Slagveldarcheologie van voor WO I

  • Versie: 1
  • Datum: 14/05/2012
  • Auteur: Ben De Vriendt
  • Medewerkers: Willem Derdre, John Carman

1 Inleiding

Het onderstaande hoofdstuk kwam tot stand naar aanleiding van het in 2011 opgestarte project ‘De inventarisatie van slagvelden van voor WO I in Vlaanderen’. Het Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting vzw (EEC) voerde het project uit in opdracht van het toenmalige Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).
Zoals de titel suggereert, beperkt het hoofdstuk zich tot slagvelden in Vlaanderen van voor WO I. Naar analogie met de inventarissen in Engeland en Schotland zijn belegeringen niet in het onderzoek opgenomen.

De inleiding schetst kort de historiek van het onderzoek naar slagvelden in Vlaanderen. Deel twee kijkt over de grenzen en geeft een overzicht van slagveldarcheologie in een internationale context. Deel drie gaat in op vondstlocaties in de Centraal Archeologische Inventaris (CAI) die gelinkt kunnen worden aan veldslagen en bekijkt algemene naslagwerken en specifieke publicaties met betrekking tot Vlaamse veldslagen. Het vierde deel formuleert vaststellingen, vraagstellingen en onderzoeksstrategieën. Een voorlopige conclusie sluit het geheel af.

2 Historiek van het onderzoek

Het heeft in België bijzonder lang geduurd vooraleer er in wetenschappelijke kringen belangstelling ontstond voor slagveldarcheologie. Hoewel, het ‘Rapport sur les fouilles exécutées par la Société d’Archéologie de Bruxelles’ maakte soms melding van vondsten van kogels en kanonballen op plaatsen die met veldslagen te maken kunnen hebben. Zo verwijst de aflevering van 1900 bijvoorbeeld naar de slag van Melle in 1745. Het nummer van 1901 heeft het onder andere over de Guldensporenslag van 1302 in Kortrijk. En in de nummers van 1903 en 1904 gaat het onder meer over de slag van Wijnendale in 1708.
In 1977 werden tijdens een studieopdracht naar een archeologische evaluatie en waardering van zeven schansen in de provincies Limburg en Vlaams-Brabant twee ronde en twee cilindrische kogels aangetroffen, mogelijke restanten van een aanval of verdediging van de schans. 1

In 2007 werden tijdens een archeologische opgraving in Neerharen (Lanaken) de restanten aangesneden van een redan. 2 In de vulling van de grachten werden musketkogels aangetroffen. De structuur zou in verband te brengen zijn met het beleg van Maastricht in 1632 of 1634. 3 In 2009 en 2010 werden er tijdens een archeologisch onderzoek in Tongeren een aantal musketkogels en twee pistoolkogels gevonden. 4 5
Uiteraard is dit geen ware slagveldarcheologie. De enige vorm van slagveldarcheologie die tot voor kort in Vlaanderen werd beoefend, heeft betrekking op de Eerste Wereldoorlog. Vanaf 2002 groeide dit erfgoed uit tot een regulier onderzoekitem voor de officiële archeologische diensten. Sindsdien zijn er heel wat resultaten geboekt. Kenmerkend voor deze vorm van archeologie is dat zij op vlak van methodologie nauw aansluit bij de courante archeologische aanpak.

Een probleem bij slagvelden van voor WO I is dat de vondsten zich hoofdzakelijk in de ploeglaag bevinden. Het gaat daarbij om onderdelen van wapens, knopen, gespen of andere attributen. Ook afgevuurde pijlen, kogels en andere projectielen, die vaak hun doel missen, blijven in de grond bewaard en gaan deel uitmaken van het archeologische archief. Omdat het in hoofdzaak om metalen voorwerpen gaat, gebeurt het onderzoek naar veldslagen doorgaans met metaaldetectoren. Een andere problematiek is die van de massagraven. Het was gebruikelijk om de gesneuvelden ter plaatse in grote massagraven te begraven zonder veel eerbetoon nadat ze eerst van hun kleding, schoeisel en andere bezittingen waren ontdaan. Het is pas recent dat soldaten een individueel graf krijgen. De talrijke begraafplaatsen van WO I zijn hier het beste voorbeeld van. Doordat de massagraven geen herdenkingstekens kregen, ging de exacte locatie ervan door de eeuwen heen verloren. Af en toe worden dergelijke graven per toeval ontdekt. Zo zou er tijdens de bouw van een sporthal in Lafelt een massagraf zijn aangesneden. Meer informatie over deze ontdekking ontbreekt. Er werd echter nog nooit een massagraf systematisch opgegraven en gedocumenteerd.

