20 21 Aalter, 22 Dilsen23 en Lommel Kattenbos,24 een laatneolithische potbeker in Hansbeke25 en klokbekergraven in Kruishoutem Kapellekouter26 en Gent Flanders Expo.27
Opgravingen van vroegneolithische sites zijn in Vlaanderen veelal beperkt gebleven qua omvang. De belangrijkste uitzondering is wellicht nog de vroegneolithische site in Rosmeer Staberg, waar ca. 1 ha volledig werd opgegraven28 en in mindere mate ook de opgravingen in Wange en Overhespen.29 Elders werd niet meer dan een klein areaal opgegraven, wat het beeld op de ruimtelijke organisatie van de vaak erg uitgestrekte neolithische sites beperkt maakt. Dergelijk kleinschalig onderzoek gebeurde op de Bandkeramische sites in Vlijtingen,30 Lanaken Briegdendok31 en Herderen32 Recenter werd nog een volledige huisplattegrond geregistreerd in Riemst Toekomststraat,33 maar de site werd enkel bemonsterd en niet volledig opgegraven.
Ook voor het midden- en laatneolithicum overheersen de kleinschalige opgravingen, met inbegrip van de opgravingen in Assent, Ottenburg, Schorisse en Spiere. Deze laatste leverde wel de grootste hoeveelheid archeologisch materiaal op uit een middenneolithische context in Vlaanderen tot nog toe, maar ook daar bleef het onderzoek beperkt tot een oppervlakte van 0,15 ha, terwijl de lithische prospectievondsten verspreid zijn over een oppervlakte van 23 ha.

Het onderzoek van neolithische sites in een Malta-context 34 is tot nog toe beperkt gebleven. Recente opgravingen in deze context die wel een belangrijke aanvulling betekenen voor de kennis van het neolithicum situeren zich met name in de Vlaamse zandstreek en de vallei van de beneden Schelde: Doel Deurganckdok35 en Waardamme Vijvers.36 In beide gevallen werden betrekkelijk belangrijke neolithische occupatieresten aangetroffen in een gebied dat tot dan toe slechts sporadisch geïsoleerde vondsten had opgeleverd. Daarnaast kunnen we opnieuw verwijzen naar de toevalsvondsten van neolithische sporen bij het onderzoek van enkele recentere sites.

2.4 Evolutie van het terreinwerk op neolithische sites in de laatste dertig jaar, in de context van het steentijdonderzoek

Analoog aan de analyse die voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd uitgevoerd,37 kan ook voor het neolithicum een ‘objectieve’ diachronische kijk op het terreinwerk worden verkregen op basis van de gepubliceerde gegevens in het tijdschrift ‘Notae Praehistoricae’. Dit tijdschrift wordt sinds 1981 jaarlijks gepubliceerd en heeft als doel het archeologisch onderzoek met betrekking tot de steentijden jaarlijks te rapporteren. Naast artikelen rond nieuw veldwerk komen ook bijdragen van post-excavation onderzoek voor, net als een beperkt aantal verslagen over steentijdonderzoek in de buurlanden. We kunnen er redelijkerwijze van uit gaan dat nagenoeg al het ‘publicatiewaardig’ onderzoek van de wetenschappelijke instellingen maar ook van andere uitvoerders, in deze context is terechtgekomen. Dat dit ook nog steeds zo is voor het onderzoek in Malta-context tijdens de laatste vijf jaar blijkt uit een analyse van de zogenaamde grijze literatuur.
Voor deze analyse werden terreincampagnes in Vlaanderen in rekening genomen, die werden geïndexeerd op gewest, archeoregio, periode, fase, type project (prospectie, waardering, opgraving) en uitvoerende instelling (bij samenwerking de belangrijkste partner). In de tellingen werden meerperiodesites bij elk van de betreffende perioden meegerekend. Doordat de Notae Praehistoricae het onderzoek bundelt uit het hele land, kan de evolutie van het onderzoek in Vlaanderen meteen in nationale context worden gekaderd. Daartoe werden ook de terreincampagnes elders in België opgenomen, doch niet verder in detail geïndexeerd. Met uitzondering van een enkele referentie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest38 gingen al deze terreincampagnes door in het Waals Gewest. Voor de vergelijking werden dan ook enkel de campagnes in het Waals Gewest in rekening gebracht. Net zoals voor de andere steentijdhoofdstukken van deze onderzoeksbalans werd gebruik gemaakt van vijfjaarlijkse perioden om de evolutie van het terreinwerk in kaart te brengen. Momenteel zijn de gegevens beschikbaar voor de periode vanaf terreinseizoen 1979 tot en met 2009. Om ook de gegevens van het laatste seizoen in de vergelijking te kunnen betrekken en op te nemen in het laatste ‘jaarkwintet’, werden de jaarkwintetten samengesteld vanaf seizoen 1980. De gegevens voor het seizoen 1979 zijn apart gehouden.

Figuur 2 toont het totale aandeel van het steentijdonderzoek in Vlaanderen en de rest van het land, ingedeeld per periode. De meeste van de 388 terreincampagnes die tot en met 2009 zijn gerapporteerd, hebben betrekking op onderzoek van neolithische sites (n=160), gevolgd door de paleolithische (n=137). Terreincampagnes op mesolithische sites (n=91) zijn duidelijk in de minderheid. In Vlaanderen zijn de gegevens omgekeerd, met een dominantie van onderzoek op mesolithische sites (n=64 op een totaal van 159), gevolgd door neolithische (n=54) en paleolithische (n=41).
Momenteel hebben 41% van de 388 terreincampagnes die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd betrekking op onderzoek dat in Vlaanderen is uitgevoerd. Het is opvallend dat het mesolithisch onderzoek voornamelijk in Vlaanderen plaats vond (70%), terwijl het aandeel Vlaamse sites in het neolithisch en paleolithisch onderzoek om en bij 30% schommelt. Voor het neolithicum werden 54 terreincampagnes van de 160, ofwel 34% in het Vlaamse gewest uitgevoerd.

 Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per steentijdperiode en per gewest in BelgiëFiguur 2: Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per steentijdperiode en per gewest in België

De evolutie van het onderzoek over de laatste 30 jaar (Figuur 3) laat enkele belangrijke patronen zien. Tot 2005 bleef het aantal terreincampagnes in Vlaanderen min of meer gelijk, tussen 20 en 27 campagnes per vijf jaar, netjes verdeeld over de drie onderscheiden steentijdperioden. Voor het laatste jaarkwintet, dat de periode tussen 2005 en 2009 beslaat, is echter een sterke groei merkbaar met in totaal 43 terreincampagnes. Het is opvallend dat deze groei in min of meer gelijke mate geldt voor elk van de drie perioden. In totaal werden 14 neolithische campagnes gerapporteerd tijdens de laatste vijf jaar, terwijl dat in de daaraan voorafgaande jaarkwintetten beperkt bleef tot een zevental. In het zuiden van het land is een andere trend merkbaar. Daar groeide het aantal terreincampagnes gestaag tot een maximum van 60 in het jaarkwintet 1995-99. Daarna kende dit aantal een sterke terugval tot slechts 20 tijdens de laatste vijf jaar. Terwijl tot en met het voorlaatste jaarkwintet steeds meer terreincampagnes werden georganiseerd in het Waals Gewest dan in Vlaanderen is dat de laatste vijf jaar omgekeerd, met meer dan dubbel zoveel campagnes in Vlaanderen dan in het zuiden van het land (n=43 vs. 20).

 Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdperiode in de Belgische gewestenFiguur 3: Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdperiode in de Belgische gewesten

Zoals hierboven aangegeven is de tendens in het Vlaams Gewest, met een betrekkelijk gelijk aantal campagnes tot het laatste jaarkwintet, geldig voor het onderzoek op zowel paleolithische, mesolithische als neolithische sites. Wanneer deze perioden nog verder worden onderverdeeld, is evenwel heel wat variatie merkbaar (Figuur 4). Zo lag voor het neolithicum tot halfweg de jaren 1980 de klemtoon van het onderzoek op het vroegneolithicum. Na 1985 echter werden de meeste campagnes uitgevoerd op middenneolithische sites. Het laat- en finaalneolithicum kwam in het verleden slechts beperkt aan bod, maar kent tijdens de laatste vijf jaar een duidelijke groei. Het effect van meerjarige campagnes op enkele sites lijkt bij deze evoluties van beperkt belang te zijn. In de meeste gevallen (n=28 op 48 campagnes, i.e. 60%) werd slechts een enkele campagne georganiseerd, terwijl op vijf sites twee campagnes doorgingen. Slechts in drie gevallen gaat het om meer campagnes. Op de sites in Oudenaarde ‘Donk’ en Doel ‘Deurganckdok’ werden in beide gevallen in drie campagnes in feite telkens drie verschillende sites opgegraven in hetzelfde gebied en onder hetzelfde toponiem. De enige site waar meer dan twee campagnes werden georganiseerd is de middenneolithische site in Spiere ‘De Hel’. Daar gingen in totaal drie opgravingscampagnes door en werd een prospectie met monstername voor pollenonderzoek uitgevoerd.

 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Figuur 4: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.

Figuur 5 geeft opnieuw de evolutie van het terreinwerk weer, maar ditmaal afgezet tegenover de aanleiding van het onderzoek. Er werd hiervoor een onderscheid gemaakt tussen geprogrammeerd veldwerk, veldwerk op bedreigde sites met voornamelijk een financiering voorzien door de opgravende instelling en veldwerk op bedreigde sites waarbij de financiering werd opgelegd aan de bouwheer.39
Zoals te verwachten, werd het terreinwerk in de jaren 1980 gedomineerd door geprogrammeerd onderzoek. Steeds was het archeologisch onderzoek echter ook gericht op bedreigde sites. Vanaf de jaren 1990 neemt dit werk op bedreigde sites in belangrijke mate toe in aantal, niettegenstaande het totale aantal terreincampagnes min of meer gelijk bleef. Dit betekent dat het veldwerk van de wetenschappelijke instellingen reeds vanaf dat moment in toenemende mate afgestemd werd op de bedreigingen van het erfgoed. Het aandeel van geprogrammeerd veldwerk op niet-bedreigde sites neemt stelselmatig af. Vanaf het einde van de jaren 1990 wordt een deel van het onderzoek ook door de bouwheer gefinancierd en dit in toenemende mate. In totaal kunnen 19 van de 37 campagnes uit het laatste jaarkwintet worden gerelateerd met een dergelijk Malta-onderzoek, tegenover 3 op 20 voor het voorgaande jaarkwintet en 1 op 21 campagnes in de periode 1995-96. Dit betekent in absolute aantallen dus een belangrijke stijging vanaf de periode 2005-09.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 5: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

 Opgravingcampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 6: Opgravingcampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.

 Terreincampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoekFiguur 7: Terreincampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

 Opgravingcampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoekFiguur 8: Opgravingcampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

De verklaring voor de plotse stijging in het aantal terreincampagnes na 2005 is zeker te zoeken in de omslag die de Vlaamse archeologie vanaf dit ogenblik kenmerkte, met de integratie van de archeologische dossierbehandeling in het Agentschap RO-Vlaanderen40 en de veranderde toepassing van het zorgplichtprincipe uit de bestaande Vlaamse wetgeving. Toch is opvallend dat ook het aandeel van het geprogrammeerde onderzoek op niet-bedreigde sites opnieuw gevoelig toeneemt tijdens deze periode, al hebben deze dan voornamelijk betrekking op prospectiecampagnes.41 Specifiek voor het neolithicum zijn exact dezelfde tendensen te zien, zij het dat de opgravingen in het laatste jaarkwintet enkel in een zogenaamde Malta-context tot stand kwamen (Figuur 7 en Figuur 8). Het valt af te wachten of deze stijging zich doorzet in de nabije toekomst.
Een opvallende trend in het steentijdonderzoek in Vlaanderen, die eveneens tot uiting komt in de analyse van de Notae Praehistoricae, is het groeiende aandeel van prospectie- en waarderingsonderzoek (Figuur 9). Zeker voor de periode tot halfweg de jaren 1990 werd enkel opgravingsonderzoek in de Notae gerapporteerd. In het jaarkwintet 1980-1984 is evenwel een zeker aantal prospecties opgenomen, maar dit betreft voornamelijk een aantal studies op grote collecties van amateurarcheologen. Tijdens de laatste vijftien jaar worden echter ook meer prospectie- en waarderingscampagnes georganiseerd door professionele archeologen. Vaak gaat het hierbij om meerperiode-projecten, waarbij ook het neolithicum aan bod komt. Prospecties specifiek gericht op het onderzoek van neolithische sites zijn erg zeldzaam. Voor de periode van de laatste vijftien jaar betreft het de hierboven reeds aangehaalde prospectie voor pollenonderzoek in Spiere, de identificatie van een aardwerk in Assent Hermansheuvel bij een luchtfotografische prospectie42 en twee prospecties op eigen initiatief door jonge professionele archeologen in de gemeenten Oostrozebeke 43 en Sint-Genesius-Rode.44
Waarderingscampagnes werden hoofdzakelijk uitgevoerd op finaalpaleolithische en mesolithische sites, voornamelijk door het VIOE, maar ook door de UGent. Voor het neolithicum bleef het waarderingsonderzoek beperkt tot een campagne op de middenneolithische site in Ottenburg45 en op de vroegneolithische site in Riemst Toekomststraat,46 beide uitgevoerd door het VIOE.
Bij het opdelen van de campagnes per periode en per uitvoerder (Figuur 10), blijkt de dominantie van de K.U.Leuven in het onderzoek van vroeg- en middenneolithische sites, gevolgd door de UGent en het VIOE. Bij het onderzoek naar laat- en finaalneolithische sites is de UGent dan weer het meest actief. Met uitzondering van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, dat met een prospectie- en een opgravingscampagne in deze grafiek is vertegenwoordigd, hebben andere uitvoerders slechts een enkele keer neolithisch onderzoek in de Notae Praehistoricae gerapporteerd.
Indien we de activiteit van de instellingen op steentijdonderzoek over de tijd uitzetten, valt de uitgesproken dominantie van de K.U.Leuven op bij het begin van de registratieperiode (Figuur 11). Het aantal campagnes dat vanuit de K.U.Leuven in de Notae wordt gerapporteerd daalt vanaf dat ogenblik gradueel van 20 in de periode 1980-1984 tot slechts 3 in de periode 2000-2004. Tijdens de laatste vijf jaar is opnieuw een lichte stijging merkbaar met 8 terreincampagnes. Vanaf het jaarkwintet 1985-1989 start ook het steentijdonderzoek aan de UGent met Philippe Crombé en groeit het aandeel van deze instelling stelselmatig tot op vandaag. Hetzelfde kan gesteld worden over de activiteit van het VIOE dat zeker de laatste tien jaar een even groot aandeel heeft in het steentijdonderzoek als de UGent. Tenslotte is ook het belang van de restgroep merkbaar tijdens de laatste vijf jaar, en dit in tegenstelling tot de voorgaande periode. Deze groep wordt vertegenwoordigd door instellingen die niet meer dan een enkele keer een project leidden of er het belangrijkste aandeel in hadden. Voor de periode voorafgaand aan 2005 zijn dit steeds wetenschappelijke instellingen, zoals de universiteiten van Antwerpen, Namen, Luik en Louvain-La-Neuve. Voor het laatste jaarkwintet gaat het bij 4 van de 6 onderzoeken om opgravingen die rechtstreeks voortvloeien uit het Malta-principe met financiering van het onderzoek door de bouwheer. In een enkel geval betreft het onderzoek van een Vlaamse archeologische onderneming, zij het op initiatief van een expert verbonden aan de UGent,47 in de andere gevallen gaat het om een vzw. (Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting)48 of om intercommunale samenwerkingsverbanden49 Ook de grote wetenschappelijke instellingen realiseren meer projecten in de context van deze Malta-archeologie.

 Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintetFiguur 9: Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet

 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Figuur 10: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per steentijdfase en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Group1 is de restgroep van instellingen die maximaal een enkele keer een onderzoek uitvoerden.Figuur 11: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Group1 is de restgroep van instellingen die maximaal een enkele keer een onderzoek uitvoerden.

Zoals eerder aangegeven gaan we uit van een representativiteit van de publicaties in de Notae Praehistoricae voor het veldwerk naar steentijdsites in Vlaanderen en België. Een korte analyse van de grijze literatuur uit de laatste vijf jaar, waarin een vermelding naar vondsten uit het neolithicum is opgenomen, bevestigt deze representativiteit. In totaal zijn vijftien dergelijke rapporten opgenomen in de Bibliografie Onroerend Erfgoed. In de meeste gevallen gaat het hierbij om een vondstmelding (n=11), vaak van een enkel artefact dat aan het neolithicum kan toegeschreven worden. In twee andere gevallen gaat het om prospectieonderzoek (proefsleuven) waarbij een enkel spoor aan het neolithicum kan worden toegeschreven en waarbij vervolgonderzoek in deze zone wordt aanbevolen. In al deze gevallen gaat de informatiewaarde dan ook niet verder dan wat in een kroniek zou moeten worden opgenomen.
Met betrekking tot de aanleiding van het onderzoek is opvallend dat alle uitvoerende partijen, maar vooral de UGent en de overheidsdienst, vertegenwoordigd zijn bij het stijgende aandeel van Malta-onderzoek tijdens de laatste vijf jaar (Figuur 12). Terwijl het aandeel van bedreigde sites zonder Malta-financiering sterk afneemt aan de K.U.Leuven sinds 2000 en aan de UGent sinds 2005, blijft dit voor het VIOE min of meer stabiel. Voor wat betreft het geprogrammeerd onderzoek is de heropleving tijdens de laatste vijf jaar voornamelijk te wijten aan de activiteit van de UGent – voornamelijk in het kader van door het FWO gefinancierd prospectieonderzoek – en in veel mindere mate aan dat van de K.U.Leuven, terwijl het geprogrammeerd onderzoek aan het VIOE sterk is afgenomen in de laatste vijf jaar. Figuur 13 toont het steentijd terreinonderzoek dat tijdens de laatste vijf jaar is uitgevoerd per uitvoerende instantie. Bij alle instanties is de dominantie van veldwerk op bedreigde sites waar te nemen, telkens voornamelijk gefinancierd binnen de Malta-context. Het geprogrammeerd onderzoek vormt voornamelijk binnen de UGent nog een belangrijk aandeel van het totale veldwerk op steentijdsites. De gegevens met betrekking tot het neolithicum in het bijzonder volgen deze patronen maar zijn te beperkt in aantal om apart te analyseren.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per uitvoerende instantie, opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 12: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per uitvoerende instantie, opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen tijdens de laatste vijf jaar gerapporteerd in Notae Praehistoricae per uitvoerder en ingedeeld volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 13: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen tijdens de laatste vijf jaar gerapporteerd in Notae Praehistoricae per uitvoerder en ingedeeld volgens de aanleiding van het onderzoek.

3.3 Balans van de ontsluiting van het onderzoek

3.1 Werkwijze

Al het graaf- en onderzoekswerk wordt voor de wetenschap pas relevant wanneer de resultaten ervan ook behoorlijk gepubliceerd raken en opgepikt door de ruimere onderzoeksgemeenschap. In dit onderdeel gaan we na in hoeverre dit voor het onderzoek van het paleolithicum in Vlaanderen vlot verloopt.
De basis voor deze analyse is een zo exhaustief mogelijke lijst van de wetenschappelijke publicaties over onderzoek van het neolithicum in Vlaanderen. Die lijst werd voor het opstellen van deze onderzoeksbalans opgemaakt en aangevuld, en staat via de Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen voortaan ter beschikking van elke onderzoeker. Om deze databank in dit hoofdstuk te laten fungeren als analyse-instrument hebben we er een aantal bewerkingen op toegepast en er vervolgens verschillende indexen in aangebracht, naar analogie van de analyse die voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd uitgevoerd.
Omdat de hoeveelheid nieuwe kennis belangrijker wordt geacht dan het aantal publicaties, werd voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum van deze onderzoeksbalans een vertaling gemaakt van de publicatiedatabase naar een databestand waarin het aantal bladzijden originele onderzoeksresultaten berekend zijn. Dit vergt wat evaluatie- en interpretatiewerk, waarbij de volgende regels in acht zijn genomen:

  • Uitgangspunt en referentie is één pagina formaat A4 in een klassiek wetenschappelijk tijdschrift, genre Relicta of Archeologie in Vlaanderen. Voor de meeste referenties is bijgevolg effectief het aantal pagina’s genomen.
  • Voor publicaties (bv. synthesewerken) die ook andere perioden of andere regio’s behandelen, is ingeschat hoeveel pagina’s hierin daadwerkelijk betrekking hebben op de betreffende periode in Vlaanderen. Wanneer binnen die periode verschillende fases aan bod komen is dit gewoon vermeld, zonder verdere opsplitsing van het aantal pagina’s.
  • Voor verhandelingen en andere ongepubliceerde manuscripten die openbaar toegankelijk zijn, werd ingeschat hoeveel pagina’s het werk zou omvatten mocht het omgezet zijn naar een wetenschappelijke publicatie. Indien dit effectief ook is gebeurd (bv. in Terra Incognita), werd enkel de omvang van het gepubliceerde werk opgenomen. Dit geldt ook voor doctoraatsverhandelingen die naderhand als boek werden gepubliceerd.
  • De algemene regel is dat in geval van meerdere publicaties over hetzelfde onderwerp, dezelfde pagina’s maar eenmaal werden geteld, in principe bij de hoofdpublicatie. Louter populariserende en vulgariserende werken over het onderwerp werden sowieso uitgesloten. Zij presenteren in de regel geen originele resultaten. Hetzelfde geldt voor cursussen en andere educatieve werken.
  • Zuiver geografische, geomorfologische, paleoklimatologische en andere natuurwetenschappelijke publicaties over deze periode zijn niet opgenomen. Deze komen immers in andere hoofdstukken van de onderzoeksbalans aan bod. Wanneer het onderzoek wel direct in relatie staat tot de archeologische context (bv. stratigrafie, datering), werd het wel opgenomen.
  • Evenmin geaccepteerd zijn loutere vondstmeldingen zoals die vroeger in Archeologie of in andere kronieken werden opgenomen. Aangezien deze de laatste jaren rechtstreeks aan de Centrale Archeologisch Inventaris worden doorgegeven, zou dit voor een scheeftrekking hebben gezorgd. Bovendien kunnen dergelijke signalementen meestal bezwaarlijk echt wetenschappelijk onderzoek worden genoemd.

Om ook het publicatiejaar in rekening te kunnen brengen, en de evolutie in de publicaties te kunnen evalueren, werd net als voor de analyse van de publicaties in de Notae Praehistoricae gewerkt met perioden van 5 jaar, voor de steentijd in het algemeen beginnend in 1870, voor het neolithicum specifiek in 1888. De gegevens werden opgenomen tot en met het jaar 2009.
Voor het type van publicatie maakten we, zoals voorzien in de Bibliografie Onroerend Erfgoed Vlaanderen, een onderscheid tussen boeken, bijdragen in boeken (‘boekdelen’), tijdschriftartikelen, ‘papers’ gepubliceerd in de ‘proceedings’ van een congres, thesissen en andere ongepubliceerde rapporten. Geëditeerde boeken zoals handelingen van een congres komen niet als geheel aan bod, aangezien de verschillende (relevante) bijdragen in principe apart zijn opgenomen.
Om een idee te krijgen van het internationale potentieel van het gepubliceerde onderzoek is ook de taal geregistreerd waarin het werk is geschreven. Daarnaast werd bepaald of een publicatie in een regionale context werd gepubliceerd, dan wel in een nationale of internationale context. Hier dient te worden aangestipt dat deze context niet steeds gelijk is aan de werkelijke verspreiding van de publicatie en haar gebruik in het internationale onderzoek. Zo werden bijdragen gepubliceerd in de Notae Praehistoricae in de onderstaande analyse aan een ‘nationale’ context toegeschreven. Individuele artikels uit dit tijdschrift zijn echter eveneens in een internationale context gekend en worden in het onderzoek geciteerd. In principe zou een echt bibliometrisch onderzoek met analyse van impactfactoren en de citaties van de individuele bijdragen of onderzoekers de beste methode zijn om de ontsluiting binnen het internationale onderzoek te meten. De gegevens hiervoor zijn helaas niet makkelijk voorhanden; het samenbrengen hiervan behelst een gedetailleerde inventarisatie van de citaties van de internationale literatuur.

3.2 Overzicht van gepubliceerd onderzoek

Momenteel hebben 311 originele wetenschappelijke publicaties betrekking op het neolithicum in Vlaanderen. Om dit in de context van de periodegebonden steentijdpublicaties te plaatsen, dienen we uit te gaan van de werken die tot en met 2007 werden gepubliceerd, gezien het databestand dat voor het paleolithicum en mesolithicum werd opgesteld tot die datum loopt. Van de toen 713 originele wetenschappelijke publicaties hadden 278 betrekking op het neolithicum, 283 op het mesolithicum en 263 op het paleolithicum. Dat de som van deze aantallen groter is dan het totaal van 713, heeft te maken met het voorkomen van 111 publicaties die expliciet betrekking hebben op twee van de drie perioden. Indien we ook deze buiten beschouwing laten is de verhouding lichtjes anders met 197 publicaties over het paleolithicum, 175 over het mesolithicum en 230 over het neolithicum in Vlaanderen. Het totaal aantal publicaties met betrekking tot het neolithicum, maar met uitzondering van de vondstmeldingen, vulgariserende publicaties en publicaties die gericht zijn op natuurwetenschappelijk onderzoek, bedraagt 365, dit is 32% van de 1125 steentijdpublicaties (met inbegrip van de niet periodegebonden werken).
Publicaties over het neolithicum in Vlaanderen beginnen in 1888, met een publicatie van de Loë 1 voor de ‘Fédération historique et archéologique de Belgique’ waarin hij een overzicht presenteert van de megalieten in België. Enkele van die zogenaamde megalieten worden gelokaliseerd binnen het huidige Vlaamse Gewest.2 Pas na de Tweede Wereldoorlog komt er enige regelmaat in het aantal publicaties, met een geleidelijke groei tot in de jaren 1970). Een plotse toename treedt op in de jaren 1980, gevolgd door een duidelijke afname in de jaren 1990. De laatste jaren is opnieuw sprake van een toename. De hierboven beschreven trend voor het neolithicum overlapt perfect met de algemene trend voor de steentijdpublicaties. 3

 Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaarFiguur 14: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per vijf jaar

 Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatieFiguur 15: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per steentijdperiode en per type publicatie

Tijdschriftartikels vormen voor alle perioden het leeuwendeel van de publicaties, evenzo voor het neolithicum met een totaal van 58% (Figuur 15). De verdeling van de andere publicatietypes is lichtjes anders dan voor het paleolithicum en mesolithicum. Congrespapers hebben met 14% een belangrijker aandeel bij het neolithisch onderzoek dan voor de voorgaande perioden. Boekdelen en thesissen volgen met respectievelijk 10 en 9% van alle neolithische originele publicaties. Net als voor het paleolithisch en mesolithisch onderzoek zijn boeken (4%) en rapporten (6%) duidelijk in de minderheid. Bij de boeken gaat het bovendien meestal om synthesewerken waarin de Vlaamse sites maar in beperkte mate aan bod komen. Er zijn slechts een drietal (bescheiden) boeken gewijd aan neolithische sites uit Vlaanderen.4 5 6

Voor het steentijdonderzoek in het algemeen hebben tijdschriftartikels altijd het gros van het publicatietype uitgemaakt, met opnieuw een opvallende piek in de jaren 1980, een al even opmerkelijke terugval in de loop van de jaren 1990 en een duidelijke groei vanaf 2000.

 Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaarFiguur 16: Aantal wetenschappelijke publicaties van steentijdonderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar

Diezelfde trend is waar te nemen voor het neolithicum in het bijzonder, al situeert de piek in het aantal tijdschriftartikels zich eerder in de eerste helft van de jaren 1980 in plaats van in de tweede helft. Vanaf de jaren 1980 gaan ook de thesissen, congrespapers en boekdelen regelmatig een substantieel deel van de wetenschappelijke werken uitmaken, sinds de jaren 1990 maken ook de rapporten er deel van uit.

 Aantal wetenschappelijke publicaties van neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaarFiguur 17: Aantal wetenschappelijke publicaties van neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar

Boeken en doctoraatsthesissen komen maar occasioneel uit, maar spelen natuurlijk wel een grote rol in de omvang van de onderzoeksoutput. Dit komt het best tot uiting in het aantal gepubliceerde pagina’s origineel onderzoek over de jaren heen. In deze grafiek zijn twee opvallende pieken waar te nemen: een piek in de tweede helft van de jaren 1980 die gerelateerd is aan de publicatie van de Bandkeramische site Vlijtingen Kayberg7 en een piek in de eerste helft van de jaren 2000 die voornamelijk wordt gegenereerd door een doctoraatsthesis.8
Zoals hierboven vermeld, werd nagegaan in hoeverre een gelijkaardig patroon ook verkregen kan worden met een vereenvoudigde aanpak, zonder een individuele inschatting te moeten maken van elke publicatie.

 Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaarFiguur 18: Aantal wetenschappelijk gepubliceerde pagina’s over neolithisch onderzoek in Vlaanderen, per type publicatie en per vijf jaar

Voor elk van de fasen binnen het neolithicum vormen de tijdschriften het belangrijkste publicatiekanaal, voor het vroegneolithicum op de voet gevolgd door de congrespapers. Dit is het geval wanneer het aantal originele publicaties in rekening wordt gebracht (Figuur 19). Bij het aantal originele pagina’s zijn opnieuw enkele verschillen zichtbaar ten gevolge van een beperkt aantal, hierboven reeds aangehaalde publicaties (Figuur 20). Zo houdt het hogere relatieve aandeel van boeken voor het vroegneolithicum verband met de publicatie van Vlijtingen Kayberg en het hogere aandeel van thesissen voor het middenneolithicum verband met een doctoraatsthesis. Voor het laatneolithicum ontbreken dergelijke werken en is het patroon tussen aantal publicaties en aantal pagina’s sterk gelijkend.

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 19: Aantal wetenschappelijke publicaties over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 20: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per type publicatie. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

Als maatstaf voor de (potentiële) internationale verspreiding van het gepubliceerde onderzoek werd ook naar de taal van de werken gekeken. Daaruit blijkt dat de meeste wetenschappelijke publicaties over neolithicum in Vlaanderen in het Frans (38%) en het Nederlands (36%) zijn uitgebracht, 21% in het Engels en slechts 5% in het Duits (Figuur 21). Het evenwicht tussen Franse en Nederlandse publicaties is voornamelijk het gevolg van het verschil tussen de publicaties van vroeg- en middenneolithisch onderzoek. Voor het vroegneolithisch onderzoek domineren de Franstalige publicaties (42%), gevolgd door de Engelstalige publicaties (33%) en slechts 19% Nederlandstalige. Bij het middenneolithicum is die trend sterk verschillend met 52% Nederlandstalige publicaties, 32% Franstalige en 15% Engelstalige. Het patroon voor het laatneolithicum sluit netjes aan bij dat van het middenneolithicum. Opnieuw is een verschil merkbaar wanneer we niet het aantal publicaties, maar het aantal gepubliceerde pagina’s in rekening brengen. Met enkel de bladzijden originele onderzoeksresultaten blijken de Nederlandstalige publicaties in de meerderheid (35%), op de voet gevolgd door een gelijke hoeveelheid Engelstalige en Franstalige (31%, Figuur 22). De vroegneolithische publicaties worden nog steeds door de Franstalige gedomineerd en blijft de volgorde behouden, maar voor het middenneolithicum is het aantal Engelstalige gepubliceerde pagina’s duidelijk dominant (47%). Opnieuw is dit te wijten aan de ene doctoraatsthesis voor deze periode, die in het Engels is opgesteld.

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 21: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

 VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicumFiguur 22: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per fase en per taal waarin werd gepubliceerd. Legende: VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laatneolithicum; FN=finaalneolithicum

Tot de jaren 1950 zijn enkel Franstalige publicaties opgenomen (Figuur 23). De eerste Nederlandstalige publicatie over het neolithicum is het overzichtswerk van de hand van M.E. Mariën9 over de Belgische late prehistorie, vanaf het neolithicum tot aan de Romeinse periode. Vanaf de publicatie door Lux10 over de Bandkeramische vondsten op de Flikkenberg in Rosmeer in het tijdschrift Limburg, winnen ook de Nederlandstalige publicaties aan belang. Vanaf 1960 zal het Nederlands het aantal publicaties en het aantal gepubliceerde pagina’s originele onderzoeksresultaten domineren (Figuur 23 & Figuur 24), met uitzondering van de periode tussen 1995 en 2005, wanneer het Frans opnieuw de bovenhand neemt. Het Engels neemt een aanvang wanneer Scollar11 in de Proceedings of the Prehistoric Society de eerste Engelstalige bijdrage publiceert die ook betrekking heeft op het neolithicum in Vlaanderen. Vanaf dat moment zal het Engels een wisselend belang kennen. Het wordt in de periode net na de eeuwwisseling dominant in het aantal gepubliceerde pagina’s. Opnieuw is dit effect verbonden met een enkele doctoraatsthesis.

 Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerdFiguur 23: Aantal publicaties origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd

 Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerdFiguur 24: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per periode van 5 jaar en per taal waarin werd gepubliceerd

Zoals hierboven reeds aangegeven, werd met het oog op het bepalen van de impact van de publicaties in het internationale onderzoek, bijkomend een onderscheid gemaakt naar de context waarin het onderzoek werd gepubliceerd. Er werd een onderscheid gemaakt tussen regionale, nationale en internationale publicaties. De regionale publicaties omvatten voornamelijk tijdschriften van heemkringen of archeologieverenigingen, alsook de jaarverslagen van de provincies. Tijdschriften of boeken die op Vlaams niveau gepubliceerd worden, zoals het tijdschrift Relicta/Archeologie in Vlaanderen, werden ingedeeld bij de nationale publicaties. Hetzelfde geldt voor een tijdschrift als Notae Praehistoricae, dat evenwel ook een internationale verspreiding kent, maar toch hoofdzakelijk als Belgische publicatie moet worden aanzien. Internationale publicaties omvatten zowel internationale congresverslagen als tijdschriften. Bijdragen over het neolithicum in Vlaanderen in tijdschriften die in het buitenland uitgegeven worden, werden steeds onder internationale publicaties ondergebracht, ook al hebben ze in het buitenland een eerder nationale of regionale scope. Tijdschriften die in de loop van de geschiedenis een of meerdere naamsveranderingen doormaakten, werden onder de noemer van de meest recente benaming samengebracht.
Het is opvallend dat enerzijds de meeste originele onderzoeksresultaten in een internationale context werden gepubliceerd (32%), maar dat anderzijds 42% van de originele resultaten in ongepubliceerde of regionale bijdragen is opgenomen (Tabel 1 & Figuur 25). Voor de ongepubliceerde bijdragen is dit betrekkelijk grote aandeel voornamelijk het gevolg van een grote reeks (26) licentiaatsverhandelingen en een enkele doctoraatsthesis, die nog niet in een andere context werden gepubliceerd. Het grote aandeel regionale bijdragen bestaat voornamelijk uit artikelen in regionale tijdschriften. Verder is het aandeel regionale, nationale en internationale bijdragen voor de tijdschriftartikelen grotendeels gelijk. Het grootste deel van de tijdschriftartikelen in nationale of internationale context werd gepubliceerd in de vijf voornaamste tijdschriften/reeksen van de nationale archeologie voor steentijdonderzoek: Notae Praehistoricae (18%), Helinium (16%), Archaeologica et Praehistorica (13%), Relicta (10%) en Archaeologia Belgica (5%), samen goed voor 63% van de originele bijdragen in deze context (Tabel 2). Van deze vijf tijdschriften werden enkel Archaeologica et Praehistorica en Helinium als internationaal geklasseerd. De andere internationale tijdschriftartikelen zijn verdeeld over 24 tijdschriften en omvatten zowel publicaties in buitenlandse tijdschriften van onderzoekers die verbonden zijn aan Vlaamse instellingen als publicaties van buitenlandse onderzoekers die deels betrekking hebben op het neolithicum in Vlaanderen. Publicaties uit de laatste tien jaar in internationaal gereviewde tijdschriften zijn beperkt tot naar schatting 20 bladzijden origineel onderzoek dat direct op het neolithicum in Vlaanderen betrekking heeft, verspreid over zes bijdragen in drie verschillende tijdschriften: Antiquity, Archaeometry en Journal of Anthropological Archaeology.
Bij de congrespapers en boekdelen domineren de internationale publicaties in het aantal originele bladzijden (Figuur 25). Het aandeel van de congrespapers is bovendien sowieso betrekkelijk groot. Dit is het gevolg van het feit dat internationale congressen over neolithisch onderzoek op geregelde tijdstippen georganiseerd worden en dat deze in Noordwest-Europa een belangrijk forum bieden voor de verspreiding van de eigen onderzoeksresultaten. Publicaties in internationale congresbundels vormen dan ook een belangrijk onderdeel van de literatuurverwijzingen in het internationale onderzoek en moeten als dusdanig getaxeerd worden bij een evaluatie van de impact van het Vlaams neolithisch onderzoek in internationale context.

 Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per type publicatie en onderverdeeld naar de context van publicatieFiguur 25: Aantal gepubliceerde pagina’s origineel wetenschappelijk onderzoek over neolithicum in Vlaanderen, per type publicatie en onderverdeeld naar de context van publicatie

 Aantal gepubliceerde originele bijdragen ingedeeld naar de context waarin ze werden gepubliceerdTabel 1: Aantal gepubliceerde originele bijdragen ingedeeld naar de context waarin ze werden gepubliceerd

 Aantal nationaal of internationaal gepubliceerde originele bijdragen per tijdschriftTabel 2: Aantal nationaal of internationaal gepubliceerde originele bijdragen per tijdschrift

3.4 Balans in de tijd

4.1 Dateringsproblematiek en beschikbare dateringen

Bij de absolute datering van neolithische sites in Vlaanderen speelt in feite enkel de 14C methode een belangrijke rol. Dendrochronologische dateringen zijn voor deze periode in principe wel mogelijk, maar voor Vlaanderen is vooralsnog geen enkele datering beschikbaar. Doordat neolithische sites worden gekenmerkt door het voorkomen van uitgegraven sporen, is het vaak evidenter dan voor het mesolithicum om monsters te vinden waarvan de associatie met de te dateren fenomenen voldoende betrouwbaar is. Anderzijds dienen bij het evalueren van de dateringen een aantal bedenkingen in rekening te worden gebracht. 1 2 3 Zo is vanzelfsprekend de aard van het monster van belang. Vandaag gaat de voorkeur zeker naar kortlevende monsters zoals takken, schors, zaden en vruchten die goed zijn geassocieerd met de te dateren fenomenen, in plaats van naar ongedetermineerde houtskoolfragmenten. Dit wordt mogelijk gemaakt door de ontwikkeling en evolutie van de AMS-techniek sinds het einde van de jaren 1970, waarbij beduidend kleinere monsters voor datering in aanmerking komen. Terwijl het dateren van voedselresidu op potscherven eveneens als kortlevend monster kan worden beschouwd, is ook hier voorzichtigheid geboden. Ook hier is een analyse van de precieze samenstelling van het monster aangewezen, om een verouderde datering door het reservoireffect te vermijden.4 Deze bedenkingen worden in het huidig onderzoek in principe steeds meegenomen alvorens monsters naar dateringslabo’s te sturen. In het verleden werd hier echter vaak onvoldoende rekening mee gehouden, zodat heel wat dateringen werden bekomen op grote, ongedetermineerde houtskoolfragmenten. Een andere factor die de bruikbaarheid van dateringen kan beïnvloeden, is de omvang van de standaarddeviatie. Dit is voornamelijk problematisch voor conventionele dateringen die reeds lang geleden werden bekomen. Andere problemen zijn gelieerd aan de vergelijking van dateringen uit verschillende labo’s, dateringen die over een lange periode heen in hetzelfde labo zijn gedateerd, die met een verschillende techniek zijn gedateerd 5 of die op verschillende soorten monsters zijn bekomen. Ten slotte hangt de waarde van de bekomen dateringen ook nog af van de mate van overlap met één of meer plateaus in de calibratiecurve. Zo verkleint een belangrijk calibratieplateau tussen ongeveer 4260 en 4080 v.Chr. de chronologische resolutie van de dateringen, ook al is de standaardafwijking van die dateringen beperkt.

Bij de beschikbare dateringen voor het vroegneolithicum dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de dateringen van Bandkeramische sites in de leemstreek en dateringen die voor de finaalmesolithische/vroegneolithische Swifterbantoccupatie in de Scheldepolders beschikbaar zijn. Voor de Bandkeramiek in Vlaanderen zijn in totaal 17 dateringen beschikbaar, alle afkomstig van sites in Haspengouw. De meeste van deze dateringen werden uitgevoerd tijdens de jaren 1980. Dateringen voor recent opgegraven sites zijn niet beschikbaar. Gezien de Zuid-Limburgse sitecluster nauw aansluit bij de grotere cluster van sites in Luiks Haspengouw enerzijds en de Graetheidecluster in Nederlands Zuid-Limburg anderzijds, kan voor een datering van de Bandkeramische occupatie in Vlaanderen ook naar deze contexten worden gerefereerd, waarvoor heel wat dateringen beschikbaar zijn.
Voor de Swifterbantoccupatie van de Scheldepolders kunnen we verwijzen naar het grootschalige dateringsproject van de UGent en het KIK, waarbij met name voor de sites in Doel Deurganckdok al heel wat dateringen werden bekomen. In tegenstelling tot de Bandkeramische dateringen zijn deze voor de Swifterbant alle bekomen tijdens het laatste decennium.
Voor de periode tussen het einde van de Bandkeramische occupatie en het begin van het middenneolithicum, meer dan een half millennium later, zijn geen 14C-dateringen beschikbaar. Dit chronologische hiaat komt bovendien overeen met een hiaat in de kennis van de occupatie. In Bekkevoort is op basis van een oppervlaktekartering een enkele site geïdentificeerd die mogelijk door de Groep van Blicquy werd bewoond, maar sites van andere post-Bandkeramische groepen zoals de Rössencultuur ontbreken vooralsnog.6 Voor de rest van Vlaanderen zijn evenmin gedateerde sites voorhanden. Wel werden in een dateringsproject op hakken in gewei die in de Beneden Schelde gevonden werden enkele dateringen bekomen die in deze periode te situeren zijn.7 8 Of deze met een neolithische occupatie in verband moeten worden gebracht is onzeker. Mogelijk betreft het werktuigen van late (Swifterbant?) groepen jager-verzamelaars die eerder bij het mesolithicum dienen te worden ondergebracht. Het is evenmin duidelijk of de losse vondsten van Rössen Breitkeilen gelieerd zijn met een Rössenoccupatie van het gebied, dan wel het resultaat van uitwisseling met lokale, pre-neolithische groepen. In elk geval bevestigen ze dat het kennishiaat tijdens het midden van het 5de millennium geen gevolg is van een totaal verlaten van het gebied.
Vanaf de periode tussen 4260 en 4080 v.Chr. – die gekenmerkt wordt door een calibratieplateau – duiken de sites en 14C-dateringen weer op, ditmaal in de leemstreek gelieerd aan de Michelsbergcultuur en aanverwante groepen. In totaal zijn slechts 11 betrouwbare dateringen met een standaarddeviatie kleiner dan 100 jaar beschikbaar voor het middenneolithicum in Vlaanderen. Deze lopen door tot in het eerste calibratieplateau van het 4de millennium v.Chr., tussen 3950 en 3790 v.Chr. De periode daarna wordt nogmaals gekenmerkt door een hiaat in de kennis, opnieuw ingevuld door enkele dateringen op geweien hakken uit de Beneden Schelde. Deze dateringen lopen overigens door tot het einde van het neolithicum, omstreeks 2000 v.Chr. Ook in het zuiden van het land lopen de dateringen in grotsites door over deze periode.9 Deze dateringen zijn vaak bekomen op monsters die eind 19de of begin 20ste eeuw werden opgegraven en niet meer betrouwbaar met een materiële cultuur zijn geassocieerd, waardoor ze niet meer informatie opleveren dan het bevestigen van het doorlopen van de menselijke bewoning in het gebied.
In Vlaanderen duiken de eerste dateringen weer op voor het laat- en finaalneolithicum, tijdens het derde millennium v.Chr. De dateringen werden in de laatste jaren aangevuld en zijn intussen afkomstig van een negental sites: nederzettingsresten in Hertsberge en Waardamme (Deûle-Escaut), Deinze (Enkelgrafcultuur), Hansbeke en Oudenaarde Donk (Klokbekercultuur) en de funeraire sites in Kruishoutem (Wijkhuis en Kapellekouter), Mol en Sint-Denijs-Westrem. Enkele dateringen in de tweede helft van het 4de millennium, zoals in Ename, Oudenaarde en Deinze, zijn niet betrouwbaar geassocieerd met laatneolithische occupatieresten en zijn bijgevolg moeilijker te interpreteren.10 11

