B. Onderzoeksbalans Bouwkundig Erfgoed

 

1 Architectuurgeschiedenis

1.1 Architectuurgeschiedenis Middeleeuwen

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Thomas Coomans

Bibliografie: Overzicht van de bibliografie over dit thema

1 Inleiding

In België bestaat er een lange traditie wat het onderzoek en publicaties naar middeleeuwse architectuur betreft. Sinds de eerste synthese over de gotiek in België uit 1839 zijn er regelmatig syntheses verschenen over romaanse en gotische architectuur. De meest recente dateren uit het laatste decennium en geven de stand van de huidige kennis weer. 1 2 3 4 5 Tot in de jaren 1970 is het onderzoek vrij traditioneel gebleven dat wil zeggen toegespitst op de monumentale gebouwen (kerken, stadhuizen, burchten, huisgevels), hun bouwtechnische en stilistische kenmerken. Aan de hand van die kenmerken waren de middeleeuwen in stijlperiodes verdeeld (Karolingisch, Ottoons, Romaans; vroeg-, hoog- en laatgotisch) en het kunstlandschap in regionale “scholen” (Schelde romaans, romaanse Maasstijl, Scheldegotiek, Brabantse gotiek, Kustgotiek enz). Die laatste categorieën worden vandaag soms nog gebruikt in algemene en toeristische literatuur, maar zijn door de wetenschapswereld bekritiseerd wegens hun ideologische achtergrond. Dankzij enerzijds nieuwe probleemstellingen zoals materiële cultuur en cultuurhistorie en anderzijds nieuwe methodes zoals bouwhistorie, natuurwetenschappelijk onderzoek en diepgaand archiefonderzoek is het onderzoeksveld de laatste decennia trouwens veel ruimer geworden. Daaruit blijkt dat de grens tussen architectuurgeschiedenis en archeologie niet meer waterdicht is en dat in bepaalde contexten, stadsarcheologie in het bijzonder, een multidisciplinaire aanpak de beste resultaten levert en toekomstperspectieven biedt.

2 Historiografie

De historiografie of geschiedschrijving in België is sterk beïnvloed door de evoluerende identiteiten. De eerste generatie vorsers na de Belgische onafhankelijkheid heeft het middeleeuws verleden bekeken met oog op de legitimatie van de nieuwe nationale identiteit. De naslagwerken van Antoine Schayes en kanunnik Edmond Reusens hebben in dat opzicht een belangrijke invloed gehad. 6 7 8 Vanaf 1890 ontwikkelden zich regionale identiteiten en ontstond een tweedelig kunstlandschap voor de romaanse architectuur, bestaande uit het Maasland en de Scheldestreek, en een driedelig kunstlandschap voor de gotische architectuur, bestaande uit dezelfde streken plus Brabant. De drie belangrijkste auteurs, Jules Helbig, Louis Cloquet en kanunnik Raymond Lemaire, genoten archeologische kennis als gevolg van hun betrokkenheid bij restauraties. 9 10 11 12
Voor de Eerste Wereldoorlog waren die regionale identiteiten onderdelen van de Belgische identiteit. In het interbellum ontstonden discussies over de oorsprong van de gotiek in Brabant en vond met de synthesewerken van Stan Leurs een verschuiving naar Vlaams-nationalistisch getinte interpretaties van de gotiek plaats. 13 14 15 Na de Tweede Wereldoorlog schetste Raymond Marie Lemaire een complex kunstlandschap bestaande uit regionale scholen, groepen en subgroepen, dat hoofdzakelijk gefundeerd was op het gebruik van streekgebonden bouwmaterialen. 16 17 18 19 Deze subregionale interpretaties werden in zekere mate bevestigd door het baanbrekend bouwhistorisch onderzoek van broeder Firmin De Smit, Luc Devliegher, Simon Brigode en Luc Genicot. 20 21 22 23 24 25

Vanaf 1970 werd het Belgische romaanse kunstlandschap opengetrokken door de synthese over Rijnlandse architectuur van Hans Kubach en Albert Verbeek 26 andere internationale werken over romaanse architectuur gaan in dezelfde richting. 27 28 29 In 1987 was de studie met bijhorende tentoonstelling over de architectenfamilie Keldermans een mijlpaal voor het onderzoek naar laatgotische architectuur in de Lage Landen. 30 In de twee laatste decennia beperkte de benadering zich niet meer tot de kerkelijke architectuur en ontwikkelde zich vernieuwend wetenschappelijk bouwhistorisch onderzoek. Het is pas na 2000 dat de eerste historiografische studies het voorgeërfde kunstlandschap van de middeleeuwse architectuur in een cultuurhistorisch en internationaal perspectief kritisch evalueerden. 31 32 33 34

3 Monumenten en monografieën

Behalve de synthesen bestaat in België een lange traditie van boeken of artikels die aan een middeleeuws gebouw gewijd zijn. Deze monografieën vonden rond het midden van de 19de eeuw hun oorsprong binnen de “archeologische beweging”, in de context van restauratiewerken waarbij door architecten plannen en foto’s als bewijsstukken gepubliceerd werden. 35 De in 1862 in Gent gestichte Sint-Lucasscholen hebben monografieën, albums met opmetingen en artikels over middeleeuwse gebouwen bevorderd om op die manier modellen van “goede” architectuur ter beschikking te stellen voor architecten en studenten. De monografieën van de Onze-Lieve-Vrouw van Pamelekerk in Oudenaarde, de Bijloke in Gent en de Sint-Salvatorkathedraal in Brugge zijn daar goede voorbeelden van. 36 37 Deze traditie van grootformaat geïllustreerde monografieën werd tijdens het interbellum met de reeks Ars Belgica voortgezet. 38

Vanaf de jaren 1960 ontwikkelde zich de nood aan inventarissen, zowel van onroerend als roerend erfgoed. In die context ontstond niet enkel de reeks inventarissen Bouwen door de eeuwen heen, maar ook wetenschappelijke kerkmonografieën waarin zowel de architectuur als de kerkschatten en de volledige inboedel beschreven staan. Culturele provinciale diensten van Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Antwerpen hebben elk een reeks Kunstpatrimonium opgestart waarin verschillende monografieën van grote stadskerken werden gepubliceerd. 39
Daarnaast blijven regelmatig wetenschappelijke monografieën verschijnen. Enkele voorbeeldige werken mogen hier vermeld worden, o.m. over het stadhuis van Gent, de grafkerk van Margaretha van Oostenrijk te Bourg-en-Bresse, de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal in Antwerpen, het stadhuis van Leuven, de Sint-Goedelekathedraal in Brussel, de abdijkerk van Villers-in-Brabant, de Sint-Germanuskerk in Tienen, de begijnhofkerk in Sint-Truiden enz. 40 41 42 43 44 Typologische syntheses blijven eerder beperkt tot middeleeuwse kerkgebouwen 45 46 kastelen 47 en laatmiddeleeuwse paleisarchitectuur. 48 49

4 Monumentenzorg

De eerste gebouwen die na 1830 gerestaureerd werden, waren hoofdzakelijk middeleeuwse monumentale kerken en stadhuizen. Er mag dus zeker gesproken worden van een lange traditie inzake restauratie van middeleeuwse architectuur, ook al kende deze traditie in de loop der tijd een belangrijke evolutie. 50 51 Onder invloed van de Sint-Lucasbeweging werden vanaf de jaren 1870 archeologische restauraties met zicht op stijleenheid bevorderd. 52 Nogmaals kregen de gebouwen uit de middeleeuwen de voorkeur omdat vanuit een ideologisch perspectief het middeleeuwse verleden een voorbeeld was voor een katholieke samenleving. De restauratie van het Gravensteen en van de Graslei in Gent alsook het stadsbeeld van Brugge zijn daar unieke voorbeelden van.
De verwoestingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, in het bijzonder in de frontstreek, vormden een geweldige uitdaging voor de monumentenzorg. Toch bleef de restauratie van monumenten alsook de wederopbouw van historische centra in neomiddeleeuwse en regionale stijlen bij de 19de-eeuwse traditie aansluiten – zo getuigen op voortreffelijke wijze Ieper en Diksmuide. Het eerste boek over monumentenzorg in België werd door kanunnik Lemaire in 1938 gepubliceerd en betreft hoofdzakelijke middeleeuwse religieuze architectuur. 53

Dankzij het Charter van Venetië (1964) – waaraan twee Belgische mediëvisten Raymond Marie Lemaire en Paul Philippot meewerkten – ontwikkelde monumentenzorg een nieuwe benadering, en besteedde men meer aandacht aan andere typologieën van gebouwen dan de grote monumenten. Materieeltechnisch en bouwhistorisch vooronderzoek van gebouwen werd bevorderd.
De regionalisatie van de monumentenzorg en het Vlaams monumentendecreet (1976) gaven Vlaanderen de instrumenten voor een nieuw beheer en beleid. Middeleeuwse architectuur wordt voortaan aangepakt in een veel breder perspectief, dat rekening houdt met alle veranderingen door de eeuwen heen, inclusief vroegere restauraties. Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek zijn steeds vaker bij restauraties betrokken. In dat opzicht geeft de restauratie van de kathedraal van Antwerpen sinds 1967, met inbegrip van uitvoerig bodemonderzoek en onderzoek naar de oorspronkelijke kleurige afwerking, een boeiende evolutie van de restauratiepraktijk toegepast op een uitzonderlijk middeleeuws monument.

5 Bouwmaterialen en bouwbedrijf

Het restaureren van middeleeuwse monumenten heeft de architecten al vroeg in de 19de eeuw met de constructieve aspecten van de architectuur geconfronteerd, namelijk de identificatie en de eigenschappen van de bouwmaterialen, het gebruik en de verwerking ervan, de structuur van de gebouwen (bogen, gewelven enz.) en de oorspronkelijke bouwfasen. Met andere woorden, de technische en organisatorische aspecten van het bouwbedrijf en zijn evolutie door de middeleeuwen werden als essentieel beschouwd, onder meer als gevolg van de publicaties en de restauratiepraktijk van de invloedrijke Franse architect Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879). Over het middeleeuwse bouwbedrijf bestaan een aantal naslagwerken die aan de hand van concrete casussen en archieven de economische, sociale en organisatorische dimensie van de bouwsector en de werven - met inbegrip van de taakverdeling binnen de ambachten en de praktische rol van bouwmeesters en opdrachtgevers - bestudeerd hebben. 54 55 56 57 58 Het historisch onderzoek van Jean-Pierre Sosson over de openbare werken in Brugge tijdens de 14de en 15de eeuw mag hier speciaal vermeld worden. 59

Waarschijnlijk is het meest problematische aspect van de historische monumenten in België dat van de materialen, in het bijzonder natuursteen. België is buitengewoon rijk aan natuursteensoorten waarvan het gebruik en de economische verspreiding van de middeleeuwen tot heden de wetten van de markt volgde. 60 De keuze voor een bepaald materiaal, zowel voor de bouw als voor restauraties, op een bepaald moment, voor een bepaald gebouw, had niet enkel economische, maar ook structurele en esthetische gevolgen. Materialen zijn ook vaak streekgebonden en hebben als dusdanig bijgedragen aan de specifieke “kleur” van de architectuur 61
met als gevolg dat architectuurgeschiedenis en restauraties elkaar vaak hebben beïnvloed en in een zekere zin elkaar hebben “gelegitimeerd”. Over natuursteen, ontginning en vervoer, verkoop en verspreiding, verwerking en toepassing, bestaat een omvangrijke literatuur die voor de middeleeuwen op het niveau van de Lage Landen beschouwd moet worden. 62 63 De grote “families” van steensoorten – met name de Doornikse en Henegouwse kalkstenen, Oost-Vlaamse zandstenen, Brabantse zandstenen, Gobertange kalkzandsteen, en Maaslandse kalkstenen – werden via de rivieren door gans de Lage Landen verspreid. Enkel voor Limburg en Wallonië zijn zeer nuttige handboeken beschikbaar die voor historische steensoorten de brug maken tussen geologie en bouwhistorie. 64 65 In dat opzicht is specifiek onderzoek naar steenhouwersmerken een niet onbelangrijke benadering. 66 Het recent bouwhistorisch onderzoek van Frans Doperé, gebaseerd op de kaptechniek van steen en de sporen van de steenhouwersgereedschappen, heeft geleid tot de definitie van een belovende relatieve dateringsmethode in de late middeleeuwen. 67 68 Deze methode laat niet alleen toe om aan dateringswerk te doen, maar biedt ook de mogelijkheid tot zeer precies onderzoek naar de evolutie van een middeleeuwse bouwwerf. Soms leidt dit dan ook tot totaal vernieuwende inzichten. 69

Naast natuursteensoorten is baksteen uiteraard een bepalend bouwmateriaal dat vanaf het begin van de 13de eeuw op verschillende plaatsen in Vlaanderen geproduceerd en overal toegepast werd.
Het boek van Johanna Hollestelle dient nog steeds als referentiewerk, 70 zolang er geen nieuwe synthese gepubliceerd wordt. 71 Voor het graafschap Vlaanderen wordt nu vernieuwend bouwhistorisch onderzoek verricht. 72 Voor het hertogdom Brabant werd onderzoek verricht over de constructie en de stabiliteit van bogen en gewelven, zowel in baksteen als natuursteen. 73

Ten slotte heeft het onderzoek naar het gebruik van hout voor de constructie van dakkappen in Vlaanderen een achterstand ten opzichte van Wallonië, Nederland en andere buurlanden. 74 Dat heeft te maken met het feit dat het dendrochronologisch onderzoek - dat historisch hout nauwkeurig kan dateren - in Vlaanderen (met uitzondering voor de stad Gent) pas recent gestart is en nog niet systematisch toegepast wordt. 75 Een inhaaloperatie werd gestart door de stichting van een laboratorium voor dendrochronologie binnen het VIOE, alsook bouwhistorisch onderzoek over gotische kappen in het hertogdom Brabant. 76 Dendrochronologische dateringen kunnen leiden tot zeer vernieuwende resultaten die gevolgen kunnen hebben op de architectuurgeschiedenis, zoals recent werd bewezen voor enkele belangrijke middeleeuwse gebouwen in Vlaanderen. 77 78

6 Bouwhistorie en huizenonderzoek

Op methodologisch vlak is nu algemeen aanvaard dat bouwhistorisch onderzoek de meest belovende vernieuwingsperspectieven voor de kennis inzake middeleeuwse architectuur biedt. Bouwhistorie beschikt over een eigen methodologie, 79 80 81 en levert resultaten die teruggekoppeld kunnen worden naar de resultaten van bodem- en archiefonderzoek, wanneer beschikbaar. Zoals eerder gezegd bestaat er in België een lange bouwhistorische traditie, die teruggaat tot het voorbereidend onderzoek in de context van restauraties in de 19de eeuw. Kanunnik Raymond Lemaire, broeder Firmin De Smit, Raymond Marie Lemaire, Luc Devliegher en Luc Francis Genicot mogen beschouwd worden als de grondleggers van de bouwhistorie in België. Alle vijf waren mediëvisten en hebben bij voorkeur middeleeuwse kerkgebouwen onderzocht. Enkel Devliegher heeft ook op stadshuizen gewerkt en het naslagwerk over huizen in Brugge gepubliceerd. 82 83 84 85 86

Pas na de Tweede Wereldoorlog werd voor het eerst op een wetenschappelijke manier opgegraven in middeleeuwse kerken en werden funderingen van oudere kerken aan het licht gebracht, echter zonder aanvulling met bouwhistorisch onderzoek van de bestaande gebouwen. Gelijkaardige opgravingen blijven uitzonderlijk, maar hebben prachtige resultaten opgeleverd, onder meer in het koor van de Sint-Pieterskerk in Leuven, in de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal in Antwerpen en in de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek in Tongeren, zie ook hoofdstuk Middeleeuwse archeologie. Vanaf de jaren 1980 werd binnen de dienst stadsarcheologie van Gent, onder leiding van Marie Christine Laleman, een brug gelegd tussen archeologie en bouwhistorie, met baanbrekende resultaten voor een aantal topgebouwen uit de middeleeuwen, onder meer het Gravensteen, de Bijloke, de Sint-Pietersabdij, de Carmelietenkerk enz. 87

Systematisch kelderonderzoek leidde tot een eerste synthese over romaanse woonhuizen in Gent. 88 Bij huizenonderzoek worden bouwhistorische en archeologische gegevens aangevuld met informatie uit archieven. Nogmaals speelde Gent hier een pioniersrol. 89 In Brugge, Antwerpen, Mechelen en Oudenaarde zijn bouwhistorici en huizenonderzoekers nu actief aan het werk en groeit de belangstelling van de stedelijke monumentendiensten. 90

7 Leemtes in het onderzoek en toekomstperspectieven

Merkwaardig is dat op dit moment middeleeuwse kunst- en architectuurhistorisch onderzoek veel minder studenten en onderzoekers aantrekt dan de vorige generaties en dan de architectuur van recentere periodes. Ook binnen het kunsthistorisch universitair onderwijs is de plaats van de middeleeuwse architectuur steeds maar beperkter. Ondanks geïsoleerde initiatieven om middeleeuwse architectuur uit de Zuidelijke Lage Landen in internationaal perspectief te plaatsen 91 92 93 94 blijft België meestal een witte vlek op de kaart van Europa. Men kan zich dan ook de vraag stellen waarom er zo weinig buitenlandse vorsers onderzoek doen op de middeleeuwse architectuur in België, terwijl dat wel het geval is in andere landen of voor andere middeleeuwse kunsten uit de Lage Landen (schilderkunst, miniatuur, beeldhouwkunst enz.). 95

Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen het kunst- en architectuurhistorisch onderzoek enerzijds, en het bouwhistorisch- en interieuronderzoek anderzijds. Deze laatste, niet beperkt tot de middeleeuwse periode, scoort wat beter, maar leidt tot weinig publicaties. Dit kan te maken hebben met het feit dat vooronderzoek bij restauraties van historische gebouwen beleidsmatig verplicht is, maar dat de uitvoerende privé-bouwhistorische bureaus geen tijd vinden om hun verslagen te verwerken tot publiceerbare artikels. Het valt ook te betreuren dat de in opdracht van de overheid opgestelde verslagen tot nu niet centraal bewaard werden en dus zeer confidentieel blijven.

1.2 Architectuurgeschiedenis Nieuwe tijd

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Vincent Debonne
  • Medewerkers: Krista De Jonge, Joris Snaet, Pieter Martens

1 Voorgeschiedenis

De basis voor het onderzoek van de architectuur van de nieuwe tijd in Vlaanderen werd gelegd in het begin van de 20ste eeuw, met de werken van J. Braun 1, J.H. Plantenga 2 en P. Parent. 3 De nadruk lag op de religieuze architectuur van de 17de eeuw, die door de Maisières benoemd werd als “l’époque de Rubens”. 4 Impliciet blijkt hoe het architectuurhistorisch onderzoek van de nieuwe tijd toen werd afgemeten aan de bloeiperiode van de beeldende kunsten in de 17de eeuw, gesymboliseerd door de figuur van Pieter Paul Rubens (1577-1640). Bij Braun en Serbat 5 6 was het doorleven van gotische bouwstructuren in de barokke kerkenbouw in Vlaanderen al een centrale problematiek. De lokale architectuur werd er steevast getoetst aan die van Italië, waardoor de eigen verdiensten van de Vlaamse barok buiten beschouwing bleven. Deze benadering leverde de 17de-eeuwse kerkenbouw in Vlaanderen het etiket op van ‘ietwat ouderwets’, een appreciatie die werd aangehouden in de naoorlogse periode.
In de naoorlogse periode werd veelal de stijlkritiek van de vormelijkheden van het gebouw gevolgd, zoals in de studie van Baeyens over het Brabantse woonhuis 7 en in de overzichtswerken uit de reeks Geschiedenis van de architectuur in België. 8 9 Anderzijds werd in monografische studies over de stadhuizen van Gent 10 en Antwerpen 11 en over de monumentale altaarbouw van de 17de en de 18de eeuw 12 in belangrijke mate een beroep gedaan op historisch en iconografisch bronnenmateriaal.
Omstreeks 1990 nam de belangstelling voor de architectuur van de nieuwe tijd aanzienlijk toe, wat zich kwantitatief uitte, met zowel nieuwe overzichtswerken 13 14 15 16 als detailstudies, maar ook en vooral kwalitatief door de verruiming van het onderzoek op meerdere vlakken. De verbreding blijkt ten eerste uit de onderzochte gebouwtypologieën, waar naast de kerkenbouw ook hofarchitectuur, vestingbouw, stedenbouw en stedelijke woningen volwaardig aan bod komen. Diversiteit is er ook in de invalshoeken, waarvoor men zich niet meer beperkt tot de stilistische lezing van het gebouw. De rol van de opdrachtgever, de opleiding van de architect en de organisatie van de bouwpraktijk zijn enkele van de benaderingen die in belangrijke mate hebben bijgedragen tot een beter begrijpen van de architectuur van de nieuwe tijd. De verbreding van het onderzoek voltrekt zich eveneens in de geografische en chronologische afbakening. Onderzoeksprojecten zoals Eenheid en tweespalt. Architectonische relaties tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden (1530-1700) (Katholieke Universiteit Leuven (KUL), 1997-2000) 17 en De Europese uitstraling van de architectuur der Lage Landen in de vroegmoderne tijd. (1480-1680) (KUL, 2006-2009) trachten de identiteit van de architectuur in de Zuidelijke Nederlanden te achterhalen door ze te situeren in een grensoverschrijdende context. Ook de dynastieke context met de bijhorende toenmalige territoriale grenzen fungeert als onderzoekskader, zoals in de essays van de tentoonstellingscatalogus Albert & Isabella, 1598-1621 (1998). 18 19 20 Ten slotte worden, om de oorsprong en de continuïteit van architecturaal gerelateerde fenomenen op te sporen, ook de strakke tijdsgrenzen van de nieuwe tijd overschreden. 21

2 Huidig onderzoek

2.1 Onderzoek volgens gebouwtypologie

In de voetsporen van de grondleggers Braun 22, Parent 23 en Plantenga 24 blijft de barokke kerkenbouw van de 17de eeuw, die van de jezuïetenorde in het bijzonder, een actueel onderzoeksthema. De traditionele stijlkritische benadering is echter niet meer de enige lezing van het kerkgebouw, dat nu ook beschouwd wordt vanuit het standpunt van de opdrachtgever en diens specifieke eisen en idealen. 25 26 Onderzoek volgens deze invalshoek toonde alvast aan dat het eerder vermelde, hardnekkige stigma van de 17de-eeuwse religieuze architectuur in Vlaanderen als ouderwets, kritisch herbekeken moet worden. 27 28 Ook is duidelijk geworden dat het stijlconcept van de barok als de architectuur van de contrareformatie niet langer bruikbaar is voor het geheel van de kerkproductie in de 17de eeuw.
De lichtinval van de Antwerpse en Leuvense jezuïetenkerken werd geanalyseerd binnen een onderzoeksproject over de rol en de betekenis van lichtinval in de barokarchitectuur van West- en Centraal-Europa, in een samenwerkingsverband tussen Artesis Hogeschool Antwerpen en de Universiteit Antwerpen. (UA. Centrum voor Stadsgeschiedenis)
Voor de kerkenbouw kunnen nog drie werken over architecten met een belangrijk religieus œuvre vermeld worden, namelijk Wensel Cobergher (1557/61-1634) 29, Jacques Francart (1583-1651) 30 en Lucas Faydherbe (1617-1697). 31

De grotendeels verdwenen en daarom lange tijd weinig bestudeerde hofarchitectuur van de Bourgondische en Habsburgse dynastieën in de Zuidelijke Nederlanden werd in het onderzoek van Krista De Jonge opnieuw voor het voetlicht geplaatst. De nadruk ligt hier op de rol van de hofarchitect en zijn inspiratiebronnen, de voorkeuren van de opdrachtgever en de wisselwerking tussen hofrituelen en residentiële architectuur. 32 33 34 35 36 Volgens de toenmalige dynastieke en territoriale context van de Bourgondische en de Habsburgse bestuurders worden ook gebouwen buiten de huidige gewestelijke grenzen behandeld, zoals het paleis op de Coudenberg in Brussel 37 38 en het kasteel van Boussu in Henegouwen. 39

Het grensoverschrijdende karakter kenmerkte ook het onderzoeksproject over vestingbouw en militaire stedenbouw, Architectuur uit de conflictzone Habsburg-Valois. Traditie en vernieuwing in de militaire bouwpraktijk van de Lage Landen en het Rijnland (16de-17de eeuw) (KUL, 1999-2003). Naast de bouworganisatie en de relatie tussen ontwerp en afgewerkte constructie, was het bouwtechnische aspect een van de zwaartepunten van het onderzoek. Tot de deelonderzoeken behoorde de militaire architectuur onder landvoogdes Maria van Hongarije (1505-1558). 40
De vestingbouw van de nieuwe tijd wordt, onder leiding van Piet Lombaerde, ook bestudeerd door de vakgroep Architectuurwetenschappen van Artesis Hogeschool Antwerpen als onderdeel van onderzoek naar architectuur, architectuurtheorie en stedenbouw. Hoewel het onderzoek zich in de eerste plaats richt op Antwerpen tijdens de periode 1565-1640, toen de stad in die domeinen een toonaangevende rol speelde, worden bij gelegenheid ook andere steden aangeraakt, zoals Oostende en Scherpenheuvel. 41 42 43 44

Enkel Antwerpen 45 en Gent 46 beschikken over een monografisch overzichtwerk van hun stedenbouwkundige geschiedenis. De voorbije jaren leverde ook historisch onderzoek een belangrijke bijdrage aan het onderkennen van de processen die de stedenbouwkundige ontwikkeling van de stad stuurden tijdens de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Opnieuw in samenwerking met de vakgroep Architectuurwetenschappen van Artesis Hogeschool Antwerpen legt het Centrum voor Stadsgeschiedenis (UA) zich toe op dit onderwerp, onder meer met een morfologische analyse van de benutting van vrijgemaakte stadsgronden in Antwerpen, Gent, Mechelen, Amsterdam, Haarlem en Leiden tussen 1576 en 1640. Binnen de onderzoeksgroep HOST 47 verrichte Heidi Deneweth doctoraal onderzoek naar de evolutie van het huizenbezit in drie stadswijken in Brugge voor de periode 1500-1800. 48 Als enige bestudeert de vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent (UG) de betekenis van architectuur in de context van rituele openbare gebeurtenissen, in het onderzoeksproject De constructie van de betekenis van architectuur bij inwijdingsrituelen in de Zuidelijke Nederlanden (1564-1700).

De studie van het stedelijke woonhuis in de nieuwe tijd concentreert zich vooral op Gent en Antwerpen. Sinds het academiejaar 1996-1997 voeren studenten van de UG huizenonderzoek uit voor de cursus “Methodologische oefeningen; geschiedenis van de bouwkunst.”. De intentie is om na verloop van tijd de onderzoeksresultaten te verenigen tot een overzicht van de onderzochte stadswijk, waarin zowel het bouwkundige aspect als de sociale samenstelling van de bewoners aan bod zullen komen. Binnen de huizenbouw van de nieuwe tijd in Gent geniet vooral het rijke patrimonium van 18de-eeuwse burgerwoningen en hun rijk aangeklede interieurs belangstelling. 49 50 Verslagen van bouwhistorische waarnemingen in Gentse huizen waren, tot de stopzetting van het tijdschrift in 1999, te vinden in Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent.
Tot de onderzoeksthema’s van de Vakgroep Monumenten- en Landschapszorg Artesis Hogeschool Antwerpen behoren de constructieve en architecturale typologie van het 16de- en 17de-eeuwse woonhuis in Antwerpen en bouwhistorisch onderzoek van huizen en hun interieurs in Mechelen. Lopend onderzoek van het Centrum voor Stadsgeschiedenis (UA) wil aan de hand van een analyse van de stadspaleizen met binnenplaats uit de periode 1450-1650 nagaan hoe de renaissance binnensijpelde in de architectuur te Antwerpen. Nog in de Scheldestad brengt het Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek regelmatig verslag uit van bouwhistorische waarnemingen in Antwerpse huizen, vaak met waardevolle observaties over 16de-eeuwse interieurelementen en hun afwerking. 51 52
Op oudere studies over Kortrijk 53 54, Oudenaarde 55 56 57, Lokeren 58 en Sint-Truiden 59 na, is de openbare en burgerlijke bouwkunst van de kleinere steden in Vlaanderen tijdens de nieuwe tijd in vergelijking met Gent en Antwerpen eerder onderbelicht.