Conflicten hebben in belangrijke mate het verloop van de geschiedenis in Europa bepaald. Factoren die daarbij een rol hebben gespeeld zijn tactiek, slagkracht, omstandigheden, wapens, 6 7 8 9 10 11 12 logistiek, … die doorheen de eeuwen zijn geëvolueerd en waarover slagveldarcheologie belangrijke nieuwe inzichten kan verschaffen naast de historische bronnen. In vele gevallen zijn de archeologische sporen zelfs de enige bron van informatie of vormen zij een belangrijke toets voor wat de historische bronnen ons voorhouden over het verloop van een strijd. Daarom dient het terreinwerk te worden vooraf gegaan door een grondig historisch onderzoek van de primaire bronnen en een landschapsreconstructie op basis van historische kaarten. De combinatie van deze drie factoren laat het toe om hypotheses te formuleren over het verloop van een slag, de evolutie in oorlogsvoering, wapens en wapentechnieken en om die hypothesen te testen.

Het eerste wetenschappelijk onderzoek naar een slagveld van voor WO I in Vlaanderen kwam er pas in 2007. Dit gebeurde naar aanleiding van de 300-jarige herdenking van de slag bij Oudenaarde (1708). In samenwerking met het EEC voerden leden van het Engelse Battlefields Trust onder leiding van Dr. Glenn Foard er een kleinschalig metaaldetectoronderzoek uit. In totaal werden 61 musketkogels geregistreerd. 13 Analyse van deze vondsten toonde aan dat een archeologisch onderzoek van het slagveld van Oudenaarde niet alleen mogelijk was, maar ook tot bruikbare nieuwe inzichten zou kunnen leiden. In opdracht van Ruimte en Erfgoed voert het ECC vanaf 2011 opnieuw, grootschaliger metaaldetectoronderzoek uit op het slagveld van Oudenaarde 1708. Bedoeling is een archeologische evaluatie op te stellen en een waardering van het slagveld uit te drukken op basis van een grondige analyse van de beschikbare historische bronnen en een landschapsreconstructie. Het ECC presenteert de resultaten vermoedelijk in de tweede helft van 2012.

Een van de belangrijkste problemen die zich stellen, is de bedreiging die uitgaat van amateurs. Zij zijn massaal actief met hun metaaldetectors en ontnemen ons vaak van een belangrijke bron van informatie. In de meeste gevallen worden de kogels opgegraven zonder lokalisatie, worden ze niet bestudeerd en verliezen ze zo hun wetenschappelijke, indicatieve waarde voor de studie van een welbepaalde veldslag. Slechts af en toe worden er vondstmeldingen gedaan. Vooral in het werkingsgebied van ZOLAD+ 14 lijkt er een goede samenwerking te bestaan met de amateurdetectoristen. Het is echter overal aan te raden voor alle amateurs de nodige begeleiding en richtlijnen te voorzien, dit kan het onderzoek alleen maar ten goede komen. Momenteel is er echter geen methodologie voorhanden waarop archeologen en vrijetijdsarcheologen een beroep kunnen doen. De studieopdracht naar de archeologische evaluatie en waardering van het slagveld van Oudenaarde voorziet in de opmaak van een methodologie voor het archeologisch onderzoek van slagvelden uit de periode van de late 17de - begin 18de eeuw. Hoe onderzoek op het slagveld kan plaatsvinden, hangt immers nauw samen met de gebruikelijke manier van oorlogsvoering en de gehanteerde wapens en tactieken. Hoe die evolutie zich archeologisch vertaalt, is voorwerp van verder onderzoek.