4.2 Overzicht van de gekende sites per periode

Voor een overzicht van de bekende neolithische sites per chronologische fase, werd de Centrale Archeologische Inventaris van Vlaanderen (CAI) als bron gebruikt. De aanpak werd afgestemd op deze gehanteerd voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum van deze onderzoeksbalans. Het is evident dat de CAI met een grote omzichtigheid moet worden gebruikt in kwantitatief onderzoek. In verband met de waarde en het gebruik van de CAI dienen volgende zaken immers te worden opgemerkt:

  • Enkel de sites waarvan de ligging enigszins12 bekend is, zijn in deze analyse in aanmerking genomen.
  • De belangrijkste problematiek bij het gebruik van deze bron is de vraag naar de representativiteit. Bevat de CAI daadwerkelijk een inventaris van alle neolithische vindplaatsen die in Vlaanderen bekend zijn, of ten minste gepubliceerd of gemeld? We moeten er sowieso van uitgaan dat bepaalde collecties nog niet ontsloten zullen zijn, zoals ook bleek uit een grondige evaluatie van de Oost-Vlaamse records in de CAI.13 Voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd reeds opgemerkt dat er ook met betrekking tot de gepubliceerde vondsten nog lacunes zijn. De vraag werd er gesteld in hoeverre alle lokale tijdschriften volledig zijn geëxcerpeerd. Een dergelijke screening impliceert echter een aparte evaluatie van de CAI op zich en gaat de opzet van de onderzoeksbalans te boven.
  • Eveneens voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd opgemerkt dat de kwaliteit en nauwkeurigheid van de ingevoerde CAI-gegevens momenteel nog erg variabel is. Vaak gaat het om vondstmeldingen zonder grondige evaluatie. Er werd dan ook intern aan het VIOE gestart met deze evaluatie en de redactie van de CAI. Deze redactie is momenteel nog niet afgerond. De gegevens die in dit hoofdstuk werden opgenomen zijn gebaseerd op de toestand in april 2010.

Van de bijna 6565 locaties die in april 2010 in de CAI geregistreerd stonden als steentijdsite, heeft de helft betrekking op lithisch materiaal waarvan de steentijdperiode niet kon worden gedetermineerd (Figuur 26). Zowat 31% van de 6565 locaties werd met het neolithicum in verband gebracht (n=2027). Dit aantal is goed voor meer dan 60% van alle periodegebonden locaties in de CAI. Bij deze aantallen dient in rekening te worden gebracht dat sites waar meerdere perioden zijn aangetroffen ook meerdere malen in deze tellingen zijn betrokken. Dat betekent dat het totaal aantal sites de facto lager ligt dan de 6565 locaties die hier in de discussie zijn betrokken.
Binnen het neolithicum is het grootste aantal sites niet verder bepaald naar fase (Figuur 27). Van de sites die wel naar fase zijn gedetermineerd, is er een erg uitgesproken meerderheid middenneolithische sites. Vroegneolithische sites zijn het zeldzaamst met een totaal van 76, gevolgd door laat- en finaalneolithische sites (n=173). Voor een gedetailleerde analyse van deze aantallen verwijzen we naar de paragraaf met het overzicht van gekende sites per archeoregio van dit hoofdstuk.14

 Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periodeFiguur 26: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode

 Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per faseFiguur 27: Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase

4.3 Balans van het onderzoek per chronologische fase

Voor een overzicht van het terreinwerk dat per neolithische fase plaatsvond, verwijzen we naar vorige besprekingen van de evolutie van het terreinwerk in de laatste dertig jaar en van de dateringsproblematiek. De bespreking van publicaties per chronologische fase is eveneens boven terug te vinden in het overzicht van gepubliceerd onderzoek.

3.5 Balans in de ruimte

5.1 Overzicht van de gekende sites per archeoregio

De verspreiding van de neolithische sites over de archeoregio’s werd eveneens bekeken op basis van de gegevens in de CAI. Voor het neolithicum kan een ander patroon worden waargenomen dan voor de voorgaande steentijdperioden (Figuur 28). Het grootst aantal sites is voor het neolithicum gekend in de zandleem- en leemstreek (53%), terwijl dat voor paleo- en mesolithische sites de Kempen is. In Zandig Vlaanderen (19%) zijn slechts iets minder sites gekend dan in de Kempen (26%). In de Maasvallei en de duin- en poldergebieden werden totnogtoe het minst aantal neolithische sites geregistreerd (samen 2%).

 Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’sFiguur 28: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s

Binnen het neolithicum zijn middenneolithische sites duidelijk dominant in elk van de archeoregio’s, met uitzondering van Zandig Vlaanderen waar meer laat- en finaalneolithische sites zijn gekend (Figuur 29). Terwijl het vroegneolithicum nagenoeg uitsluitend is gekend in de zandleem- en leemstreek en er ook voor het middenneolithicum sterke verschillen zijn in de verspreiding van sites met opnieuw de zandleem- en leemstreek als dominante, is de verdeling van laat- en finaalneolithische sites vrij gelijk gespreid over Zandig Vlaanderen, de Kempen en de zandleem- en leemstreek.

 Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase in de verschillende archeoregio’s. Group1=laat- en finaalneolithicum.Figuur 29: Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase in de verschillende archeoregio’s. Group1=laat- en finaalneolithicum.

Een verspreidingskaart van alle gelokaliseerde neolithische sites in Vlaanderen bevestigt dit patroon en toont dat de sites nagenoeg overal binnen de archeoregio’s voorkomen (Figuur 30). Enkele concentraties van sites zijn wellicht eerder gelinkt aan een concentratie van archeologisch onderzoek, in het bijzonder veldkartering, dan aan een daadwerkelijke concentratie van sites.

 Verspreiding van neolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 30: Verspreiding van neolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Vroegneolithische sites zijn wel duidelijk geconcentreerd in het oostelijk uiteinde van de zandleem- en leemstreek (Figuur 31). Dit is het gebied van de Bandkeramische nederzettingscluster in oostelijk Haspengouw die naar het zuiden aansluit bij de nederzettingscluster in Luiks Haspengouw en naar het noordoosten bij de Graetheidecluster in Nederlands Zuid-Limburg. De nederzettingscluster op het plateau tussen de bovenloop van Demer en Maas wordt in de wetenschappelijke literatuur aangeduid als Heeswatercluster.1 2 Momenteel zijn 28 van deze Bandkeramische nederzettingen in deze cluster in Vlaanderen bekend. De tweede Bandkeramische nederzettingscluster, in het gebied van de Kleine Gete, is ca. 20 km meer naar het westen gesitueerd en bevat slechts een drietal sites. Een enkele site, in Sluizen, is gelegen op de linkeroever van de benedenloop van de Jeker en behoort niet tot deze clusters. Het voorkomen van de Bandkeramische sites in slechts enkele nederzettingsclusters in de leemstreek sluit aan bij het patroon van sites elders in Noordwest-Europa.
Daarnaast zijn een beperkt aantal vroegneolithische sites verspreid over de rest van de zandleem- en leemstreek en in de zandige delen van Vlaanderen. Deze verspreiding moet in verband worden gebracht met de verspreiding van losse, diagnostische vondsten zoals pijlpunten en dissels, voornamelijk in een gebied dat zich uitstrekt tot ca. 30 km buiten de Bandkeramische nederzettingsclusters.3 4 5 Een deel hiervan kan wellicht in verband worden gebracht met expedities van de Bandkeramiek buiten de nederzettingsclusters en ten noorden van de leemgronden, maar het is niet uit te sluiten dat het bij een ander deel uitwisselingsvondsten betreft tussen de eerste landbouwersgemeenschappen en de laatste jager-verzamelaar groepen van het gebied. De enkele vroegneolithische vondsten in het poldergebied van de Beneden Schelde corresponderen met de vondsten van de Swifterbant cultuur in Doel Deurganckdok.6

 Verspreiding van vroegneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 31: Verspreiding van vroegneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Het middenneolithicum wordt niet enkel gekenmerkt door het grootst aantal sites, maar ook door een ruimere spreiding van de sites (Figuur 32). Ze zijn verspreid over nagenoeg de hele zandleem- en leemstreek. In de Kempen en in Zandig Vlaanderen is eveneens een gelijkmatige spreiding, van ditmaal een stuk minder sites, waar te nemen. Enkel in het oostelijk deel van de Kempen is een concentratie van waarnemingen gekarteerd. Voor het grootste deel betreft dit vondsten die in verband kunnen gebracht worden met de Michelsbergcultuur en verwante groepen.

 Verspreiding van middenneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 32: Verspreiding van middenneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Voor het laat- en vooral het finaalneolithicum zijn weer een heel stuk minder sites gekend in Vlaanderen. Begin jaren 1980 beschreef Louwe Kooijmans dit nog als het “grote, ‘lege gebied’ dat de kaart van het laat-neolithicum ons laat zien tussen de ‘Néolithiques de la Meuse’ en de ‘Vlaardingen-cultuur’” en sindsdien is dit beeld niet erg veranderd.7 Terwijl de sites van het laatneolithicum net als die van het middenneolithicum vrij homogeen over de archeoregio’s verspreid zijn (Figuur 33), zijn voor het finaalneolithicum voornamelijk sites gekend in het westelijk deel van de Vlaamse dekzandgebieden (Figuur 34).

 Verspreiding van laatneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 33: Verspreiding van laatneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

 Verspreiding van finaalneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 34: Verspreiding van finaalneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Hier is het van belang om te wijzen op het aparte fenomeen van de gepolijste bijl. In totaal zijn 1123 gepolijste bijlen in de CAI geregistreerd als prospectievondst of toevalsvondst. In de meeste gevallen betreft het losse vondsten van volledige exemplaren of fragmenten. De oorsprong van de gepolijste vuurstenen bijl moet bij het begin van het middenneolithicum gezocht worden,8 al blijft het werktuigtype wellicht ook nog na het neolithicum in gebruik. Volledige exemplaren worden echter zelden tot nooit in nederzettingscontext aangetroffen en het blijft dan ook onmogelijk om dergelijke exemplaren op basis van hun morfologie nauwkeurig te dateren. De dateringen die in de CAI werden toegevoegd aan de (losse) prospectievondsten van gepolijste bijlen, gaande van middenneolithicum tot de vroege ijzertijd, moeten dan ook met een korrel zout genomen worden. In ieder geval zijn deze vondsten van gepolijste bijlen verspreid over alle archeoregio’s.

 Verspreiding van gepolijste bijlen in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010). Losse vondsten zijn aangegeven in het zwart.Figuur 35: Verspreiding van gepolijste bijlen in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010). Losse vondsten zijn aangegeven in het zwart.