2.2 Onderzoek naar de bouwpraktijk in de nieuwe tijd

Het onderzoek naar de architectuurtheoretische, de organisatorische en de administratieve omstandigheden waarin een gebouw in de nieuwe tijd tot stand kwam, heeft de laatste twintig jaar een opmerkelijke vooruitgang geboekt. De publicatie over de dynastie van de bouwmeesters Keldermans legde de praktijk van de laatmiddeleeuwse bouwwerf en het netwerk van een familie van bouwmeesters bloot. 60
De natuursteenhandel van de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne tijd werd ontleed in het onderzoek van de familie Van Neurenberg; zij waren tussen de late 15de en de vroege 17de eeuw actief in het bouwbedrijf in de Belgische en Nederlandse Maasvallei. 61 Samen met de komst van de renaissance in de Nederlanden werden in de architectuurpraktijk architectuurtraktaten en modellenboeken geïntroduceerd. 62 63 In dit verband moeten het onderzoek van een modellenboek van de architect Jacques Francart (1583-1651) vermeld worden en de studie over de receptie in Europa van Palazzi di Genova, het architecturale modellenboek van Rubens. 64 65 Vernieuwend was het onderzoek van Dirk Van de Vijver, die de opkomst bestudeerde van de in de academie opgeleide architect en de ingenieur in staatsdienst tijdens de periode 1750-1830. 66 Een afgeleide hiervan was het onderzoeksproject Tussen architect en bouwheer, van aannemen tot opleveren. Bouwen in de Zuidelijke Nederlanden 1750-1880 (KUL, 2002-2005), waarin het productieproces van de gebouwde omgeving het uitgangspunt vormde, zowel op technisch als op organisatorisch vlak.

3 Hiaten in het huidig onderzoek en onderzoeksvragen voor de toekomst

Ondanks het actieve onderzoeksklimaat kunnen toch enkele hiaten worden aangestipt. Binnen de studie van de religieuze architectuur in de nieuwe tijd nemen de jezuïetenkerken nog steeds het grootste aandeel in, terwijl de basisliteratuur over de kerken van andere orden, zoals de bedelorden en de vrouwelijke kloosterorden, nog zeer fragmentarisch is.
Om het precieze karakter van de religieuze architectuur in de Zuidelijke Nederlanden beter te kunnen benoemen, is een meer encyclopedische benadering gewenst, die ook andere dan de als exemplarisch beschouwde gebouwen behandelt én de architectuur van de Zuidelijke Nederlanden in een Europese context kadert. 67
Daarnaast wordt het ontbreken van multidisciplinaire samenwerking in Vlaanderen ervaren als een belangrijk gebrek. Grootschalig onderzoek zoals voor het kasteel van Boussu, waar archeologen, bouwhistorici, architectuurhistorici en kunsthistorici samenwerkten, werd in Vlaanderen tot nu toe eerder zelden opgezet. 68
Ten slotte blijkt dat het onderzoek van de openbare en burgerlijke bouwkunst in de stad zich vooral concentreert in Antwerpen en Gent, terwijl op Mechelen na de kleinere Vlaamse steden veelal verstoken zijn van onderzoek naar dit patrimonium.

1.3 Architectuurgeschiedenis 19de eeuw

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Thomas Coomans

1 Inleiding

De belangstelling voor het onderzoek rond en publicaties over 19de-eeuwse architectuur in België is een vrij recent fenomeen. Het begon in het midden van de jaren 1960 met de “ontdekking” van de art nouveau in Brussel en een internationale mobilisatie van erfgoedkringen bij de afbraak van Horta’s Volkshuis in Brussel (1964). De 19de-eeuwse architectuur werd lang geassocieerd met neostijlen en eclecticisme, twee kunststromingen die door de heersende invloed van de moderne beweging tot in de jaren 1970 beschouwd werden als waardeloos en een oninteressante pastiche. Het afrekenen met de 19de-eeuwse architectuur en interieurs was ook binnen de kerk vaak het gevolg van het postconciliaire aggiornamento.

De groeiende belangstelling voor 19de-eeuwse architectuur in de decennia 1970 en 1980 kan gemeten worden aan de hand van de toenmalig lopende inventarisatie van het bouwkundig erfgoed. In de eerste boekdelen van de reeks Bouwen door de eeuwen heen komt 19de-eeuwse architectuur, met uitzondering van neoclassicistische gebouwen, niet of nauwelijks aan bod. De kentering vond plaats rond het midden van de jaren 1970 en stemde overeen met het internationale monumentenjaar (1975) dat het brede publiek voor het eerst gevoelig maakte voor de veelzijdigheid van erfgoed. Pierre Puttemans schetst in ‘Moderne Bouwkunst in België’ als één van de eersten een globaal overzicht van de 19e-eeuwse bouwkunst. 1 De groots opgevatte inventariscampagne van het kerkelijk erfgoed (architectuur en interieurs) in België door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium vestigde de aandacht op een belangrijk deel van het 19de-eeuwse erfgoed. 2
Ten slotte zou de regionalisatie van de monumentenzorg en de ontwikkeling van een Vlaamse Rijksdienst voor Monumentenzorg vanaf 1972 geleidelijk aan zorgen voor een eigen erfgoedbeheer en -beleid. De beeldbepalende aanwezigheid van 19de-eeuwse architectuur in het Vlaamse stedelijke en landelijke landschap won in toenemende mate steeds meer aan belang, wat vanaf de jaren 1980 bevestigd werd door een actieve beschermingspolitiek en restauraties.

Anno 2008 mag aangenomen worden dat de verworven kennis inzake 19de-eeuwse architectuur op een dertigtal jaar een hoog niveau bereikt heeft en zelfs internationaal begint te scoren: talrijke monografische werken over architecten of gebouwen alsook enkele syntheses werden gepubliceerd. 3 Licentiaatsverhandelingen werden geschreven, doctoraten verdedigd, archieven ontsloten, colloquia en tentoonstellingen georganiseerd, enz. Het staat nu buiten kijf dat de lange 19de eeuw (tot in 1914) een hoogtepunt van de Belgische geschiedenis is geweest en dat ze een bijzonder rijke en gevarieerde architectuur heeft gegenereerd. Voortaan wordt de 19de-eeuwse architectuur niet meer gereduceerd tot een catalogus van concurrerende neostijlen of een spanningsveld tussen academische architecten en rationalistische ingenieurs. In de beste gevallen wordt architectuur binnen een ruimer cultuurhistorisch perspectief geplaatst waardoor haar complexiteit getoetst wordt aan en geïnterpreteerd wordt ten opzichte van de maatschappelijke veranderingen, de sociale bewegingen en de nieuwe wereldvisies. 4

2 Inventarisatie en ontsluiting

De laatste decennia is in Vlaanderen een geweldige inspanning geleverd om basiskennis te ontsluiten via inventarissen van het bouwkundig erfgoed en van architectuurarchieven. De reeks Bouwen door de eeuwen heen wordt op dit moment geactualiseerd en krijgt de vorm van een databank met een gebruiksvriendelijk en efficiënt zoekprogramma, zie ook hoofdstuk Inventarisatie van bouwkundig erfgoed. De belangstelling voor architectuurarchieven is in de jaren 1960 ontstaan, maar spitste zich eerst toe op modernistische architecten (Archives d’Architecture Moderne, Brussel). Het is pas later dat archieven van 19de-eeuwse architecten verzameld werden, zowel door de Archives d’Architecture Moderne, als door KADOC (Documentatie- en onderzoekscentrum voor religie, cultuur en samenleving), de Provincie Antwerpen, Sint-Lukasarchief enz. Het werk van het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen, 5 alsook het archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (deels bewaard op het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed) dienen hier ook vermeld te worden. In 2003 werd het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) binnen het Vlaams Architectuur Instituut (VAI) gesticht met als doel de verwerving van architectuurarchieven en de samenwerking tussen de Vlaamse archiefinstellingen te coördineren. Tot nu toe focuste CVAa sterk op 20ste-eeuwse architectuur.

3 Typologieën

De 19de-eeuwse architectuur wordt gekenmerkt door een grote diversiteit aan architectuurtypologieën. Naast de traditionele typologieën (boerderijen, stadshuizen, kerken, kastelen enz.) ontstond een waaier aan nieuwe typologieën (arbeidershuizen, fabrieken, spoorwegstations, bruggen, loodsen, postkantoren enz.), het resultaat van de in België vroeg begonnen industriële revolutie. Ook de openbare gebouwen (stadhuizen, justitiepaleizen, provinciegebouwen enz.) straalden voortaan de democratische identiteit uit van de nieuwe natiestaat. Het rationalisme heeft alle aspecten van de 19de-eeuwse architectuur diep beïnvloed, en heeft zijn stempel gedrukt op de ontwikkeling van architectuurcomplexen voor de moderne samenleving (schouwburgen, hospitalen, scholen, gevangenissen, kazernes enz.). Uiteraard heeft het onderzoek zich niet op gelijke manier ontwikkeld en w erden bij voorkeur studies besteed aan de meest aanzienlijke gebouwen.
Typologisch onderzoek is maar in beperkte mate gebeurd. De publicatie ‘Sterk gebouwd en makkelijk in onderhoud’ 6 geeft een eerste aanzet voor een typologische benadering van bepaalde gebouwentypes.
De verklaring voor de leemtes in het onderzoek ligt in de gebrekkige of slechte toegankelijkheid tot archieven (gevangenissen, postkantoren, spoorwegstations, industrie, wereldtentoonstellingen enz.). Bepaalde typologieën, in het bijzonder de industriële architectuur, werden tijdens de 20ste eeuw zodanig veranderd of herbestemd dat ze voor het onderzoek veel van hun betekenis verloren zijn.

4 Stijlen en Neostijlen

De meest traditionele aanpak van de 19de-eeuwse architectuur betreft de verschillende stijlen, gaande van het neoclassicisme en de overgang met de 18de eeuw tot de art nouveau en de overgang met de 20ste eeuw, via de reeks historiserende stijlen of neostijlen, de Beaux-arts stijl en het eclecticisme. Ook al was de vraag naar de keuze van een stijl fundamenteel in de 19de eeuw, het onderzoek heeft zich te lang beperkt tot een identificatie van formele stijlkenmerken, zonder de maatschappelijke en culturele betekenis van die keuzes in hun context te analyseren. Waarschijnlijk was die eerste aanpak van het onderzoek noodzakelijk om in een tweede stap de gebouwen, hun architecten en opdrachtgevers in een cultuurhistorisch perspectief te kunnen plaatsen. Art nouveau in België – in het bijzonder in Brussel – is een op ruim internationaal niveau erkende en geprezen stijl waarover een uitgebreide literatuur beschikbaar is, gaande van wetenschappelijke studies tot rijk geïllustreerde kunstboeken. 7 De belangstelling voor de neogotiek ontstond in Vlaanderen in de jaren 1980 en heeft geleid tot baanbrekend onderzoek en enkele naslagwerken, in het bijzonder vanuit KADOC onder leiding van Jan De Maeyer. 8 9 10 11 Het accent ligt hierbij in belangrijke mate op baron Jean-Baptiste Bethune en de Sint-Lucasneogotiek. De laatste jaren verschoven de accenten van het onderzoek en verschenen de eerste syntheses gewijd aan andere neostijlen – de neo-Vlaamse-renaissance (soms verkeerdelijk Vlaamse neorenaissance genoemd), 12 13 het eclecticisme14 15 en andere invloeden 16 – alsook de oorsprongfase van het regionalisme. 17 18 Voorts komen neostijlen in talrijke artikels en monografieën aan bod, maar missen nog overzichtswerken.

5 Architecten

In tegenstelling tot vroegere periodes werden er over 19de-eeuwse architecten talrijke biografische artikels, boeken en catalogi gepubliceerd. De opkomst van de architect heeft onder meer te maken met zijn status in de maatschappij en de ontwikkeling van de bouwsector. Eigentijdse tijdschriften, architectuurarchieven en administratieve archieven (o.m. bouwaanvragen) stellen veel materiaal ter beschikking van het onderzoek. Naast grote namen als Louis Roelandt, Hendrik Beyaert, Pierre Bourla, Jean-Baptiste Bethune, Joseph Schadde, Louis Cloquet, Auguste Van Assche, Louis dela Censerie, Joris Helleputte enz. hebben honderden architecten in de 19de eeuw in Vlaanderen gebouwd. Sommigen waren verbonden aan instellingen en specialiseerden zich in de bouw van bepaalde typologieën: stadsarchitecten, provinciale architecten, architecten van bisdommen enz. Recent onderzoek besteedt aandacht aan deze ‘overheidsarchitecten’. Architectuur wordt er (ten dele) benaderd vanuit een administratief oogpunt. 19 Om zijn weg te vinden zal de onderzoeker beginnen met het raadplegen van het repertorium van Belgische architecten, dat korte biografische schetsen en bibliografische referenties bevat. 20 Hierbij dient wel opgemerkt dat vooral de grote steden Brussel, Antwerpen, Luik en Gent goed vertegenwoordigd zijn. West-Vlaamse architecten blijven bijvoorbeeld in belangrijke mate buiten beschouwing. Ook komen architecten met een belangrijk oeuvre buiten de stedelijke context niet in het overzicht voor. 21 Ondanks de vele biografische licentiaatverhandelingen werden er voorlopig weinig wetenschappelijke monografieën van architecten met een oeuvrecatalogus gepubliceerd. 22 23 24 25

Ook aan vele gebouwen werden onder de vorm van artikels, thesissen en boeken monografische studies gewijd. In tijdschriften als Monumenten & Landschappen en De Woonstede door de eeuwen heen verschenen talrijke artikels. Monografische boeken betreffen hoofdzakelijk kerken en andere gebouwen met een zeker aanzien en werden soms in opdracht van de eigenaar of een openbare instelling gerealiseerd. In dat opzicht mogen enkele boeken als voorbeeldige monografieën beschouwd worden. 26 27 28 Deze publicaties bevatten vaak uitvoerige biografische notities van de betrokken architecten.

6 Constructiegeschiedenis

De 19de eeuw is de eeuw van de industriële revolutie, van de ingenieurs en van een ongelooflijke boom in alle takken van de bouwsector. Daarom vindt het onderzoek een bijzonder boeiende toepassing op de geschiedenis van de bouwmaterialen, -technieken en -wetenschap, alsook de bouweconomie en de organisatie van de werven. Een eerste bibliografische overzicht over constructiegeschiedenis in België werd in 2004 gepubliceerd. 29

Bouwhistorie is voor 19de-eeuwse architectuur veel minder ontwikkeld dan voor oudere architectuur. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de industriële materialen die vanaf dan gebruikt werden. Maar enkele bouwhistorici hebben belangstelling voor technische voorzieningen als verwarming, verlichting enz. die de 19de-eeuwse interieurs een totaal nieuw comfort brachten. 30

7 Onderwijs en tijdschriften

De vorming van zowel architecten als ingenieurs, tekenaars en gespecialiseerde vakmensen is gedurende de 19de eeuw een zeer belangrijk punt geweest. Daarom vormen het onderwijs aan de academieën, Sint-Lucasscholen, speciale scholen (universiteit) en tekenscholen alsook de vakpublicaties en -tijdschriften een cruciaal hoofdstuk voor de architectuurgeschiedenis. 31 32
Het onderzoek van Dirk Van de Vijver spitste zich toe op de overgang van de architectuur- en bouwpraktijk van het ancien régime naar het begin van de industriële tijd. 33 34 Een ander facet van het 19de-eeuws onderwijs betreft de geschiedschrijving en het werk van de eerste generaties wetenschappers die de Belgische architectuurgeschiedenis geschreven hebben. 35

8 Monumentenzorg

In 1998 publiceerde Herman Stynen een naslagwerk over de geschiedenis van de monumentenzorg in België van 1830 tot 1940. 36 De beslissende rol van de Koninklijke Commissie voor Monumenten in de 19de eeuw wordt er uitvoerig besproken. De laatste tien jaar zijn andere belangrijke bijdragen tot de geschiedenis van de monumentenzorg verschenen,
o.m. over de receptie van middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw, 37 19de-eeuwse restauratiepraktijk en actuele monumentenzorg 38 en de omgang met de 19de-eeuwse neostijlen in de 20ste eeuw. 39
De problematiek van de toekomst van 19de-eeuwse kerken in Vlaanderen was het onderwerp van een studie in opdracht van de Vlaamse Overheid. 40
Een belangrijk deel van de monumentenzorg betreft het onderzoek naar en de restauratie van historische interieurs, zie ook hoofdstuk Historische interieur. Het oud archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in Vlaanderen is nu verspreid over verschillende locaties. Omdat dit archief zo belangrijk is voor onderzoekers is het wenselijk dat de plannen en dossiers zo snel mogelijk op een plek gecentraliseerd worden.

9 Leemtes in het onderzoek

De 19de-eeuwse architectuur is een onuitputtelijk onderzoeksveld. Ondanks de indrukwekkende resultaten die tijdens de drie laatste decennia behaald werden, moet toch vastgesteld worden dat belangrijke sectoren van de 19de-eeuwse architectuur tot nu toe amper of oppervlakkig behandeld werden. Hier noemen we de militaire architectuur, 41 de architectuur van scholen, 42 hospitalen, 43 de wereldtentoonstellingen in de 19de eeuw (zeker in vergelijking met Expo 58), 44 de spoorwegstations en –bruggen 45, de gevangenissen, de postkantoren en kustarchitectuur. 46 47 48
Kortom: een typologische benadering ontbreekt voorlopig nog in belangrijke mate. Ook de 19de-eeuwse rurale architectuur werd zo goed als niet bestudeerd.

De veelzijdige aspecten van de 19de-eeuwse stedenbouw, gaande van stadsuitbreidingen en het aanleggen van nieuwe boulevards, tot arbeiderswijken en badplaatsen vormt een bijna onontgonnen onderzoeksveld dat niet enkel vanuit een architectuur- en constructiehistorisch perspectief beschouwd moet worden, maar vanuit een sociologisch, economisch en politiek standpunt, samen met stadshistorici. 49 50 In de beste gevallen komt stedenbouw aan bod in de boeken over stadsgeschiedenis en -ontwikkeling. 51 52 53

1.4 Architectuurgeschiedenis 20ste eeuw

1.4.1 Architectuurgeschiedenis 1900-1940

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Leen Meganck
  • Medewerkers: Mario Baeck, Zsuzsanna Böröcz, Sofie De Caigny, Norbert Poulain, Yves Schoonjans, Sven Stercken, Ann Verdonck

1.4.1.1 De vooroorlogse periode, Wereldoorlog I en de wederopbouw

1 De vooroorlogse periode (1900-1914)

Elke chronologische afbakening draagt iets arbitrairs in zich. Bij deze evaluatie van het onderzoek naar de architectuur in grofweg de eerste helft van de 20ste eeuw werd er bewust voor gekozen om de vooroorlogse periode (1900-1914/1918) mee op te nemen in het verhaal. Maar al te vaak valt deze korte periode buiten het bestek van studies die ofwel de 19de eeuw behandelen, ofwel het interbellum. En tegelijk is het architectuurleven in deze korte tussenperiode erg rijk. Ook op het vlak van stedenbouw is deze aanzet van de 20ste eeuw een zeer boeiende periode: de ‘moderne’ theorieën over urbanisatie worden verspreid, er is een zeer levendig debat dat ook vanuit Vlaanderen en België internationaal gevoerd wordt en er zijn diverse wedstrijden,…
Bepaalde architecturale tendensen liggen in het verlengde van stromingen in de 19de eeuw, zoals de art nouveau-architectuur die, weliswaar in een versoberde vorm, het straatbeeld in deze 'belle epoque' sterk gaat kleuren. Andere gebouwen en denkbeelden over architectuur zijn dan weer sterk verweven met wat in het interbellum ‘open bloeit’, zoals de zoektocht naar versobering of de herontdekking van een regionale identiteit.

Het onderzoek naar de architectuur in de periode 1900-1914 is dan ook afwisselend terug te vinden in algemene overzichten die de 19de eeuw behandelen (art nouveau, beaux-artsstijl, fin de siècle, neogotiek) en publicaties die de interbellumarchitectuur of –architecten als onderwerp hebben. Het behoort tot het ‘naschrift bij’ of de ‘inleiding tot’ het andere onderzoek. Een echte, op zichzelf staande evaluatie van de architectuur in deze korte tussenperiode is zo goed als onbestaand. 1 Of een aparte studie van de periode 1900-1914 op zich nuttig zou zijn, is een moeilijk te beantwoorden vraag, precies omdat het onderzoek vanuit deze invalshoek nog niet grondig gebeurd is. Maar het lijkt toch aangewezen om meer systematisch het gebouwde patrimonium, de stedenbouw en de literatuur uit deze vroege 20ste eeuw volwaardig in het discours te betrekken.

2 Wereldoorlog I en de wederopbouw

Hoewel tijdens de Eerste Wereldoorlog de bouwactiviteit in België zo goed als stil lag, ging de theorievorming onverminderd en zelfs met toegenomen kracht door. Er werd bestudeerd, opgemeten, gefotografeerd en gepubliceerd, er werden plannen gemaakt, er werden wedstrijden en tentoonstellingen georganiseerd. De wederopbouw werd vooral in ballingschap theoretisch voorbereid zoals blijkt uit de publicatie van Louis Van der Swaelmen “Préliminaires d’art civique mis en relation avec le cas clinique de la Belgique” (Leiden, 1916). 2
Bij de stopzetting van de vijandelijkheden in 1918 bleef België zwaar gehavend achter. Niet alleen de ‘Verwoeste Gewesten’ maar ook steden zoals Leuven, Aarschot en Dendermonde zagen zich geplaatst voor een immens werk van herstel en heropbouw. Een basiswerk dat deze unieke fase in de architectuurgeschiedenis voor het eerst in synthese bracht, is het in 1985 uitgegeven boek “Resurgam. De Belgische Wederopbouw na 1914” onder de wetenschappelijke leiding van Marcel Smets. 3 Sindsdien zijn er meerdere studies over dit thema verschenen. Ook de inventarisatie van het Bouwkundig Erfgoed, die in West-Vlaanderen veel later plaatsvond dan in de andere provincies, besteedt uitgebreid aandacht aan de architectuur van de wederopbouw. In 2003 werd nogmaals een bilan van het onderzoek opgemaakt op het vijfdaags internationaal symposium in Leuven-Ieper-Roubaix, “Living with History 1914-1964. De wederopbouw in Europa na de beide wereldoorlogen en de monumentenzorg”, waarvan de handelingen in 2009 zullen verschijnen. 4
Niettemin blijven er hiaten in het onderzoek. Zo werd pas zeer recent de Duitse wederopbouw in Vlaanderen tijdens de Eerste Wereldoorlog beter in kaart gebracht. 5
In hoeverre bijvoorbeeld de activiteiten van de Commissie voor de Verfraaiing van het Landleven en de vele modelpublicaties van tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog de bouw en heropbouw van de Vlaamse boerderijen beïnvloedden, blijft een open vraag. 6
Het dit jaar opgestarte project Het gekwetste gewest. Architectuurarchieven van de wederopbouw in de Westhoek van het CVAa toont aan dat er nog veel basismateriaal voor onderzoek, aangemaakt door de diverse lokale actoren, tot nu toe onbekend en dus ook onbestudeerd is.
Ongetwijfeld zal de honderdjarige ‘viering’ van de Eerste Wereldoorlog in 2014 een stimulans betekenen voor de inventarisatie van en het onderzoek naar het erfgoed dat herinnert aan deze ‘grote wereldbrand’. Ook de studie van de oorlogsrelicten zelf komt hierbij in de belangstelling. Een aanzet werd gegeven in 2003-2005 met de opmaak van een snelinventaris van de relicten van de Eerste Wereldoorlog, in opdracht van de provincie West-Vlaanderen in samenwerking met het Vlaams Gewest. In 2009 zal deze inventaris online ter beschikking komen via de nieuwe Portaalsite Onroerend Erfgoed in Vlaanderen (momenteel in opmaak).
Er moet wel over worden gewaakt dat de studie van het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog zich niet gaat beperken tot de frontregio in West-Vlaanderen, die toeristisch het meest in de belangstelling staat. Ook in de rest van Vlaanderen was er op bepaalde plaatsen een grote impact van de vernielingen (Aarschot, Leuven, Mechelen, Sint-Katelijne-Waver, Duffel, enz.) en bevinden zich vele waardevolle oorlogsmonumenten.

1.4.1.2 Het interbellum (1918-1940)

De architectuurgeschiedenis van het interbellum is de afgelopen twee decennia steeds beter gedocumenteerd en de studie ervan is in dezelfde tijdsspanne steeds meer verfijnd.

1 Het cultuurhistorische kader

Basiswerken om het algemene cultuurhistorische kader van het interbellum in België te begrijpen, blijven de twee boeken, uitgegeven door de Dienst Culturele activiteiten van de voormalige ASLK: “De Dolle Jaren in België 1920-1930” 1 en “De massa in verleiding. De jaren ’30 in België”. 2 Ook het werk van Karel Van Isacker “Mijn land in de kering 1830-1980” geeft een goed – zij het erg persoonlijk gekleurd – beeld van de periode. 3 Specifiek voor Gent is er ook het overzicht “Interbellum in Gent 1919-1939”.4

2 Inventarisatie

De architectuur van het interbellum is tot op vandaag zeer ongelijk vertegenwoordigd in de inventaris “Bouwen door de Eeuwen heen”: zeker in de oudere delen (zoals Vlaams-Brabant, waar geen gebouwen ouder dan ca. 1850 werden opgenomen) worden realisaties uit deze periode niet of zelden vernoemd, wat voor hiaten in de kennis zorgt. Bovendien bestond er bij de inventarisatie aanvankelijk minder belangstelling voor bepaalde bouwtypes, zoals de industriële architectuur.
Vanaf eind jaren 1970 wordt (in beperkte mate) aandacht besteed aan de art deco en aan de modernistische architectuur. De traditionele architectuur uit de periode komt nog niet aan bod. Bij de recente inventarisaties (vanaf de jaren 1990) wordt het gehele gamma in acht genomen, waardoor deze boekdelen een veel evenwichtiger beeld geven van de toenmalige architectuurproductie.
Een nieuwe inventarisering van een aantal gebieden, met het accent op de ‘jonge architectuur’, zoals in Nederland uitgevoerd in de jaren 1987-1994 met het Monumenten Inventarisatie Project 1850-1940 zou zeker ook voor Vlaanderen relevant zijn.

Het belang van deze inventarissen als document en het belang van het veldwerk van het inventariseren zélf mag niet worden onderschat. De eerste goede omschrijvingen van de diverse architectuurstijlen in het interbellum en de eerste aandacht voor de traditionalistische architectuur is eigenlijk in deze inventarissen terug te vinden. Zo ontleent de tekst over de 20ste-eeuwse architectuur in de Leiestreek in het boek “De Leie, Natuur en Cultuur” zijn rijke nuancering precies aan de kennis die bij de inventarisatie ‘te velde’ werd opgedaan en die het eenzijdige beeld nuanceert dat tot dan toe in de bestaande literatuur geschetst werd. 5
Een interessante inventaris op het vlak van religieuze architectuur werd samengesteld door Zsuzsanna Böröcz, in het kader van haar doctoraat over de “Glasramen in Belgische katholieke kerken tussen 1945 en 1965” 6, zie ook hoofdstuk Historisch interieur.
Momenteel (2008) is in opdracht van het VIOE ook een inventaris van 20ste-eeuwse kerken in opmaak. Deze zal worden geïntegreerd in de Databank Inventaris Bouwkundig Erfgoed Vlaanderen.

3 Archieven en contemporaine publicaties

Voor het onderzoek van de periode 1900-1940 is er een zekere discrepantie tussen enerzijds het enorme aanbod van archiefmateriaal en contemporaine publicaties en anderzijds de slechte ontsluiting ervan.

3.1 Archivalische informatie

Informatie over het gebouwde erfgoed is niet steeds terug te vinden in de openbare archieven (stadsarchieven, rijksarchief), maar bevindt zich vaak nog erg versnipperd in diverse archieven van instellingen, organisaties en overheden. Vermoedelijk door de combinatie van de relatief jonge ouderdom van de documenten en de soms enorme hoeveelheid ervan, is de toegankelijkheid van het archiefmateriaal vaak bedroevend. Meermaals moet de onderzoeker het stellen met vage plaatsingslijsten of met de kennis van de archivaris omdat zelfs plaatsingslijsten ontbreken. Interessant in de stedelijke archieven zijn vooral bouwaanvragen, dossiers rond openbare werken, dossiers rond stadsgebouwen, sociale huisvesting en ‘gebouwen voor de eredienst’.
Veel documenten bevinden zich ook nog in het 'levend' archief van instellingen, zoals bouwplannen die vaak bewaard worden op de technische diensten van gemeentebesturen.
Eerder schaars geworden zijn de privéarchieven van architecten, hoewel men soms nog – via familie - op interessante documenten kan stuiten.

Zeer positief is de werking van het Centrum voor Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) dat zich toelegt op het in kaart brengen van architectuurarchieven die niet in overheidsbezit zijn. De klemtoon wordt daarin wel gelegd op de naoorlogse periode, omdat veel architecten van de eerste naoorlogse periode (1950-1970) momenteel hun architectuurpraktijk stopzetten, verhuizen of overlijden waardoor hun architectuurarchieven mogelijk bedreigd zijn. Een pilootproject was het overzicht van de over meerdere fondsen verspreide archieven van Huib Hoste (1881-1957).7 Momenteel wordt in samenwerking met het VIOE gewerkt aan een monografie over Renaat Braem (1910-2001).
Een belangrijk archief voor het bouwkundig erfgoed van de periode 1900-1940 is ook het Architectuurarchief van de provincie Antwerpen, dat in 2004 een mooie catalogus van de verzamelde fondsen uitgaf. 8
Daarnaast is de collectie van de Archives de l’Architecture Moderne te Brussel voor het gebouwde erfgoed in Vlaanderen relevant. 9 10 Meerdere architecten van wie het archief daar werd gedeponeerd, realiseerden ook een oeuvre in Vlaanderen.