Daar waar de slagveldarcheologie in Vlaanderen nog in zijn kinderschoenen staat, levert het historisch onderzoek naar veldslagen in Vlaanderen een heel ander beeld op. Kort na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 verschenen al de eerste verzamelwerken rond de militaire geschiedenis van België. Op publicaties over één welbepaalde veldslag is het wat langer wachten. Opmerkelijk hierbij is dat er een evolutie merkbaar is van een periode waar enkel de belangrijkste veldslagen worden behandeld 15naar een periode waarbij ook aandacht ontstond voor relatief onbekende veldslagen, zoals de slag bij Meeuwen in 1648 of de slachting van Salazar in 1632. Deze onbekendere veldslagen trekken vooral sedert de laatste decennia meer belangstelling. Vaak gaat een publicatie gepaard met een herdenking van een veldslag.

3 Slagveldarcheologie in een internationale context

3. 1 De geschiedenis van slagveldarcheologie

Hoewel de interesse voor veldslagen bij historici aanwezig is sedert de discipline ontstond, kwam de specifieke interesse voor het slagveld op zich pas later. Foard 16 vermeldt de vroege pogingen van Edward Fitzgerald vanaf 1842, wiens werk over Naseby in Engeland onder meer de opname van veldnamen en andere topografische elementen bevatte die verwijzen naar de veldslag. Ook registreerde Fitzgerald waar artefacten, toebehorend aan een veldslag, door lokale bewoners werden gevonden. Fitzgeralds werk ging verder met het graven van proefputten en het vinden van een massagraf. 17 Ongeveer tegelijkertijd begon Richard Brooke Brooke:1854aa met een onderzoek naar de slagvelden van de ‘Wars of the Roses’. Zijn ‘Visits to the Fields of Battle in England of the fifteenth century’ zijn voornamelijk kritische besprekingen van de historische bronnen en omvatten de verschillende fasen in het gevecht en de namen van prominenten die werden gewond en gedood. Ook voorzag hij nuttige kaarten van elke site, waarvan sommige van meer praktisch nut zijn dan recent aangemaakte kaarten. De interesse bij latere vorsers bleef voornamelijk in het vaarwater van Brooke’s primaire zorg: het identificeren van plaatsen waar veldslagen plaatsvonden, in plaats van deze te gebruiken als onderzoeksobjecten op zich.
Het gebeurde echter herhaaldelijk dat studenten militaire geschiedenis zich de moeite getroostten om de sites die zij onderzochten te bezoeken om er de topografie in verband te brengen met eigentijdse bronnen. Zowel Oman 18 als Weller 19 reisden door Spanje en Portugal om er slagvelden te bezoeken. Toch lag de primaire focus steeds op het bewijs in de literatuur, meer dan wat de plaats zelf kon verstrekken.
Langzaamaan groeide de interesse voor het slagveld op zich, wat uiteindelijk leidde tot de recente explosie van slagveldarcheologie. De eerste oefening in slagveldarcheologie vond plaats in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw, wanneer het militaire regime in Portugal het verleden van het land wilde vieren door de vroegere militaire daden van Portugal in de verf te zetten. Opgravingen voorafgaand aan de bouw van een monument en een museum op de site van de slag van Aljubarotta 20 onthulden een massagraf en slagveldelementen. 21 Deze oefening in slagveldarcheologie bleef echter relatief onbekend.
Een decennium later toonde onderzoek in Marston Moor Newman:1981aa en Maldon 22 het belang aan van topografisch onderzoek en de reconstructie van het historisch landschap door te onthullen hoe onderzoek gebaseerd op het moderne landschap zeer misleidend kan zijn. In Marston Moor realiseerde men zich dat de verzonken weg, die een grote rol speelde in de negentiende en twintigste-eeuwse verslagen, pas werd aangelegd in de 18de eeuw en aldus niet aanwezig was toen de veldslag in 1644 plaatsvond. Voor Maldon moest de enige eigentijdse bron worden herzien nadat er bevestiging kwam dat er een belangrijk verschil in het zeeniveau was opgetreden tussen de tiende en de twintigste eeuw 23.

De combinatie van een nauwgezette registratie van artefacten, topografisch onderzoek en de zoektocht naar doden bij de ‘Little Bighorn’ site in de VS 24 gaf slagveldarcheologie eindelijk de nodige aandacht en deze technieken werden sindsdien toegepast in Palo Alto, Texas,25 in het Verenigd Koninkrijk in Towton 26 en elders. 27 28 29 Door enkele succesvolle projecten is het aantal slagveldarcheologen in Europa substantieel gegroeid en is het domein in toenemende mate erkend.