5.2 Het neolithisch potentieel van de archeoregio’s

Het belang van het onderscheid tussen de verschillende archeoregio’s voor het neolithicum houdt verband met twee aspecten. Vooreerst is er het tafonomische aspect, waarbij verschillen in bewaringstoestand en vondstkansen zijn gerelateerd aan de variatie in sediment, hydrografie, topografie, bodemvorming en historisch landgebruik. Daarnaast zullen deze verschillen ook op de neolithische occupatie een impact hebben gehad. De leemgronden van de zandleem- en leemstreek zijn in principe geschikter voor primitieve landbouwactiviteiten dan de zure zandgronden van Zandig Vlaanderen en de Kempen. Er kan dan ook worden verwacht dat de aard van de neolithische occupatie tot op zekere hoogte verschillend is geweest in de verschillende archeoregio’s. Dit kan een impact hebben gehad op nederzettingssystemen en de mate waarin structuren werden uitgegraven. Op zijn beurt zal dit opnieuw de bewaringstoestand en vondstkansen beïnvloeden.
De evaluatie van het neolithisch potentieel van de archeoregio’s is een taak die met name wordt bemoeilijkt door het feit dat de representativiteit van het gegevensbestand tot op zekere hoogte onbekend is. Een belangrijk gevaar bij de evaluatie van het neolithisch potentieel van de archeoregio’s is dan ook een cirkelredenering waarbij gekende neolithische sites als standaard worden aanzien, terwijl ongekende situaties over het hoofd worden gezien. We kunnen er immers van uit gaan dat doorheen het verleden, maar in belangrijke mate vanaf het neolithicum, het landschap actief door de mens werd ingedeeld, waarbij specifieke activiteiten op bepaalde ogenblikken in specifieke contexten werden uitgevoerd. Aldus kan een specifieke situatie, bijvoorbeeld het voorkomen van Bandkeramische nederzettingen (en grafvelden) bovenop leemplateaus, uitgroeien tot de standaard perceptie van de occupatie van die bepaalde cultuur in een specifiek gebied. Dit sluit echter niet uit dat andere activiteiten, of zelfs gelijkaardige activiteiten (i.c. een nederzetting), zich buiten de ‘typische’ geomorfologische context kunnen afspelen. In deze optiek kan verwezen worden naar de ontdekking van (late) Bandkeramische nederzettingsterreinen langsheen de Maas in Nederlands Limburg,9 10 11 die aantonen dat ook zones waar voorheen nooit met een Bandkeramische occupatie rekening werd gehouden een zeker potentieel bevatten. In die zin is het overzicht van het neolithisch potentieel eerder een aangeven van de mogelijkheid voor een goede bewaring van neolithische sites, dan wel het voorspellen van de aanwezigheid van dergelijke sites.
De zandleem- en leemstreek is in het verleden zwaar onderhevig geweest aan watererosie, mede onder invloed van de intensieve landbouw in deze vruchtbare contexten.12 Deze erosie is het sterkst op de plateauranden en bovenaan de hellingen en zal een vernielende impact hebben gehad op sites die zich in deze context bevonden. Onderaan de hellingen en in de valleien kunnen sites bedekt zijn met een belangrijk pakket colluvium, wat hun identificatie bemoeilijkt. Niettegenstaande deze processen bevatten de plateaus in deze regio nog steeds een groot potentieel voor het aantreffen van neolithische sites. Allereerst, en in tegenstelling tot bijvoorbeeld het mesolithicum, zorgen de grootte van de lithische artefacten en de aard van de sites met gegraven sporen van gebouwplattegronden, voorraad- of afvalkuilen en grachten, dat de oppervlakkige erosie niet alle sporen wegwiste. Bovendien is de erosie erg variabel en zijn de neolithische sites vaak betrekkelijk uitgestrekt, waardoor ook goed bewaarde delen voorkomen.13Bijgevolg zijn heel wat neolithische sites tot op vandaag gekend door vrij omvangrijke concentraties lithisch materiaal dat in de huidige bouwvoor is opgenomen en via veldkartering aan het licht kan komen. Tot nog toe bleven de opgravingen in dergelijke context echter kleinschalig, waardoor de kans op het aantreffen van de goed bewaarde delen beperkt bleef. Een voorbeeld van een dergelijk recent ontdekte en goed bewaarde neolithische site in een verder voor erosie erg vatbaar gebied, is de Bandkeramische site Riemst Toekomststraat waar een volledige Bandkeramische gebouwplattegrond werd aangetroffen.14 De waarnemingen werden gedaan bij de voorbereidende werkzaamheden voor de constructie van een paardenpiste, in een zone waar bovendien nog geen indicaties waren voor het aantreffen van een neolithische site. Te verwachten problemen bij de prospectie en opgraving van neolithische sites in deze contexten houden voornamelijk verband met de identificeerbaarheid van neolithische sporen met de standaard prospectiemethoden, alsook het inschatten van het belang op basis van vaak beperkte indicatoren.15 Gezien de zure en droge bodems op de plateaus is onverkoold organisch materiaal er nagenoeg niet te verwachten. De tafonomische context reduceert eveneens de kans op het aantreffen van rijke, gestratifieerde vindplaatsen tot nul.
Valleisites16 zijn in veel mindere mate gekend. Dit heeft wellicht hoofdzakelijk te maken met de hierboven reeds aangehaalde problematiek van selectieve prospecties op de plateaus en hellingen waar de meeste neolithische artefacten aan het oppervlak kunnen gevonden worden. Een gelijkaardige problematiek doet zich eveneens voor met betrekking tot de voorgaande perioden van de prehistorie. Desalniettemin is het bewaringspotentieel in deze valleicontexten groot, en dan in het bijzonder op de oeverwallen van de rivieren en de donken in de brede valleien. Daar is er een grotere kans op het aantreffen van begraven, goed bewaarde sites die een grotere informatiewaarde bevatten dan plateausites door het behoud van stratigrafische informatie en de mogelijkheid op het aantreffen van niet verkoolde organische resten.
De dekzandlandschappen van de Kempen en Zandig Vlaanderen zijn sinds het laatglaciaal veel minder vatbaar geweest voor watererosie en -sedimentatie dan de leemgebieden, wel voor eolische erosieprocessen. Neolithische sites in deze gebieden zijn dan ook voornamelijk aan of nabij het huidige oppervlak bewaard gebleven. Bodemvorming, bioturbatie en verploeging zijn de belangrijkste verstorende processen voor neolithische sporen in deze contexten, waardoor prospecties met ingreep in de bodem voornamelijk te kampen hebben met problemen van spoorherkenning. Daarnaast bestaan in dit gebied ook uitgebreide zones waar plaggengronden voorkomen, die de aanwezige neolithische sites zullen hebben afgedekt. Lithische artefacten aan het oppervlak zijn de meest voor de hand liggende indicatoren voor de aanwezigheid van sites in akkerbouwcontext. Dit is voornamelijk het geval in Zandig Vlaanderen, terwijl er heel wat meer ‘woeste gronden’17 bestaan in de Kempen. Theoretisch zijn de neolithische sites in deze context beter bewaard, want minder verstoord door verploeging, maar ook hier spelen bodemvorming en bioturbatie als voornaamste verstorende processen voor de bewaring van grondsporen. De droge, zure zandbodems bieden enkel bewaringskansen voor verkoold organisch materiaal. In alluviale context in de archeoregio’s van de Kempen en Zandig Vlaanderen zijn betere bewaringskansen voorhanden voor zowel stratigrafische informatie als voor niet verkoold organisch materiaal. Bekende neolithische sites zijn in deze contexten nog erg zeldzaam, maar dit houdt ongetwijfeld verband met de beperktere archeologische activiteit in het verleden en de moeilijkheid om de sites op te sporen, eerder dan dat het een reflectie zou zijn van de zeldzaamheid van neolithische activiteit. De recente vondsten van mesolithische en neolithische sites in deze context18 19 20 bieden eveneens perspectieven voor het aantreffen van neolithische sites.
Een groot onderzoekspotentieel situeert zich in de natte gebieden van de kust- en Scheldepolders en het alluvium van beken en rivieren.21 Swifterbantvindplaatsen22 zijn voornamelijk gekend in deze ‘wetlands’ met goed bewaringspotentieel. De sites werden afgedekt met veen, alluviale en/of mariene sedimenten en dus op een gegeven ogenblik afgesloten voor verdere verstoring en palimpsestvorming. Helaas kan deze afdek in realiteit een hele tijd na de occupatie dateren, waardoor de bewaringscondities op de nederzettingsterreinen23 voor organisch materiaal even beperkt zijn en er eveneens een mogelijkheid bestaat tot vermenging van occupatieresten uit verschillende perioden. Aldus is het bestaan van een feitelijk, cumulatief palimpsest mogelijk zoals onder meer de site en dateringen in Melsele ‘Hof ten Damme’ aangeven.24 25 De beste bewaringscondities voor stratigrafische informatie en organisch materiaal kunnen, naar analogie met de hoge resolutie sites in het Nederlandse rivierengebied,26 worden verwacht aan de voet van de nederzettingsterreinen. Helaas, en in tegenstelling tot de hierboven aangehaalde voorbeelden uit het Nederlandse rivierengebied, zorgde de dynamiek van de rivieren waarlangs de sites zijn gelegen, voor het verstoren en eroderen van mogelijk oorspronkelijk aanwezige afvallagen. Vooralsnog zijn dan ook geen goed bewaarde, gestratifieerde afvallagen aangetroffen, maar in principe bevat dit gebied wel degelijk het potentieel voor dergelijke vondstlocaties. Systematisch prospectiewerk naar dit soort vindplaatsen loopt momenteel, via enkele projecten aan de UGent en door het VIOE in het kader van de archeologische begeleiding van het Sigmaplan.

5.3 Evolutie van het terreinwerk in de archeoregio’s

De evolutie van het neolithisch terreinwerk in de archeoregio’s kan voor de laatste 30 jaar worden bestudeerd op basis van de publicaties in de Notae Praehistoricae
De dominantie van veldwerk in de zandleem- en leemstreek is daarbij erg opvallend en dit voornamelijk voor het vroeg- en middenneolithicum. In Zandig Vlaanderen en de Kempen is heel wat minder veldwerk gericht op het neolithisch onderzoek. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het minder voorkomen van sites enerzijds, zeker voor het vroegneolithicum, en de traceerbaarheid van neolithische sites anderzijds. Voor het laat- en finaalneolithicum is een ander patroon merkbaar, met een min of meer gelijkmatige verspreiding over alle archeoregio’s en zelfs het meeste veldwerk in Zandig Vlaanderen.

 Terreincampagnes (1979-2009) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg- (VN), midden- (MN) en laat- en finaalneolithische (LN) sites, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 36: Terreincampagnes (1979-2009) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg- (VN), midden- (MN) en laat- en finaalneolithische (LN) sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

Bij de uitvoerders is de dominantie van de K.U.Leuven in zowel de Kempen als de zandleem- en leemstreek merkbaar, in beide gevallen gevolgd door de overheidsdienst. In Zandig Vlaanderen en de Polders is de UGent dan weer uitgesproken het meest actief (Figuur 37). Diezelfde verhoudingen voor de steentijd spelen eveneens voor het neolithisch onderzoek (Figuur 38). In tegenstelling tot het paleolithisch onderzoek wordt dit patroon in geen van deze archeoregio’s gedomineerd door meerjarige campagnes op één of enkele sites. Zoals reeds eerder aangegeven, hebben de meeste projecten betrekking op sites waarvoor niet meer dan twee campagnes werden gerapporteerd.

 Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op steentijdsites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 37: Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op steentijdsites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

 Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 38: Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

Doordat twee van de drie belangrijkste uitvoerende instellingen voornamelijk binnen de grenzen van een tweetal archeoregio’s onderzoek uitvoeren 27 werken de patronen geldig voor deze instellingen eveneens sterk door op de activiteit binnen de archeoregio’s. Aldus is een verschuiving van het onderzoek op neolithische sites merkbaar (Figuur 39): terwijl tot eind de jaren 1990 het neolithisch onderzoek voornamelijk werd uitgevoerd in de zandleem- en leemstreek,28 is die positie na 2000 weggelegd voor de polders en na 2005 voor Zandig Vlaanderen. 29Deze evolutie reflecteert de groeiende aandacht van de UGent voor het onderzoek op neolithische sites, na een jarenlange nadruk op mesolithisch onderzoek binnen haar werkgebied. Ook het lichte overwicht van Zandig Vlaanderen in het Malta-onderzoek op neolithische sites dat in de Notae werd gerapporteerd (Figuur 40) is met de activiteit van de UGent en het VIOE in deze regio gerelateerd. Het is evenwel een belangrijke trend die in contrast staat met de kennis en verspreiding van neolithische sites over de archeoregio’s. Hieruit kunnen slechts twee conclusies worden getrokken: ofwel is het spreidingspatroon van gekende neolithische sites in Vlaanderen scheefgetrokken door de jarenlange concentratie van geprogrammeerd onderzoek van met name de K.U.Leuven, ofwel is het belang van neolithisch onderzoek in Malta-context sterk afhankelijk van de activiteit van de grote wetenschappelijke instellingen.30

 Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 39: Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

 Aanleiding van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 40: Aanleiding van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

3.6 Balans van de bronnen

Net als voor de voorgaande perioden, is de ‘voorraad’ van neolithisch erfgoed in Vlaanderen en haar toestand nauwelijks te schatten. Een evaluatie van de bekende neolithische sites op basis van de beschikbare archeologische inventaris (CAI), wordt bemoeilijkt door het ontbreken van indexen die voor steentijdarcheologie zijn aangepast en door lacunes in deze inventaris, onder meer door een beperkte ontsluiting van oude collecties.1 Bovendien is voor een echte balans van het erfgoed nood aan systematische waarderingscampagnes op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s. Dit proces is aan de gang, met een groeiende aandacht voor de waardering van gekende sites, mede in opdracht van het Agentschap Ruimte en Erfgoed,2 maar bleef voor het neolithicum vooralsnog beperkt. Desalniettemin wordt in onderstaand deel getracht een balans te maken van de gekende sites en van het gekende archeologische materiaal, per subfase binnen het neolithicum.

6.1 Balans van de sites

6.1.1 Vroegneolithicum

Swifterbantvindplaatsen zijn vooralsnog uitsluitend gekend uit de natte, alluviale gebieden in de benedenloop van de grote rivieren en in het bijzonder van de Schelde. De vondsten blijven tot nog toe beperkt tot scatters van lithisch materiaal, aardewerk en verbrand botmateriaal en enkele uitgegraven sporen. De functionele interpretatie van deze vindplaatsen is nog aan de gang, maar op basis van de reeds bekomen 14C-dateringen blijken de vindplaatsen gedurende lange tijd herhaaldelijk te zijn opgezocht.3 Desalniettemin biedt deze regio het potentieel om via systematisch prospectiewerk meer informatieve sites op te leveren.
Voor de Bandkeramiek zijn voornamelijk nederzettingen gekend in een tweetal nederzettingsclusters binnen de leemstreek. De nederzettingen zijn, zoals ook elders in Noordwest-Europa voor de Bandkeramiek als typisch wordt beschouwd, gelegen op de leemplateaus, in de onmiddellijke nabijheid van water. De bewaarde resten omvatten sporen van gebouwplattegronden, voornamelijk paalgaten en de langskuilen, en andere kuilen waaronder kuilen die als silo kunnen worden geïnterpreteerd. Stratigrafische informatie is meestal beperkt tot de inhoud van de kuilen. Oversnijdingen van sporen zijn erg zeldzaam. Tot nog toe had geen enkel project in Vlaanderen, in tegenstelling tot in het Waals Gewest,4 5 de ambitie om een volledige nederzetting bloot te leggen. De beperkte schaal van de meeste opgravingen laat dan ook niet toe om de omvang van de nederzettingen te bepalen. Grafvelden van de Bandkeramiek zijn in het algemeen zeldzaam, en tot nog toe zijn geen grafvelden bekend in Vlaanderen. Het dichtstbijzijnde grafveld is dat van Maastricht Lanakerveld dat slechts enkele jaren geleden net over de Belgisch-Nederlandse grens werd ontdekt in het kader van een Malta-gerelateerd prospectieonderzoek.6 De nederzettingscluster van de Kleine Gete vormt een bijzonder geval. Het is een erg beperkte cluster, met tot op heden slechts drie geïdentificeerde sites. Bovendien vertoont het archeologisch materiaal er enkele specifieke eigenschappen, waarin Lodewijckx 7 8 een link ziet tussen de Bandkeramiek en lokale jager-verzamelaar groepen.
Buiten de gekende nederzettingsclusters van Bandkeramische sites worden vaak Bandkeramische vondsten gerapporteerd, maar tot nog toe zijn geen van deze opgegraven en is het moeilijk hun aard te bepalen. Deels zal het gaan om geïsoleerde vondsten, maar het is niet uit te sluiten dat kleine clusters van Bandkeramisch materiaal het resultaat zijn van expedities van de Bandkeramiek buiten de nederzettingsarealen.
Van de ‘Groep van Blicquy,’ een aan de Bandkeramiek verwante en in de tijd op de Bandkeramiek aansluitende vroegneolithische groep, zijn slechts weinig sporen in Vlaanderen bewaard gebleven. Slechts een enkele site, in Bekkevoort Leuvenaar, komt in aanmerking als mogelijke nederzetting maar ook hier zijn de gegevens beperkt tot een oppervlakte-ensemble.