3.2 Architectuurtijdschriften

De vroege 20ste eeuw was een periode waarin architectuur- en kunsttijdschriften een enorme bloei kenden. Deze tijdschriften geven een goed beeld van de toenmalige architectuurpraktijk: theorieën, discussies, advertenties voor materialen, foto’s en besprekingen van binnen- en buitenlandse realisaties, oproepen voor wedstrijden. Het is opvallend hoe in België de theorievorming over de eigentijdse architectuur bijna exclusief een zaak van de tijdschriften was. Er verschenen maar twee boeken die als toenmalig overzichtswerk van de architectuur in België kunnen gelden, namelijk “L'Art moderne primitif” van Maurice Casteels (1930) 11 en “L’Architecture moderne en Belgique” van Marcel Schmitz (1937). 12 In vergelijking met bijvoorbeeld Nederland of Frankrijk, waar uitgebreide plaatwerken en publicaties verschenen over de eigentijdse architectuur, is dat een bescheiden resultaat.
In het boek van M. Culot en F. Terlinden over Antoine Pompe werd een lijst opgenomen van “Revues belges d’architecture, d’urbanisme et d’art public, publiées entre 1890 et 1940”. 13 Bij elke titel staat de periode van verschijning, de plaats van uitgave en de uitgever of hoofdredacteur. Deze lijst is een eerste gids in het zeer brede, maar tegelijk zeer onregelmatige aanbod van de Belgische architectuurtijdschriften uit het interbellum.
De licentiaatsverhandeling van M. De Vil “De architectuuropvattingen tussen de twee Wereldoorlogen in België aan de hand van Belgische Kunsttijdschriften” vangt aan met een beknopt overzicht van de belangrijkste tijdschriften, met gegevens over de data van verschijning, de redactie, de algemene inhoud en de eventueel in het tijdschrift geëxpliciteerde doelstellingen. 14 In het “Repertorium van de architectuur in België” wordt een beknopte analyse van de Belgische architectuurtijdschriften gegeven, met overzichtslijst.15 De afzonderlijke tijdschriften krijgen in het repertorium ook lemmata.
Algemeen is er aan de KULeuven een traditie (geweest) van het onderzoek van architectuurtijdschriften. In de jaren 1980 en 1990 werden onder het promotorschap van Luc Verpoest meerdere licentiaatsverhandelingen geschreven. De resultaten hiervan zijn niet gepubliceerd.
Een interessante studie in het buitenland is de publicatie “Politiques éditoriales et architecture 'moderne'. L’émergence de nouvelles revues en France et en Italie” (1923-1939). 16 Deze studie geeft een inspirerende invalshoek voor de analyse van tijdschriften.

Ten slotte zou een betere, digitale ontsluiting van de belangrijkste vaktijdschriften op het gebied van architectuur en bouwtechniek een grote stimulans kunnen betekenen voor het onderzoek. Om de bewaring en ontsluiting van historische architectuurtijdschriften te bevorderen, startte het CVAa in 2008 een project op met de belangrijkste bibliotheken in Vlaanderen en Brussel die architectuurtijdschriften bewaren. Bedoeling is in eerste instantie tot een volledige databank te komen die als basis kan dienen voor mogelijke verdere projecten zoals depotservice, digitalisering en excerpering.

3.3 Catalogi, Technische handboeken, …

Ook op het vlak van de bewaring en ontsluiting van commercieel drukwerk (prospectussen, handelscatalogi, tarieflijsten, technische handboeken etc.) kent Vlaanderen een achterstand tegenover het buitenland, en vooral tegenover de Angelsaksische wereld en Frankrijk. Het gaat hier nochtans om essentiële bronnen voor zowel het architectuurhistorisch onderzoek als voor de restauratiepraktijk!
Een mogelijke, maar toch beperkte bron is de collectie van de gewezen Bijzondere Scholen (BBS) van de Universiteit Gent, bewaard in de Universiteitsbibliotheek.
Er kan in dit verband ook gedacht worden aan de realisatie van een databank naar analogie van deze van het Dachziegelarchiv.

4 De historiek van het onderzoek naar interbellumarchitectuur

Eén van de eerste auteurs die aandacht besteedde aan de architectuur van het interbellum was Pierre Puttemans. In 1975 bracht hij het verhaal van de “Moderne bouwkunst in België” als 5de deel in de reeks van de uitgever Marc Vokaer waarin de “Geschiedenis van de bouwkunst in België” werd gedocumenteerd. 17 Puttemans verwijst hier naar de tentoonstelling over “Antoine Pompe et l’effort moderne en Belgique” in het Museum van Elsene in 1969 als één van de vroegste momenten van herontdekking van de periode. 18 Nog vroeger, in 1963, publiceerde Albert Bontridder echter “Dialoog tussen licht en stilte”, een bijzonder doordachte en tegelijk eigen appreciatie van de moderne architectuur in België. 19

In 1977 komt in de monumentale studie van Marcel Smets over “De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België" een zeer specifiek aspect van de interbellumarchitectuur aan bod, namelijk de volkshuisvesting. 20
Een belangrijke publicatie voor het erfgoed in Vlaanderen was ongetwijfeld het boek “Van Kromme tot Rechte” uit 1979 van Norbert Poulain, die met de vereniging Interbellum vzw, opgericht in 1981, zeer actief is voor de verspreiding van de kennis over en de waardering van de interbellumarchitectuur in Vlaanderen. Het overzicht “Van Kromme tot rechte. Architectuur en toegepaste kunsten in Oost-Vlaanderen van 1920 tot 1940” 21 bundelt zeer veel informatie in de vorm van een uitgebreide bibliografie, een aantal biografieën van belangrijke kunstenaars en een breed overzicht van alle mogelijke aspecten van de architectuur, toegepaste en vrije kunsten, voor geheel Oost-Vlaanderen. Hierdoor is de tekst – noodgedwongen – zeer opsommend van karakter. Het werk betekende echter wel een belangrijk aanknopingspunt en richtwijzer voor vele latere studies over de periode.
Interessante analyses van de Vlaamse architectuur in een meer internationale context zijn te vinden in een aantal publicaties door Marc Dubois, zoals: “Invloed van de architectuur van W.M. Dudok in Vlaanderen” 22 en “Architectuurrelatie Vlaanderen/Nederland” 23 en “Berlage en België” 24.
In 1987 verschijnt de indrukwekkende oeuvrecatalogus van Henry van de Velde door Leon Ploegaerts en Pierre Puttemans. 25 Naar aanleiding hiervan publiceert het tijdschrift “Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen” een themanummer over “De architectuur van het interbellum”, waarin als zeven belangrijke figuren (naast Henry van de Velde) volgende architecten kort worden toegelicht: Antoine Pompe, Victor Bourgeois, Huib Hoste, Louis-Herman De Koninck, Albert Van huffel, Leon Stynen en Gaston Eyselinck. 26
Een vergelijking met het themanummer “Architectuur in het interbellum” van ca. 10 jaar later in hetzelfde tijdschrift (1998) geeft treffend de evolutie weer die het onderzoeksveld van de interbellumarchitectuur ondertussen heeft doorgemaakt 27: een beschrijving van de traditionalistische stromingen in de architectuur en van de volkshuisvesting vervolledigen en nuanceren ondertussen het beeld van de periode.
Toch valt het aspect traditie opnieuw grotendeels uit het verhaal in het synthesewerk uit 1996 “Art deco en modernisme in België. Architectuur in het interbellum” door Jos Vandenbreeden en France Vanlaethem. 28

Het is typisch voor het onderzoek naar de interbellumarchitectuur in Vlaanderen (en trouwens ook internationaal) dat de focus aanvankelijk sterk ligt op de progressieve tendensen en figuren. In de jaren 1970 en 1980 gaat de aandacht daardoor bijna exclusief naar modernistische en art deco architectuur. Hierdoor zijn zeker de pioniers in vormgeving en in het gebruik van nieuwe materialen en technieken bestudeerd, en zijn de 'grote namen' bekend en gedocumenteerd.

5 Een stand van zaken

5.1 Biografieën van bouwmeesters

Zoals gezegd zijn de 'grote namen' uit de interbellumperiode in Vlaanderen gekend en gedocumenteerd. In “Horta and after” worden 25 meesters van de moderne architectuur in België voorgesteld. 29
Een beknopte karakterisering van het oeuvre en een bibliografische oriëntatie van een groot aantal bouwmeesters kan teruggevonden worden in het “Repertorium van de architectuur in België 1830-2000” onder redactie van Anne Van Loo. 30 Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de selectie van opgenomen architecten vrij 'Brussels' gekleurd is. Zeker niet alle belangrijke figuren voor het Vlaamse patrimonium werden opgenomen. 31 Ook is het bijzonder jammer dat de enorme inspanning die geleverd werd in het kader van deze publicatie niet beter werd gevaloriseerd door de opmaak van een online raadpleegbare databank.
Behoorlijk wat informatie over architecten, werkzaam in het interbellum in Vlaanderen, ligt nog ongepubliceerd te wachten in meerdere licentiaatsverhandelingen die sinds de jaren 1980 aan de Vlaamse universiteiten gemaakt werden.

5.2 Geografische architectuurgidsen

Veel publicaties over interbellumarchitectuur zijn te vinden in de vorm van architectuurgidsen en architectuurwandelingen, soms uitgegeven in de vorm van brochures, kaarten of vouwbladen, ter gelegenheid van een Open Monumentendag of Erfgoeddag. Die publicaties kunnen in dit overzicht onmogelijk allemaal vermeld worden. Meestal zijn de teksten erg beschrijvend van aard, waarbij de aandacht vooral gaat naar de stijlkenmerken van de gevels. Vandaag zijn dergelijke gidsen voor de meeste grote Vlaamse steden en gemeenten beschikbaar, hoewel de provincies Limburg en Vlaams-Brabant opvallend onderbestudeerd blijven. Hieronder als indicatie een beknopt overzicht van dergelijke gidsen, waarbij geen volledigheid werd nagestreefd. Meer architectuurgidsen kan u vinden in de bibliografische databank, wanneer u hier klikt.

Provincie Antwerpen

Voor Antwerpen zelf is er de “Gids voor Antwerpen. Moderne architektuur” uit 1989 van Tijl Eyckerman.32 De randgemeenten komen aan bod in de boekjes van de Roularta-reeks “Modern bouwen”, met delen over Brasschaat (1993), Deurne (1996) en Mortsel (1998). 33 34 35
Wilrijk werd in 2006 gedocumenteerd in een wandelgids 36, en in datzelfde jaar verscheen een Erfgoedgids over de zogenaamde “Tentoonstellingswijk”. 37
Dirk Laureys bundelde in 2004 de bestaande informatie over het interbellum in Antwerpen in de tekst “De architectuur in een stroomversnelling. Art deco, modernisme en traditionalisme in de provincie Antwerpen”. 38 Deze tekst is sterk schatplichtig aan het themanummer van Openbaar Kunstbezit uit 1998 39 en aan het artikel van Marc Dubois “Architectuur in Antwerpen tijdens het interbellum” in Archis in 1989. 40

Voor Mechelen is het basiswerk nog steeds het boek van Patrick Egels “Mechelen tijdens het interbellum. Wederopbouw, art deco en modernisme”. 41 Interbellumarchitectuur in Turnhout komt aan bod in het boek van Yves De Bont “100 jaar wonen in Turnhout: architectuur van 1895 tot 1995”. 42

Provincie Oost-Vlaanderen

Een overzicht in vogelvlucht over Oost-Vlaanderen is te vinden in de Kleine Cultuurgids “Interbellumarchitektuur in Oost-Vlaanderen” uit 1990. 43
Meer gedetailleerde gidsen bestaan voor Gent 44 45, Lokeren 46, Ronse 47, Sint-Niklaas 48 49 en Zottegem. 50 51 Voor Oudenaarde is een aanzet te vinden in de bijdrage van Marc Dubois “Oudenaarde, architectuur tijdens het interbellum”.52

Provincie Vlaams-Brabant

Voor de provincie Vlaams-Brabant is de oogst aan architectuurgidsen bijzonder mager. In 2004 stippelde de gemeente Dilbeek een Interbellumwandeling uit, gepubliceerd als vouwblad. 53 Andere architectuurgidsen voor de interbellumperiode zijn ons niet gekend.

Provincie West-Vlaanderen

Het interbellumerfgoed in West-Vlaanderen is dan weer beter gedocumenteerd. Pieternel Verbeke bestudeerde de interbellumarchitectuur in Izegem in een licentiaatsverhandeling, en publiceerde op basis daarvan een artikel. 54
De interbellumarchitectuur in Knokke-Zoute was het onderwerp van een degelijke studie door het Sint-Lukasarchief in Brussel. 55
Het erfgoed van de gemeente De Panne werd door Geert Vanthuyne bestudeerd en in meerdere delen gepubliceerd in het lokale tijdschrift “De Panne leeft”.

De interbellumarchitectuur in Kortrijk 56 en Tielt 57 komt beknopt aan bod in globale studies over het bouwkundig erfgoed in deze steden. Het oeuvre van Huib Hoste in zuidelijk West-Vlaanderen werd in 2002 door Ann Verdonck geïnventariseerd. 58

Daarnaast werden voor een aantal gemeenten wandelgidsen uitgebracht, waarin de interbellumarchitectuur in meerdere of mindere mate ter sprake komt: Ieper (wederopbouw) 59, Koksijde-Oostduinkerke 60, Blankenberge 61 en Nieuwpoort. 62
Ook in de wandelgidsen van de "Erfgoed wandelbox West-Vlaanderen" valt informatie over interbellumgebouwen te sprokkelen. 63

5.7 De studie van de interbellumarchitectuur aan de universiteiten en hogescholen

De studie van de architectuurgeschiedenis aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen spitst zich de laatste decennia sterk toe op de 19de en 20ste eeuw. Zowel in het docentencorps als bij de wetenschappelijke medewerkers vinden we meerdere specialisten in deze periode terug. Voor de studie van de interbellumarchitectuur is dat goed nieuws, want er is een garantie op continuïteit in het onderzoek.
Door de ‘academisering’ van de hogescholen wordt ook daar meer onderzoek ontwikkeld naar de architectuur van de 'Nieuwste tijden'. Toch ligt de focus voornamelijk op de naoorlogse periode, zoals bij de groep ARCHE binnen Sint-Lucas, zie ook hoofdstuk Architectuurgeschiedenis 1945-1975.

Vooral aan de UGent, Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen, en aan de KULeuven, Faculteit Ingenieurswetenschappen, bestaat een vrij lange traditie van licentiaatsverhandelingen over interbellumarchitectuur. Het betreft vooral monografische studies van het oeuvre van één architect, waarbij gaandeweg ook ‘lokale’ architecten worden bestudeerd. Een aantal studies heeft het interbellumpatrimonium van één stad, of één welbepaalde typologie zoals cinema’s als onderwerp. Jammer genoeg vond die rijke productie aan verhandelingen zelden de weg naar een publicatie. De ontsluiting van de verhandelingen stelt een blijvend probleem. Allereerst is het niet gemakkelijk om een zicht te krijgen op de voltooide studies, en vervolgens is ook het consulteren van de eigenlijke werken niet evident.

Opvallend is het toenemend aantal proefschriften over de architectuur van de interbellumperiode: Leen Meganck in 2002 over “Bouwen te Gent in het interbellum (1919-1940): Stedenbouw – Onderwijs – Patrimonium” 64, Rajesh Heynickx over “Meetzucht en mateloosheid. Kunst, religie en identiteit in Vlaanderen tijdens het interbellum” 65, Ann Verdonck over “De zoektocht van Huib Hoste (1881-1957) naar de nieuwe betekenis van kleur in de architectuur” 66 en Sofie De Caigny over “Wooncultuur in Vlaanderen tijdens het interbellum”. 67
Meer dan 10 proefschriften met een interbellumcomponent zijn momenteel in voorbereiding:
aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent werkt Stephanie Van de Voorde over “Innoverende en experimentele betonconstructies in de Belgische Architectuur (1890-2000)”, Iwan Strauven over “Victor Bourgeois (1897-1962)”, Wouter Van Acker over “De analoge ruimten van Paul Otlet (1868-1944)”, Koen Verswijver over Bouwen in België. Bouwen in Staal. Een historisch overzicht, David Peleman over “Theorievorming over de ontwikkeling van het Belgische wegennet, 1890-1970”, Birgit Cleppe over “Stedelijke infrastructuur en stadsplanning in Gent en Groningen van 1836 tot 1973”, en Bruno Notteboom over "Het Belgische landschap 1890-1940: vertogen en beeldvorming".
Aan de Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen van de Universiteit Gent bereidt Evert Vandeweghe een proefschrift voor over “Historische stadslandschappen en regionalistische architectuur in Vlaamse provinciesteden: discours en praktijk (1860-1958)” en Mario Baeck over “De industriële vloer- en wandtegelproductie en het sculpturale bouwaardewerk in België uit de periode 1840-1940 in de context van de Europese ontwikkeling”.
Aan de Vakgroep Ingenieurswetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel werkt Pieter Brosens aan een proefschrift over “Vader en Zoon Van Steenbergen: een eeuw architectuur in Antwerpen”.
Aan de Katholieke Universiteit Leuven, tot slot, bereidt Patrick Jaspers een proefschrift voor over “De Limburgse mijnkathedralen: een kunsthistorisch en cultuurhistorisch onderzoek” en Jean-Marc Basyn over “Monumentenzorg moderne architectuur”, met het accent op sociale huisvestingscomplexen.

5.8 Typologische studies

Typologische studies over interbellumarchitectuur zijn tot nog toe eerder zeldzaam.
Een aanzet tot een typologische benadering is te vinden in het M&L-cahier “Architectuur van Belgische hospitalen”, waar op pp. 66-75 de interbellumziekenhuizen en op pp.76-77 de sanatoria worden behandeld. 68 De sanatoria als bouwtype worden ook behandeld in de licentiaatsverhandeling van Wiebe Verhoeve over “sanatoriumbouw in het interbellum”. 69 De openluchtschool kwam aan bod in een verhandeling van Hélène Vandenberghe. 70
Het proefschrift van Leen Meganck over het “Bouwen in Gent in het interbellum” 71 vertrok vanuit een typologische indeling en behandelde stedenbouw en stadsontwikkeling, het architectuuronderwijs, de woning, sociale woningbouw, gebouwen voor het onderwijs, ziekenhuizen, gebouwen voor de eredienst, industriële architectuur, commerciële architectuur en gebouwen voor sport en ontspanning. Voor elk van deze gebouwtypes werden minstens evenveel vragen opgeroepen als er werden beantwoord… Wat was in de andere steden het stedelijke beleid op het vlak van stadsplanning en monumentenzorg? Hoe verhielden zich hierbij het theoretische discours en de realiteit? Werd in het interbellum specifiek zorg besteed aan het straatmeubilair en aan de infrastructuur van het publieke domein (bruggen, tramhaltes, kiosken, monumenten)? Is Gent de enige stad die in het interbellum een eigen stedelijke monumentenzorgcommissie had? Wat was de impact van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen op de restauraties én op de nieuwbouw in de Vlaamse steden? Hoe zag de architectuuropleiding aan de verschillende academies en scholen in de andere steden er uit? Welke boeken en tijdschriften stelden de diverse instellingen voor architectuuronderwijs in hun bibliotheken aan de studenten beschikbaar? Welke rol speelden de diverse beroeps- en oud-studentenverenigingen op het vlak van de verspreiding van nieuwe ideeën? Wat was hun rol bij de bescherming van het beroep van architect? Welke rol speelden wedstrijden, tentoonstellingen en congressen in de verspreiding van nieuwe theorieën en vormen? Wat zijn de specifieke aspecten van het interbelluminterieur: de aankleding, het materiaalgebruik, het meubilair, de interieurarchitecten, interieurfirma’s en meubelproducenten. Zijn de ‘verdoken appartementen’ een fenomeen dat typisch is voor het interbellum, of komen deze ook reeds vroeger voor? Wanneer manifesteert zich voor het eerst het 'sleutel-op-de-deur'-fenomeen? Hoe werkten deze maatschappijen en welke woningtypes schoven zij naar voren? Hoewel de topwerken van de sociale woningbouw al door Marcel Smets werden gedocumenteerd en geanalyseerd 72, is er nog steeds weinig bekend over de enorme activiteit van de honderden lokale bouwmaatschappijen die toch een grote impact hebben gehad op de bebouwde omgeving en op de concrete invulling van het sociale woningbouwbeleid. Een evaluatie van de activiteit van de niet-Gentse maatschappijen moet nog geschreven worden. Ontwikkelden andere steden net als Gent een eigen sociale woningbouwpolitiek? Hoe kregen nieuwe onderwijskundige theorieën (al dan niet) architecturaal vorm? In hoeverre kende het principe van de openluchtschool verspreiding in België? Welke realisaties zijn er in en rond andere steden op het vlak van ziekenhuizen? Hoe werd dit bouwprogramma in het interbellum vormgegeven? Wat kwam er verder in België tot stand op het vlak van kerkelijke architectuur? Hoe situeert zich de ‘bejaardenzorg’, zoals die in Gent blijkt uit drie projecten in de sector van de sociale woningbouw, in een bredere context van een veranderend gezinsleven? Komen dergelijke projecten ook elders voor? Is de industriële architectuur ook in andere steden vergelijkbaar met de realisaties en tendensen in het interbellum te Gent? Wat was hierbij eventueel de impact van de wetgeving? Welke evolutie maakte het kantoorgebouw in de 19de en 20ste eeuw door? Ontstonden in bepaalde steden echte kantoorwijken? Treft men de aanwezigheid van een directeurswoning ook elders aan in het interbellum? Wanneer is het bankkantoor als bouwtype ontstaan? Welke evolutie onderging de vormgeving van de banken in de 19de en 20ste eeuw? Hoe evolueerde de aanwezigheid en vormgeving van winkels, cafés, hotels in de andere steden? In hoeverre ontwikkelen de Belgische steden in het interbellum een openbare sportinfrastructuur?
In het onderzoek mogen ook de plattelandsgemeenten niet vergeten worden, die tijdens het interbellum een eigen modernisatie kregen van infrastructuur en van bepaalde bouwtypes.

6 Recente evoluties in de studie van de interbellumarchitectuur

Zoals hierboven beschreven, lag bij de studie van de interbellumarchitectuur aanvankelijk de nadruk voornamelijk op de vormelijke aspecten van moderniteit. Pas in de jaren 1990 is er een kentering in de aanpak van het onderzoek merkbaar en worden gradueel de traditionalistische architectuur en de vele nuances in moderniteit, de vele ‘tussenins’ beter belicht. Tekenend hiervoor is het proefschrift van Leen Meganck 73 dat de gehele architectuurproductie in de periode bestudeert, ongeacht de ‘stijl’ en de naambekendheid van de betrokken bouwmeesters. Ook de internationale FWO-onderzoeksgemeenschap rond “Regionalisme”, getrokken door Linda Van Santvoort aan de Gentse Universiteit, doorbreekt de eenzijdigheid van de invalshoek op basis van progressiviteit. De eerste publicatie die resulteerde uit de workshops van dit project, “Sources of Regionalism in the Nineteenth Century”, belicht het fenomeen vanaf de 19de eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog. 74
Het tweede deel, “Regionalism and Modernity (1914-1940)” zal in 2009 verschijnen en behandelt het interbellum. 75

Hieraan gekoppeld is er de verschuiving van de aandacht naar de laag gebouwen juist onder die van de toparchitecten. Ze vormen een groot aandeel van het patrimonium van vele steden en gemeenten en vertonen vaak duidelijke architecturale en stedelijke kwaliteiten. De studie van de culturele, maatschappelijke en economische context van deze ruimere architectuurproductie moet toelaten de plaats van de architect en de architectuur in Vlaanderen in die periode te contextualiseren, zowel voor de architectuur van de 'grote tenoren' als voor de bouwmeesters van de zogenaamde B-architectuur.
Wat publicaties over deze secundaire namen betreft, is het Nederlandse concept van de “BONAS-bibliografieën” interessant. BONAS staat voor "Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse Architecten en Stedenbouwkundigen". Deze bescheiden, maar degelijke boekjes worden uitgegeven door de Stichting BONAS, die is verbonden aan het Nederlands Architectuur Instituut (Nai).

In de vraagstelling van het onderzoek gaat ook meer en meer aandacht naar de rol van de diverse actoren in het architectuurdebat, bijvoorbeeld in het proefschrift van Sofie De Caigny over “Wooncultuur in Vlaanderen tijdens het interbellum.” 76 Het onderzoek belicht wonen als de resultante van een onderhandelingsproces tussen de overheid, architecten, het sociale middenveld, sociaaleconomische condities en actoren en de woonverlangens van verschillende sociale groepen. Het onroerend erfgoed van het wonen tijdens het interbellum is maar een onderdeel van het onderzoek. De uiteindelijke doelstelling was om door te stoten naar de betekenis van huiselijkheid tussen de twee wereldoorlogen om van daaruit de aankleding van het interieur, het verlangen naar een woning met een tuin in de suburbane zone, de moeilijke acceptatie van het appartementsgebouw bij brede sociale groepen, de functie en het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning, de komst van nieuwe meubelen, technische apparatuur en de daaraan gekoppelde rollen van de gezinsleden bij diverse sociale groepen te begrijpen.
Ook in het proefschrift van Leen Meganck “Bouwen te Gent in het interbellum” 77 wordt een uitgebreide analyse gemaakt van de rol van diverse actoren, zoals de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten, de stedelijke administratie, de diverse sociale huisvestingsmaatschappijen en de diverse ‘zuilen’ en hun bouwpolitiek.
De rol van de stedelijke overheid en stadsarchitecten vormt een belangrijke invalshoek in het lopende onderzoek voor een proefschrift door Evert Vandeweghe over “Historic Townscapes and regionalist architecture in Flemish provincial towns: discourse and urban practice (1860-1958). Curtural identity in a European perspective”.
Globaal is er zeker nog ruimte voor onderzoek naar de rol van administratie en overheid, naar de invloed van bouwreglementeringen en naar de impact van wedstrijden en tentoonstellingen als katalysators van ideeën. De studie van de Prijs Van de Ven (1928-1968), een wedstrijd die gerealiseerde 'moderne' architectuur wou bekronen, toont de betekenis van dergelijke initiatieven aan. 78 79 In de periode van het interbellum waren stedenbouwkundige en architectuurwedstrijden trouwens zeer talrijk.
Ook wat het aspect materialen en technieken betreft, is de invalshoek van de actoren nog steeds onderbelicht. Naar analogie van wat Mario Baeck in zijn lopende proefschrift over tegels en bouwceramiek doet, zou het nuttig zijn meer aandacht te besteden aan de producenten, de bedrijfseconomische aspecten, en aan de marktstrategieën in functie van nieuwe materialen en technieken.

De rol van de opleiding van architecten, ingenieurs en stedenbouwkundigen krijgt stijgende aandacht, maar er blijft nog veel studiewerk te verrichten.
In de tentoonstellingscatalogus “275 jaar onderwijs aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel” werd in 1987 in de inleiding op p. 11 gesteld dat “de Belgische kunstgeschiedenis tot nu toe verbijsterend karig is geweest met gegevens over de opleiding van de artiesten en over de evolutie van het onderwijs dat hun wordt verstrekt”. 80 Eén van de weinige studies op dat moment over het architectuuronderwijs in België was de doctoraatsstudie van Luc Verpoest “Architectuuronderwijs in België 1830-1890. Aspecten van de institutionele geschiedenis”. 81 Over het instituut van La Cambre/Ter Kameren bestonden het boek “La Cambre 1928-1978” 82, voornamelijk een bundeling van foto’s en documenten, “La Cambre et l’Architecture. Un regard sur le Bauhaus belge” van Jacques Aron83 en “Ces architectes qui ont fait La Cambre”. 84 De Antwerpse Academie voor Schone Kunsten werd kort besproken in een tentoonstellingscatalogus uit 1964 die vooral de Parijse kunstopleidingen als aandachtspunt had. 85
Ondertussen zijn de hiaten hier en daar al ingevuld. Zo werd het architectuuronderwijs aan de Brusselse Academie uitvoeriger gedocumenteerd 86 en werd door het KADOC de rol van de Sint-Lucasscholen in het vormgeven en verspreiden van de neogotische stijl (19de eeuw) grondig bestudeerd. 87 Ook over meer lokale kunstopleidingen, zoals aan de Academies van Lokeren 88 en Sint-Niklaas, 89 verschenen publicaties. Voor het architectuuronderwijs in het interbellum te Gent, dat werd gedoceerd aan de Sint-Lucasschool, de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en aan de Speciale Scholen (Universiteit), is een degelijke analyse terug te vinden in het proefschrift van Leen Meganck “Bouwen te Gent in het interbellum”. 90 91 Dirk van de Perre maakte hiervan dankbaar gebruik in zijn studie “Op de grens van twee werelden. Beeld van het architectuuronderwijs aan het Sint-Lucasinstituut te Gent”. 92

Een andere tendens die zich aftekent, is de stijgende aandacht voor de wooncultuur, enerzijds zéér concreet materieel, door de studie van de ruimteverdeling, de grondplannen, het wooncomfort en de technische uitrusting, maar anderzijds ook ideëel, door de studie van de gehele mentaliteitsgeschiedenis er rond. 93 94 95 (Zie ook hoofdstuk Historisch Interieur.) Daarmee bevindt het onderzoeksdomein zich op de grens tussen architectuurgeschiedenis, sociale geschiedenis, antropologie en architectuurtheorie.
Op het vlak van wooncultuur is nog veel ruimte voor studie, onder meer over:

  • de overgang, spanning tussen het dagelijkse wonen in de negentiende eeuw van verschillende sociale groepen en de homogenisering van de uitersten aan beide zijden van het wonen in de twintigste eeuw.
  • de wisselwerking tussen wonen en de moderne consumptiemaatschappij, bestudeerd vanuit bedrijfsarchieven, winkelketens, bouwbeurzen en andere commerciële evenementen.
  • de exacte en kwantitatieve gegevens over verspreiding van modern comfort (water-, gas- en elektriciteit) vanaf het einde van de negentiende eeuw.
  • de spanning tussen landelijkheid en stedelijkheid en sociale betekenis daarvan: wie woonde wanneer in de twintigste eeuw op het platteland, wie in de stad en welke impact had dit op het beleven van het wonen, de collectieve infrastructuren en de materiële vorm van de gebouwde ruimte?