3. 2 Archeologisch onderzoek naar slagvelden

3.2.1 Slagvelden uit de oudheid en de middeleeuwen

De precieze locatie van veldslagen uit de vroegste historische perioden is zelden gekend uit de geschreven bronnen. Recentelijk werden er toch twee veldslagen uit de Romeinse periode gelokaliseerd op basis van archeologisch onderzoek. Beide bevinden zich in het noorden van Duitsland: Kalkriese 30 31 32 en een voorheen onbekende actie uit de 3de eeuw in Harzhorn. In beide gevallen vonden archeologen de site door prospectie. Een nauwgezette analyse van de verspreiding van de artefacten liet toe om het gevecht te reconstrueren. Opgravingen in Kalkriese brachten de hindernis aan het licht die de Germanen opwierpen 33 Naast pijlpunten, gebroken zwaarden en speren werden er bewijzen gevonden van metaalbewerking, waaronder aambeelden en ander gereedschap, alsook onvolledige en onafgewerkte metalen objecten.
In Engeland konden onderzoekers het slagveld van Towton lokaliseren na de ontdekking van een massagraf dichtbij de site van de veldslag. 34 Na de opgraving en de nauwkeurige analyse van de menselijke resten ging de aandacht uit naar het gevecht zelf en de zoektocht naar andere graven. Onderzoek met de metaaldetector bracht objecten aan de oppervlakte die het toelieten om het slagveld af te bakenen. 35

3.2.2 Vroeg-moderne tot negentiende-eeuwse slagvelden

Gezien het onderzoek naar vroege slagvelden vele problemen met zich meebrengt, is het geen verrassing dat de focus van slagveldarcheologie zich richt op latere perioden waar de locaties van de acties beter gekend zijn. Het gros van het onderzoek beslaat de periode tussen de zestiende en de negentiende eeuw.

In de Verenigde Staten ligt de nadruk op de negentiende eeuw. Het onderzoek op de ‘Little Bighorn’ legde de basistechnieken van slagveldprospectie met een metaaldetector én de waarde van deze aanpak vast. 36 Scott en zijn collega’s gebruikten metaaldetectoren om kogels en patronen te zoeken die werden gebruikt in de strijd tussen eenheden van de 7de Amerikaanse Cavalerie en de Lakota en Cheyenne krijgers. De verschillende wapens die werden gebruikt door de drie partijen lieten de onderzoekers toe om inheems Amerikaanse schoten te onderscheiden van die van de soldaten. De verspreiding in de ruimte van de patronen - waarop kenmerkende sporen waren achtergelaten door individuele wapens – kon de bewegingen identificeren van de mannen en de formaties. Het onderzoek is nadien uitgebreid naar veldslagen uit de Amerikaanse Burgeroorlog 37 en andere militaire acties gericht tegen inheems Amerikanen. 38 39

In Europa ligt de focus op vroegere perioden, vooral op de zeventiende en de achttiende eeuw. De laatste veldslagen in Engeland en Schotland werden immers uitgevochten in 1685 en 1746. Foard 40 verrichtte uitgebreid onderzoek op de slagvelden van Naseby en Edgehill, beide daterend uit de Engelse burgeroorlog in het midden van de zeventiende eeuw. Edgehill blijft het enige vroegmoderne slagveld dat in zijn totaliteit werd onderzocht. Uitgebreid historisch en topografisch onderzoek probeerde ook het zeventiende-eeuwse landschap te reconstrueren. Samen met het metaaldetectoronderzoek wees dit uit dat de traditionele bronnen ernstige fouten maakten in de manier waarop de troepen werden gepositioneerd en hiermee elk begrip van het verloop van de actie beïnvloedden. Onderzoek voorafgaand aan de bouw van een nieuw bezoekerscentrum in het Schotse Culloden wees al vlug uit dat de traditionele bronnen van de veldslag foutief waren. 41 Elders in Europa werd en wordt er onderzoek uitgevoerd in Lützen (Duitsland), in Poltava (Oekraïne), in Landskrona (Zweden) en in Almenar en Talamanca (Spanje).