6.1.2 Middenneolithicum

Sites die dateren uit het middenneolithicum zijn verspreid over heel Vlaanderen.9 Voornamelijk voor de leemgebieden, waar een heel aantal sites uit deze periode werd opgegraven, beschikken we over meer informatie omtrent de aard van de vindplaatsen. De meeste gekende sites zijn gelegen bovenop de leemplateaus, vaak op landtongen en uitkijkend over de riviervallei. Ze worden herkend door het grote aantal lithische artefacten aan het oppervlak, vaak verspreid over een zone van enkele tot enkele tientallen hectare. In Vlaanderen zijn vier van deze sites gekend als aardwerken, dit zijn omvangrijke en door grachten, wallen en/of palissaden omgeven sites: in Assent, Heuvelland (Kemmelberg), Ottenburg en Spiere. Daarnaast zijn ook kleinere vuursteenconcentraties gekend met materiaal dat aan deze periode kan worden toegeschreven. Door de beperkte omvang en resultaten van archeologische opgravingen op deze sites, is het erg moeilijk om een goed beeld te krijgen op de functie van de verschillende sites en aldus op het hele nederzettingssysteem. Om dezelfde redenen bestaat er voor de Vlaamse sites geen duidelijk idee omtrent de interne organisatie van aardwerken. De opgravingen in Spiere hebben in elk geval uitgewezen dat deze sites intens werden gebruikt, als residentiële nederzetting of als trefpunt voor grote bijeenkomsten. De (kleinschalige) opgravingen op de meeste andere sites leverden vaak niet meer dan enkele geïsoleerde kuilen op. Huisplattegronden werden in Vlaanderen nog niet geïdentificeerd. Een enkele claim voor Kruishoutem Kerkakkers,10 bleek na verder onderzoek een vervalsing te zijn.11
Vuursteenmijnbouwsites zijn in Vlaanderen niet gekend, wel enkele gespecialiseerde vuursteenextractieplaatsen in de Voerstreek. Het gaat telkens om openluchtgroeven waar vuursteen uit de vrij ondiepe ondergrond werd gewonnen.12
Het is mogelijk dat in het noorden van het Vlaamse landsdeel een ander nederzettingssysteem bestond, of dat de zandgronden een andere functie hadden in het ruimere nederzettingssysteem. Daar zijn vooralsnog geen aardwerken ontdekt, hoewel het bestaan ervan strikt genomen niet uitgesloten kan worden. Slechts een erg klein aantal sites werd hier opgegraven. Het betreft voornamelijk enkele sites in de Scheldevallei, onder meer in Oudenaarde en Doel. Deze sites, steeds gelegen op zandruggen in de alluviale vlakte, leverden voornamelijk archeologisch materiaal en een beperkt aantal sporen op. Daarnaast zijn ook een aantal geïsoleerde aardewerkvondsten gekend, die mogelijk met een aparte traditie van depositie in verband stonden.13
Tot op vandaag kunnen geen sites die worden toegeschreven aan de Groep van Spiere of de Michelsbergcultuur na 3800 v.Chr. worden gedateerd. In het oostelijk deel van de Kempen kunnen enkele vindplaatsen worden toegeschreven aan de Hazendonkgroep, die in Nederland na 3800 v.Chr. wordt gedateerd.14 In elk van de gevallen betreft het helaas een identificatie van vaak losse scherven, waarvoor de contextuele informatie erg beperkt is. Het grootste ensemble, opgegraven in Meeuwen Donderslagheide,15 leverde eveneens aardewerk dat eerder aan de Michelsbergcultuur dient te worden toegeschreven. Helaas is slechts weinig informatie voorhanden om tot een gefundeerde functionele interpretatie van de site te komen.

6.1.3 Laat- en finaalneolithicum

In Vlaanderen zijn slechts een erg beperkt aantal informatieve sites bekend die met de laatneolithische Vlaardingen / Seine-Oise-Marnecultuur (2de helft 4de millennium) in verband kunnen worden gebracht.16 Een groot deel van de resten zijn bovendien losse of geïsoleerde vondsten, die bijvoorbeeld bij baggerwerken werden aangetroffen. Daarnaast is materiaal toegeschreven aan de Steingroep in secundaire context aangetroffen in Geistingen Huizerhof.17 We kunnen er dan ook redelijkerwijze van uit gaan dat – niettegenstaande tot nog toe geen nederzettingen zijn aangetroffen – het kennishiaat niet overeenkomt met een echt occupatiehiaat en dat nieuwe sites in de toekomst kunnen verwacht worden.
Het finaalneolithicum vangt aan rond 3000 v.Chr. en was tot voor kort net als het laatneolithicum amper gekend in Vlaanderen,18 in grote mate beperkt tot een paar niet nauwkeurig te dateren oppervlaktevindplaatsen19 en een reeks 14C-dateringen op geïsoleerde artefacten.20 Voor de Deûle-Escaut groep is sinds een half decennium wel meer informatie voorhanden. Zo werd in Waardamme, in Zandig Vlaanderen, een nederzetting van deze cultuur aangetroffen, bestaande uit een enkele gebouwplattegrond.21 Een tweede site werd in 2008 aangetroffen in Hertsberge.22 De bewaringskansen voor stratigrafische informatie en organische resten zijn erg beperkt door de tafonomische kenmerken van deze regio. Verder wijzen geïsoleerde vondsten in de Scheldevallei, al dan niet absoluut gedateerd, op een continuïteit van de bewoning in deze periode. Het aantal hoog informatieve sites blijft evenwel erg beperkt.
Ook voor het finaalneolithicum blijft de informatie betrekkelijk beperkt, al is iets meer informatie voorhanden. In de Kempen en Zandig Vlaanderen werden tot nog toe een reeks finaalneolithische grafcontexten opgegraven, naast enkele stukken aardewerk die mogelijk eveneens met een grafcontext in verband kunnen worden gebracht.23 24 Een beperkt aantal van deze sites is betrekkelijk goed bewaard en informatief, terwijl de meeste bestaan uit geïsoleerde kuilen met wat bekeraardewerk. Nederzettingen en nederzettingsresten zijn erg zeldzaam. Enkel in Oudenaarde Donk werden dergelijke resten aangetroffen, maar de vondstomstandigheden lieten helaas niet toe om een duidelijk zicht te krijgen op de aard en omvang van de nederzetting. Verschillende recent opgegraven sporen in Zandig Vlaanderen kunnen mogelijk in verband worden gebracht met nederzettingen, al is het geassocieerde materiaal niet voldoende diagnostisch en is het wachten op de resultaten van 14C-dateringen.25 Dankzij nieuw onderzoek van uit de laatste vijf jaar, lijkt een beeld te ontstaan van een vrij intense bewoning van Zandig Vlaanderen tijdens deze eindfase van het neolithicum.26

6.2 Balans van het archeologisch materiaal

Net zoals voor de voorgaande steentijdperioden is lithisch materiaal de belangrijkste vondstcategorie op neolithische sites. Vanaf het begin van het neolithicum in de leemstreek, en het finaalmesolithicum in het zandige noordelijke deel van het land, verschijnt ook aardewerk als een belangrijke vondstcategorie. Het aardewerk is enkel goed bewaard in begraven toestand en maakt dan ook uiterst zelden deel uit van oppervlaktevindplaatsen. Het aantal hoog informatieve neolithische sites in Vlaanderen is eerder beperkt, en dit voor alle subfasen van deze periode. Het onderzoek dat op deze vindplaatsen en artefactenensembles werd uitgevoerd, beperkt zich dan ook hoofdzakelijk tot eerder descriptieve studies met een beschrijving van typologische samenstelling en technische kenmerken. Organische resten zijn in het algemeen veel zeldzamer en zijn veelal slechts in verbrande of verkoolde vorm bewaard.

6.2.1 Vroegneolithicum

De Swifterbantvindplaatsen zijn tot op heden uitsluitend gekend uit natte contexten die heel wat potentieel bieden voor de bewaring van niet-verkoolde organische resten en aldus aansluiting vinden bij de hoogst informatieve Swifterbantvindplaatsen uit het Nederlandse rivierengebied.27 Tot op heden bleef het materiaal dat deze sites opleveren echter beperkt tot lithisch materiaal en aardewerk, naast hoofdzakelijk verbrande botresten en wat verkoold botanisch materiaal. Het lithisch materiaal van de Swifterbant sluit vrij goed aan bij dat van het laatmesolithicum, met als belangrijkste diagnostische elementen Montbani-klingen, Montbani debitage en trapezia die in het geval van de Swifterbant klein en onregelmatig zijn.28 Het aardewerk, gemagerd met chamotte en plantaardig materiaal en hoofdzakelijk onversierd, wordt gedomineerd door S-vormige potten met een licht uitstaande hals en een ronde tot conische bodem. Het sluit betrekkelijk goed aan bij het aardewerk van de vroege Swifterbantvindplaatsen uit het Nederlandse rivierengebied.29 De botresten leverden tot nog toe enkel jachtwild en visresten op.30 Bij het botanische materiaal valt een enkele graankorrel, gedetermineerd als Triticum aestivum, te vermelden.31
Ook voor de Bandkeramiek, waarvoor de sites uitsluitend gekend zijn in contexten met minder goede bewaringsomstandigheden, domineren de vondstcategorieën van lithisch materiaal en aardewerk. Het lithisch materiaal vormde het onderwerp van enkele gespecialiseerde studies.32 33 Het lithisch materiaal wordt gedomineerd door de vuursteenindustrie. De sites uit de Kleine Gete cluster lijken hier een uitzondering op te vormen met een belangrijke productie van werktuigen in andere grondstoffen, zoals Wommersom en ftaniet34 Eindschrabbers maar ook sikkelelementen, spitsen en boren zijn de meest voorkomende werktuigtypes en meestal geproduceerd op klingen. Daarnaast komen dissels, maal- en polijststenen, alle in andere gesteenten dan vuursteen, vaak voor. Het zijn vooral de Bandkeramische spitsen en dissels die voldoende diagnostisch zijn om in het geval van geïsoleerde vondsten buiten nederzettingscontext aan de Bandkeramiek te worden toegeschreven. 35 De dissels vormden reeds verschillende malen het onderwerp van petrografische studies.36 37 Gebruikssporenonderzoek op lithisch materiaal van de Bandkeramiek werd nog niet uitgevoerd op ensembles van binnen Vlaanderen. Ook het aardewerk van de Vlaamse sites vormde slechts beperkt het onderwerp van gedetailleerde studies.38 Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen versierde en onversierde waar. Het onversierde aardewerk is dikwandig en meestal gemagerd met chamotte. De versierde waar is kleiner, dunwandig en fijnkorrelig. Vaak kunnen macroscopisch geen mageringselementen worden geïdentificeerd. De vormen worden gedomineerd door half bolvormige kommen. De versieringen, uitgevoerd met enkelvoudige of meervoudige spatels (kammen) beantwoorden aan een complexe logica. Op basis van de patronen en motieven kan het versierde aardewerk ingepast worden in de seriatie van de Bandkeramiek. De voor Vlaanderen meest toepasselijke seriatie is van de hand van P.J.R. Modderman.39 In Vlaanderen zijn, net als voor de rest van de Bandkeramiek ten westen van de Maas, voornamelijk sites van de jonge Bandkeramiek bekend vanaf Modderman fase II. Onlangs werd echter een site in Riemst gedeeltelijk onderzocht, die voorlopig enkel materiaal uit de oude fase (Bandkeramiek Ib/c) opleverde.40 Organische resten zijn slechts zelden bewaard en enkel in verkoolde vorm. Het verkoolde botanische materiaal, voornamelijk bestaande uit houtskool, werd bovendien slechts in beperkte mate geanalyseerd. Meestal werd het enkel gebruikt voor het bekomen van een 14C-datering. Het verbrande botmateriaal is vaak niet determineerbaar.