Ook is er nog steeds een belangrijk hiaat in de kennis van het concrete interbelluminterieur in Vlaanderen: de aankleding, de technische uitrusting, het meubilair, de meubelmakers en meubelfirma’s, de ensembliers. De vanaf 1984 losbladig gepubliceerde Interbellum-Interieurbezoeken, te raadplegen in enkele bibliotheken, bieden een staalkaart aan waardevolle interieurs. Interessante aanzetten tot synthese van de meubelkunst zijn te vinden in Marc Dubois “Het buismeubel in België” 96, in Claire Leblanc (ed.) “Art Nouveau en Design Sierkunst van 1830 tot 58” 97 en in “Forms from Flanders”. 98 Recent werden ook het Mechels Meubel 99 en de Kunstwerkstede Gebroeders De Coene (Kortrijk) meer uitvoerig bestudeerd. 100 101 Naar het behangpapier 102 103 en de glasramen 104 105 werd reeds onderzoek verricht.

De studie van de interbellumarchitectuur wordt ook toenemend bevraagd en gestuurd vanuit de concrete realiteit van de monumentenzorg en de dagelijkse omgang met dit patrimonium. De vraag naar de correcte omgang met deze specifieke architectuur bij restauratie en renovatie stelt zich steeds acuter. De brochure uit 1993 “Jonge Bouwkunst in Vlaanderen. Een informatiebrochure” 106 en initiatieven zoals de studiedag “Interbellumarchitectuur en monumentenzorg” in 1997 met de bijhorende publicatie 107 vertolken deze bekommernis.
Er is vooral een grote vraag naar kennis van originele afwerkingen, materialen en technieken. Het proefschrift van Ann Verdonck licht hier een tipje van de sluier op het vlak van kleurgebruik bij modernisten (en specifiek bij Huib Hoste). 108
Mimi Debruyn voerde een interessant onderzoek naar het kleurgebruik in de Unitaswijk in Deurne. 109 Mario Baeck publiceerde ondertussen meerdere referentiewerken over het gebruik van tegels en bouwceramiek, waaronder het cahier over “De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels 1880-1940” 110, en specifiek over het interbellum het artikel “De schoonheid van het materiaal: Belgische vloer- en wandtegels in het interbelluminterieur.” 111 Het onderzoeksproject over behoud en herstel van moderne architectuur, dat in 1997 aan het Raymond Lemaire Centre for Conservation van start ging, stelde zich tot doel de specifieke bouwtechnologie en het specifieke materiaalgebruik, gekoppeld aan de gebouwtypologische verschuivingen, in kaart te brengen om van daaruit tot een adequate monumentenzorgtheorie voor de moderne architectuur in de periode 1918-1940 te komen. Dit onderzoek resulteerde in de publicatie van een “DOCOMOMO preservation technology dossier” over “Modern Colour Technology. Ideals and Conservation”. 112
Op het vlak van bouwmaterialen valt zeker nog studie te verrichten naar typische materialen voor de periode, zoals de industriële baksteenproductie, de cementproductie, asbestcementplaten, marbriet- en cimornébekledingen, granito en mosaiverre, bepleisteringen (met mica’s), linoleum en balatum, …
Hieraan gerelateerd signaleren veel onderzoekers en restaurateurs de problematiek van de slechte toegankelijkheid van bouwhistorische nota’s en van restauratie- en conserveringsrapporten, helaas ook als zij tot stand zijn gekomen in het kader van door de Vlaamse overheid gesubsidieerde projecten rond beschermde monumenten. 
Hierdoor is het als onderzoeker moeilijk het eigen onderzoek op het vlak van methodiek, materialen en vondsten te toetsen aan de onderzoeksrapporten van collega’s onderzoekers.

Een aspect dat strikt geografisch niet tot deze Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed behoort, maar niettemin onverbrekelijk verbonden is met de architectuurgeschiedenis in Vlaanderen, is dat van de koloniale architectuur. Het afgelopen decennium is er duidelijk een stijgende aandacht voor wat vanuit België en Vlaanderen is geëxporteerd “naar den vreemde” en dan vooral naar Kongo. Belangrijk zijn het proefschrift van Johan Lagae “Kongo zoals het is. Drie architectuurverhalen uit de Belgische kolonisatiegeschiedenis” 113, het werk van Bruno De Meulder, 114 115, en de lopende studie van Bram Claeys over “Missionering en architectuur in Belgisch Kongo (1908-1960)”. 116

7 Internationale context

Met bovenstaande tendensen in het onderzoek sluit Vlaanderen aan bij wat binnen de internationale context aanwezig is als accentverschuivingen.

Al ligt ook internationaal het accent nog steeds vrij sterk op progressieve architectuur, stilaan wordt dit beeld opengebroken, zoals op de laatste DOCOMOMO-conferentie in Ankara (2005) met als centraal thema “Other Modernisms”. Hier kwamen ook geografische ‘randgebieden’ en koloniale architectuur aan bod, met aandacht voor lokale adaptaties van ‘moderniteit’ en voor de continuïteit tussen traditie en moderniteit. Conferenties als het 4th Savannah Symposium “Architecture and Regionalism” (Savannah, USA, 2005) getuigen van een gelijkaardig zoeken naar de permanentie van traditie en van een interesse voor lokale adaptaties in de architectuurgeschiedenis.

Wooncultuur, zie ook hoofdstuk Historisch interieur. De aandacht voor planindeling, wooncomfort en het discours rond woninginrichting is internationaal terug te vinden in tijdschriften zoals Home Cultures, en in onderzoeksgroepen zoals “The Design History Society” en projecten zoals “Techniek in Nederland in de Twintigste Eeuw (TIN20)” met speciale aandacht voor wonen en bouwen in bijdragen van Irene Cieraad, Ruth Oldenziel, Caroline Bouw, Marja Berendsen en Liesbeth Bervoets.

Steeds meer wordt onderzoek uit Vlaanderen en over Vlaams erfgoed afgetoetst in een internationale context.
Het belang van en de impact op de deelnemers van een internationale onderzoeksgemeenschap zoals de FWO-reserach community “Cultural Identities, World views and Architecture in Western Europe 1815-1940” is niet te onderschatten. Het is een unieke gelegenheid om over de grenzen van disciplines en landen kennis uit te wisselen, en samen te denken en te publiceren. Meer nog dan internationale studiedagen – hoe waardevol ook – is er gelegenheid tot uitwisseling en verdieping. De werking werd onderverdeeld in 4 werkgroepen, die rond volgende thema’s hebben gewerkt: (1) Rationalism, Nationalism and Universalism, (2) Regionalism, (3) Reconstruction and Heritage, en (4) Community and Modernity. Veel vernieuwende inzichten die in deze onderzoeksgemeenschap werden ontwikkeld, zullen in de komende jaren in publicatie verschijnen, en daarmee een stimulans betekenen voor het onderzoek in Vlaanderen. 117 118

Daarnaast bieden sinds 1988 de congressen van DOCOMOMO (International working party for the DOcumentation and COnservation of buildings, sites and neighbourhoods of the MOdern MOvement) tweejaarlijks een forum voor de uitwisseling van kennis en gedachten over ‘moderne’ architectuur, de studie en de restauratie ervan.119 In september 2008 werd het 20-jarige bestaan van de vereniging gevierd op de conferentie in Rotterdam, met als thema “The Challenge of Change: Dealing with the Legacy of the Modern Movement”.

In 1989 werd de European Association of Urban Historians opgericht, met steun van de Europese gemeenschap. Op de tweejaarlijkse congressen komen architectuur en stedenbouw in hun brede context aan bod, maar soms ook in zeer specifieke deelfacetten. De benadering is interdisciplinair en de deelnemers zijn historici, sociologen, architectuur- en kunsthistorici, architecten, geografen, antropologen, stedenbouwkundigen,…
Het volgende congres zal plaats vinden in 2010 in Gent en heeft als overkoepelend thema: “City and Society in European History”.
Ook in Vlaanderen is de invalshoek van de stad en het stedelijke steeds prominenter aanwezig, zoals in de onderzoeksgroepen HOST (Historical research into Urban Transformations), gecoördineerd door Hugo Soly aan de VUB en aan de Universiteit Antwerpen, waar in 2003 een Centrum voor Stadsgeschiedenis werd opgericht, dat een eigen tijdschrift uitgeeft, en een reeks studies publiceert. Wel is het zo dat zowel HOST als het Centrum voor Stadsgeschiedenis de klemtoon vooral leggen op de pre-industriële stad. Een breed onderzoeksterrein op het vlak van de 19de en 20ste eeuw blijft dus nog in zekere zin wachten op een analoge vorm van interdisciplinaire integratie.

Sinds 1940 is er de Society of Architectural Historians die een internationaal forum biedt aan architectuurhistorisch onderzoek, via haar tijdschrift (Journal of…), en via jaarlijkse meetings. De vereniging kent een dominantie door Amerikaanse en Engelse onderzoekers, wat vrij logisch is, gezien haar oorsprong aan de universiteit van Harvard (USA).

Om in te spelen op de nood van Europese architectuurhistorici aan een netwerk, werd in 2006 het European Architectural History Network opgericht. Sinds 2008 wordt een digitale nieuwsbrief uitgegeven, waarin informatie over architectuurhistorisch onderzoek, publicaties en tentoonstellingen in Europa wordt opgenomen. De vereniging organiseert ook studiereizen en in 2009 een eerste congres.

Een Belgisch initiatief is het in 1998 opgerichte Network for Architecture History and Theory (NETHCA) dat onder meer een “interactieve, kritische reflectie over architectuur, design en stedelijkheid” wil promoten.

1.4.1.3 Wereldoorlog II

De Tweede Wereldoorlog is nog een blinde vlek op het vlak van de architectuurgeschiedenis.
Opnieuw viel de bouwactiviteit zo goed als stil. Maar opnieuw betekent dit niet dat wat achter de schermen gebeurde onbelangrijk was. Vooral op het vlak van stedenbouw en planologie zijn de theorievorming en de (tijdelijke) administratieve hervormingen tijdens de bezetting erg belangrijk geweest. De studie uit 1997 “Planning en contingentie: aspecten van stedenbouw, planologie en architectuur tijdens de Tweede Wereldoorlog” kan hier nog steeds als basiswerk gelden. 1 Een studie als deze van Virginie Devillez waarin kunst en politiek in hun samenspel worden bestudeerd, geeft een interessante invalshoek aan, die ook op de architectuur en de stedenbouwkundige geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en zelfs van het interbellum zou kunnen worden toegepast. 2

1.4.2 Architectuurgeschiedenis 1945-1975

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Jo Braeken
  • Medewerkers: Jean-Marc Basyn, Zsuzsanna Böröcz, Sofie De Caigny, Yves Schoonjans, Sven Stercken, Linda Van Santvoort

1 Inleiding

Gezien de periode is het niet meer dan logisch dat het wetenschappelijk onderzoek over de Belgische architectuur van het derde kwart van de 20ste eeuw - 1945-1975 - pas de laatste jaren in diverse onderzoeksinstellingen op gang is gekomen. Van de direct betrokken architecten, stedenbouwkundigen en vormgevers - zeker van de generatie die pas na de Tweede Wereldoorlog de beroepsloopbaan aanvatte - zijn velen nog in leven of zelfs nog beperkt actief. Van de oudere generatie die nog tijdens het interbellum werd gevormd en debuteerde, zijn de meesten pas in de laatste decennia overleden. Hetzelfde kan gezegd worden van de primaire bronnen, de architectuurarchieven, die pas de laatste jaren met mondjesmaat vrijkomen en in het beste geval in een archiefinstelling gedeponeerd worden.

De belangstelling bij de publieke opinie volgt een dubbel spoor. Enerzijds is er de al langere fascinatie voor het Expo 58 universum met zijn parafernalia, dat zich in de eerste plaats richt op erfgoed en vormgeving en sterk gevoed wordt door nostalgie naar het eigen of althans een zeer nabij verleden. Het 50-jarig jubileum van Expo 58, dat in een nooit geziene omvang door de erfgoedsector is opgezet, zal in 2008 alvast onontkoombaar zijn. Anderzijds is er nog steeds een onmiskenbaar en wijd verbreid onbegrip en een lage waardering voor de architectuur uit deze periode of althans bepaalde facetten ervan, die misschien nog te vers in het collectieve geheugen liggen, met alle persoonlijke connotaties van dien. De recente commotie en de regelrechte aanklachten - naar aanleiding van de rellen in de Parijse voorsteden - rond de naoorlogse architectuur en stedenbouw getuigden alvast niet van veel historisch inzicht of begrip, laat staan waardering. Nu er op het terrein in versneld tempo via renovatie of sloop met deze periode afgerekend wordt, zonder veel aandacht voor architecturale kwaliteit of de erfgoedwaarden - voor zover die al zijn bepaald - is het de hoogste tijd voor studie en reflectie.

De eerste ervaringen wijzen alvast uit dat - los van de klassieke monografische studies van architectenoeuvres en typologische categorieën - deze periode door diverse onderzoeksgroepen van meet af aan in een multidisciplinair kader geplaatst wordt, met een inbedding van architectuur, stedenbouw en vormgeving in een brede maatschappelijke context, trouw aan de complexiteit van de tijdsgeest.

2 Evolutie van het studiegebied en inventarisatie

De eerste overzichtswerken over deze periode gekoppeld aan een kritische reflectie werden al vanaf de vroege jaren 1970 gepubliceerd en moeten dus als contemporaine bronnen beschouwd worden. 1 2 Vervolgens was het 20 jaar wachten op een hernieuwd overzicht, dat echter vooral aandacht besteedde aan de recentste decennia. 3 Ook enkele werken die de naoorlogse periode of een deel ervan in een historisch maatschappelijk kader belichtten, bevatten artikels over architectuur en stedenbouw. 4 5 6 7 8 9 In het laatste decennium werd een belangrijke aanzet gegeven tot een ruimer en genuanceerd overzicht met het Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, niet alleen via de architectuurhistorische inleiding, maar ook via de opname van biografische lemma’s van een substantieel en vrij gebalanceerd aantal architecten die in de periode 1945-1975 actief waren. 10 Voor wat betreft de provincie Antwerpen moet hier om dezelfde reden ook de catalogus van het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen, Bouwen in beeld, toe gerekend worden en met name het overzichtsartikel gewijd aan de periode 1945-1975. 11
Voor wat betreft de kustarchitectuur biedt de erfgoedgids Modern Bouwen tussen strand en duin een zeer gedegen overzicht. 12 Vermelden we verder de tentoonstellingscatalogi Horta and after 13 en Hedendaags design, 14 die in monografische essays respectievelijk een overzicht brengen van het werk van enkele van de belangrijkste architecten en meubelontwerpers uit deze periode. Het architectuuronderwijs uit de periode 1945-1975 kwam aan bod in overzichtwerken die aan de geschiedenis van de Academie 15 en het Sint-Lucasinstituut 16 te Gent gewijd werden, aan de Academie van Brussel 17 18 en La Cambre. 19

Sinds 1975 - de beginfase van de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen - wordt zeer sporadisch aandacht besteed aan de naoorlogse architectuur op basis van de informatie in voornoemde overzichtswerken. Opname beperkte zich tot in omvang beeldbepalende gebouwen of de alom bekende en al gecanoniseerde meesterwerken als de woning Brauns van Renaat Braem of de villa Urvater van André Jacqmain. Pas vanaf de tweede helft van de jaren 1990 werd het naoorlogse erfgoed op een meer gerichte zij het niet systematische wijze in de inventarisatiecampagnes betrokken. Enerzijds werd hierbij vertrokken van de bestaande kennis die door monografische studies (cf. infra) in omvang was toegenomen. Anderzijds werd gepoogd om via het werk van belangrijke lokale vertegenwoordigers of ‘scholen’het hele beeld van de lokale architectuurproductie van de betroffen regio door te trekken tot de naoorlogse periode. Voorbeelden hiervan zijn de inventaris van het kanton Turnhout (1997) 20 die ruim aandacht besteedde aan de ‘Turnhoutse School’ met Paul Neefs, Lou Jansen, Carli Vanhout en Paul Schellekens, of de inventaris van het kanton Oostende (2005) 21 waarin hoogtepunten uit het werk van onder meer Paul Felix en Jan Tanghe werden opgenomen.

In dezelfde periode werd door het documentatiecentrum van de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een bibliografische databank opgezet, waarin de belangrijke naoorlogse Belgische architectuurtijdschriften Architecture, La Maison en opvolger Environnement, L’Art de bâtir en opvolger Architecture Urbanisme Habitation en Habitat et Habitation, Bouwen en Wonen, Wonen, Ruimte, Rythme, Schets, La Technique des Travaux, (L’) Art d’Eglise, Bouwkunst en Wederopbouw, en Architectura, werden geëxcerpeerd. Het bronnenmateriaal uit de vele duizenden artikels die via trefwoorden op naam van ontwerper, lokalisatie en typologische categorie werd ontsloten, vormde destijds een belangrijke aanvulling op de kennis over en de evaluatie van de architectuur in België uit de periode 19f45-1975, die in de nog lopende inventarisatiecampagnes werd verwerkt. Deze databank is vandaag geïntegreerd in de catalogus van de VIOE-bibliotheek.

Vanaf de jaren 1980 zagen ook de eerste monografische studies gewijd aan naoorlogse architectenoeuvres het licht. Deze omvatten in de eerste plaats een breed gekaderd historisch overzicht van het werk van betreffende architecten en een kritische evaluatie van zijn betekenis. De criteria die vandaag aan een wetenschappelijke oeuvrecatalogus gesteld worden, op basis van systematisch archiefonderzoek , werden daarbij niet altijd beoogd noch gehaald. Deze gepubliceerde monografieën, die vaak nog tot stand kwamen via getuigenissen uit eerste hand, kunnen vandaag wel de basis vormen voor verder wetenschappelijk onderzoek. In een eerste fase kwamen de architectenoeuvres aan bod van de oudere generatie met wortels in het interbellum, zoals Léon Stynen, 22 23 Renaat Braem, 24 Paul Felix, 25 en Gaston Eysselinck. 26 In een tweede fase - vanaf de jaren 1990, veelal gekoppeld aan de eerste monografische overzichtstentoonstellingen - kwam ook de jongere generatie waarvan de loopbaan nog niet of nog maar pas beëindigd was aan bod. Achtereenvolgens werden monografieën gepubliceerd over Georges Pepermans, 27 Marc Dessauvage, 28 Jean Van den Bogaerde, 29 Juliaan Lampens, 30 Paul Neefs, 31 Willy Van Der Meeren, 32 Lucien Engels, 33 Peter Callebout 34 en Isia Isgour. 35

Tot de meest recent gepubliceerde monografische studies behoren deze over Jacques Dupuis 36, Claude Laurens 37, Roger Bastin 38, Jules Wabbes 39, Alfred Hardy 40, Robert Schuiten 41, Constantin Brodzki 42 en Albert Bontridder. 43 Ook de studies over de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene kunnen hier toe gerekend worden 44 45 Aan secundaire oeuvres, architecten van lokaal belang die in omvang nochtans het grootste aandeel van onze gebouwde omgeving voor hun rekening namen, maar in kwaliteit en oorspronkelijkheid onder het niveau van hun meer bekende confraters bleven, werd slechts uitzonderlijk - de Leuvense architect Victor Broos - een monografische studie gewijd. 46

De laatste jaren neemt het aantal thesissen (masters) met aan de architectuur van de periode 1945-1975 gerelateerde onderwerpen overhand toe, maar een volledig overzicht hiervan ontbreekt vooralsnog. Opgemerkt kan worden dat hierbij ook minder bekende architectenoeuvres zoals Arthur Degeyter, Jozef Lantsoght, Charles Van Nueten, Alexis Dumont, Jacques Cuisinier of het naoorlogse werk van Léon Stynen via een degelijke oeuvrecatalogus op basis van archiefonderzoek werden ontsloten.

3 De studie van de architectuur uit de periode 1945-1975 aan de universiteiten, hogescholen en wetenschappelijke instituten

De studie van de architectuurgeschiedenis van de periode 1945-1975 is in het laatste decennium uitgegroeid tot een belangrijk onderzoeksdomein aan de verschillende universiteiten en hogescholen.

Aan de KULeuven wordt sinds een aantal jaar vanuit een architecturaal en sociaal-cultureel en historisch perspectief onderzoek verricht naar de evolutie van het wonen en de sociale voorzieningen in de naoorlogse periode. Het onderzoeksproject “Zijn werk, haar huis. Onderzoek naar de sociale vertaling van architectuuropvattingen over ‘wonen’ in Vlaanderen, 1920-1970” o.l.v. professor Leen Van Molle (subfaculteit geschiedenis) en professor Hilde Heynen (dept. ASRO) werd inmiddels afgerond (2003-2006). Nog lopende onderzoeksprojecten zijn:
“Paradoxale landelijkheid. Ruraal wonen in Vlaanderen, 1948-1978” o.l.v. professor Leen Van Molle (2007-2010), dat focust op naoorlogse expansie van het wonen in ruraal gebied, via het microperspectief van de bewoners zelf;
“Vorm geven aan welvaart. Een onderzoek naar nieuwe publieke en semipublieke ruimten in de jaren zestig en zeventig” o.l.v. professor Hilde Heynen (2006-2010), dat focust op de nieuwe sociale voorzieningen.
Recent afgewerkte of nog lopende doctoraten in het kader van dit onderzoeksproject zijn:
Els De Vos, Opvattingen over wonen in Vlaanderen, 1960-1980
Rien Emmery, Parodoxale landelijkheid. Ruraal wonen in Vlaanderen, 1948-1978
Michael Ryckewaert, Working in the functional city. Planning the economic backbone of the Belgian welfare state 1945-1973 (2008)
Katrien Theunis, De zoektocht in een Belgisch woonproject 1965-1975. Toenaderingen tussen ontwerpers en overheid in de praktijk van het private wonen (2008).
Daarnaast moet het doctoraatsproefschrift van Zsuzsanna Böröcz (2004), over de kunstglasramen in Belgische katholieke kerken tussen 1945 en 1965 vermeld worden als een belangrijke aanzet tot de studie van de naoorlogse kerkenbouw.

Aan de Universiteit Gent, Vakgroep Kunstwetenschappen werd tijdens het academiejaar 2001-2002 via oefeningen van licentiestudenten onderzoek verricht naar de naoorlogse edities van de architectuurwedstrijd ‘Prijs Van de Ven’. De onderzoeksresultaten gaven aanleiding tot een tentoonstelling en een publicatie. 47 In het academiejaar 2003-2004 focuste het onderzoek op de naoorlogse kerkenbouw in België.

Aan de Universiteit Gent, Vakgroep Architectuur en Stedenbouw, waar onderzoekers op het gebied van de theorie en de geschiedenis van de architectuur en de stedenbouw één onderzoeksgroep vormen, is de studie van de geschiedenis van de Belgische 20ste-eeuwse architectuur sinds vele jaren een onderzoekszwaartepunt. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar de architectuur en de wooncultuur van de jaren ’50 en ’60, de architectuur van de Belgische wereldtentoonstellingen, met name Expo 58, en de invloed en de introductie van nieuwe materialen en technieken op de ontwikkelingen in de architectuur.
Tot de afgeronde onderzoeksprojecten moet met betrekking tot de architectuur van de periode 1945-1975 behoren:
Fredie Floré, Lessen in Modern Wonen. Een architectuurhistorisch onderzoek naar de communicatie van modellen voor ‘goed wonen’ in België 1945-1958 (2006), dat aanleiding gaf tot diverse publicaties 48 en Rika Devos met een proefschrift over de Architectuur van Expo 58 (2008).
Onderzoek naar de architectuur van Expo 58 vond naar aanleiding van de 50- jarig jubileum een weerslag in een belangrijk overzichtswerk. 49
Tot de lopende doctoraatsprojecten behoren:
Stephanie Van de Voorde, Innoverende en Experimentele Betonconstructies in de Belgische Architectuur (1890-2000)
Iwan Strauwen, Victor Bourgeois (1897-1962).

Aan de hogeschool WENK/Sint-Lucas, departement Architectuur is sinds 2006 de multidisciplinaire onderzoeksgroep ARCHE actief. Binnen deze groep werd in 2007 het project ‘Architectuur en sacraliteit in Vlaanderen (1945-1970)’ opgestart, dat een architectuur- en cultuurhistorische benadering van de naoorlogse kerkenbouw beoogt met uitlopers naar bouwhistorie en herbestemming.

Aan de Universiteit Antwerpen (departement Sociologie) en de Hogeschool Antwerpen (departement Architectuur) loopt een interdisciplinair doctoraatsonderzoek waarbij de conceptie en productie van modernistische hoogbouwwijken in Vlaanderen worden geanalyseerd om nieuwe inzichten te verwerven over de huidige en toekomstige betekenis van het wonen in deze specifieke wijken: Karen Kesteloot, Revisie van het Moderne. Op zoek naar de huidige betekenis van het hoogbouwpatrimonium.

Het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) publiceerde in 2006 een belangrijk overzichtswerk over de woningbouw en de wooncultuur in Vlaanderen, dat grotendeels steunde op het onderzoek dat aan de KULeuven en de Universiteit Gent rond deze thematiek wordt gevoerd. 50
Eveneens in 2006 publiceerde het CVAa de Stafkaart van de architectuurarchieven in Vlaanderen 51, waarvan de permanente actualisatie tot de basiswerking van het CVAa behoort.
Onderzoek naar het leven en werk van de in Limburg en Brussel actieve architect Isia Isgour werd recent afgewerkt. 52

Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed bereidt een wetenschappelijke oeuvrecatalogus voor over architect Renaat Braem (2010). Daarnaast wordt een inventarisatie voorbereid van 20ste-eeuwse kerkgebouwen, waaronder ook de naoorlogse.

4 Leemtes in het onderzoek

Aangezien het onderzoek naar de architectuur van de periode 1945-1975 nog maar sinds een tiental jaar op wetenschappelijke basis gevoerd wordt, is het logisch dat de kennis zich tot op heden tot enkele deelaspecten beperkt, zoals de wooncultuur, de stedenbouw of Expo 58. Een eerste belangrijke leemte die prioritair moet worden aangepakt, is de thematische, gebiedsdekkende inventaris van dit erfgoed, als kennis- en beleidsinstrument. Het is haast onvermijdelijk dat deze inventaris zich tot doel moet stellen een selectie te maken van de meest karakteristieke en oorspronkelijke uitingen van architectuur en stedenbouw uit deze periode, die de belangrijkste stromingen, tendensen en fenomenen belichamen, over de grenzen van traditie en vernieuwing heen. Dit kan via een gerichte thematische aanpak gericht op de meest representatieve architectenoeuvres of de belangrijkste typologische categorieën, of via een tijdrovende maar systematische geografische aanpak.
Een tweede belangrijke leemte is de kennis over de historische, maatschappelijke en economische context zoals die in de architectuur en stedenbouw tot uiting komt, en die om een brede interdisciplinaire aanpak vraagt. Thema’s in dit verband zijn onder meer de organisatie van het architectuuronderwijs, de organisatie van de beroepsgroep en de architectenverenigingen, de architectuurwedstrijden, de internationale uitstraling en receptie, de architectuurpublicaties, het wetgevend kader, de overheid als bouwheer, het fenomeen van verstedelijking en suburbanisering, de rol van de verzuiling en het middenveld en de emancipatie van ‘de massa’ en opkomst van bewonersgroepen op architectuur en stadsontwikkeling, de ontwikkeling van bouwmaterialen en technieken en het streven naar industrialisering van het bouwvak, de geschiedenis en de theorie van de vormgeving en het interieur, enz.