4 Kennisbalans slagveldarcheologie in Vlaanderen

4.1 Vondstlocaties in de Centraal Archeologische Inventaris (CAI)

4.1.1 Pre- en protohistorie

Uit de pre- en protohistorie zijn er vooralsnog geen vondstlocaties gekend die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met veldslagen.

4.1.2 Romeinse periode

Uit de Romeinse periode zijn er vooralsnog geen vondstlocaties gekend die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met veldslagen.

4.1.3 Middeleeuwen: vroeg over vol tot laat
  • Slag op het Beverhoutsveld (1382)

In Oedelem, een deelgemeente van Beernem, zijn in de CAI twee vondstlocaties opgenomen die in verband zouden staan met de slag op het Beverhoutsveld, een episode uit de Gentse opstand (1379-1385). Het zou gaan om vergane hoefijzers, speerpunten, zwaarden, kanonskogels en andere metalen voorwerpen. Veel materiaal zou door de boeren niet aangegeven zijn.

4.1.4 16de – 18de eeuw
  • Slag bij Rijmenam
  • Bij het waterpas leggen van een afhellende weide in Muizen, een deelgemeente van Mechelen, werd allerhande oorlogstuig gevonden dat in verband zou staan met de slag bij Rijmenam, één van de vele veldslagen in Vlaanderen tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Het betreft beslag van wapens, ijzeren helmen, harnassen, sabels, hoefijzers en gebitten van paarden.

  • Slagen bij Neerwinden (1693 en 1793)
  • Van de slagen bij Neerwinden zijn een tiental vondstlocaties gekend in de CAI. Het gaat hierbij steeds om vondstmeldingen van amateur metaaldetectorist David Stulens. Er werden een veertigtal musketkogels en enkele militaire knopen en gespen geregistreerd.

  • Slag bij Oudenaarde (1708)
  • Het eerste echt wetenschappelijke onderzoek naar een slagveld in Vlaanderen van vóór WO I werd gevoerd in Oudenaarde. Tijdens een kleinschalige campagne in 2007 werden 61 musketkogels geregistreerd.

  • Slag bij Lafelt
  • Het slagveld van Lafelt 1747 werd uitvoerig geprospecteerd door amateur-metaaldetectoristen. In de CAI worden er meer dan driehonderd vondstlocaties toegeschreven aan de slag. Het betreft bijna steeds vondstmeldingen van musketkogels door David Stulens. Twee maal stootte men tijdens bouwactiviteiten op begravingen. Zo zou men bij de bouw van de sporthal van Lafelt een massagraf hebben aangesneden.

  • Slag bij Boortmeerbeek
  • De CAI maakt melding van een mogelijk slagveld in Boortmeerbeek. Amateur detectorist Johan Dils vond er ‘doorheen de jaren’ 1000 tot 1500 musketkogels en een aantal geweerkeien. Mogelijk heeft het slagveld iets te maken met de opstelling van het leger van Maurice de Saxe. Deze linie is terug te vinden op de militaire kaart ‘Gauche du Camps de Malines’ (1747). De linie loopt in de buurt van de vindplaats.

4.1.5 19de – 20ste eeuw
  • Slag bij Hoogstraten (1814)
  • Tijdens het archeologisch onderzoek op het HSL-traject in de provincie Antwerpen werd in Meer het graf van een soldaat blootgelegd die vermoedelijk om het leven kwam tijdens de slag bij Hoogstraten. 42 43

  • Slag bij Kermt (1831)
  • Mogelijk houden een tiental vondstlocaties verband met de slag bij Kermt tijdens de Tiendaagse Veldtocht van het Hollandse leger in Vlaanderen in 1831. Ook hier betreft het vondstmeldingen van musketkogels door David Stulens.

4.1.6 Overige vondstlocaties

Tot slot zijn er een aantal vondstlocaties gekend in de CAI, onder meer in Tongeren en Maaseik, waar er een kleine of grote concentratie aan musketkogels voorkomen, maar die niet onmiddellijk kunnen worden gekoppeld aan een gekende veldslag. In sommige gevallen zou het gaan om kampementen. Het meest in het oog springend is een vermoedelijk kampement in Bilzen. De informatie waarover op dit moment kan beschikt worden is afkomstig van terreinprospecties door middel van metaaldetectoren. Vader Aloys en zoon David Stulens prospecteren sinds 2006 het gebied. De locatie was letterlijk bezaaid met loden kogels en knopen afkomstig van Franse legeruitrusting. De vondsten zouden afkomstig zijn van schietoefeningen die georganiseerd werden in het Tongerse kamp na de slag van Fleurus op 26 juni 1794. 44