6.2.2 Middenneolithicum

Net als voor het vroegneolithicum vormen lithisch materiaal en aardewerk de voornaamste vondstcategorieën. Het lithisch materiaal is dominant op de vele oppervlaktevindplaatsen die aan deze periode worden toegeschreven. Het onderzoek dat op dat materiaal werd uitgevoerd, beperkte zich hoofdzakelijk tot het beschrijven van de typologische samenstelling van de ensembles. Verdere analyse van grondstoffen of gebruikssporen op lithisch materiaal dat in context werd opgegraven is eveneens eerder beperkt, enkele uitzonderingen niet te na gesproken.41 42 In het lithisch materiaal van deze culturele groepen kan meestal een onderscheid worden gemaakt tussen de import van brede klingen en bijlen uit de gespecialiseerde vuursteenexploitatiecentra, en een lokale afslagdebitage op vuursteen van vaak iets mindere kwaliteit. Typische werktuigen zijn grote, massieve eindschrabbers op afslag 43 en afslagbijlen. De pijlpunten zijn meestal bladvormig, hoewel voornamelijk in het westen van Vlaanderen ook pijlsneden voorkomen. Gepolijste bijlen zijn in grote mate geproduceerd op vuursteen, maar vooral in het oosten van Vlaanderen worden ook heel wat hardstenen bijlen teruggevonden. 44 Doorgedreven analyse van de petrografische samenstelling van het stenen materiaal, alsook van gebruikssporen op lithische artefacten bleef tot op vandaag erg beperkt, 45 hoewel het beschikbare materiaal uit opgravingen hier wel enkele kansen biedt. Een enkele studie richtte zich op de schachtingsmogelijkheden van gepolijste bijlen.46
Goede en omvangrijke aardewerkensembles zijn eerder zeldzaam. Meestal bevatten de neolithische sporen enkele, sterk gefragmenteerde stukken aardewerk die enkel op basis van hun technische kenmerken aan de Michelsbergcultuur worden toegeschreven. De analysemogelijkheden voor dit materiaal is dan ook veelal beperkt. Enkel de site in Spiere leverde tot op heden een aardewerkensemble op dat omvangrijk genoemd kan worden, met ca. 350 kg scherven waaruit een honderdtal aardewerkvormen konden worden ineengepuzzeld. Dit materiaal biedt heel wat potentieel voor gedetailleerde petrografische en functionele studies, waarvoor tot op heden slechts een korte aanzet werd gegeven.47 Op het middenneolithisch aardewerk van de sites in Doel en Oudenaarde werd voedselresidu aangetroffen dat aan een gedetailleerde analyse werd onderworpen.48 49 Het middenneolithisch aardewerk is doorgaans gemagerd met een combinatie van grit en plantaardig materiaal. De steenmagering bestaat in het westen van Vlaanderen voornamelijk uit vuursteen, en de Kempen eerder uit kwarts. Dit ruimtelijk onderscheid houdt ongetwijfeld verband met de lokale mogelijkheden.50 De vormenrijkdom is groter dan voor het vroegneolithicum en omvat grote potten met S-vormig profiel of versmalde halsopening en subverticale hals, open kommen met licht geknikt of S-vormig profiel, schalen en aardewerkschijven. De meeste potten zijn onversierd. De weinige versieringen sluiten aan bij de patronen en motieven van andere middenneolithische groepen in het noorden van het Bekken van Parijs, zoals de westelijke Bischheim en Cerny.51
De meeste vindplaatsen van de Michelsbergcultuur / Spieregroep bevinden zich op droge zandleem- en leemgronden die geen goede bewaringsomstandigheden bieden voor niet verkoold organisch materiaal. Enkel in de natte contexten in het rivieralluvium kan op goede bewaringscondities gerekend worden. Een enkele site, in Oudenaarde Donk, leverde dergelijke condities en het bijhorende organische materiaal.52 53 De fauna wordt opmerkelijk gedomineerd door wild, terwijl varken de groep van gedomesticeerde dieren domineert. Helaas kon de site niet onderzocht worden in de best mogelijke omstandigheden, waardoor zeker niet alle mogelijkheden die de site bood geëxploiteerd konden worden. Op de site van Spiere De Hel werd heel wat verkoold en sterk gefragmenteerd botmateriaal aangetroffen; door de grote hoeveelheid kon een nog behoorlijke hoeveelheid gedetermineerd worden naar soort. Het blijkt voornamelijk om resten van varkensbotten te gaan. De gedetailleerde monstername voor botanisch materiaal op dezelfde site leverde een opmerkelijke hoeveelheid aan informatie op, dankzij de in de omheiningsgracht bewaarde fragmenten verbrand en verkoold plantaardig materiaal.54 Het neolithisch aardwerk in Ottenburg is een andere vindplaats waar heel wat fauna werd aangetroffen.55 Aangezien het voornamelijk om oppervlaktemateriaal gaat, is de datering eerder onzeker. Op andere vindplaatsen werd slechts een beperkte hoeveelheid flora- en faunaresten aangetroffen.

6.2.3 Laat- en finaalneolithicum

Sites uit het laat- en finaalneolithicum in Vlaanderen worden eveneens gedomineerd door gelijkaardige bewaringsomstandigheden en de zeldzaamheid van onverkoolde organische resten. Ook hier domineren lithische en ceramische artefacten de vondstenspectra.
De lithische industrie van de Deûle-Escaut groep wordt gekenmerkt door een eerder opportunistische debitage, waarbij een minimale energie-investering in de productie van werktuigen wordt gespendeerd.56 Bij de werktuigen komen vooral getanden en microgetanden voor, alsook eindschrabbers op afslag en fragmenten van gepolijste bijlen. Het lijkt erop dat, net als voor het middenneolithicum, een onderscheid gemaakt kan worden tussen een import van gespecialiseerde producten uit de vuursteenmijnbouwcentra, in het bijzonder gepolijste bijlen maar mogelijk ook klingproducten en een opportunistische lokale debitage. Het aardewerk is weinig versierd en er lijkt een onderscheid te zijn tussen fijne en dikwandige waar, beide gemagerd met voornamelijk chamotte. De bodems zijn dik en vlak, de vormen veelal gesloten. Daarnaast komen ook weefgewichten en spinklosjes voor.57
Het archeologisch materiaal dat in Vlaanderen bekend is voor de Bekerculturen is van een andere orde, doordat dit meestal enkel uit grafcontexten afkomstig is. 58 Het spectrum van het lithisch materiaal is dan ook erg verschillend, met grafgiften zoals spitsklingen of dolken in silex uit Grand-Pressigny, alsook wrijf- of polijststenen. Het aardewerk is vrij diagnostisch, voornamelijk door de typische versiering, en is verschraald met chamotte of kwartsfragmenten. Geïsoleerde vondsten die voldoende diagnostisch zijn voor een toewijzing aan de occupatie in het 3de millennium zijn strijdhamers, dolken in Grand-Pressigny vuursteen, ruitvormige, gesteelde of gevleugelde pijlpunten, hulzen in gewei voor vuurstenen bijltjes en Klokbekeraardewerk. Ten slotte dient de afwezigheid van niet-verkoold organisch materiaal vermeld te worden. Het verkoolde botanische materiaal werd tot nog toe voornamelijk aangewend voor het dateren via de radiokoolstofmethode. Botspectra zijn nog niet samengesteld voor deze periode.

6.2.4 Hiaten

Ten slotte passen nog enkele woorden over geïsoleerde vondsten van artefacten in organisch materiaal die met behulp van 14C-dateringen in het neolithicum gedateerd kunnen worden. Een doorgedreven dateringsproject dateerde aldus heel wat hakken in gewei in perioden die verder eerder als kennishiaten geboekstaafd staan.59 Daarnaast werden op enkele sites dateringen bekomen die momenteel nog niet in verband kunnen gebracht worden met specifieke bewoningssporen en -activiteiten of diagnostische artefacten.60 61 Dit bevestigt dat de kennishiaten wellicht niet corresponderen met echte bewoningshiaten. Het mag gehoopt en verwacht worden dat archeologisch onderzoek in de toekomst in staat zal zijn deze kennishiaten in te vullen.

3.7 Balans van onderzoeksvragen en interpretaties

Net zoals voor de voorgaande steentijdperioden, maar eveneens voor de latere perioden, domineerde een eerder descriptieve uitwerking van een cultuurhistorische vraagstelling lange tijd het archeologisch onderzoek van het neolithicum.1 2 Ook recentere literatuur is vaak beperkt tot vondstmeldingen of het voorstellen van de onderzoeksgegevens van individuele sites. Deze beperkte invalshoek kan zeker ten dele verklaard worden door de vaak beperkte informatiewaarde van het onderzoek, met betrekking tot omvang, bewaringsomstandigheden voor stratigrafische informatie of voor niet-verkoold organisch materiaal. Deels, en in het bijzonder in combinatie met de chronologische problematiek en het voorkomen van belangrijke lacunes in onze kennis over het neolithicum in Vlaanderen, is een dergelijke vraagstelling overigens nog steeds relevant voor het onderzoek, zij het iets minder descriptief.3 4 5
Regionale variatie en etniciteit kwamen vrij vroeg aan bod en bleven in feite tot op vandaag vrij actueel.6 7 8 9 10 11 12 13 14 Ook de neolithisatieproblematiek komt in Vlaanderen reeds geruime tijd aan bod.15 Het laatste halve decennium is echter een duidelijke groei merkbaar in de aandacht voor deze problematiek, zowel met betrekking tot de overgang van jager-verzamelaars naar een landbouwersbestaan, als tot de contacten tussen jager-verzamelaars en vroege landbouwers.16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 Populatieprocessen komen voor het neolithicum slechts zelden of indirect aan bod,30 evenmin als mobiliteit en gebruik van het landschap in het neolithicum, nederzettingsdynamiek en –organisatie.31 32 33 De oorzaak hiervoor is hoofdzakelijk het ontbreken van een rijk databestand.
Meer aandacht is doorgaans gericht op thema’s die betrekking hebben op de mobiele archaeologica. Terwijl aandacht hiervoor in het verleden hoofdzakelijk een typologische benadering omvatte,34 35 36 groeit de aandacht het laatste decennium voor technologische benaderingen en functionele studies,37 38 39 voor aardewerk studies en voor het lithisch materiaal 40 41 42 43 44 Onderzoeksvragen rond voedselvoorziening en –consumptie komen slechts beperkt aan bod wegens het ontbreken van goede databestanden. Waar mogelijk wordt hier evenwel aandacht aan besteed.45 46 47 48 49 50 51 52 Hetzelfde geldt voor studies rond het natuurlijk milieu en de impact van de mens daarop.53 54 55
Ten slotte komen ook beheersaspecten aan bod, met betrekking tot tafonomie en bewaringstoestand van neolithische sites sporadisch.56

3.8 Balans van methodologisch werk

Hoofdzakelijk door de aard van het vondstenmateriaal, de bewaringsomstandigheden en de schaal en omstandigheden van het onderzoek, volgde het neolithisch onderzoek in Vlaanderen in grote mate de methodologische ontwikkelingen in internationale context, eerder dan dat het een trendsetter zou zijn geweest. Lange tijd leek Vlaanderen immers aan de periferie gelegen van de belangrijke ontwikkelingen die tijdens het neolithicum plaats vonden: de aankomst van het neolithicum in de leemstreek, met de belangrijkste sites in Luiks Haspengouw en later ook in Henegouwen, een zeer beperkte connectie met de inheemse neolithisatieprocessen in Nederland en Scandinavië, de aankomst van de Michelsbergcultuur en het ontstaan van de vuursteenmijnbouw waarvoor opnieuw de belangrijkste sites in het zuiden van het land gelegen waren en de Seine-Oise-Marnecultuur die in Vlaanderen enkel via geïsoleerde (bagger)vondsten gekend was. Enkel voor het finaalneolithicum was Vlaanderen beter gedocumenteerd met de drieperiodengrafheuvel in Mol en het klokbekergraf in Kruishoutem Wijkhuis. Pas sinds een tweetal decennia groeit het belang van de Vlaamse neolithische sites in internationale context, en verantwoordt het databestand de inzet en op termijn de ontwikkeling van een nieuwe methodologie.

Absolute dateringen worden meestal toegepast, wanneer de geschikte monsters beschikbaar zijn. Terwijl in het verleden vaak houtskoolmonsters werden gedateerd zonder verdere evaluatie, is er de laatste decennia meer aandacht voor de context van datering, de associatie met het te dateren fenomeen, en de evaluatie van het monster waarbij verstorende effecten zoals het oud hout en reservoir-effect worden vermeden.1 2 3 Het totaal aantal betrouwbare radiometrische dateringen beschikbaar voor het neolithicum in Vlaanderen is evenwel vooralsnog eerder beperkt.

GIS-toepassingen worden vaak aangewend, doch een echte (statistische) ruimtelijke analyse van sites en landschappen bleef vooralsnog uit. Wel kunnen we hier verwijzen naar een vroege toepassing van Lidar-technologie4 in het evalueren van de neolithische site in Ottenburg onder meer met betrekking tot de erosieproblematiek.5 Verder bleven de ruimtelijke toepassingen veelal beperkt tot een analyse van de verspreiding van vondsten op intrasite niveau6 7 of op regionaal niveau8

Met betrekking tot het lithisch materiaal overheerste in het algemeen descriptief typologisch werk van neolithische vondstcomplexen, vaak oppervlaktevindplaatsen. Technologische aspecten worden slechts beperkt behandeld.9 Verder dient de voorlopig erg beperkte toepassing van gebruikssporenonderzoek op Vlaamse sites te worden vermeld. Systematisch gebruikssporenonderzoek op neolithische sites bleef beperkt tot licentiaatsverhandelingen.10 11 12 Wel werkten onderzoekers verbonden aan de K.U.Leuven op de – beter gedocumenteerde – sites uit het zuiden van het land.13 14 15 De laatste jaren werkte Valérie Beugnier in samenwerking met de UGent op enkele mesolithische en neolithische contexten uit Vlaanderen.16 17 Naast Valérie Beugnier is binnen Vlaanderen enkel nog Veerle Rots (K.U.Leuven) actief in het gebruikssporenonderzoek. Zij richt zich echter eerder op materiaal en problematiek van het paleolithicum in de Oude wereld. Andere recente ontwikkelingen met betrekking tot onder meer residu-analyse op lithisch materiaal komen voorlopig nog niet aan bod in het Vlaamse onderzoek.
Ook bij aardewerkstudies bleef de focus lange tijd beperkt tot descriptieve bijdragen waarin de morfologische en technische kenmerken van het aardewerk werden beschreven. De omvang van de vondstcomplexen en hun stratigrafische context liet meestal niet toe over te gaan op het uitvoeren van seriaties of andere statistische verwerkingen van het aardewerk. Pas recenter worden ook andere methoden ingezet die de bijkomende informatiewaarde van aardewerk exploiteren. Analyse van voedselresten op en in aardewerk werd totnogtoe beperkt uitgevoerd, al komt daar sinds de laatste jaren verandering in. Slechts een eerste aanzet van een dergelijke analyse werd uitgevoerd op het materiaal uit Spiere18 19 en later ook van enkele andere neolithische sites.20 21 De laatste jaren wordt de methode ook vaker toegepast door onderzoekers van het KIK (M. Boudin), vaak in nauw verband met de dateringsproblematiek.22

Met betrekking tot de prospectie naar neolithische sites werd geen methodologisch werk uitgevoerd. Wel kon het neolithisch onderzoek mee profiteren van de ontwikkeling van boormethodes voor de prospectie naar mesolithische sites in alluviale context.23 Niet enkel Swifterbantsites komen hierbij aan het licht, maar ook sites daterend uit het volle neolithicum.24 25 26

3.9 Balans van theoretisch werk

Net als voor de voorgaande perioden zijn publicaties met reflecties over de discipline en het neolithisch onderzoek vrij schaars. Ook hier kunnen we verwijzen naar S.J. De Laet (UGent) en zijn internationaal gewaardeerde standaardwerk over de aard en problemen van de archeologie,1 waarin zowel methodologische als theoretische aspecten aan bod kwamen. Nadien, en in het bijzonder na de ontwikkelingen die zich vanaf 1960 hebben afgespeeld, bleven de Belgische en Vlaamse archeologen eerder afzijdig van het debat rond theorievorming in het archeologisch onderzoek. In Vlaanderen zijn dan ook geen publicaties beschikbaar die specifiek handelen over theoretische ontwikkelingen in de archeologie van de vroege landbouwerssamenlevingen van het neolithicum.