1.5 Historisch interieur

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Anna Bergmans
  • Medewerkers: Mario Baeck, Zsuzsanna Böröcz, Lode De Clercq, Stefaan Grieten, Johan Grootaers, Petra Maclot, Aletta Rambaut, Geert Wisse

1 Historiek van het onderzoek

Kunstnijverheid, toegepaste kunst, sierkunst of nijverheidskunst wordt bestudeerd sedert het midden van de 19de eeuw. De context is bekend: door de toename van de machinale productie van gebruiksvoorwerpen ging men beseffen dat het ‘kunsthandwerk’ bedreigd was. Naar aanleiding van de wereldtentoonstelling in Londen in 1851 werd de studie van de geschiedenis van de kunstnijverheid een kunsthistorische discipline. Die belangstelling uitte zich ook in het ontstaan van de eerste musea. In 1852 werd in Londen het South Kensingtonmuseum (thans V&A) opgericht. Daarna volgden in Wenen onder meer het Österreichisches Museum für Kunst und Industrie, 1864; het voormalig Schlossmuseum in Berlijn, 1867; het Museum für Kunst und Gewerbe in Hamburg, 1874; het Musée des arts décoratifs in Parijs, 1882; het Museum für Angewandte Kunst in Keulen, 1888. In die reeks passen ook de Musées royaux des arts décoratifs, opgericht in 1889, vandaag als verzameling opgenomen in de "Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis" in Brussel.

De studie van de kunstnijverheid heeft zich in de 20ste eeuw verbreed naar de studie van het historisch interieur in al zijn facetten. Dat onderzoek kaderde aanvankelijk in een zuivere stijlgeschiedenis. Binnen de kunstgeschiedenis - later kunstwetenschappen - kreeg interieurgeschiedenis in Vlaanderen lange tijd niet echt veel aandacht. Het gaat dus om een betrekkelijk jonge discipline. Daarom ontbreken fundamentele wetenschappelijke studies over tal van aspecten en is er zeker geen synthese voorhanden. Ook de inventarisatie en de documentatie van het interieur werden nooit systematisch aangevat. Er ligt hier dus een zeer uitgebreid onderzoeksdomein open. In het verleden werden voornamelijk aspecten van de kunstnijverheid bestudeerd, objecten die het interieur aankleedden, decoreerden, inrichtten. In het bijzonder werden studies gewijd aan wandtapijten, edelsmeedwerk en meubilair. Dat gebeurde vaak los van de context waarin die objecten functioneerden. Niet toevallig zijn het ook items die op de kunstmarkt gevoelig hoge prijzen genereren.

Het historisch interieur bezit een belangrijke cultuurhistorische waarde. De studie vergroot onze kennis en houdt ze actueel. Dat is van groot belang voor de waardering, het behoud en de ontsluiting van het interieur van het bouwkundig erfgoed. Voor bescherming, onderhoud en restauratie wordt een beroep gedaan op deze kennis. Hieruit blijkt de maatschappelijke relevantie.

In de Vlaamse monumentenzorg was de studie en de restauratie van het interieur vroeger evenmin een aandachtspunt. Als de kennis de jongste 25 jaar in Vlaanderen een hoge vlucht genomen heeft, dan kan dat rechtstreeks verbonden worden met de ommekeer die gerealiseerd werd in de omgang met het beschermde bouwkundig erfgoed. Enkele pioniers hebben zich in de jaren 1970 toegelegd op interieuronderzoek, zowel kunsthistorisch als materiaaltechnisch.
De resultaten die hiermee bereikt werden gaven een groeiende impuls aan de monumentenzorg en op termijn werden vooronderzoek en restauratie/conservatie van interieurelementen door de Vlaamse overheid geïntegreerd in het beheer van het beschermd onroerend erfgoed. Dat betekende een enorme stimulans voor het vakgebied. De jongste dertig jaar zijn er ter voorbereiding van en tijdens restauratiewerken dan ook gegevens van groot belang aan het licht gekomen. Deze resultaten waren casusgericht en werden sporadisch maar wetenschappelijk onderbouwd gepubliceerd, in hoofdzaak in M&L. Monumenten, Landschappen en Archeologie en dit sedert 1982. Een uitzonderlijke publicatie met focus op het interieur kwam vanuit de Gentse monumentenzorg tot stand. 1

Restauraties hebben onmiddellijk aanleiding gegeven tot monografieën met een belangrijk accent op de geschiedenis van het interieur. Bijvoorbeeld de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, 2 de Opera van Gent 3 en de Bourlaschouwburg in Antwerpen 4 werden vereeuwigd in fraaie boekwerken. Te betreuren is dat vele andere studies over het bouwkundig erfgoed die uitgevoerd werden naar aanleiding van restauraties nooit werden ontsloten.
De ontwikkeling van de bouwhistorie in Vlaanderen met in het prille begin, de jaren 1980, het baanbrekend interieuronderzoek van Petra Maclot in Antwerpen heeft een grote bijdrage geleverd tot de kennis van de 16de-eeuwse wand- en plafondafwerking. Talrijke voorbereidende studies in functie van een restauratie én het theoretisch onderzoek hebben de kennis over het historisch interieur sinds de jaren tachtig gevoelig verruimd.
De verzameling en ontsluiting van 19de-eeuwse kunstenaars- en atelierarchieven in het bijzonder door het KADOC (KULeuven) betekende vanaf de jaren 1980 een hoopvolle start voor de studie van die kunstenaarsateliers, die tekenden voor inrichting en decoratie van het interieur. 5 6 7 8 De publicatie over de Sint-Lucasscholen en de neogotiek gaf hiervoor een belangrijke aanzet. 9 In het bijzonder het onderzoek naar de glasschilderkunst, het religieuze meubilair en de muurschilderkunst kregen hierdoor sterke impulsen. Door kunsthistorisch onderzoek op basis van archivalia, literatuur en onderzoek in situ worden het oeuvre van kunstenaars in kaart gebracht. 10

Inmiddels werd ook vanuit de academische wereld het interieuronderzoek nieuw leven ingeblazen binnen het Vakgebied geschiedenis van de architectuur, monumentenzorg en historisch interieur aan de Universiteit Gent (Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen). De talrijke scripties en proefschriften wijzen op een nieuwe belangstelling bij een jong publiek. Op een jaarlijkse Studiedag Historisch Interieur die uitgroeide tot een overlegplatform wordt het actuele onderzoek, zowel theoretisch als praktijkgericht, voorgesteld. Met de uitgave van de Gentse Bijdragen tot de Interieurgeschiedenis sedert 2003 ontstond een uniek en vakspecifiek meertalig tijdschrift in het Nederlandse taalgebied.
Hierin krijgt het recent afgesloten onderzoek een plaats. Zowel kunsthistorische als materiaaltechnische aspecten, technische installaties, comfort, organisatie en planindeling, de rol van de opdrachtgever, boedelinventarissen, inrichting en meubilair komen aan bod, naast uiteenlopende aspecten van de kunstnijverheid. Het tijdschrift biedt een forum voor studies van zowel profane als religieuze interieurs.
Binnen de monumentenzorg wordt het historisch interieur vandaag intensief bestudeerd om het na evaluatie zo goed mogelijk te bewaren. De aandacht voor het historisch interieur is immers sterk toegenomen als gevolg van de Conventie van Granada uit 1985, waarin de Raad van Europa aandrong op meer zorg voor het integrale monument en niet alleen voor de gevels. Daarom wordt een monument in Vlaanderen nu beschermd “met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken”. Dus ook behang, schilderingen, vloeren, meubilair…komen hier aan bod.
Binnen hetzelfde perspectief kiezen onderzoekers van monumenten voor een integrale benadering: planindeling en organisatie van gebouwen, afwerking en inrichting worden grondig bestudeerd. Bovendien concentreren zij zich niet langer uitsluitend op de stijlgeschiedenis. Ze hebben meer aandacht voor de functie en de betekenis van de interieurelementen, die in hun context worden geplaatst. Ook de opdrachtgevers en de bewoners krijgen ruime aandacht. Hiervoor wordt niet enkel gewerkt wordt met boedelinventarissen, ook privé-archieven met rekeningen, persoonlijke documenten als brieven of dagboeken worden bestudeerd. De latere ontwikkelingen en het gebruik van het gebouw worden niet vergeten. Tendensen in het architectuurhistorisch onderzoek zoals het belang van de opdrachtgever weerspiegelen zich ook in het interieuronderzoek. De positie van de architect bleef lange tijd marginaal wat betreft de inrichting en de decoratie van het woonhuis. Het was de opdrachtgever die hierin de hoofdrol speelde 11. Het is niet toevallig dat architectuurhistorici en –theoretici zich precies over de studie van het interieur buigen vanaf het ogenblik dat dit door de architect wordt ontworpen. Voor het moderne wonen verwijzen we daarom naar het architectuurhistorisch onderzoek.
Cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het onroerend erfgoed werden in het verleden vooral geïnventariseerd en bestudeerd in een kerkelijke context. 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Een fotografische inventaris van het meubilair van de Belgische bedehuizen werd opgemaakt en gepubliceerd in 213 boekdeeltjes door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK). In dit Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen worden alle voorwerpen per bewaarplaats opgenomen. Na de beschrijving van het gebouw waarin ze voorkomen, worden de voorwerpen vermeld met een elementaire kunsthistorische identificatie, die wordt gevolgd door de nummers van de foto’s die er op het KIK van bewaard zijn. Deze fotografische inventaris omvat zowel roerende voorwerpen als objecten die onroerend zijn door bestemming.
Het is een uitdaging voor de toekomst om ook het profane interieur diepgaand te bestuderen.

2 Vloer- en wandtegels

Een deelgebied van het interieuronderzoek dat in Vlaanderen in de context van de Europese ontwikkeling in de actualiteit staat, is het onderzoek naar de industriële vloer- en wandtegelproductie en het sculpturaal bouwaardewerk in België uit de periode 1840-1940. Tot 1996 bleef het onderzoek naar vloer- en wandtegels in Vlaanderen hoofdzakelijk beperkt tot de bestudering van tegelvondsten en ensembles in situ, van de middeleeuwen tot en met de 18de eeuw. De kennis beperkte zich daardoor vooral tot middeleeuwse vloeren, Antwerpse majolicategels, tinglazuurtegels in Delftse stijl en West-Vlaamse haardtegels. Naast meer objectgericht onderzoek vanuit het perspectief van archeologen, museumconservatoren of verzamelaars kwam zeker vanaf de jaren 1980 iets breder opgezet en meer contextgeoriënteerd onderzoek naar tegelrealisaties uit de periode tot de 18de eeuw tot stand. De ‘moderne’ tegel bleef echter zo goed als buiten beschouwing. Enkel rond zeer belangrijke producenten als Boch Frères La Louvière of Gilliot Hemiksem en in veel mindere mate ook rond de Céramiques Décoratives de Hasselt werd waardevol deelonderzoek verricht. Dat was ook het geval vanuit de nog jonge discipline van de industriële archeologie die ook op dit specifieke terrein enkele bescheiden onderzoeksaanzetten leverde. Globale onderzoeken of syntheses met oog voor technische, sociaal economische, functionele en artistieke aspecten en met oog voor erfgoedwaarde en onderhouds- en restauratieaspecten ontbraken echter volledig. Die lacune werd in 1996 voor de tegelproductie uit de 19de en 20ste eeuw deels opgevuld door de publicatie van het derde M&L cahier rond De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels - waarin ook aandacht is voor de vloertegelproductie. 22
Op het gebied van de ‘oudere’ tegel verscheen sindsdien van de hand van Claire Dumortier 23 een grondige en veelzijdige synthese over de 16de-eeuwse Antwerpse majolica met ruime aandacht voor de tegelproductie uit deze periode. Naar aanleiding van een internationaal colloquium in 2005 in Ten Duinen, Koksijde, werden vanuit diverse invalshoeken ook nieuwe inzichten over middeleeuwse tegels in cisterciënzerabdijen samengebracht. 24
Sedert de publicatie van het genoemde M&L cahier over tegels in 1996 werkt Mario Baeck onafgebroken aan de verdere uitbouw van zijn expertise. 25 Hij bestudeert de sociaal-economische geschiedenis, de productie en de evolutie van de diverse tegelfabrieken (zowel keramisch als op basis van cement) en belangrijke tegelhandelaars in België. Hij onderzoekt het proces van lancering en legitimatie versus receptie en acceptatie van de gestandaardiseerde industriële vloer- en wandtegel als ‘nieuw’ bouwmateriaal in de loop van de 19de eeuw in confrontatie met concurrerende technieken als mozaïekwerk, sgraffito e.a. Verder komen de artistieke en stilistische evolutie van het aanbod in de 19de en 20ste eeuw aan bod en de kenmerken van een ‘nationale smaak’ op het gebied van tegelmotieven in confrontatie met het aanbod van buitenlandse fabrikanten. Ten slotte wordt de verspreiding en de evolutie van de toepassing bestudeerd, via exemplarische deelstudies op wijkniveau (Cogels-Osywijk Antwerpen, Sint-Pietersstationbuurt Gent), op stadsniveau (Blankenberge, Ronse), op regioniveau (Vlaamse kust, Provincie Antwerpen) en op basis van onderzoek naar specifieke productietypen (West-Vlaamse Poterie Flamandetegels, vroege Gentse cementtegel) en specifieke bedrijven (Gilliot Hemiksem, Céramiques Décoratives de Hasselt).
Het onderzoek naar de technische evoluties van de vloer- en wandtegelproductie, gekoppeld aan de opvolging van buitenlandse vakliteratuur en binnen- en buitenlandse ‘good practice’-voorbeelden op het gebied van onderhoud, instandhouding en restauratie of recuperatie voor museale conservatie van waardevolle tegelrealisaties, moet tenslotte leiden tot verbreding van de expertise binnen het veld van de Vlaamse monumentenzorg.

Opvallend is het ontbreken van een degelijke en voldoende breed uitgewerkte inventaris van waardevolle tegelrealisaties zoals de Tile Gazetteer - A Guide to British Tile and Architectural Ceramics Locations. 26 De registratie van tegelrealisaties binnen de reeks Bouwen door de eeuwen heen is een belangrijke hulp, zeker in de digitale vorm, maar is jammer genoeg op dit specifieke gebied weinig consistent en consequent, zowel wat de vermelding van de realisaties als de gehanteerde terminologie betreft. Voor bepaalde regio’s ontbreken daardoor zelfs zeer waardevolle realisaties. In regio’s waar ze wel geregistreerd werden, zijn ze door een gebrek aan eenduidige terminologie niet gemakkelijk terug te vinden. Bovendien worden sommige technische benamingen soms verkeerd gebruikt.

3 Wanddecoratie

In de studie van het historische behangselpapier is de jongste 25 jaar een grote vooruitgang geboekt met als pionier van het onderzoek Geert Wisse. Onderzocht wordt de verschijningsvorm, het productieproces, de verspreiding en toepassing van het behangpapier in het interieur. In het verleden werd het object uitsluitend in museale context bestudeerd, als een onderdeel van de kunstnijverheid. Omdat het behangpapier in veel gevallen tamelijk exact gedateerd kan worden, speelt het nu ook een belangrijke rol bij het bouwhistorisch onderzoek van gebouwen. Een mooi voorbeeld daarvan werd recent gegeven in het kasteel d’Ursel in Hingene waar de studie van de papierfragmenten werd ingeschakeld in een multidisciplinair vooronderzoek. In de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) in Brussel wordt momenteel de collectie geïnventariseerd van behangpapier, staalboeken en drukblokken. De belangrijke collectie van de Leuvense manufactuur Everaerts is indrukwekkend. Een recente tentoonstelling van de KMKG stelde ook de manufactuur van Karel van Lorreinen in het licht. 27 Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium ontwikkelt momenteel een glossarium behangpapier (Nederlands-Frans).

Eén van de weinige elementen van interieurdecoratie die geïnventariseerd werden en in de Zuid-Nederlandse context geplaatst is het goudleder. 28 De inventaris is aan actualisatie toe.

In Vlaanderen wordt onderzoek verricht naar de functie en de betekenis van muurschilderingen. Met de publicatie van het M&L Cahier Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen in 1994 29 kwam dat bijzondere aspect van de wandafwerking in een brede belangstelling. Het proefschrift van Anna Bergmans onderzocht de geschiedenis en de receptie van middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw en reikte tegelijk een inventaris aan van middeleeuwse muurschilderingen in Belgische kerken. 30 Talrijke deelstudies werden de jongste dertig jaar gepubliceerd ( Zie o.a. de bibliografie van Anna Bergmans en Marian Buyle ). Een pas afgesloten onderzoek is dat van de muurschilderingen van de begijnhofkerk Sint-Agnes in Sint-Truiden: een kunsthistorische, iconologische en iconografische studie die hun functie en betekenis onderzoekt in het perspectief van de materiële cultuur en de spiritualiteit van de begijnen. 31 Daarnaast werd aangedacht besteed aan de restauratiegeschiedenis. 32 Deze studies uitgevoerd en gepubliceerd door het VIOE passen in een totaalbenadering van dat begijnhof.

4 Glasschilderkunst

Een status quaestionis van het kunsthistorisch onderzoek naar de monumentale glasschilderkunst in Vlaanderen werd in 2005 opgemaakt door Madeleine Manderyck. 33 Onderzoek naar glasschilderkunst wordt gepatroneerd door het internationale Corpus Vitrearum Medii Aevi (CVMA) dat comités heeft in twaalf landen. Naast een Belgisch Comité, bestaat er een Vlaams, een Waals en een Brussels. Het uitgangspunt van het CVMA was van bij het begin een inventaris te maken en te komen tot een eenvormige publicatie. Aanvankelijk beperkt tot 1500-1520, werden vanaf 1975 ook de ramen uit de 16de en 17de eeuw opgenomen. De laatste jaren kwamen ook de 19de en 20ste-eeuwse glazen aan bod. Bijna honderd volumes van de inventaris werden tot nog toe gepubliceerd (CVMA). In België kregen de publicaties van Jean Helbig 34 35 een vervolg in 1974. 36 Het ontbreken van een volledige inventaris van het glaspatrimonium in ons land vanaf 1550 tot nu is een grote lacune waardoor het onmogelijk is om een goed beeld te krijgen. Enkele kleinere projecten (een prospectie van de glasramen in de provincies Limburg en gedeeltelijk van Oost-Vlaanderen) zijn uitgevoerd door het Glaskunst Informatie- en Documentatiecentrum vzw (opgeheven) in 1997-1998, door Jan Van Damme en Aletta Rambaut, in opdracht van de Vlaamse Overheid. Dit werk is onvolledig door de zeer beperkte duur van de opdracht, maar is consulteerbaar in het archief van het VIOE.
Aan de universiteiten van Gent en Leuven worden sporadisch monografische scripties gewijd aan 19de en vroeg 20ste-eeuwse Vlaamse glazeniers. 37 38 39 Op doctoraatsniveau dient het proefschrift van Szuszanna Böröcz, aan de KULeuven vermeld. 40 Zij verdedigde hierin dat het kerkglasraam als gewijde kunst meer dan een architecturaal element is van het kerkgebouw. Het vervult een functionele rol in de liturgie en blijft tegelijk een persoonlijke schepping van de kunstenaar. Als gemeenschapskunst wordt het sterk beïnvloed door het kunstonderwijs en komt het tot stand binnen een welbepaald maatschappelijk en religieus klimaat. Vanuit deze context werden de Franse, Duitse en Belgische kerkglasramen vanaf de tweede helft van de 19de eeuw met elkaar vergeleken en werd de positie van de naoorlogse Belgische kerkglasramen tot aan het Tweede Vaticaanse Concilie (1965) bepaald.
Aan de Universiteit Gent, Vakgroep Kunst-, Muziek en Theaterwetenschappen, werkt Aletta Rambaut aan een proefschrift over de 17de-eeuwse monumentale glasramen in Antwerpen.
Onderzoek naar glasschilderkunst gebeurt verder in hoofdzaak aan de Hogeschool Antwerpen in het kader van de opleiding conservatie/restauratie van glas. Hier werkt Joost Caen aan een proefschrift.

5 Lacunes

De lacunes in het erfgoedonderzoek van het historisch interieur zijn naast studies met thematische en chronologische invalshoeken, naast het gebrek aan systematisch iconografisch onderzoek, het ontbreken van systematische inventarisatie en documentatie in situ. Daarnaast zouden de al uitgevoerde interieuronderzoeken naar aanleiding van restauratiewerken moeten kunnen ontsloten worden. Een internationaal netwerk voor interieurhistorisch onderzoek dat vooralsnog niet bestaat, wordt momenteel uitgebouwd. Hierin zal Vlaanderen vertegenwoordigd zijn.

1.6 Industrieel erfgoed

  • Versie: 2
  • Datum: 01/06/2010
  • Auteurs: Frank Becuwe, Mario Baeck, Greet Polfliet, Harry van Royen, Paul De Niel, Lieven Denewet, Davy Jacobs, Brigitte De Meyer, Adriaan Linters, Eddie Niesten
  • Medewerkers: André Cresens, Johan David, Hilde Declercq, Veerle Jacobs, Gerard Ketele, Peter Scholliers, Bert Van Doorslaer, Vincent Verbrugge, Patrick Viaene, Luc Wante

1 Inleiding

Op het einde van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw wekte de industriële ontwikkeling in Engeland en vervolgens op het continent (met België als gidsland) vooral bewondering op. Bij zijn bezoek aan de hoogovens van de heer Cockerill in 1838 schreef Victor Hugo: “Daar heb ik werkelijk de industrie bewonderd. Het is een mooi en buitengewoon schouwspel, dat ’s nachts iets bovennatuurlijks lijkt te ontlenen aan de plechtige troosteloosheid van het ogenblik. Raderwerken, zagen, stoomketels, platwalsen, cilinders en persen, al deze monsters van koper, plaatijzer en brons die wij machines noemen en die aangedreven worden met stoom, gloeien, fluiten, knarsen, brullen, snuiven, blaffen, krijsen, verscheuren het brons, verwringen het ijzer, kauwen het graniet”. 1 In de daaropvolgende decennia verloor de industrie echter zijn glans van vervoering. Achter de industriële ontwikkeling bleken – zoals in 1902 door Auguste De Winne beschreven in zijn A travers les Flandres 2 verpaupering, sociale ellende, gevaarlijke arbeidsomstandigheden, gebrek aan hygiëne, … schuil te gaan, die gestaag de door traditionele waarden gedragen ‘zekerheid’ ondergroeven. De angst en de afkeer voor de onrust die de industriële ontwikkeling meer en meer teweegbracht, riepen een romantische bewondering voor de oude, rurale maatschappij in het leven. Na de Tweede Wereldoorlog herstelde het geloof in wetenschap en techniek zich, zoals de Expo ‘58 met het Atomium als blikvanger duidelijk illustreerde. De verouderde industriële infrastructuur, voor zover die nog niet door de oorlog was aangetast, werd op grote schaal vernieuwd. De systematische verwijzing van de materiële cultuur van de eerste industriële ontwikkeling naar de schroothoop wekte in Engeland vanaf de late jaren 1950 echter geleidelijk de aandacht van lokale erfgoedverenigingen. Gesteund door landelijke organisaties zoals de National Trust en Civic Trusts werd het behoud van fabrieken, spoorwegstations, … én stoommachines bepleit. 3 Met enige vertraging vond dit pleidooi ook gehoor op het continent. Vooral het grote publiek kreeg belangstelling voor de materiële relicten van onze economische en industriële geschiedenis. In Vlaanderen volgde de overheid in 1976 (als één van de eerste regio’s ter wereld) door in het nieuwe monumentendecreet aandacht te besteden aan het industrieel erfgoed. Sindsdien vormen industrieelarcheologische waarden een volwaardig criterium in de evaluatie van de monumentwaarde van een onroerend goed. Intussen werd zowel binnen de voor monumenten bevoegde diensten van de Vlaamse overheid als door externen baanbrekend werk verricht om het industrieel erfgoed een volwaardige plaats te geven in de zorg voor het onroerend erfgoed. Dit engagement sluit echter niet uit dat het onderzoek met betrekking tot het industrieel erfgoed in Vlaanderen nog voor een zeer grote opdracht staat. Veel nijverheidssectoren zijn enkel in zeer algemene zin in beeld gebracht, maar over enkele sectoren bestaat zelfs nog helemaal niets. Onderzoek met betrekking tot de productieprocessen en hun ontwikkelingen werd zelden verricht. Inzicht in deze processen is echter wel noodzakelijk om sectoraal aan de hand van onroerende erfgoedrelicten een selectief maar coherent beeld van ons industrieel verleden te kunnen ophangen. Bovendien is de kennis van het productieproces evenzeer onontbeerlijk om voor een beschermenswaardige of beschermde industrieelarcheologische site vanuit zijn draagkracht een adequate, nieuwe, maatschappelijk relevante bestemming te kunnen ontwikkelen. 4

2 Industriële archeologie / Industrieel erfgoed

Met de term ‘industriële archeologie’ wordt de wetenschappelijke discipline aangeduid die zich bezighoudt met de studie en het behoud van het industrieel erfgoed en daarbij rekening houdt met alle invalshoeken, methoden en beschikbare informatiebronnen. Daarmee kende dit begrip sinds zijn ontstaan in 1896, die een zuiver industrieeltechnologische benadering betrof, een belangrijke evolutie. 5 Een doorbraak van de term kwam er pas vanaf de jaren 1950 toen de ‘industrial archaeology’ in Engeland een passende voedingsbodem vond in de bedreiging van de oudste sporen van de industriële ontwikkeling. De promotionele populariteit die de Engelse ‘industrial archaeology’ te beurt viel, straalde al snel af op het buitenland, die de term en discipline al dan niet vertaald, overnam. Tot in de jaren 1970 kenmerkte de ‘industriële archeologie’ zich door een vrije grote spraakverwarring wat inhoud, chronologie en aanpak betrof. Dat het industrieelarcheologisch onderzoek zich nauwelijks of niet aan universiteiten of gevestigde onderzoeksinstellingen afspeelde, maar door veelal niet-academisch geschoolde veldwerkers werd beoefend, droeg er dan ook toe bij dat ‘industriële archeologie’ lange tijd niet als een erfgoeddiscipline werd ervaren. Met de uitgave in 1975 van Neil Cossons’ standaardwerk The BP-Book of Industrial Archaeology en pogingen tot definiëring op een congres in het Ecomusée in Le Creusot (Frankrijk, 1976) en tijdens de Third International Conference on the Conservation of Industrial Monuments (Zweden, 1978) begonnen de gemeenschappelijke accenten zich echter af te tekenen. Naast de term ‘industriële archeologie’ trad hierbij ook de term ‘industrieel erfgoed’ op het voorplan, die door The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage (TICCIH) in 1978 werd gedefinieerd als: ‘de materiële relicten (zoals landschappen, sites, gebouwen, technische uitrustingen en machines, producten en andere roerende en onroerende objecten), evenals alle documenten dienaangaande, zowel mondelinge als geschreven bronnen, als het registreren van herinneringen van mannen en vrouwen die bij het industrieel proces betrokken waren.

Inmiddels wordt algemeen aanvaard dat de ‘industriële archeologie’ wat betreft het onderwerp, het bronnenonderzoek en de beheersmethodologie bij de studie en het behoud van het industrieel erfgoed een geïntegreerde en integrale aanpak dient na te streven. Het onderwerp van de ‘industriële archeologie’ betreft de totale vroegere industriële maatschappij, wat zowel de gebouwen als de machines, de uitrustingen en de voorzieningen inhoudt van zowel de nijverheden (de secundaire sector) als de diensten en verzorging (de tertiaire sector) als ook de evolutie in de agrarische sector (primaire sector). Hierbij boort de ‘industriële archeologie’ als informatiebron niet alleen de materiële (roerende en onroerende) relicten, maar ook de archivalische en de mondelinge bronnen aan om via toetsing en confrontatie van de materiële cultuur van het industriële verleden een duidelijk beeld te krijgen. Daar de ‘industriële archeologie’ naast de studie evenzeer het behoud van het industrieel erfgoed tot doel stelt, is het tot slot belangrijk dat de optie om dit erfgoed te behouden en te valoriseren vanuit het wetenschappelijk onderzoek verantwoord wordt. Enkel een optimale interactie tussen studie, behoud en valorisatie staat garant voor een kwalitatief erfgoedbeheer. 6

3 Inventarisatie, onderzoek en ontsluiting

In de vroege jaren 1970 werd vanuit een geografische benadering gestart met de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen, dat gepubliceerd werd in de reeks Bouwen door de eeuwen heen. De eerste delen van deze inventaris, die het bouwkundig erfgoed van de arrondissementen Leuven, Nijvel en Aalst in kaart brachten, geven duidelijk aan dat industrieelarcheologische waarden aanvankelijk nauwelijks of geen deel uitmaakten van de evaluatiecriteria. Pas vanaf de jaren 1980 wordt het industrieel erfgoed geleidelijk aan beschouwd als een volwaardig segment van het onroerend erfgoed in Vlaanderen. Een belangrijke stimulans om de erfgoedwaarde van de onroerende relicten van ons proto-industrieel en industrieel verleden te onderkennen, werd in 1986 gegeven met de uitgave door het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (M.I.A.T) van de door Patrick Viaene samengestelde tweedelige inventaris Industriële archeologie in België. 7 Omtrent dezelfde tijd volgden op deze baan- en lansbrekende inventaris de standaardwerken Industriële revoluties in de provincie Antwerpen (1984) 8 en Industriële archeologie in Vlaanderen (1986) onder leiding van Roland Baetens en De wortels van Flanders Technology (1987) 9 van Adriaan Linters voor een passende historische duiding bij het industrieel erfgoed in Vlaanderen. Om één of andere reden is de golf aan publicaties na deze ongemeen vruchtbare periode gestopt, op enkele werken na. 10

Vandaag staat de industriële archeologie als multidisciplinaire wetenschap niet meer ter discussie.
Het aantal actoren die het industrieel erfgoed als onderzoeksveld nemen, is intussen niet onbelangrijk. Naast de universitaire instellingen (KUBrussel, K.U.Leuven, UAntwerpen, UGent, VUB, …), de hogescholen (Sint-Lucas Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, …), de federale, provinciale 11 en locale archiefinstellingen en (recentelijk) het V.I.O.E. laten vooral de industrieelarcheologische musea, zoals (onder meer) het EMABB (Boom), de Herisemmolen (Alsemberg), het M.I.A.T. (Gent), het MOLA (Wachtebeke), het Mout- & Brouwhuis de Snoek (Alveringem), het MOT (Grimbergen) of het Nationaal Jenevermuseum (Hasselt), zich opmerken. Een doctoraat over industriële archeologie is tot op vandaag echter nog niet verdedigd aan de Vlaamse universiteiten. Een project over industrieel erfgoed is evenmin door het FWO of de Onderzoeksraden gefinancierd. Van diverse erfgoedverenigingen zoals (onder meer) Levende Molens, SIWE en VVIA gaat dan wel weer een belangrijke dynamiek uit. 12 Al deze inzet ten spijt blijft het systematisch onderzoek naar de erfgoedwaarden van ons industrieel verleden zeer beperkt. Veel sectoren of branches zijn nauwelijks of niet onderzocht. De toenemende druk op de ruimte en bijgevolg op de onroerende getuigenissen, die door de uitdeining van steden en gemeenten in veel gevallen in woongebieden kwamen te liggen, scherpt echter de nood aan permanent en systematisch onderzoek in belangrijke mate aan om alsnog tot een wetenschappelijk onderbouwde en samenhangende selectie van de industriële materiële cultuur te kunnen besluiten.