4.2 Publicaties

4.2.1 Algemene naslagwerken

Kort na de onafhankelijkheid van België (1830) werden er een al aantal verzamelwerken gepubliceerd die de militaire geschiedenis van België omvatten, vaak ‘depuis l’invasion de César jusqu’as nos jours’. 45 46 47 48 49 In de 20ste eeuw zijn algemene naslagwerken in verband met de militaire geschiedenis van België eerder schaars. 50 51 Wel werd er in 1979 een uitgebreide bibliografie uitgebracht door het Centrum voor Militaire Geschiedenis.52 Recentelijk verschenen er twee verzamelwerken die de belangrijkste veldslagen in Vlaanderen bevatten. 53 54 Luc De Vos nam in zijn boek ook een uitgebreide lijst op met veldslagen en belegeringen.

4.2.2 Specifieke publicaties

Hoe meer waarde een veldslag krijgt vanuit politiek of militair oogpunt, hoe meer publicaties erover verschijnen. Zo is vooral de lijst met publicaties rond de Guldensporenslag (1302) in de Vlaamse literatuur schier oneindig. Vlaanderen was echter in hoofdzaak het strijdtoneel van buitenlandse mogendheden en dit heeft zijn gevolgen gehad in de literatuur. Zo zijn de meeste publicaties over de slag bij Nieuwpoort (1600). Die wordt beschouwd als de belangrijkste slag in de Nederlandse geschiedenis. Nederlands 55 en is de enige bron die verhaalt over de slag bij Wijnendale (1708) Engels. 56

Minder gekende veldslagen komen vooral aan bod in de tijdschriften uitgegeven door de Vlaamse Heemkundige kringen. Zo verschenen er in d’Euzie 57 een viertal artikels rond de slag bij Stekene (1703). 58 59 60 61 In Taxandria 62 verschenen er in 1983 en 1984 twee uitgebreide artikels over de slag op de Tielenheide (1597). 63 64 Ook over de slag bij Melle (1745), 65 66 67 68 de slag bij Brecht (1746) 69 70 71 en de slachting van Salazar (1632) verschenen er verscheidene artikels in de tijdschriften van de lokale heemkundige kringen.

Uitzonderlijk komt het tot een publicatie in boekvorm. Zo bracht Godelieve Geerkens in 1998 een boek uit gekoppeld aan de herdenking van de slag bij Meeuwen (1648). 72 Bij de tweehonderdste verjaardag van de slag bij Hoogstraten in 2014 zal er ook een publicatie komen.

5 Vaststellingen, vraagstellingen en onderzoeksstrategieën

Het inventariserend onderzoek naar veldslagen in Vlaanderen van vóór WO I laat enkele bedenkingen en vaststellingen toe.
Uit de pre- en protohistorie, net als uit de Romeinse tijd zijn er in Vlaanderen vooralsnog geen vondsten bekend die kunnen gelinkt worden aan veldslagen. De kans dat die ooit zullen gedaan worden is miniem, maar niet onbestaand. Zo werd recentelijk in Noord-Duitsland, meer bepaald in de Tollense vallei, het eerste bewijs ooit geleverd van een veldslag in de bronstijd. Luc De Vos neemt in zijn boek een viertal veldslagen op die zouden hebben plaatsgevonden in de Romeinse tijd. Naar de exacte locatie van deze veldslagen is het echter gissen.
De slag op het Beverhoutsveld (1382) is de eerste veldslag waarvoor er aanwijzingen bestaan binnen de CAI. Dit beeld stemt overeen met het historisch onderzoek naar veldslagen. Ook in de geschreven bronnen is er amper sprake van militaire confrontaties tot de 14de eeuw.