Om iets algemener een inschatting te maken van de bijdrage die archeologen in Vlaanderen recent hebben geleverd aan het internationale debat rond archeologische theorie, werd de deelname van twee jaarlijkse symposia rond archeologie en theorie onder de loep genomen: de jaarlijkse bijeenkomst van de ‘Theoretical Archaeology Group’ en het ‘Archeologie & Theorie symposium’ (Nederland).
De Theoretical Archaeology Group (TAG) werd eind jaren 1970 in Groot-Brittannië opgericht met als doel het debat te stimuleren rond theorievorming in de archeologie. Hoofdactiviteit van de TAG is het organiseren van een jaarlijks congres, met een Britse universiteit als gastheer. Een overzicht van de sinds 1979 georganiseerde congressen is momenteel terug te vinden via de website van Antiquity. Het congres groeide gestaag en werd recent uitgebreid met de organisatie van jaarlijkse TAG-bijeenkomsten in Scandinavië,2 Schotland,3 en de Verenigde Staten, met Columbia University als eerste gaststad in 2008. Het hoofdcongres is de laatste vijf jaar uitgegroeid tot een driedaags congres met een tiental parallelle sessies en een totaal van om en bij 350 presentaties. Het laatste congres, georganiseerd in 2009 (Durham), werd actief bijgewoond door 26 nationaliteiten. Vier jaar eerder, in Sheffield, waren 16 nationaliteiten vertegenwoordigd op het programma. Aldus groeide het congres uit tot de belangrijkste jaarlijkse bijeenkomst rond archeologie en theorie.
Voor de voorbije TAG-congressen werden de programma’s van het laatste jaarkwintet geïnventariseerd (Tabel 3). De bijdragen werden logischerwijze hoofdzakelijk geleverd door Groot-Brittannië, het land waarin het congres wordt georganiseerd. De vijf landen die na Groot-Brittannië het meeste bijdragen leverden tijdens het laatste jaarkwintet zijn de Verenigde staten (N=59), Portugal (N=29), Nederland (N=21), Spanje (N=17) en Ierland (N=17). België staat samen met Brazilië en Duitsland op een gedeelde 18de plaats met vier bijdragen in de laatste vijf jaar. Met dat beperkte aantal staat het in de middenmoot samen met nog heel wat West-Europese landen die meer dan een enkele, maar minder dan tien bijdragen leverden in de laatste vijf jaar, waar onder ook Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Italië. Slechts een enkele van de Belgische bijdragen werd geleverd door onderzoekers waarvan de focus van hun werk in Vlaanderen ligt: de bijdrage op de 2009 editie van de TAG in Durham van Erick Robinson (toen nog verbonden aan de Universiteit van Sheffield) en collega’s van de UGent. De andere bijdragen zijn van de hand van Laurence Gillot (ULB) en Eugène Warmenbol (ULB), eveneens in Durham 2009, en Ilse Schoep (K.U.Leuven) in Exeter 2006.
Andere bijdragen van Vlaamse onderzoekers aan de TAG sinds 2005 zijn deze van Karen Ruebens, die na haar opleiding aan de Leuvense universiteit startte met een doctoraatsonderzoek aan de universiteit van Southampton en in die hoedanigheid bijdroeg aan de TAG 2008 met twee presentaties en de organisatie van een sessie, en Aurelie Daems en Bart Ooghe, studenten van de UGent (Oude Nabije Oosten) die hun onderzoek presenteerden op de TAG-NYC in 2008.

 Aantal presentaties op de TAG bijeenkomsten van het laatste jaarkwintet (2005-09), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.Tabel 3: Aantal presentaties op de TAG bijeenkomsten van het laatste jaarkwintet (2005-09), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.

Ook de ‘Stichting Archaeological Dialogues’ heeft als voornaamste doelstelling het stimuleren van het debat rond theorie, methode en ethiek in de archeologie, met name in Nederland, en organiseert vanuit deze doelstelling sinds 1990 een jaarlijks symposium rond ‘Archeologie en Theorie’. Analoog aan de TAG-bijeenkomsten, roteert het A & T symposium tussen de academische instellingen in Nederland die zich bezig houden met archeologie. Daarnaast geeft de stichting ook het tijdschrift ‘Archaeological Dialogues’ uit. Gezien deze bijeenkomsten nabij Vlaanderen worden georganiseerd en bovendien in hetzelfde taalgebied liggen, zijn ze in principe uitermate geschikt voor Vlaamse onderzoekers. Via de website van de stichting Archaeological Dialogues zijn de programma’s van 12 van de voorbije 18 symposia beschikbaar (Tabel 4). Vanzelfsprekend domineren opnieuw de bijdragen van het gastland. Bijdragen uit het buitenland bleven in het algemeen erg beperkt. Dit is ongetwijfeld mede doordat de voertaal voor de bijeenkomsten hoofdzakelijk Nederlands is, wat voor Vlaamse onderzoekers geen belemmering hoeft te zijn. Toch zijn ook de bijdragen vanuit Vlaanderen ook erg beperkt, met twee actieve deelnames van Vlaamse onderzoekers: Jeroen Poblome (K.U.Leuven) in 1995 met een bijdrage over de aardewerkstudie op het Sagalassosproject en Mark Van Strydonck (KIK) in 2008 met een methodologische bijdrage over de mogelijkheden en beperkingen van de radiokoolstofmethode voor het dateren van Koptisch textiel. Het tijdschrift Archaeological Dialogues groeide in de voorbije 16 jaar uit tot – volgens de eigen website – “one of the leading journals for debating innovative issues in archaeology”. Bijdragen aan het tijdschrift vanuit Vlaanderen bleven tot op vandaag beperkt tot de bijdragen van David Van Reybrouck, 4 5 6 die tevens als editor van het tijdschrift actief was, en een enkel discussieartikel van de hand van Stefan Bekaert.7
Niettegenstaande de beperkte omvang van deze prospectie, bevestigen deze cijfers dat de Vlaamse wetenschappelijke instellingen zich in het verleden eerder afzijdig hebben gehouden van het debat rond theorievorming in de archeologie. Vanzelfsprekend is dit eveneens geldig voor de onderzoekers die zich focussen op de neolithische archeologie.

 Aantal presentaties op de Archeologie en Theorie bijeenkomsten (beschikbare informatie), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.Tabel 4: Aantal presentaties op de Archeologie en Theorie bijeenkomsten (beschikbare informatie), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.

3.10 Perspectieven

Het archeologisch onderzoek kent sinds het laatste halve decennium belangrijke veranderingen die gerelateerd zijn met de groeiende toepassing van het veroorzakersprincipe door de bevoegde administratie. Dit zogenaamde ‘Malta’-onderzoek is verantwoordelijk voor de exponentiële stijging van archeologisch onderzoek in Vlaanderen, en dit geldt eveneens voor het neolithisch onderzoek. Met name voor dat neolithisch onderzoek, maar iets ruimer voor de hele inschakeling van de Malta-archeologie in het steentijdonderzoek, gaat dit proces echter gepaard met enkele belangrijke uitdagingen.
Vooreerst blijkt de schaal van het terreinwerk naar het neolithicum in Vlaanderen veelal beperkt, net als de bereikte kennisverwerving of -vermeerdering. De bijdrage van het Malta-onderzoek van de laatste 5 jaar is immers hoofdzakelijk beperkt tot het toevoegen van ‘stippen op de kaart’, eerder dan dat het ons beeld op het neolithicum aanscherpt. Dit lijkt in belangrijke mate verband te houden met het ontbreken van aangepaste terreinmethodes en aandacht in het beslissingsproces. Bredere proefsleuven en nauwgezet opschaven van vlakken kunnen hier deels aan verhelpen, gekoppeld aan het correct inschatten van de waarde van neolithische vondsten. Hierbij kan gesteld worden dat sporen uit verschillende perioden in een beslissingsproces na het vooronderzoek niet op gelijke voet behandeld mogen worden, aangezien zij zich op verschillende manieren voordoen. Dit betekent vanzelfsprekend een complicering van het beslissingsproces. We kunnen in dit kader verwijzen naar de situatie in Noord-Frankrijk, waar na jaren van grootschalig prospectieonderzoek in de preventieve archeologie gerealiseerd wordt dat voor het neolithicum aangepaste terreinmethodes noodzakelijk zijn en dat ook geïsoleerde sporen in een standaard proefsleuvenonderzoek steeds aanleiding dienen te geven tot een vervolgtraject. Dit heeft onder meer te maken met de problemen van spoorherkenning en geringe spoordensiteit voor sites uit het midden- en laatneolithicum. Wellicht wordt ook in Vlaanderen het probleem van spoorherkenning onderschat. Het betrekken van specialisten in het beslissingsproces zou hier een oplossing kunnen zijn.
De neolithische expertise is bij het gros van de uitvoerders van Malta-onderzoek erg beperkt. Gelukkig schatten de meeste uitvoerders dit ook zo in en blijkt er in de praktijk een gezonde reflex te bestaan om specialisten, op vrijwillige basis, te betrekken bij het onderzoek. Projecten waar neolithische sporen en resten worden aangetroffen, blijken enkel in deze condities een meerwaarde te krijgen, waaruit het belang van de expertise bij de wetenschappelijke instellingen blijkt. Helaas gebeurt dit meestal ad hoc en na de planning van het onderzoek of de opgraving en blijft het vaak beperkt tot de determinatie van vondsten. Een systematische inpassing van specialisten in het onderzoek, via de uitvoerders of in een vorm van trajectbegeleiding lijkt dan ook noodzakelijk.
Op één enkel punt lijkt het Malta-onderzoek wel een belangrijke bijdrage te hebben geleverd voor het beeld van het neolithicum in Vlaanderen. Een deel van het onderzoek van de laatste jaren in Zandig Vlaanderen, dat het beeld van een onbekend gebied kon bijstellen voor alvast het laat- en finaalneolithicum,1 werd in Malta-context uitgevoerd. Dit onderzoek vormt eveneens een uitzondering daar het deel uitmaakt van een lopend onderzoeksproject dat aan de UGent wordt gevoerd. Deze instelling was in een belangrijk aantal gevallen ook de uitvoerder van het Malta-onderzoek, of tenminste als adviserende partij betrokken. Dankzij deze activiteit staat het laat- en finaalneolithicum opnieuw prominenter op de radar in Zandig Vlaanderen en verwacht wordt dat dit aanleiding zal geven tot het naar waarde schatten van heel wat nieuwe gegevens in de nabije toekomst. Dit toont aan dat de waarde van de Malta-archeologie voor het neolithisch onderzoek sterk afhankelijk is van de activiteit van de wetenschappelijke instellingen. Het is dan ook van belang dat deze onderzoeksgroepen ook in de toekomst blijvend kunnen investeren in neolithisch onderzoek en aldus hun expertise kunnen behouden en uitbouwen. De activiteit en betrokkenheid van deze onderzoeksgroepen in Malta-context lijkt hiervoor momenteel een belangrijke impuls te zijn.
Het belang van de actieve onderzoeksgroepen speelt bovendien ook voor het post-excavation traject. Het zijn deze groepen van wie een bijdrage mag verwacht worden aan de beperkingen van de Vlaamse (neolithische) archeologie met betrekking tot internationale impact, methodologische en theoretische ontwikkelingen.

3.11 Besluit

Het neolithicum kan beschouwd worden als de periode die van start gaat met een van de belangrijkste en meest fundamentele transformaties in de menselijke voorgeschiedenis. Het onderzoek naar deze periode in Vlaanderen komt erg vroeg op gang, vanaf de late 19de en vroege 20ste eeuw, zowel in kringen van geestelijken en notabelen,1 als aan de Koninklijke wetenschappelijke instellingen2 In de loop van de geschiedenis kunnen enkele ogenblikken worden aangeduid wanneer het neolithisch onderzoek een belangrijke impuls kent. Een eerste ogenblik kan gesitueerd worden vanaf de jaren 1950, wanneer de eerste grootschalige nederzetting van de Bandkeramiek in Rosmeer wordt opgegraven door de NDO. Vanzelfsprekend dient deze ontdekking gekaderd te worden in de archeologische activiteit op Belgisch, eerder dan op Vlaams niveau. Desalniettemin betekent deze opgraving de start voor een intensieve prospectiecampagne in Haspengouw en de ontdekking van tal van nieuwe neolithische sites. Daarnaast schenkt S.J. De Laet vanuit de UGent vanaf deze periode eveneens bijzondere aandacht aan het neolithisch onderzoek in Vlaanderen. Een tweede opmerkelijke impuls kent het neolithisch onderzoek vanaf de jaren 1970 en 1980. Oorzaak hiervoor lijkt een samenloop van omstandigheden, met de oprichting en onderzoeksactiviteit van het Laboratorium voor Prehistorie aan de K.U.Leuven, de opgraving3 van de sleutelsite in Oudenaarde Donk en de oprichting van de ‘NFWO’-contactgroep prehistorie. Ongetwijfeld hebben deze elementen ook meegespeeld in het zichtbaar worden van een nieuwe generatie ‘amateurarcheologen’. Sindsdien en na de opdeling van de NDO bij de staatshervorming van de vroege jaren 1990, bleef het neolithicum een belangrijk onderzoeksthema aan de K.U.Leuven en later aan de UGent, terwijl het slechts beperkt aan bod kwam in de activiteit van het IAP en het huidige VIOE.
De veranderingen die de herorganisatie van de Vlaamse administratie in de periode 2003-2005 met zich meebracht, en de de facto toepassing van het Malta-principe in een exponentieel groeiend aantal dossiers, lijkt eveneens voor het neolithisch onderzoek een verandering te betekenen. Ondanks een stijging in het veldwerk blijkt de waarde van het Malta-werk voor de kennisverwerving of –vermeerdering met betrekking tot het neolithicum echter minimaal te zijn. Dit is te wijten aan verschillende oorzaken, waaronder onvoldoende aangepaste terreinmethoden en het gebrek aan expertise dat in de uitvoering wordt ingeschakeld – wat blijkt uit het voorbeeld van het laat- en finaalneolithicum in Zandig Vlaanderen waar kennisvermeerdering wel plaats vond, maar rechtstreeks gerelateerd is aan de activiteit van de UGent. Bovendien lopen neolithische sporen en vondsten bij uitstek een uitermate groot risico om ondergewaardeerd te blijven in een beslissingsproces na een standaard vooronderzoek, zoals ook voorbeelden uit het buitenland aangeven. Een goede opvolging en waardering van neolithische vondsten in dit proces – door het ‘bevoegd gezag’ – is dan ook van groot belang.
Net zoals voor het paleolithicum en mesolithicum kan, ten slotte, gesteld worden dat de werkelijke kennisvermeerdering en de doorstroming hiervan in internationale context enkel mogelijk is bij projecten van voldoende omvang en waarbij voldoende middelen beschikbaar zijn voor een degelijke uitwerking. Hierin is een belangrijke rol te weggelegd voor de onderzoeksgroepen die een specialisatie in het neolithicum uitbouwden.

  • 1. Zoals de West-Vlaamse onderzoekers Ch. baron Gillès de Pelichy en J. Claerhout.
  • 2. KBIN en KMKG.
  • 3. In helaas verre van ideale omstandigheden.