4 Het onderzoek van het industrieel erfgoed, een status quaestionis

De industriële archeologie bestrijkt een zeer uitgebreid erfgoedveld. Om de onderzoeksbalans Industrieel erfgoed meer dan een algemene status quaestionis van de studie van (de materiële relicten van) ons proto-industriële en industriële verleden te laten ophangen, werd met het veld geopteerd voor een sectorale aanpak van de nijverheid. Inspirerend was het grootschalige onderzoeksproject dat Nederland in de jaren 1990 met betrekking tot het industrieel erfgoed via het tijdelijke Projectbureau Industrieel Erfgoed opzette. Het industrieel erfgoed werd er in een veertigtal branches opgedeeld die, het arbitraire karakter van om het even welke categorisering ten spijt, de onderzoekers toelieten vrij eenduidige erfgoedevaluaties neer te zetten. Opdat de onderzoeksbalans Industrieel erfgoed zou uitgroeien tot een permanente aanzet voor verder industrieel erfgoedonderzoek dat op zijn beurt een coherent thematisch beschermings- en beheersbeleid mogelijk maakt, vertaalt de onderzoeksbalans zich in een verticale structuur met momenteel dertig branches. Naarmate de onderzoeksbalans Industrieel erfgoed zich verder ontwikkelt wordt deze branchestructuur vervolledigd.

4.1 Bakkerijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Sinds 1880 kent de bakkerij in Vlaanderen een snelle ontwikkeling. Van een grotendeels huishoudelijke taak evolueerde het broodbakken tot een industriële activiteit. Nochtans bleef de aandacht van de industriële archeologie voor deze zeer belangrijke voedingsnijverheid ondermaats. Op enkele bijdragen na, waaronder de M.I.A.T-uitgave ’t Is voor de bakker. Industrialisatie van de brood- en banketbakkerij door A. Detremmerie & G. Deseyn, werd het industrieel erfgoed van de bakkerij nauwelijks onderzocht. Een thematische inventarisatie met betrekking tot het bakkerijpatrimonium in Vlaanderen ontbreekt evenzeer. Een erfgoedevaluatie van het nog resterende bakkerijpatrimonium op wetenschappelijke basis is momenteel niet mogelijk. 13
Enkel wat de historische huisbakkerij betreft, biedt de nabije toekomst perspectief. Een belangrijk inventariserend initiatief gaat momenteel uit van het M.O.T. in Grimbergen en betreft een – zoals de projectnaam ‘Red de bakovens’ aangeeft – een in kaart brengen van de bakovens en bakoventypes in Vlaanderen. 14

4.2 Borstelnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Aan de borstelnijverheid in Vlaanderen, waarvan de stad Izegem de bakermat wordt beschouwd, werd in 2001 door M. De Vlieghere het boek 'Borstels, overbekend, miskend' gewijd. Enkele jaren voorheen (1996) verscheen van J. Naert in het heemkundig tijdschrift Ten Mandere een interessante historische schets van de borstelnijverheid in Izegem. Met deze publicaties werd het onderzoek naar de borstelnijverheid in Vlaanderen in belangrijke mate aangezwengeld. Verder onderzoek naar onder meer de rol van deze nijverheid als toeleveringssector voor andere sectoren, in het bijzonder de machinebouw, is echter geboden om van ons industrieel verleden een samenhangend beeld op te hangen. 15

4.3 Breigoednijverheid

door Frank Becuwe (VIOE) m.m.v. G. Polfliet (Stedelijke Musea Sint-Niklaas)

De breigoednijverheid in Vlaanderen situeerde zich in het bijzonder in en rond Sint-Niklaas. Daarnaast kwam deze nijverheid ook tot bloei in en rond Zottegem. Onderzoek naar het industrieel erfgoed van deze nijverheid werd echter nog nauwelijks verricht. Een kentering dient zich evenwel aan vanuit het Breigoedmuseum dat in 1991 in Sint-Niklaas werd opgestart. In het kader van de renovatie van het stedelijke museum Zwijgershoek, waaronder het Breigoedmuseum ressorteert, werd door Greet Polfliet een eerste aanzet gegeven tot onderzoek naar het industriële erfgoed van de lokale breigoednijverheid. De betrachting van het museum is om in de komende jaren dit onderzoek verder te zetten en aldus het belang evenals de materiële sporen van de breigoednijverheid in de streek van Sint-Niklaas in beeld te brengen.16

4.4 Brouwerijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Over de brouwnijverheid in Vlaanderen werd al zeer veel gepubliceerd. Veel heem- of geschiedkundige tijdschriften behandelden het brouwerijverleden van de dorpen in hun onderzoeksgebied. In zeer veel gevallen beperkt de aandacht zich echter tot de geschiedenis van de brouwerij en haar bewoners en een lijst van de lokale bieren. In weinig gevallen gaat het onderzoek naar de brouwtechnische evolutie en de architecturale vertaling van deze ontwikkeling.

Een uitgebreide, niet-exhaustieve lijst van brouwerijsites is sinds de jaren 1970 terug te vinden in de inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Door het feit dat industriële archeologie een vrij jonge erfgoeddiscipline is, is de aandacht voor het industrieel erfgoed, in casu het brouwerijpatrimonium, in de eerste inventarisatieprojecten echter eerder minimaal. Aangezien de opzet van een inventaris van het bouwkundig erfgoed van meet af aan vrij strikt werd geïnterpreteerd, is de informatie met betrekking tot de brouwerijuitrusting doorgaans zeer summier.

Sommige gevalsstudies hebben wel een uitsproken aandacht voor de materiële brouwerijcultuur en de typische brouwerijarchitectuur, maar beperken zich tot een bepaalde periode. Een algemene studie die de ontwikkeling in Vlaanderen sinds de vroege 19de eeuw van de ambachtelijke brouwerij tot de industriële bierfabriek in beeld brengt, ontbreekt echter. Nochtans is meer en diepgaander onderzoek over de geleidelijke mechanisering van het brouwbedrijf - met bijzondere aandacht voor de invoering en veralgemening van mechanische drijfkracht, de omschakeling van infusie- naar decoctiemethode en de evolutie van hoge naar lage gistingsbrouwerij - noodzakelijk om van ons rijk brouwerijverleden een volledig beeld te kunnen ophangen. Een poging om deze leemte in te vullen gaat uit van het Mout- & Brouwhuis de Snoek in Alveringem. Jaarlijks belicht dit brouwerijmuseum in zijn monografieënreeks Het Vlaams Brouwbedrijf in historisch perspectief met een uitgesproken aandacht voor het brouwindustrieel erfgoed één of meer brouwerijen of een specifiek aspect van de biernijverheid.

4.5 Chemische nijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

In 1986 merkte Adriaan Linters in zijn boek De wortels van Flanders Technology al op dat van industrieelarcheologische hoek nauwelijks aandacht werd en wordt besteed aan de chemische nijverheid. Meer dan twintig jaar later is de situatie nauwelijks veranderd. Op enkele interessante, algemene benaderingen, zoals de bijdrage van V. Duchène in Nijver België 17, beperkt het onderzoek zich doorgaans tot beperkte gevalsstudies. Een belangrijke reden is ongetwijfeld het feit dat de chemische nijverheid een procesnijverheid betreft, waardoor het materieel erfgoed ons maar in beperkte mate informeert over het effectieve productieproces. Onderzoek naar het industrieel erfgoed van deze nijverheid vereist van de onderzoeker dan ook een (voor een industrieel erfgoedonderzoeker niet zo evidente) gedegen scheikundige kennis om het nodige inzicht te krijgen in het verloop van de chemische procédés en reacties.

4.6 Constructies voor infrastructuur en verkeer

4.6.1 Bruggenbouw

door Harry van Royen (UGent) 18

In tegenstelling tot Nederland, waar de Nederlandse Bruggen Stichting baanbrekend onderzoek (heeft) verricht, is de studie van het bruggenpatrimonium in Vlaanderen zeer fragmentair en ad hoc.
Het historisch bruggenpatrimonium werd nog niet specifiek opgelijst, noch voor wat er nog is, noch voor wat er door diverse omstandigheden verdwenen is. Het beste overzicht, qua typologie en staalkaart van voorbeelden in Vlaanderen, blijft nog steeds het themanummer van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

Een belangrijk pijnpunt voor vlot onderzoek is het beheer én het gebrek aan een inventarisatie van de relevante archieffondsen over bruggen in de diverse administraties (NMBS, De Lijn, Bruggen & Wegen – i.c. het Bruggenbureau - Waterwegen en Zeekanaal (WenZ) en de andere regionale diensten voor waterwegbeheer) en hun rechtsvoorgangers. De inventarisatielacune is eveneens een probleem in de archieven van kleinere gemeenten en steden die vroeger zelf bruggen bezaten (zoals - in de 19de eeuw - tolbruggen die nadien door de hogere overheden werden overgenomen) of die in concessie (tol) lieten uitbaten. Door de versnippering en de doorgaans slechte toegankelijkheid van essentieel primair bronnenmateriaal en het beperkt (ontsloten) aanbod aan secundaire literatuur, in vele gevallen van buitenlandse origine (zoals met betrekking tot de Baileybruggen) worden onderzoekers (ingenieurs, historici, kunsthistorici) weinig of niet gestimuleerd om dit element verder uit te werken.

Om deze lacune in te vullen is een vergelijkbaar onderzoeksproject zoals het project “Bruggen in Nederland 1800-1940” van de Nederlandse Bruggen Stichting, noodzakelijk.

4.7 Diamantbewerkende industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Mede door de oprichting van het Diamantmuseum ontsnapt de diamantbewerkende industrie niet aan de aandacht van de industriële archeologie. De diamantnijverheid in Antwerpen is onder meer in beeld gebracht in The briljant story of Antwerp diamonds van I. Kockelbergh, E. Vleeschdrager en J. Walgrave. 19 Ook met betrekking tot andere centra die een vrij bloeiende diamantbewerkende industrie hebben gekend, zoals Brugge, Diest en Diksmuide, is intussen al enig onderzoek verricht. Een degelijk onderbouwd overzichtswerk over de sector, haar historische evolutie en met aandacht voor haar industrieel erfgoed in Vlaanderen ontbreekt echter nog. 20

4.8 Energie

4.8.1 Stoom

door Frank Becuwe (VIOE)

De door Thomas Newcomen (1663-1729) uitgevonden stoommachine was initieel ontstaan als antwoord op het drainageprobleem in de Engelse steenkoolmijnen. De verbeteringen die James Watt (1736-1819) omstreeks 1769 aan deze waterpomp aanbracht, maakten de stoommachine echter ook toepasbaar in andere industrietakken. Voortaan was het mogelijk om - ongeacht dag, nacht of uur - in ateliers, manufacturen en fabrieken over de vereiste drijfkracht te beschikken. Ook voor de vestiging van het bedrijf was men niet langer enkel aangewezen op het platteland (waar de wind- en waterkracht vooral te vinden waren). Een stedelijke locatie, dicht bij de consumenten én het verpauperde proletariaat dat een ruime arbeidsreserve vertegenwoordigde, behoorde nu tot de mogelijkheden.

Al vóór of tijdens de ontwikkeling van de stoommachine werden vele uitvindingen, machines en productieprocessen ontwikkeld. Maar de door de mens, dier, wind en water geleverde energie was ontoereikend om de productiecapaciteit op te drijven. Met de stoommachine kwam er geleidelijk verandering in. De vervanging van de oude krachtbronnen gebeurde immers niet bruusk. Waterkracht, windmolens, zeilschepen, menselijke en dierlijke arbeid bleven in de 19de eeuw nog veelvuldig gebruikt. Hoewel men de rol van de stoommachine niet mag overschatten, staat vast dat deze machine voor een belangrijke productietoename zorgde. De stoommachine werkte onmiskenbaar de evolutie van het kleine atelier naar de grote fabriek in de hand. Door de grote investeringskost zorgde de stoommachine ook veelal voor een concentratie van het arbeidsproces in één gebouw, zoals volgend citaat samenvat: “Die Dampfmachine war der Prinz der das Dornröschen Industrie, aus Ihren Schlummer erweckte”. 21

In België speelde de stoomkracht voor de aandrijving van nijverheidsinstallaties vooral vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw een belangrijke rol. Toonaangevend waren vooral de provincies Henegouwen en Luik, die binnen de Belgische context het industriële zwaartepunt vormden. In Vlaanderen had de provincie Oost-Vlaanderen een voortrekkersrol op het vlak van de energetische mechanisatie, en dit dankzij zijn bloeiende textielnijverheid in de regio Gent.

Naar het gebruik en de betekenis van stoomkracht in Vlaanderen is al in zekere mate onderzoek verricht. Een standaardwerk voor de vroegste periode is zonder twijfel de uitgegeven doctoraatsverhandeling Les débuts de la machine à vapeur dans l’industrie belge, 1800-1850 van A. Van Neck. 22 Met de tentoonstelling en de bijhorende catalogus Onder Stoom. Aspecten van de geschiedenis van de stoommachine 23 onderstreepten R. De Herdt en G. Deseyn van het M.I.A.T. de zeer belangrijke betekenis van Gent in de overschakeling van natuurlijke op mechanische kracht in Vlaanderen. Om echter een landelijk beeld te krijgen van het belang van stoomkracht in Vlaanderen is nog in belangrijke mate verder onderzoek vereist, in het bijzonder naar de betekenis en rol van stoomkracht in de diverse nijverheidssectoren evenals naar de stoommachine- en stoomketelbouwers in Vlaanderen. Met de VIOE-studie In de ban van Ceres. Klein- en grootmaalderijen in Vlaanderen (1850-1950) 24 wordt dit hiaat alvast ingevuld voor wat het maalbedrijf betreft. Met betrekking tot het behoud van stoominstallaties, in het bijzonder stationaire stoomtoestellen, wordt verdienstelijk werk verricht door verenigingen zoals de Stoomstichting West-Vlaanderen vzw.

4.8.2 Elektriciteit

door Frank Becuwe (VIOE)

Voor wat de elektriciteitsproductie en –voorziening in Vlaanderen betreft, staat het onderzoek naar het industrieel erfgoed nog voor grote uitdagingen. Hoe ingrijpend elektriciteit op het vlak van verlichting en drijfkracht ook is geweest, het onderzoek beperkt zich momenteel tot enkele deel- of gevalstudies, zoals een bijdrage van A.-M. Terlinden en J.-P. Zehnlé over de ontstaansgeschiedenis van de industriële elektriciteit, van N. Kerckhaert en D. De Vleeschauwer over elektriciteitsproductie via waterdruk in Antwerpen of van J. Brouwers over de evolutie van de elektrificatie in Limburg. Voor een globaal beeld van de betekenis van elektriciteit in Vlaanderen sinds de eerste toepassingen in het economische leven omstreeks 1830 ontbreekt vandaag echter het nodige onderzoek.

4.9 Ferrometaalnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de ferrometaalnijverheid staat in wezen nog in zijn kinderschoenen. Diverse gevalstudies lichten weliswaar enkele tipjes van de sluier, maar een diepgaand onderzoek naar de vele constructie-ateliers, al dan niet met een eigen gieterij, die Vlaanderen sinds het midden van de 19de eeuw in antwoord op de mechanisering van de nijverheden heeft gekend, evenals naar hun productiewijze en hun eindproducten, ontbreekt. Nochtans heeft deze sector in de overschakeling op mechanische drijfkracht en de mechanisering en industrialisering van de secundaire sector een cruciale rol gespeeld, zoals bijvoorbeeld bleek uit het onderzoek rond wasmachines uitgevoerd door het M.O.T. in Grimbergen. 25 Doorgedreven onderzoek met betrekking tot deze nijverheid zou niet alleen meer inzicht geven in de mechanisering van de respectieve nijverheden en toelaten om boeiende verbanden te leggen tussen de nijverheden onderling, maar ook de informatie aanleveren die nodig is om het roerend industrieel erfgoed, dat integrerend deel uitmaakt van het monument, op zijn uniciteit te evalueren.

4.10 Fijnkeramische nijverheid

4.10.1 Tegelproductie

door Mario Baeck 26

Voor de gedecoreerde tegel die tot de groep van fijnkeramische industrie behoort - met onder meer de subbranches/producten: aardewerk tegels, vloer- en wandtegels in gres en faience, vuurvaste tegels en tegels voor zware toepassingen -, is het onderzoek heel wat uitgebreider dan voor de niet-gedecoreerde grofkeramische tegels, maar dan wel vooral voor de 19de en 20ste eeuw en hoofdzakelijk beperkt tot de gefigureerde vloer- en wandtegel.

De West-Vlaamse haardtegel en de poterie flamandetegel zijn daarbij vrij goed bestudeerd. De rest van het gevoerde onderzoek is nagenoeg beperkt tot dat van één onderzoeker en betreft de Belgische productie van vloer- en wandtegels op basis van klei (zowel gres of steengoed als faience) of cement tijdens de periode 1840-1940 die op grote(re) schaal machinaal werden geproduceerd. Hoewel dit onderzoek zich vooral toespitst op de gefigureerde en kwalitatief hoogstaande tegelproductie, worden de andere productietypes binnen de fijnkeramische industrie niet verwaarloosd. Zo is er ook aandacht voor de productie van kwalitatief hoogstaand - en meestal kleurrijk geglazuurd – bouwaardewerk in gres, faience of terracotta dat als gevelversiering of interieurornament toegepast werd.
Aangezien de wandtegel voor buitengebruik een paar overeenkomsten vertoont met gevelstrips en geglazuurde baksteen worden deze materialen eveneens zijdelings in het onderzoek meegenomen. Verder wordt aandacht besteed aan de industrieel geproduceerde keramische haardtegel die zich door zijn refractaire eigenschappen van de gewone wandtegel onderscheidt en aan de industrieel geproduceerde keramische vloertegel en plavuis voor zware toepassingen of voor buitengebruik (koetsdoorritten, paden, terrassen, e.d.m.).
Andere vorst-, vuur en zuurbestendige producten voor utilitaire en industriële toepassingen (bouwstenen voor ovens, kanaalwanden, e.d.) blijven buiten beschouwing. Op dit gebied is de literatuur overigens zeer schaars.

4.11 Gasproductie en –distributie

door Harry van Royen (U.Gent) 27

De sites van steenkoolgasfabrieken die als bedrijf op zich of als onderdeel van een bedrijf in Vlaanderen actief zijn geweest, werden geïnventariseerd in een literatuurstudie voor OVAM (1999) om de daaraan gerelateerde black points in kaart te kunnen brengen. De acetyleenfabrieken bleven hierbij buiten beschouwing. De bouwkundige erfgoedrelicten werden niet systematisch geïnventariseerd. Een algemene typologische en technologische studie ontbreekt, onder meer doordat van de gasfabrieken nauwelijks nog restanten zijn bewaard. De evolutie van het productieproces is gedeeltelijk bekend op basis van buitenlandse cases - die interessant zijn uit vergelijkend perspectief - maar die uiteraard niet zomaar kan overgenomen worden voor de Vlaamse sites.
De studie van de gasfabrieken in Vlaanderen beperkt zich tot een aantal detailstudies op stedelijk niveau (zoals voor Eeklo, Gent, Lokeren, Dendermonde, Temse, Leuven, Diest en Hasselt). Niet de erfgoedwaarde, gesitueerd binnen een bredere productietechnische context, staat hierbij centraal, maar veeleer de randaspecten zoals de bedrijfsevolutie onder impact van de lokale politieke besluitvorming en de mentaliteitsgeschiedenis.

Door de vrij moeilijke toegankelijkheid van de voor deze branche interessante archieffondsen wordt het onderzoek met betrekking tot het industrieel erfgoed van de gasfabrieken ook niet onmiddellijk gestimuleerd. 28 Zo worden de bedrijfsarchieven van Tractebel of van een aantal fabrieken die door Tractebel werden overgenomen en als rechtsvoorgangers van Petrofina belangrijk zijn voor Antwerpen (Zuid, Hoboken, Berchem) als grote industriële actor van de Imperial Continental Gas Association, bewaard in London.

4.12 Glas- en glasbewerkingsindustrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Met de verhandeling De Belgische glasnijverheid: haar techniek, lokalisering en afzet 1850-1914 en de publicatie Le verre en Belgique des origines à nos jours leverden respectievelijk Ch. Boutmans in 1976 en L. Engen in 1989 een belangrijke bijdrage tot het onderzoek van de glas- en glasbewerkingsindustrie. Op enkele gevalsstudies na, zoals over het Booms glas, bleef het onderzoek echter beperkt. Voor een globaal beeld van de glasnijverheid (met ondermeer aandacht voor zowel het kunst- als industriële gegeven) dat zich laat vertalen in een inventarisatie van het nijverheidgebonden industrieel erfgoed ontbreekt vandaag echter het nodige onderzoek.

4.13 Grafische industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

De vele bijdragen die her en der in veelal heemkundige en geschiedkundige tijdschriften aan lokale drukkers gewijd zijn, wijzen op een duidelijke interesse voor de grafische sector. Tot die aandacht droeg ongetwijfeld het belang bij van een uitzonderlijk waardevolle site zoals het Plantin-Moretusmuseum in Antwerpen. Ook het Nationaal Museum van de Speelkaart in Turnhout en het Nationaal Boekdrukmuseum (in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel) hebben het historische belang van de grafische industrie in Vlaanderen onderlijnd. 29 Desondanks zijn zeer veel facetten van deze industrie echter nog niet in beeld gebracht. Voor een duidelijk overzicht van de evolutie die de grafische sector van het ambachtelijke naar het industriële niveau heeft opgetild, ontbreekt echter het nodige onderzoek. Een overzicht van het industrieel erfgoed dat deze evolutie materialiseert, ontbreekt bijgevolg evenzeer. Gelukkig ligt wat het roerend industrieel erfgoed van het drukkerijwezen in Vlaanderen betreft een privé-initiatief aan de basis van een belangrijke collectievorming. Een grondige studie van deze collectie, aangevuld met onderzoek naar in situ bewaarde drukkerijen, zou alvast een belangrijke bijdrage leveren tot de kennis, vereist voor een passende zorg voor het industrieel erfgoed van de grafische industrie.

4.14 Grofkeramische nijverheid

4.14.1 Baksteennijverheid

door Paul De Niel (EMABB) 30

Het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de baksteennijverheid in Vlaanderen is vrij fragmentair en doorgaans casusgebonden. Diepgaand onderzoek dat de gehele baksteennijverheid in beeld brengt met ondermeer een uitgesproken aandacht voor de typologie, het productieproces en zijn evolutie en de productieorganisatie evenals voor de materiële relicten van deze nijverheid blijft echter uit. Een inventarisatie van de steenbakkerijen die Vlaanderen sinds de 19de eeuw heeft gekend, ontbreekt evenzeer. Plaatselijke heem- en geschiedkundige tijdschriften reiken soms wel gegevens aan, maar zijn zo gefragmenteerd dat ze samengevoegd nog veel hiaten vertonen. In Frankrijk en Nederland daarentegen staat het onderzoek veel verder. In Frankrijk is een uitgebreide lijst van de steenbakkerijen beschikbaar die via de webstek ‘Architecture & Patrimoine’ van het Ministerie van Cultuur toegankelijk is. In Nederland verscheen in 2006 de publicatie Historisch overzicht van de voormalige Nederlandse dakpannenfabrieken,1594 – 2006, die per site een beknopte fabriekshistorie, overzicht van de productiemodellen en technische noten aanreikt.

4.14.2 Tegelproductie

door Mario Baeck 31

Binnen de groep van de grofkeramische industrie werden wandtegels en vloertegels meestal tot stand gebracht als nevenproducten. In de bestaande literatuur wordt hieraan dan ook nauwelijks aandacht besteed. Over de tegelproductie uit deze groep is voor de periode van middeleeuwen tot het einde van het ancien régime geen systematisch overzicht beschikbaar, noch van de productiecentra, noch van evolutie van kleisamenstellingen, formaten e.d. Enkel R. Baetens (1979) schenkt wat ruimer aandacht aan de dakpannen- en tegelproductie in de regio Boom in deze periode.

Voor de 19de en 20ste eeuw is de situatie analoog. Voor een overzicht van productiecentra van niet gedecoreerde grofkeramische tegels moet men terugvallen op contemporaine bronnen als M. De Meester (1907) en het Ministère de l'Industrie et du Travail (1907) die een beeld geven van de situatie rond 1900. Maar enkele artikelen gaan wat dieper in op de evolutie van individuele bedrijven of binnen een beperkte regio. Er is geen zicht op eventuele evolutie in kleisamenstellingen, technieken of formaten. De betekenis van de groeiende mechanisering in deze sector is voor deze concrete producten nauwelijks onderzocht. Hiervoor kan men wel enigszins terugvallen op de rijke contemporaine Franse vakliteratuur die ook bij ons invloedrijk was. Er is geen degelijk en gemakkelijk toegankelijk overzicht van handelscatalogi op dit gebied zoals dat in Duitsland wel opgebouwd wordt. 32
Er is ook geen landelijk gestructureerde vereniging actief waar gericht studiewerk wordt verricht zoals onder meer in Nederland.

Voor de gedecoreerde tegel verwijzen we naar de branche van de fijnkeramische industrie.

4.15 Haveninfrastructuur

door Frank Becuwe (VIOE)

Baanbrekend werk met betrekking tot de haven van Antwerpen werd verricht door Albert Himler.
De andere Vlaamse havens werden in veel mindere mate of veel minder genuanceerd bestudeerd. Om van het maritieme Vlaanderen het rijk en divers gamma aan industrieel erfgoed in beeld te kunnen brengen, heeft de industriële archeologie nog een lange weg te gaan.

4.16 Hopnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Wat de hopnijverheid betreft, geeft een themagebonden museum aan een passende katalysator te zijn voor het aanzwengelen van de aandacht voor het regionaal erfgoed. Een lokale vereniging, De Keteniers, heeft in Poperinge en onmiddellijke omgeving systematisch gezocht naar materiële relicten van de hopnijverheid die er tot voor een paar decennia het landschap determineerden. Een gelijkaardig inventariserend onderzoek dringt zich evenwel nog op voor de rest van de Westhoek evenals voor de hopstreken Aalst en Asse-Ternat-Dilbeek. Vroeger onderzoek, deels gebaseerd op mondelinge bronnen, en vooral recent archivalisch onderzoek door Guido Vandermarliere zorgen inmiddels wel voor de nodige duiding bij dit industrieel erfgoed.

4.17 Houtverwerkende industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Net als voor de ferrometaalnijverheid valt ook voor de houtverwerkende industrie het gebrek aan industrieelarcheologisch onderzoek op. Het schaarse onderzoek betreft vooral gevalstudies en lokale ontwikkelingen. Sommige deelbranches of aspecten laten zich wel door vrij grondig onderzoek opmerken, zoals de Belgische parketindustrie (door I. Van Cauwenbergh), het Mechels Meubel (door ondermeer H. De Nijn en I. Van Cauwenbergh) of de kuiperij (door ondermeer E. Waelput). Diepgaand onderzoek naar het industrieel erfgoed van de houtverwerkende industrie in globo of van de respectieve subbranches, zoals de lucifernijverheid, de meubelindustrie, de houten machinebouw, enz. is echter geboden om voor het erfgoed van de houtverwerkende industrie typologisch tot verantwoorde behoudsopties te komen.

4.18 Ijsfabrieken

door Frank Becuwe (VIOE)

Ondanks het grote belang van ijs voor - in het bijzonder - de bewaring van voedingswaren bleef de aandacht vanuit de industriële archeologie voor de evolutie van natuurijs naar kunstmatig ijs en de productiecentra tot op vandaag ondermaats. Op enkele interessante tijdschriftbijdragen na, zoals De Brusselse ijsindustrie rond de eeuwwisseling door A. Wouters, vormt de ijsindustrie een nog grotendeels onontgonnen onderzoeksterrein.