De periode van de 16de tot de 18de eeuw is het best vertegenwoordigd in de gerapporteerde vondsten. Niet toevallig doordat er in deze periode het grootste aantal veldslagen werd uitgevochten. Van de slag bij Rijmenam (1578) zou er allerhande oorlogstuig zijn gevonden, waaronder harnassen en wapens. Vanaf de 18de eeuw beperkt het vondstenmateriaal zich vrijwel steeds tot musketkogels en militaire knopen. Hoewel er een groot aantal soldaten sneuvelde op de Vlaamse slagvelden, zijn er tot op heden weinig sporen van begravingen gevonden. Enkel voor de slag bij Lafelt (1747) zou men tijdens graafwerken een mogelijk massagraf hebben aangesneden. Meer details over deze vondst ontbreken echter. Ook werd er bij de aanleg van het HSL-traject in de provincie Antwerpen het graf van een soldaat blootgelegd die vermoedelijk om het leven kwam tijdens de slag bij Hoogstraten (1814).
De periode van oorlogsvoering verliep doorgaans van de eerste drogere maand van de lente (april of mei) tot het einde van de herfst (november), waarna de huurlingen en soldaten zich inkwartierden om te overwinteren. Niet alleen was de operationele geschiktheid van land- en waterwegen veel geringer in de winterperiode, de logistieke behoeften waren zo groot voor de enorme aantallen soldaten en paarden dat de aanvullende maar broodnodige bevoorrading vanuit de regio van verblijf in de winterperiode geheel ontoereikend was om tred te houden met de behoeften. Om deze reden wachtte men tot het gras en groenvoer in de velden voldoende hoog stond om een campagne aan te vatten.73

Ook over de geografische spreiding van de veldslagen kunnen enkele conclusies worden getrokken. Julien Daenen wijdde er een hoofdstuk aan in het in 2008 verschenen boek ‘Limburg in ’t geweer’. Hoewel in het boek de nadruk ligt op het Land van Loon 74 als ‘Rotonde van Europa’, kan deze rotonde na de inventarisatie van veldslagen van vóór WOI, uitgebreid worden tot de Vlaamse leemstreek, met het land van Loon als nucleus.

Het land van Loon was doorheen zijn geschiedenis begrensd door veel grotere en machtigere buren. Tot 1366, wanneer het graafschap aan het prinsbisdom Luik werd gehecht, lag het gebied tussen het machtige hertogdom Brabant in het westen en het prinsbisdom Luik in het zuiden. Enkele eeuwen later zijn de belangrijkste buren Spanje en vervolgens Oostenrijk, die de Zuidelijke Nederlanden in bezit hadden. Ten noorden lag de Bataafse republiek, die zich in 1648 definitief aan het gezag van Spanje onttrokken had. Misschien nog belangrijker was de buur van de buren, het koninkrijk Frankrijk, dat zijn begerige blik eeuwenlang naar het noorden en het oosten gericht hield.

Hoewel de neutraliteit van het prinsbisdom Luik ook door de andere Europese staten werd erkend, heeft het toch vaak heel wat schadelijke troepenbewegingen over het grondgebied moeten dulden, omdat het te zwak was er zich tegen te verzetten.

Naast die machtige buren speelt ook de landschappelijke context een belangrijke rol in de ontwikkeling van het land van Loon, en ruimer gezien van de Vlaamse leemstreek.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Verenigde Provincies gold steeds eenzelfde zuid-noord beweging (en omgekeerd) voor de oprukkende troepen. Hetzelfde gebeurde tijdens de Franse expansieoorlogen. De tocht door de Zuidelijke Nederlanden was echter gebonden aan de natuurlijke gesteldheid van het gebied. In het noorden waren de Schelde monding en de gesteldheid van Zeeuws-Vlaanderen een heuse barrière, die de zuidkant van de Republiek de nodige veiligheid garandeerde. In het zuidoosten lagen de eerder onherbergzame Ardennen. Dit zorgden ervoor dat troepenbewegingen naar het noorden gebruik dienden te maken van de streek tussen de Schelde en de Maas. Bovenaan lagen de Kempen, die geen bruikbare rivieren hadden, een armer en minder bevolkt gebied, dat zeker niet geschikt was om troepen lang te herbergen. Vanuit strategisch oogpunt was de doorgang tussen Leuven en Luik een te verkiezen traject, zeker wanneer men een ideale doortocht naar het noorden via het vruchtbare Haspengouw en de Maasvallei voor ogen had.

7 Hoegaarden 1013/ 10 Axpoele 1128/ 11 Steps 1213/ 12 Bulskamp 1297/ 15 Guldensporenslag 1302/ 24 Othée 1408/ 27 Montenaken 1465/ 28 Brustem 1467/ 29 Oosterweel 1567/ 32 Rijmenam 1578/ 35, 143 Kouwenstein 1585/ 36 Tielenheide 1597/ 38 Nieuwpoort 1600/ 44 Ransbeek 1142/ 45 Wilderen 1130/ 48 Blaasveld 1579/ 53 Borgerhout 1579/ 56 Overrepen 1568/ 62 Ingelmunster 1580/ 67 Neerwinden 1693/ 69 Ekeren 1703/ 70 Stekene 1703/ 74 Oudenaarde 1708/ 75 Wijnendale 1708/ 76 Melle 1745/ 78 Lafelt 1747/ 83 Neerwinden 1793/ 94 Hoogstraten 1814/ 119, 145 Hooglede 1794/ 122 Vissenaken 1576/ 123 Menen 1793/ 148 De slachting van Salazar 16321

Slagveldarcheologie in Vlaanderen staat nog in de kinderschoenen. Tot dusver werd slagveldarcheologie in hoofdzaak uitgevoerd door vrijwilligers. Hoewel zij niet allemaal de stempel ‘schattenjager’ verdienen, kan hun methode van werken bezwaarlijk wetenschappelijk worden genoemd. Met de huidige inventarisatie van slagvelden van vóór WO I in Vlaanderen en het evaluerende en waarderend onderzoek op het slagveld van Oudenaarde 1708 komt hier hopelijk verandering in. Het komt er echter op aan om de gedane inspanningen verder te zetten.

Ten eerste moeten de Vlaamse archeologen vertrouwd geraken met de specifieke methodiek die slagveldarcheologie met zich meebrengt. Premoderne veldslagen laten immers bijzonder weinig dieperliggende sporen in de bodem na, en de exacte locatie van (metalen) voorwerpen op het oppervlak of ondiep in de ploeg laag is van doorslaggevend belang voor een zinvolle interpretatie ervan.
Voorts is het van belang om het middenveld bij het onderzoek naar veldslagen te betrekken. Dit middenveld omvat zowel de amateurs met een metaaldetector als de lokale kenners van veldslagen die actief zijn binnen de talloze heemkundige kringen die Vlaanderen rijk is.
Tot slot dient de vraag te worden gesteld waar al de helmen, harnassen, sabels, hoefijzers, kanon ballen, musketkogels en militaire knopen, waarvan sprake is in de CAI, zich momenteel bevinden. Een studie van dit materiaal kan leiden tot nieuwe inzichten in de oorlogsvoering in een welbepaalde periode en kan van nut zijn voor de verdere afbakening van de slagvelden.

6 Conclusie

Op de Vlaamse slagvelden is er door allerhande factoren (metaaldetectie, bouwprojecten, ontginningsindustrie, enz.) al heel wat waardevolle informatie verloren gegaan. Een unieke en waardevolle bron van informatie over het verloop van veldslagen werd niet aangesproken. Nog steeds worden slagvelden nauwelijks erkend als waardevolle erfgoedelementen.
Hoewel België al meermaals werd omschreven als ‘the cockpit of Europe’ als het aankomt op veldslagen, bestaat er in onze Vlaamse universiteiten geen specifieke opleiding, is er zelfs geen mogelijkheid om conflictarcheologie als keuzevak te volgen. Geïnteresseerden zijn verplicht hun studies voort te zetten in het buitenland. Zo zijn er momenteel enkele Vlaamse doctorandi actief in Engeland. Het is treffend voor deze situatie dat het enige wetenschappelijke onderzoek van een slagveld in Vlaanderen tot stand kon komen door de medewerking van buitenlandse vorsers. 75

Het is echter niet allemaal kommer en kwel. De inventarisatie van slagvelden van voor WO I en het evaluerende en waarderend onderzoek naar het slagveld van Oudenaarde 1708 zette immers de eerste stappen naar een gedegen beleid en beheer van de Vlaamse slagvelden.

1 De veldslagen tijdens de opstanden van de stad Gent (1379-1385 en 1449-1453) werden niet opgenomen in bovenstaand kaartje.
---------------

------------------------------------------------------------

---------------

------------------------------------------------------------