4.19 Molens en maalderijen

4.19.1 Wind-, water- en rosmolens

door Lieven Denwet (Levende Molens) 33

Het molenbestand in Vlaanderen is in grote mate geïnventariseerd. De database van het Belgische Molenbestand geeft een vrij volledig beeld van hun aantal, hun typologie, hun geschiedenis en hun algemene toestand. Fragmentarisch is evenwel de beschrijving van de moleninrichting. Een systematische in situ-registratie van de uitrusting dient zich nog aan. De informatie met betrekking tot de historische ontwikkeling van het productieproces, gelieerd aan het bouwhistorische aspect, is eveneens veelal anekdotisch en vraagt een meer systematisch aanpak.

4.19.2 Mechanische maalderijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Vanuit een nostalgische bewondering voor het gebruik van natuurkracht richtte het industrieel erfgoedonderzoek zich tot voor kort nauwelijks op de overschakeling naar mechanische kracht en de daaruit voortvloeiende verdere mechanisering van het maalbedrijf. De weinige gevalstudies met betrekking tot mechanische klein- en grootmaalderijen geven een meer algemene historische schets van de onderzochte site, maar brengen noch de technische uitrusting, noch het daaraan gelieerde productieproces ten volle in beeld. Een uitzondering hierop vormt het in 1997 verschenen themanummer Van graan tot bloem van de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed (SIWE).
Om dit hiaat in de ontwikkeling van het maalbedrijf in te vullen, onderzocht het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed de voorbije jaren de plaatsing van hulpmotoren bij wind- en watermolens, de ontwikkeling van mechanische hulpgemalen, het ontstaan van volwaardige mechanische maalderijen en van grootmaalderijen als gevolg van de industrialisering van het maalbedrijf. Tevens werden hierbij ook de toeleveringsbedrijven van zowel de mechanische energiebronnen als van de steeds meer gesofisticeerde maalderijmachines in beeld gebracht. In het kader van dit onderzoek verscheen intussen de gevalsstudie De Bloemmolens van Diksmuide. Het industrieel erfgoed van een grootmaalderij, die het productieproces in een industriële maalderij grondig uittekent. 34 Het resultaat van de gehele studie verschijnt normaliter in 2009.

4.20 Non-ferrometaalnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Net als de ferrometaalnijverheid genoot de non-ferro-industrie nog maar zeer sporadisch de aandacht van de industriële archeologie. Op in het bijzonder de studie Non-ferro metalen. Productie, eigenschappen en gebruik van A. Den Ouden en enkele bijdragen over de zinkindustrie door M. Oris en J. Vanpaemel na, vormt de non-ferrometaalnijverheid voor wat het industrieel erfgoed betreft een quasi onontgonnen onderzoeksveld.

4.21 Papiernijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Vrij vroeg lag de industriële archeologie als jonge discipline aan de basis van de cultuurtoeristische herwaardering van de Herisempapiermolen in Alsemberg. Met dit industrieel erfgoedproject, dat identiteitsbepalend is voor de streek ten zuiden van Brussel, werd van meet af de aandacht gewekt voor het industrieel verleden van dit gebied in het algemeen en de historische papiernijverheid in het bijzonder. Deze interesse resulteerde intussen in een aantal bijdragen over niet alleen ambachtelijke en industriële papiermolens in Vlaams-Brabant maar ook elders in Vlaanderen, zoals in Langerbrugge, Gent en Turnhout. Bij gebrek aan systematisch onderzoek ontbreekt, onverminderd de waarde van enkele boeiende gevalsstudies, echter de wetenschappelijke informatie om tot een voor Vlaanderen vergelijkende studie te komen die als toetssteen kan fungeren voor de evaluatie - in functie van behoud - van nijverheidgebonden erfgoedwaarden.

4.22 Scheepswerven

door Frank Becuwe (VIOE)

De maritieme ligging van Vlaanderen laat terecht een belangrijke scheepsbouwactiviteit veronderstellen. Tot ver in de 20ste eeuw kon Vlaanderen bogen op een vrij groot aantal scheepswerven die zowel houten als metalen vaartuigen voor binnenvaart, kust- en zeevaart bouwden. Op de bouw van pleziervaartuigen na is deze bedrijvigheid intussen volledig teloorgegaan. Ook de opleiding van burgerlijk scheepsbouwkundig ingenieur is inmiddels geschrapt, waardoor het verdwijnen van de vakkennis ter zake nog dreigt te versnellen. Voor de registratie van de empirische kennis van de scheepsbouwers, in het bijzonder de scheepstimmerlieden, is het hoogtijd. Toch bleef het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de scheepsbouw in Vlaanderen hoofdzakelijk beperkt tot enkele gevalsstudies, zoals voor de scheepswerven Van Praet en Van Damme in Baasorde (door Y. Segers) en een eerste, belangrijk overzicht van de visserijgebonden scheepswerven door Gaston en Roland Desnerck. Om tijdig tot een passend behoud te komen van het industrieel erfgoed van deze sector is diepgaand onderzoek dan ook een noodzaak.

4.23 Schoenennijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

In de schoenennijverheid in Vlaanderen speelde de stad Izegem destijds een zeer belangrijke rol. In zowel landelijke als regionale historische en heemkundige tijdschriften, waaronder in het bijzonder Erfgoed van Industrie en Techniek, Ten Mandere en De Roede van Tielt, werd dit onderwerp dan ook meermaals aangesneden. Enkele licentiaatsverhandelingen, zoals die van B. Hanson in 1965 en die van L. Vandaele in 1993, trekken het onderzoeksveld ruimtelijk verder open, maar het blijft alsnog wachten op een grondige studie van de Vlaamse schoenennijverheid. Als men van de evolutie van ambachtelijke tot industriële schoenmakerij nog een coherent beeld wenst op te hangen, dringt diepgaand en gebiedsdekkend onderzoek - met bijzondere aandacht voor het industrieel erfgoed van de schoenennijverheid - zich sterk op. 35

4.24 Steenkoolnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

De steenkoolnijverheid kwam in Vlaanderen pas in de vroege 20ste eeuw tot ontwikkeling. De eerste mijn, namelijk Winterslag, kwam pas in 1917, in volle bezettingstijd, in productie. Het duurde tot 1922 voor in Beringen steenkool werd bovengehaald. Daarna kwamen Eisden in 1922-1923, Waterschei in 1924, Zwartberg in 1925, Helchteren-Zolder in 1930 en ten slotte Houthalen in 1938 aan de beurt. De teloorgang van de steenkoolnijverheid in het laatste kwart van de 20ste eeuw leidde er echter niet tot een integrale sloop van de materiële cultuur van deze economische activiteit.
Op basis van het diepgaand onderzoek dat intussen vanuit de provincie Limburg - in het bijzonder door Bert Van Doorslaer 36 37 38 39 40 41 42 43 44 - naar deze nijverheid was uitgevoerd, konden vrij vlug wetenschappelijk verantwoorde keuzes gemaakt worden voor een adequaat beschermingsbeleid. Dat het beschermde mijnpatrimonium een coherent beeld ophangt van de Kempense steenkoolnijverheid is zonder meer te danken aan het feit dat de Kempische steenkoolnijverheid misschien wel de vanuit erfgoedoogpunt best bestuurde industrietak in Vlaanderen is.

4.25 Stokerijen

door Davy Jacobs (Nationaal Jenevermuseum) m.m.v. Frank Becuwe (VIOE)

Een belangrijke katalysator voor het onderzoek rond het stokerijenpatrimonium vormt het Nationaal Jenevermuseum in Hasselt. Op zeer regelmatige basis verricht het museum in het kader van de studie van de museumcollectie en in functie van tijdelijke tentoonstellingen onderzoek naar thema’s die verwant zijn aan het jeneververhaal. In dit verband heeft het Nationaal Jenevermuseum een lopende inventaris opgebouwd van Belgische stokerijen, geordend per postcode en, waar mogelijk, aangevuld met adres- en andere gegevens met betrekking tot de eigendoms- en productgeschiedenis van de stokerij. Naast deze werkinventaris, die voortdurend aangevuld en aangepast wordt op basis van informatie uit eventueel onderzoek, verwerving van collectiestukken van de stokerij, enz., beschikt het museum over een documentatieafdeling met informatiemappen (met ondermeer kopieën van archivalisch materiaal, krantenknipsels, studiemateriaal n.a.v. tentoonstellingen) betreffende meer dan honderd Belgische stokerijen. Een algemene bevraging van de (al dan niet voormalige) stokerijen over het bedrijfsarchief is nog niet gebeurd. Wel is het zo dat de bestaande stokerijen Vandamme in Balegem en Bruggeman in Gent over een rijk bedrijfsarchief beschikken, dat echter niet altijd even transparant geordend is. Ondanks deze aanzetten ervaart het Nationaal Jenevermuseum dat het ontbreken van een exhaustieve inventaris van de jeneverstokerijen die Vlaanderen ooit heeft gekend en waarvan de nog aanwezige onroerende en roerende industriële erfgoedwaarden zijn geregistreerd, een belangrijke lacune vormt voor verder en diepgaander onderzoek over het jenevererfgoed.

Wat het onderzoek van likeurstokerijen en hun industrieel erfgoed betreft, staat de industrieel archeoloog voor een omzeggens volledig onontgonnen onderzoeksterrein.

4.26 Tabaksverwerkende industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

De tabaksnijverheid is in beperkte mate al het onderwerp geweest van lokale onderzoeksprojecten, waarvan de resultaten veelal in lokale of regionale heemkundige of historische tijdschriften werden gepubliceerd. Zo werd bijvoorbeeld in beperkte mate onderzoek verricht rond de sigarenindustrie in Geraardsbergen en in Arendonk, de tabaksverwerking in Nevele en in Hamont of de tabaksteelt in de Leiestreek en in het Wervikse. Systematisch onderzoek met betrekking tot de tabaksteelt, de tabaksverwerkende industrie en het tabakserfgoed vond echter nog niet plaats. Niettemin dringt de tijd, want de achteruitgang van de tabaksteelt en tabaksindustrie laat vermoeden dat binnen een paar jaar van de tabaksteelt in Vlaanderen nauwelijks nog enige bedrijvigheid overblijft. Deze dreigende teloorgang plaatst het tabaksindustrieel erfgoed dan ook onder steeds grotere druk. 45

4.27 Textiel

4.27.1 Katoen

door Brigitte De Meyer (MIAT) 46 m.m.v. Frank Becuwe (VIOE)

Voor het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de katoennijverheid in Vlaanderen speelde het MIAT in Gent in de voorbije jaren een belangrijke trekkersrol. Voorafgaand aan de herinrichting van de textielafdeling verrichtte het museum in het bijzonder onderzoek naar de rol en betekenis van de Gentse katoenindustrie. Isabelle De Baets onderzocht in het bijzonder de technische aspecten van het katoenindustrieel erfgoed, terwijl René De Herdt het textielhistorische luik uitdiepte. Maria De Waele bracht vooral de sociaaleconomische omstandigheden met betrekking tot de textielindustrie (arbeidsomstandigheden, kinderarbeid …) in de 19de en vroege 20ste eeuw in kaart. Behalve als wetenschappelijke onderbouw voor de museale herinrichting van de textielafdeling Katoenkabaal werden de onderzoeksresultaten nog niet volledig ontsloten.
Hoezeer ondermeer door het MIAT gewezen wordt op het onderzoeksbelang van deze sector ontbreekt tot op vandaag een inventaris van het onroerend erfgoed over de katoennijverheid in Vlaanderen, evenals een overzichtswerk van de textielindustrie in het algemeen en de katoennijverheid in het bijzonder. Diverse aspecten zoals de confectie en de distributie van (katoenen) stoffen, de ontwikkeling van de productiemethoden of de bouwkundige typologie van de katoenfabrieken gelieerd aan de productietechniek, zijn immers nog nauwelijks of niet aangesneden. Deze leemtes zijn deels te wijten aan een vrij groot gebrek aan technische kennis, in het bijzonder met betrekking tot de werking van de machines. Om inzake de zorg voor het katoenindustrieel (wetenschappelijk) verantwoorde keuzes te kunnen maken, dringt een sectoraal onderzoek dat de gevalsstudies overstijgend de gehele branche en zijn industrieel erfgoed in beeld brengt zich op.

4.27.2 Vlas

door Adriaan Linters (VVIA)

Vlas (of Linum usitasisimum ) is één van de belangrijkste vezelplanten die al vanaf de steentijd in cultuur werden gebracht. Het adjectief ‘usitasisimum’ bij ‘Linum’ (vlas) betekent immers ‘op veel manieren bruikbaar’. Vlas is het industriegewas met de hoogst toegevoegde waarde, waar naast de vezel ook de zaden (lijnzaad) en alle ‘afval’ nuttige bestemmingen vonden. Vlas is onlosmakelijk verbonden met de cultuur van de Lage Landen tussen Artesië en Friesland, en met ‘cultuur’ als dusdanig. Niet alleen de textiele cultuur (linnen, kant, batist, damast), in de schilderkunst is er het bekende schilderij van Jean François Millet (1815-1875) ‘La Broyeuse de Lin’, 47 in de muziek componeerde Debussy zijn La Fille aux cheveux de lin, Emile Verhaeren verheerlijkte le lin sacré in zijn poëzie en Stijn Streuvels beschreef het werken en leven van de vlasboeren in De Vlaschaard (1907), 48 en bij feesten en kermissen zong het volk over ‘Tineke van Heule met heur vlasblonde haren’. Kortom, de geschiedenis van de vlasvezelbereiding is een belangrijke brok sociale en economische geschiedenis van het platteland. Ze toont via een late vorm van proto-industrialisering de overgang van een agrarische naar een (veelal kleinschalige) industriële samenleving, en hoe die ingreep op traditionele verhoudingen en structuren. Toch heeft men lang geen aandacht gehad voor dit erfgoed, omdat het niet indrukwekkend is, omdat de materiële relicten in het platteland aan elk esthetisch gevoel leken te ontsnappen, omdat op veel plekken in minder dan één generatie dát verleden volledig verleden tijd en vergeten werd. Ondanks het feit dat er in alle vlasgebieden in Europa inmiddels her en der erfgoedprojecten en musea tot stand kwamen die de vlasvezelbereiding tot onderwerp hebben, blijkt het erfgoed van de vlasvezelbereiding nog maar in erg beperkte mate en veelal binnen een al te lokale context onderzocht. Nochtans reisden vlaszaad, vlas en de vlastechnologie door Europa lang vóór er van een Europese Unie of van Europese projecten sprake was. Een systematisch onderzoek dat grensoverschrijdend het erfgoedverhaal van de vlasnijverheid benadert, dringt zich dan ook op opdat sommige regio’s hun toekomst zouden kunnen enten op hun historisch gegroeide identiteit .

4.27.3 Jute

door Frank Becuwe (VIOE)

Rond de jutenijverheid in Vlaanderen werd nog maar zeer beperkte onderzoek verricht. Hoewel er in de 19de eeuw her en der in Vlaanderen juteweverijen werden opgericht, zoals in Roeselare, Lendelede, Temse, Aalst en Sint-Amandsberg, was vooral de streek van Zele wat het epicentrum van de juteverwerking. Met de tentoonstellingsuitgave Jute lichtte de Heem- en Oudheidkundige Kring van Zele in 1974 een tipje van de sluier. Sindsdien werd nauwelijks nog onderzoek verricht. Om het industrieel erfgoed van deze textielbranche in kaart te kunnen brengen, dient het systematische onderzoek nog opgestart.

4.28 Visverwerkingsindustrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Het belang van de Vlaamse visserij in het verleden uitte zich ondermeer in de vele visrokerijen en -verwerkingsbedrijven die in het bijzonder tot de Tweede Wereldoorlog niet alleen aan de Vlaamse kust, maar ook in het binnenland gevestigd waren. Ongeacht het economische belang van deze voedingsnijverheid kreeg deze sector nauwelijks de aandacht vanuit het erfgoedonderzoeksveld.
De teloorgang van deze bedrijvigheid leidde intussen echter tot de massale verdwijning van zowel ambachtelijke haring- en sprotrokerijen als industriële visverwerkende bedrijven. Om op basis van de nog schaarse onroerende relicten binnen ons collectief geheugen alsnog een samenhangend evolutief beeld van deze voedingsbranche te bewaren, is onderzoek rond dit industrieel erfgoed een dringende noodzaak.

4.29 Zeepziederijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Op enkele beperkte bijdragen na over zeepziederijen in en rond Brussel en Gent is industrieelarcheologisch onderzoek met betrekking tot zeepziederijen in Vlaanderen nagenoeg onbestaande.

4.30 Zuivel- en melkbedrijven

door Frank Becuwe (VIOE) m.m.v. Eddie Niesten (CAG)

Zuivel- en melkbedrijven waren al meermaals het onderwerp van bijdragen in historische, heemkundige of andere tijdschriften. Het tijdschrift Ons Heem wijdde in 1993 een themanummer aan deze sector, terwijl het Centrum voor Agrarische Geschiedenis in 2002 de geschiedenis van de zuivelsector in de voorbije twee eeuwen gedeeltelijk in beeld bracht. Systematisch onderzoek naar de spreiding van zuivel- en melkbedrijven en hun (nog bewaarde) industrieelarcheologisch erfgoedwaarden ontbreekt echter, waardoor een referentiekader in functie van de zorg voor het zuivelerfgoed alsnog onbestaande is.

4.31 Frisdrankennijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Vanaf het interbellum werden frisdranken, in het bijzonder bronwater en limonades, geleidelijk aan een geduchte concurrent van het bier. Diverse brouwerijen startten dan ook een spuitwater- en limonadeafdeling op om aan deze wijziging in het drankenverbruik tegemoet te komen. Op een in 1991 door het M.I.A.T. uitgegeven themanummer49 na gewijd aan deze niet-alcoholische dranken, beperkt het onderzoek van de frisdrankennijverheid zich vandaag nog grotendeels tot enkele casuele studies. Systematisch onderzoek naar de spreiding van bronwater- en limonadefabrieken in Vlaanderen en hun (nog bewaarde) industrieelarcheologische erfgoedwaarden dient echter nog verricht om de materiële erfgoedwaarden van deze sector te kunnen behouden en te beheren.

4.32 Fruitverwerkende nijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Zoals de hopteelt vooral streken rond Poperinge, Aalst en Asse / Ternat kenmerkt, zijn de fruitteelt en de fruitverwerkende nijverheid karakteristiek voor Haspengouw. Met de studie Limburgs-Haspengouw, een fruitstreek met traditie 50 van Veerle Jacobs bracht de VZW Fruitstreekmuseum in 1997 het materiële en immateriële erfgoed van deze economische activiteit onder de aandacht. Verder onderzoek, ondermeer naar de fruitasten, blijft echter wenselijk om ook de ontwikkelingsgeschiedenis van de fruitteelt en –verwerking, die aan de stroopfabriek in Borgloon voorafgaat, in een adequaat beschermingsbeleid te kunnen vatten.

4.33 Cichoreinijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

De Continentale Blokkade onder Napoleon belemmerde de aanvoer van koffie, waardoor als surrogaat cichorei op de markt werd gebracht. De teelt van de wortels kwam aanvankelijk maar langzaam op gang en concentreerde zich op zandleembodems. Naarmate de binnen- en buitenlandse vraag groter werd, werden de teelt en de verwerking gemechaniseerd met oogst- en snijmachines. Het drogen (eesten) in cichoreiasten, het branden en vermalen van de wortels vond plaats in kleine bedrijfjes. Omstreeks 1900 waren alleen al in de streek rond Kortrijk 150 cichoreifabriekjes die samen 1.100 mensen tewerkstelden. Met de toenemende welvaart in het begin van de 20ste eeuw koos de consument echter opnieuw voor echte koffie. Tijdens de Tweede Oorlog was de surrogaatkoffie opnieuw tijdelijk populair. Na de oorlog verdrong de koffie de cichorei definitief.
Onderzoek naar de ontwikkelingen die de cichoreinijverheid in de 19de en 20ste eeuw heeft gekend, is, op een licentiaatsverhandeling 51 en enkele gevalsstudies 52 53 na, echter nog nauwelijks verricht. Omtrent de evolutie die de cichoreiasten hebben doorgemaakt en hen al dan niet onderscheiden van hop-, tabaks- en fruitasten, is alsnog weinig bekend. Intussen verdwijnen de cichoreiasten en –fabriekjes systematisch uit het rurale landschap. De nood aan typologisch onderzoek, dat zich vertaalt in een thematisch beschermingsbeleid, is dan ook groot.

2 Inventarisatie van bouwkundig erfgoed

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Elise Hooft, Katrien Verwinnen
  • Medewerkers: Veerle Cherretté, Hilde Kennes

2.1 Afbakening van het project

1 Doelstellingen

In voorliggende tekst wordt gestreefd naar een overzicht van de inventarissen van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Zonder volledigheid te pretenderen, hopen we met dit project een aanzet te kunnen geven voor een centralisatie van beschikbare inventarisgegevens over bouwkundig erfgoed in Vlaanderen.

2 Definities

We willen 'bouwkundig erfgoed' invullen in de ruimste zin van het woord. Wij denken aan gebouwen van alle mogelijke typologieën, gebouwengroepen, complexen, bijhorende interieurs en interieurelementen, infrastructuur, klein erfgoed, straatmeubilair, monumentale beeldhouwwerken enz. Ook het varend erfgoed en de tuinen en parken krijgen onder “bouwkundig erfgoed” een plaats, omdat ze administratief gezien onder deze bevoegdheid vallen.

De term 'inventaris' willen we eveneens zo ruim mogelijk interpreteren. Alle mogelijke geografische of thematisch opgevatte oplijstingen komen aan bod: inventarissen, architectuurgidsen, databanken, beeldbanken, catalogi, oeuvrelijsten van architecten, overzichtslijsten enz. Wij denken niet alleen aan digitale databanken, maar ook aan publicaties die een systematisch overzicht bieden van een segment van het bouwkundig erfgoed. Niet uitgegeven inventarissen zullen vanzelfsprekend ook aan bod komen, zolang die op één of andere manier kunnen geconsulteerd worden.

3 Aanpak

Voor de realisatie van dit project werd op verschillende sporen gewerkt. Er werd aan een groep contactpersonen gevraagd om mee te helpen zoeken naar informatie over hun vakgebied of regio. Zo werden de vijf Vlaamse provinciale diensten voor onroerend erfgoed en de Vlaamse erfgoedcellen bevraagd. Daarnaast werd een open oproep tot het aanbrengen van inventarissen gelanceerd via de website van het VIOE en via een aantal erfgoedtijdschriften. 1 Ten slotte werden de belangrijkste wetenschappelijke bibliotheekcatalogi op inventarissen doorzocht. Aan de Universiteit Gent werd in de vakgroep Kunstwetenschappen een steekproef gedaan van de licentiaatsverhandelingen bouwkunst, opnieuw met zeer interessante resultaten.

  • 1. In de Steigers (West-Vlaanderen), M&L en Heemkunde Vlaanderen

2.2 Inventarisatie in Vlaanderen: een historiek tot ca. 1960

Dit hoofdstuk is deels gebaseerd op de bijdrage van Suzanne Van Aerschot in het Plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 1

Al sinds het ontstaan van de Belgische staat worden ambtenaren belast met inventarisatie van bouwkundig erfgoed. In eerste instantie moest deze inventarisatie de nieuwe staat legitimeren en een eigen identiteit geven. Geïnspireerd door Koning Leopold I stuurt de minister van Binnenlandse Zaken in 1834 een omzendbrief naar de provinciegouverneurs waarin hij hen vraagt een inventaris op te maken van het waardevolle erfgoed: "Je vous prie de vouloir bien m'adresser un catalogue complet et exact des édifices ou monuments de la province, qui méritent de fixer l'attention du gouvernement par leur antiquité, par les souvenirs qu'ils rapellent ou par leur importance sous le rapport de l'art." De respons was erg mager: de gouverneur van Brabant kent bijvoorbeeld in Diest en Tienen geen enkel belangrijk gebouw.
In 1835 wordt de Koninklijke Commissie voor Monumenten opgericht, met een adviserende bevoegdheid. Deze Commissie neemt het initiatief om een klassering op te maken van gebouwen die behouden moeten blijven. Dit is echter niet gekoppeld aan een systematische inventarisatie. Vanaf 1861 wordt het inventariseren van kunstvoorwerpen wel een taak van de Commissie – aanvankelijk met weinig resultaat.

Toch is het Koninklijk Besluit van 23 februari 1861 een keerpunt. De Koninklijke Commissie voor Monumenten wordt opgedragen een algemene inventaris op te stellen van de kunstvoorwerpen of ‘antiquités nationales’ in openbaar bezit en meer bepaald die welke door hun kunsthistorische en archeologische waarde het behouden waard zijn. Voordien werd meestal het religieuze roerende erfgoed opgenomen; het is pas in een volgende fase dat het openbare, meestal religieuze gebouw dat het herbergt, vermeld wordt en bondig bestudeerd. In de loop van de volgende 100 jaar bleef het uitvoeren van dit K.B. beperkt tot een aantal publicaties dat fasegewijs en over de provincies verspreid tot stand kwamen, telkens op eigen en onvoltooide wijze. 2 3 4 Ten opzichte van het buitenland betekent dit een aanzienlijke achterstand, die grotendeels te wijten is aan een ontbrekende infrastructuur: de Koninklijke Commissie voor Monumenten en later ook Landschappen (KCML) beschikt niet over de nodige vaste medewerkers; van een officiële monumentendienst is al helemaal geen sprake.

Het duurt tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor er concrete inventarisatie-initiatieven genomen worden. De KCML publiceerde in 1914 een lijst met gebouwen, gezichten en landschappen die beschermd dienden te worden. De lijst was bedoeld als basisdocument voor de wederopbouw na de oorlog. Architect Eugène Dhuicque, briefwisselend lid van de KCML, maakte op vraag van de minister van Wetenschappen en Kunsten (d.d. 20 mei 1915) een snelinventaris in niet-bezet België. Hij gaf samen met zijn medewerkers aan de hand van tekeningen en foto's de toestand weer van het verwoeste oorlogsgebied in de Westhoek, een initiatief, gekend als de 'Mission Dhuicque'. 5
De KCML voelt na de Eerste Wereldoorlog de nood tot een systematische inventarisatie groter worden. In 1923 wordt een 'Règlement pour la rédaction des inventaires définitifs des monuments et des sites' geschreven. Daarin staat dat de inventaris een nauwkeurige omschrijving dient te bevatten van alle monumenten die dateren van voor 1830 en die een kunsthistorisch, archeologisch of historisch belang hebben. Jongere monumenten krijgen maar een summiere vermelding. Ook voor het inventariseren van roerende goederen, landschappen en zelfs verdwenen monumenten wordt een regeling voorzien. Door een gebrek aan financiële middelen had dit initiatief weinig resultaat.

In de sfeer van het Verdrag van 's-Gravenhage (1954) ter bescherming van het erfgoed in geval van een gewapend conflict, komt het "Repertorium van het belangrijk cultuurbezit. Gebouwen en Kunstwerken. Répertoire des biens culturels importants. Monuments et Oeuvres d'Art" tot stand. 6 De elf delen verschijnen in 1955 in Brussel als gestencilde uitgaven met een algemene typologische en topografische indeling en in de voertaal van het bestudeerde gebied. Per provincie en gemeente worden de belangrijkste te vrijwaren kunstwerken en monumenten chronologisch gesitueerd. Er verschijnt een boekdeel per categorie, namelijk bouwkunst, schilderkunst, tekeningen en gravures (niet verschenen); beeldhouwkunst, kunstnijverheid, vaderlandse oudheidkunde, uitheemse oudheidkunde, vaderlandse geschiedenis, volkenkunde, folklore en muziek.
In 1951 zet het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen de wetenschappelijke inventarisatie en publicatie in van haar eigen kunstpatrimonium. 7 8 9 In West-Vlaanderen en Antwerpen gebeurt vanaf de jaren 1960 hetzelfde. 10 11 Van topografische inventarissen van een paar steden of kantons wordt gaandeweg overgestapt naar een grondige studie van een bepaalde interessante en beschermde kerk, een ander type gebouw of een onderdeel ervan. 12 13 14

De KCML zelf houdt het in die periode bij het opzetten van voorlopige topografische lijsten per arrondissement, verwerkt in gestencilde publicaties zonder afbeeldingen. Alleen de provincie Brabant werd afgewerkt cf. Bondige Inventaris der Kunstvoorwerpen van het Arrondissement Brussel, 1961 (ook in het Frans), Arrondissement Leuven, 1961 (alleen in het Nederlands) en het Arrondissement de Nivelles (alleen in het Frans). Per gemeente wordt het verzamelde materiaal typologisch geordend, grotendeels terugvallend op de vroegere reglementen van de Commissie. Wat het bouwkundig erfgoed betreft, komen achtereenvolgens de vestingwerken, de openbare burgerlijke gebouwen, de openbare godsdienstige gebouwen met inbegrip van kapellen en kloosters en ten slotte de private gebouwen (herenhuizen en woningen) aan bod. Opmerkelijk is dat er soms interieurs, straatmeubilair als beelden of pompen opgenomen worden. Eventueel aanwezige kunstvoorwerpen werden na de architectuur opgesomd.

Het feit dat dit initiatief snel uitdooft, illustreert treffend de Belgische achterstand. Artikels over de inventarisatie van Krönig 15 en Devliegher 16 uit de jaren 1960 vestigen de aandacht op het probleem. Het toen nog unitaire ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, met zijn bezielende ambtenaren C. Pirlot en G. Théâtre, beslist daarom het roer over te nemen. Onder minister Frans Van Mechelen wordt gestart met de eerste experimentele fase (van 1965/1966 tot begin 1973) uitgevoerd door een beperkte tweetalige stuurgroep waartoe een aantal KCML-leden behoren. Internationaal expert prof. R.M. Lemaire was de projectleider, verder zijn onder andere prof. F. Desmidt, L. Devliegher, M. Bussels, Kanunnik A. Lanotte, S. Brigode en de KCML-secretaris L. Moulin erbij betrokken. Voor het eerst wordt voor het hele land en in beide landstalen een homogene en bevattelijke inventaris opgestart die moet beantwoorden aan de noden van een degelijk, nog uit te tekenen monumentenbeleid. Het project krijgt de naam Bouwen door de Eeuwen Heen. Deze per bestuurlijke entiteit opgevatte inventaris van het bouwkundig erfgoed is nog steeds lopende en omvat voor Vlaanderen ondertussen meer dan vijftig boekdelen en zal na afwerking in 2009 het volledige Belgische grondgebied omvatten, veertig jaar na de start van het project.

2.3 Geografisch inventariseren

2.3 Geografisch inventariseren

Het geografisch inventariseren van bouwkundig erfgoed is de oudste vorm van inventariseren. Het is daarbij de bedoeling om van een bepaald gebied de belangrijke, waardevolle gebouwen en sites, ongeacht hun typologie, te inventariseren. Aangezien de opstellers op de hoogte moeten zijn van de kenmerken en eigenschappen van alle bouwtypes en bouwperiodes – wat absoluut niet evident is en enkel mogelijk na jaren ervaring - vergt dit een grote inspanning. Het is evenwel noodzakelijk om een erfgoedbeleid te kunnen voeren, vermits dit beleid altijd geografisch is georganiseerd en uitgevoerd wordt door de administraties van de Vlaamse overheid, de provinciale besturen en de gemeentebesturen.

2.3.1 Beschermd erfgoed: het register van de beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten

Een belangrijk soort bouwkundig erfgoed is het beschermd erfgoed. Omdat dit belangrijke juridische consequenties heeft, werd bij decreet vastgelegd dat hier een inventaris of register van moet worden opgemaakt, toegankelijk voor elke burger. (Artikel 10 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten). De entiteit Onroerend Erfgoed van het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed, houdt dit register bij. Afschriften moeten berusten bij het agentschap, het provinciebestuur en het gemeentebestuur, elk voor hun ambtsgebied. "Eenieder kan zich op zijn kosten uittreksels uit het register doen verstrekken".
Deze registers bevatten ondertussen ca. 12.000 monumenten en ca. 2000 stads- en dorpsgezichten.

1 Beschermingsbesluiten en inhoudelijke dossiers

In het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed wordt centraal in Brussel het originele beschermingsbesluit bijgehouden, met handtekening van de minister. Afschriften worden bewaard in de provinciale cellen van het Agentschap (Brugge, Gent, Hasselt, Leuven en Antwerpen). Bij deze administraties kunnen de inhoudelijke dossiers van de beschermingen, de afbakening op kadasterkaart en het beschikbare fotomateriaal op aanvraag geconsulteerd worden. 1

2 Databank beschermd erfgoed

De administratieve gegevens over beschermingsdossiers (eigenaars, kadastrale gegevens, gegevens openbaar onderzoek, koppeling met premies enz.) worden vanaf 1995 bijgehouden op een interne, niet publiek toegankelijke databank 'Melanie'. Een publiek toegankelijk, maar inhoudelijk zeer beperkte databank van het beschermd erfgoed is beschikbaar op de website. In de databank van het beschermd erfgoed vindt u een actueel overzicht van voorlopig en definitief beschermde monumenten, landschappen, stads- en dorpsgezichten en archeologische monumenten en sites in het Vlaams Gewest. De databank kan geografisch, chronologisch en typografisch doorzocht worden. Er is ook een databank die de voorlopige beschermingen bijhoudt. Grote hiaten in deze databank zijn het ontbrekende fotomateriaal, gebrek aan actuele adressen of kadasternummers en het ontbreken van tekstmateriaal. Enkel dossiernummer, procedurele data en een korte typering "naam" van het beschermde object worden meegegeven. Met deze info dient de onderzoeker zich tot de administratie te richten, waar meer informatie uit de interne databank of de papieren dossiers kan opgevraagd worden.

Een private, interactieve website die aan het gebrek aan beeldmateriaal tegemoet tracht te komen, is www.erf-goed.be. Gebruikers worden aangespoord om zelf foto's te nemen van beschermd erfgoed bij hen in de buurt en die te posten op de website. De gebouwen worden ook gegeorefereerd en kunnen via een kaart opgezocht worden:

In mei 2008 is het VIOE gestart met de synchronisatie van de databank van de inventaris van het bouwkundig erfgoed en de databank van de beschermingen. In de databank van de inventaris wordt bij elk opgenomen item aangeduid of dit al dan niet beschermd is. Het nummer van het beschermingsdossier wordt ingevoerd en de link met de online databank beschermingen wordt gemaakt. Tevens wordt nagegaan of er in de databank van de inventaris beschermde monumenten ontbreken, iets wat zeker een feit is voor de zgn. jonge monumenten.

3 GIS-laag beschermd erfgoed

In 2007 werd het project rond het georefereren van het beschermd erfgoed op een aparte GIS-laag afgewerkt. Dit is onontbeerlijk om een efficiënt vergunningsbeleid van de lokale overheden en om een makkelijke dossierbehandeling bij het Agentschap R-O mogelijk te maken. Alle monumenten, stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites werden met polygonen op een kadasterkaart uitgetekend. Dit project werd uitgevoerd in een samenwerking tussen het Agentschap R-O Onroerend Erfgoed en het VIOE. De afgewerkte GIS-laag werd ter beschikking gesteld op de beleidsserver, zodat het Agentschap R-O deze gegegevens kan consulteren. Tot nog toe is deze laag echter nog niet publiek toegankelijk. De laag die via AGIV beschikbaar is, is zeer sterk verouderd.
In veel gemeenten of steden heeft men een eigen, lokale GIS-laag van het beschermd erfgoed ontworpen, omdat de centrale GIS-laag vooralsnog niet publiek toegankelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval in Gent, Antwerpen of Knokke-Heist.

4 Publicatiereeksen van de provinciale besturen

Om te voldoen aan hun plicht om een register van het beschermd erfgoed bij te houden, kozen drie van de vijf provinciebesturen ervoor over te gaan tot een publicatiereeks. In Limburg en Vlaams-Brabant nam men dit initiatief niet. In de drie andere provincies heeft men publicaties gemaakt waarin het materiaal geografisch wordt gepresenteerd in verschillende boekdelen. De beschermingen na het jaar van publicatie worden telkens in jaaroverzichten gepubliceerd. De kwaliteit van deze publicaties is dat ze beeldmateriaal voorzien en dat voor elk object een korte historische schets en een bibliografie bestaat, vaak gebaseerd op het beschermingsdossier. Dit is informatie die elders niet (makkelijk) toegankelijk is.

In Oost-Vlaanderen werd van 1975 tot 1990 een overzicht gemaakt van de beschermingen in het "Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen." 2 3 4 5 6 7 8 9 Deze informatie werd daarna ook gebundeld in drie publicaties, waarbij Oost-Vlaanderen in drie regio's werd gesplitst. 10 11 12 Na die gebundelde publicaties, werd tot in 2005 telkens een register opgenomen in de jaarverslagen van de provincie Oost-Vlaanderen. Voor de beschermingen vanaf 2005 wordt naar een nieuwe publicatie toegewerkt, die evenwel nog moet geconcretiseerd worden.
In West-Vlaanderen bracht het provinciebestuur tussen 2001 en 2005 eveneens een reeks van drie boeken uit met de beschermingen tot dan toe. 13 14 15 Sindsdien zorgt men in het erfgoedtijdschrift 'In de steigers' voor een regelmatig overzicht van de nieuwe beschermingen.
In de provincie Antwerpen bestaat een gelijkaardige reeks, die tussen 1987 en 2001 werd uitgegeven, telkens met de een update van de gegevens. 16 17 18 19 20 Sindsdien worden geen gegevens meer gepubliceerd voor deze provincie.

2.3.2 Publicatiereeks "Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen": inventaris van het bouwkundig erfgoed

Onder minister Frans Van Mechelen startte men in 1965 met een inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, die in heel België met dezelfde criteria en volgens dezelfde methodiek uitgevoerd zou worden. De boekdelen zouden telkens in beide landstalen uitgegeven worden. De publicatiereeks telt ondertussen 55 delen en wordt sinds 2001 verder gezet met aparte geringde bundels per gemeente (de zogenaamde pdf's) waarvan er ondertussen een veertigtal zijn verschenen. Meer dan veertig jaar later, in 2010, werd de laatste Vlaamse gemeente geïnventariseerd door het Agentschap Ruimte en Erfgoed. Sinds 2004 maakt het VIOE een prioriteit van het optimaliseren en actualiseren van de databank van deze inventaris.

1 Ontstaan en evolutie

Dit hoofdstuk is gebaseerd op de bijdrage van Suzanne van Aerschot in het plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 1

In het voorwoord van het eerste boekdeel van de reeks verwijst minister Van Mechelen naar de Europese ministerconferentie van 1969 te Brussel waar "de regeringen voor de eerste maal op één en hetzelfde ogenblik en gemeenschappelijk hun ongerustheid uitten over de bedreiging van de historische monumenten, één van de meest kostbare erfenissen van de Europese cultuurgeschiedenis". 2 Een beschermende overzichtsinventaris moet hiervoor het noodzakelijke basismateriaal aanbrengen. Omdat die bestemd is voor de betrokken overheden - niet alleen monumentencommissies, maar evenzeer stedenbouwkundige en technische diensten - en voor de te sensibiliseren bevolking, lijkt een vernieuwende formule wenselijk, ook in de presentatie. Bedoeling is: "een lijst op te stellen van de gebouwen en groepen van gebouwen, die dienen bewaard te worden, omdat zij een uiterst waardevol cultuurbezit vormen, waarvan het verlies in elk opzicht zeer betreurenswaardig zou zijn; ten tweede: de lezer een beknopte gids verschaffen voor het architecturale patrimonium van onze dorpen en steden; ten derde: een - opzettelijk onvolledig - ontwerp van wetenschappelijke inventaris voorleggen.

Deze drievoudige doelstelling veronderstelt het op punt stellen van een pragmatische methodologie die vatbaar moet zijn voor verdere aanpassingen en verbeteringen. De topografische benadering behoudt het arrondissement als hanteerbaar gebied. Het systematische plaatsbezoek en de kritische visuele vaststelling en ontleding blijven als uitgangspunt fungeren. Wegens het dringende karakter van de operatie blijft het bijkomende onderzoek beperkt en wordt het raadplegen van archiefstukken en de volledige speciale literatuur uitgesloten. Omdat het de bedoeling is minstens het erfgoed op te nemen dat juridisch moest worden beschermd, wegen de toenmalige opvattingen uiteraard door op de keuze van de op te nemen items. De beschermingswaardige gebouwen worden daarbij met een stip aangeduid, de al beschermde monumenten met een asterix. Het aanduiden van items die voor bescherming vatbaar zouden zijn, is ook in het tweede deel van Vlaams-Brabant, in de eerste, in 1976 gepubliceerde delen van Stad Antwerpen en Stad Gent gebruikt, maar nadien afgeschaft op vraag van de verantwoordelijke overheid. De toen nog geldende chronologische limiet bij het begin van de 19de eeuw is bepalend.

Het arrondissement Leuven, voltooid in 1967 met drukproeven in 1969, maar met vertraging gepubliceerd in het Nederlands en in het Frans in 1971, fungeert als pilootstudie. Klassiek in de publicatie in boekvorm is de topografische behandeling waarbij de gemeenten vanzelfsprekend in alfabetische volgorde behandeld worden, met verwijzing van gehuchten en andere plaatsnamen naar de gemeente in kwestie. De interne indeling naar bouwtype, die op internationaal niveau en hier te lande door de KCML werd gevolgd, wordt ook hier, met enige kleine wijzigingen, toegepast. Vernieuwend is de gewild aantrekkelijke publicatie, die bedoeld is om zowel specialisten, geïnteresseerden als het grote publiek te bereiken. De bondige beschrijvingen en de (voor die tijd) talrijke zwart-witfoto’s en plannen in het boekblok dragen hiertoe bij. De naar type en stijl ingekleurde stadsplattegronden en dito arrondissementskaart lokaliseren de aparte gebouwen, ensembles en concentraties, terwijl de kleurenplaten de materialen, vormen en omgeving overtuigend visualiseren. De oplage (tweemaal 5000 exemplaren) leek een waagstuk, maar raakte uitverkocht en werd later aangevuld.

De regionalisatie heeft het nationale plan doorkruist: het deel 2, gewijd aan het arrondissement Nijvel in het huidige Waals-Brabant, is de laatste tweetalige publicatie, verschenen in 1973. De basisprincipes blijven ongewijzigd, maar verbeteringen komen al aan bod, zoals de weliswaar nog bondige algemene inleiding en een eerste geïllustreerd lexicon met de meest gehanteerde vaktermen. De selectie wordt ruimer door de groeiende aandacht voor de documenterende rol van het werk. Wallonië zet zonder onderbreking en nagenoeg volgens dezelfde basisprincipes het onderzoek verder en rondt het in 1998 af met de publicatie van 23 nummers en 36 delen, plus het eerste volume Leuven. Sinds 1997 is in Wallonië een aanvullende herinventarisatie opgestart die vertrekt van globaal terreinwerk en volledig past in de doelstellingen van de duurzame regionale ontwikkeling gedragen door de lokale overheden.

In Vlaanderen is de inventarisatie, naast andere taken, toevertrouwd aan de Rijksdienst voor de Monumenten- en Landschapzorg, opgericht bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1972. Het deel 2n (voor Nederlands en verder aangehouden in de nummering), gewijd aan Vlaams-Brabant, arrondissement Halle-Vilvoorde, verschijnt tijdens het Europees Monumentenjaar 1975, na een soms onderbroken optekeningperiode van 1971 tot 1975. Dit ‘overgangsdeel’ volgt de drievoudige doelstellingen en behoudt nog grotendeels de basisprincipes en het format van de vorige twee delen; het bevestigt hiermee het voortzetten van de opgestarte reeks met behoud van het A5-formaat en de lay-out. De chronologische limiet, die in het decreet volledig achterwege zal worden gelaten, wordt hier overschreden. Met vereisten als kwaliteit en representativiteit krijgt het werk van vooraanstaande 20ste-eeuwse architecten als onder anderen R. Braem, L. Dekoninck en J. Dupuis, een korte vermelding. Ook de merkwaardigste voorbeelden van industriële archeologie worden opgetekend.

In de loop van het Europese Monumentenjaar van 1975 krijgt de inventarisatie een nieuwe impuls, mede dankzij minister Rika De Backer-Van Ocken, bevoegd voor monumentenzorg. Vrijwilligers werken in de eerste fase mee aan een soort van pre-inventaris van het bouwkundig erfgoed van hun gemeente. De talrijke, al dan niet geïllustreerde steekkaarten, brengen heel wat informatie aan die qua omvang, inhoud en kwaliteit zeer uiteenlopend was en meestal objectgericht. Interessant is dat de lokale architectura minor, gaande van herberg, wegkapel, oorlogs- en grafmonumenten tot wegwijzers en grenspalen, meteen bewust wordt voorgedragen. Binnen de Rijksdienst kan het in 1975 aangestelde inventaristeam in zekere mate terugvallen op deze gegevens en de verantwoordelijke plaatselijke comités zo nodig raadplegen voor de te uniformeren verruimde inventarisatie. De bestaande drievoudige doelstelling wordt hiervoor behouden. De evolutie van de begrippen ‘monumenten’ en ‘stads- en dorpsgezichten’, zoals gedefinieerd in het toekomstige decreet van 1976 vergt een aanpassing van de methodologie. Het wegvallen van een chronologische limiet verbreedt het onderzoek in de tijd. Door het behandelen van de ensembles en de historisch-geografische en stedenbouwkundige context wordt meer aandacht besteed aan de ruimtelijke dimensie. Anderzijds veronderstellen de in het decreet vermelde "artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieelarcheologische en andere sociaal-culturele waarden" een typologische uitbreiding, o.m. afgestemd op de specifieke (her)ontdekte architectura minor en het industriële erfgoed die in de algemene topografische context zijn opgenomen.
In de praktijk monden deze nieuwe invalshoeken uit in een gefaseerde en doelgerichte aanpak: vooronderzoek met raadpleging van literatuur, kaartmateriaal enz., analytisch veldwerk met gebruik van typesteekkaarten en fotografie, bijkomend onderzoek o.m. met waar mogelijk raadpleging van bouwaanvragen en ander beschikbaar plan- en historisch kaartmateriaal, ‘nuttige’ archivalia enz. De teksten, opgevat als kritische synthese van het geheel, vormen de voorlopige eindfase en worden in de publicatie afgeleverd als aanzet voor verdere wetenschappelijke uitdieping.

Deze contextuele aanpak introduceert straatbeelden en inleidingen bij de gemeenten en het hele studiegebied met aandacht voor de historisch-geografische, stedenbouwkundige en architecturale aspecten. Na de fusies van de gemeenten in 1977 is de alfabetische volgorde veranderd: eerst wordt de samenstelling van het hele gebied vermeld en in kaart gebracht. Nadien komen achtereenvolgens de spilgemeente en de alfabetisch geordende deelgemeenten met hun eigen actuele plattegrond die soms ter vergelijking wordt vergezeld door een uittreksel uit een historische kaart. Gehuchten worden, met de nodige verwijzingen, nog apart behandeld voor zover ze nog duidelijke entiteiten vormen. In het voorwerk komt een alfabetische lijst van de spilgemeenten met hun deelgemeenten, telkens gevolgd door de aanduiding van de beginpagina in het boek. Een aanvullende lijst brengt een volledige opsomming in alfabetische volgorde van zowel de spil- als deelgemeenten en dit telkens met een gelijksoortige verwijzing. Bepalende gebouwen worden niet meer typologisch voorgesteld, maar wel ondergebracht in hun straat of plein om hun lokalisatie en samenhang met de rest van de bebouwing aan te tonen. Ze worden na de bibliografie bij de gemeente-inleiding opgesomd met verwijzing naar de pagina waarop ze worden voorgesteld. Per item, dat historisch gesitueerd wordt en systematisch beschreven komen ten slotte ook de referenties aan de geraadpleegde bronnen. Voor grote historische steden als Antwerpen, Gent en Brugge is ter wille van de samenhang een andere aanpak uitgewerkt. Rekening houdend met hun historisch-stedenbouwkundige groei komt eerst de oudste in het stadsweefsel nog herkenbare kern aan de beurt, nadien de opeenvolgende stadsuitbreidingen.

Aanvankelijk blijft het arrondissement het studiegebied voor onderzoek en uitgave, wat leidt tot bijvoorbeeld drie in alfabetische volgorde der gemeenten gesplitste delen voor het arrondissement Antwerpen (1985). Vanaf 1987-1988 wordt, om praktische redenen en zorg om samenhang, overgeschakeld op een kanton of groep van aanverwante kantons, uitgebracht in aparte delen. De hoofdbekommernis blijft het streven naar een overzicht en vergelijkingsmogelijkheden voor een gebied dat de gemeentegrenzen overschrijdt. De algemene inleidingen blijven het verband aanduiden tussen bouwkundig erfgoed en de geografische, landschappelijke en historische en stedenbouwkundige omgeving en haar evolutie en belichten het typerende streekeigen bouwen met zoals gebruikelijk een verwijzing naar de goed bewaarde voorbeelden en hun afbeelding in het boekblok. De uitgebreide documentatie blijft gestoffeerd met grond- en situatieplannen, doorsneden, een representatieve selectie van zwart-wit foto’s, ook van bouwaanvragen- en kleurenopnamen. Sinds 1976 vult een fotoregister met alle opgetekende items het geheel aan in het nawerk. Tot 1985 telt het register 20 kleine foto’s per pagina; nadien wordt, voor een meer duidelijke identificatie dit aantal herleid tot 12 ietwat grotere opnamen.

De Engelse samenvatting van het Woord Vooraf en de Algemene Inleiding komt sinds 1979, in een periode van nieuw internationaal onderzoek en overleg, tegemoet aan de buitenlandse belangstelling voor deze vorm van inventaris in maatwerk die het midden begint te houden tussen de ‘snelle, voorlopige’ en de ‘wetenschappelijke’ inventaris.

Inventarisatie is duidelijk een dynamisch proces dat niet enkel onderhevig is aan de evoluerende interpretatie van het bouwkundig erfgoed, maar dat het ook in zekere zin mee bepaalt. Een inventarisatie heeft immers naast een vaststellende functie een ontdekkende functie. Gaandeweg werden naargelang het studiegebied niet enkel wederopbouwarchitectuur, kust- en interbellumarchitectuur en recenter werk, maar ook militair en funerair erfgoed en voor zover mogelijk, privé-interieurs onderzocht. Deze nieuwe invalshoeken nuanceren en verzwaren uiteraard het veldwerk, het bijkomende onderzoek en de publicaties. Contacten met lokale kringen en specialisten en het groeiende aantal publicaties ter zake hebben samen met de steeds grotere nood aan precieze informatie in de loop der jaren de overzichtsinventaris opgetild tot een intermediair niveau dat zowel binnen als buiten de administratie tegemoet komt aan de gestelde vereisten.

Inventarisatie wordt doorgaans bestempeld als een werk van lange adem. Van 1975 tot heden zijn in de reeks 19 nummers en 55 volumes verschenen (plus één ouder deel voor het arrondissement Leuven en één voor het arrondissement Nijvel). Daarbij werden de provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant volledig gepubliceerd. In Oost- en West-Vlaanderen blijven een paar onafgewerkte gemeenten over wanneer in ca. 2000 beslist wordt de publicatiereeks stop te zetten. De delen van Antwerpen en Limburg die toen in voorbereiding waren, worden nog gepubliceerd.

Gemeenten per boekdeel in de reeks ‘Bouwen door de Eeuwen heen’Fig. 1: Gemeenten per boekdeel in de reeks ‘Bouwen door de Eeuwen heen’.

2 Heroriëntering

Vanaf eind 2000 is een heroriëntering in het inventarisatieproces opgetreden. Door de toen opgedreven beschermingspolitiek moest versneld gewerkt kunnen worden. Voor de nog te inventariseren gemeenten in Oost- en West-Vlaanderen koos men ervoor geen tijd meer te spenderen aan de publicatie in boekvorm en om de inventarisatie enkel via de databank te ontsluiten, zie ook hoofdstuk Databank van de inventaris bouwkundig erfgoed. In West-Vlaanderen werd ervoor gekozen om de digitale gegevens ook per gemeente in een geringde A4-bundel uit te brengen. Een andere belangrijke wijziging van lay-out is dat de foto naast de tekst van het gebouw kwam te staan, wat het gebruiksgemak van de inventaris verhoogde. 
De opzet van de teksten en methodologie van de inventaris werd echter behouden. Dit concept werd overgenomen door Vlaams-Brabant, waar men in 2000 de rand rond Brussel begon te herinventariseren.

3 Kwaliteiten en knelpunten van Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen

De inventaris ‘Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur’ is binnen de monumentenzorgsector steeds een belangrijk werkinstrument geweest. Het is immers het enige overzicht van het waardevolle bouwkundige erfgoed dat voor Vlaanderen zo goed als gebiedsdekkend is en dat alle typologieën, stijlen en bouwperiodes in achting tracht te nemen. Daardoor vormt het al tientallen jaren het uitgangspunt voor het beschermingsbeleid van de Vlaamse overheid. De inventaris is verder een hulpmiddel voor het gemeentelijke beleid betreffende het architecturale patrimonium; daarnaast vormt het een gids voor de architectuur in de streek en ten slotte een uitstekend uitgangspunt voor dieper wetenschappelijk onderzoek.
Tijdens de negende VCM-ontmoetingsdag omtrent niet-beschermd waardevol erfgoed in 2002 is opnieuw vanuit alle actoren en gebruikers onderstreept dat de inventaris een belangrijk hulpmiddel is voor het gemeentelijk beleid en dat de inventaris de basis moet vormen voor een gemeentelijk reflecteren over het bouwkundig erfgoed. 3

Weinig bekend zijn de zeer uitgebreide, gedetailleerde fotoarchieven die opgebouwd zijn door de inventaristeams in de verschillende provincies. Dit fotomateriaal is nog nergens gedigitaliseerd, maar is na afspraak ter plaatse bij de bevoegde administraties te consulteren. 4
Het gaat om tienduizenden foto's die genomen werden tijdens het veldwerk voor de reeks Bouwen door de Eeuwen heen. Bij elk gebouw dat opgenomen werd in de inventaris, werd vanaf het derde boekdeel (dus niet voor Vlaams-Brabant) achter in het boek een afbeelding opgenomen, jammer genoeg in heel klein formaat en zwart-wit. Al deze foto's, en nog veel meer nooit gepubliceerde exemplaren, werden bewaard. In West-Vlaanderen is daarvoor een apart, geografische geklasseerd fotoarchief uitgebouwd. In de andere provincies worden de foto's bewaard in het archief van de inventaris, samen met de veldwerkfiches en de verzamelde literatuur- en archiefgegevens.

Er zijn wel een aantal knelpunten binnen deze reeks, die eigen zijn aan een dergelijk grootschalig, langlopend inventarisatieproject.

Zo is er de steeds aangehouden opdeling van de in arrondissementen en kantons. Samen met de bijkomende problematiek van de fusies in de jaren 1970 zorgt deze opdeling ervoor dat het zoeken van een bepaalde gemeente in de zeer uitgebreide reeks niet altijd eenvoudig is. Het VIOE kon in 2007 de gegevens van mevrouw Yvonne De Maeyer gebruiken om een plaatsnamenregister op de volledige reeks Bouwen door de Eeuwen heen uit te geven. Daarin wordt voor elke hoofdgemeente, deelgemeente en elk gehucht dat opgenomen is in de reeks, een aanduiding gegeven van het juiste boekdeel. 5

Een tweede, en veel belangrijker knelpunt, vloeit voort uit de lange historiek van de reeks. Op veertig jaar tijd zijn de principes en selectiecriteria enorm geëvolueerd, waardoor er grote verschillen bestaan tussen de oudste en de nieuwere delen. Terwijl voor de eerste twee boekdelen de gebouwen ouder moesten zijn dan ca. 1850, geldt voor de latere delen geen tijdslimiet meer. Ook nieuwere typologieën als industrieel erfgoed en eenvoudige woningen worden maar gaandeweg in de reeks opgenomen. Voor de oudste delen ontbreekt eveneens het onderzoek van archief- en literatuurgegevens en wordt het per provincie sowieso anders aangepakt.
Een algemeen probleem ten slotte is dat de adressen van de opgenomen gebouwen nooit werden geactualiseerd, waardoor een groot percentage van de adressen op dit moment niet meer klopt. Ook kon niet bijgehouden worden welke gebouwen verbouwd of gesloopt werden, een aspect dat onontbeerlijk is met betrekking tot een erfgoedbeleid. Het VIOE werkte deze problematiek ondertussen weg met een groot actualisatieproject, dat liep van 2006 tot oktober 2008.

De grootste problemen gelden vanzelfsprekend voor de oudste twee delen, die de provincie Vlaams-Brabant omvatten. Deze boekdelen zijn van zeer groot belang, omdat ze het pionierswerk in de inventarisatie bevatten en omdat ze de methodologie hebben ontwikkeld en toegepast. Het gebrek aan fotomateriaal voor elk gebouw, het ontbreken van een bibliografie en van archiefonderzoek, de opgelegde tijdslimiet van 1850 en het ontbreken van nieuwere typologieën zoals industrieel erfgoed en architectura minor maakt een herinventarisatie van dit gebied echter broodnodig. In 2000 is men dan ook begonnen met de herinventarisatie van de provincie, een project dat tot nog toe voor vier gemeenten gegevens opleverde die publiek toegankelijk zijn. Deze inventarisdelen zijn niet meer te koop. Een oplossing voor het deel van Leuven is de in opdracht van de Heemkundige kring "Oost-Brabant, Hagelandse geschied- en heemkundige kring" volledig gedigitaliseerde en online beschikbare versie, inclusief alle afbeeldingen.

2.3.3 Databank van de inventaris bouwkundig erfgoed

In het midden van de jaren 1990 nam de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap het initiatief om de inventarisgegevens uit de reeks Bouwen door de Eeuwen heen te ontsluiten via een databank, die via de website publiek toegankelijk moest worden. De databank zou een identieke weergave vormen van de publicatiereeks: de teksten werden exhaustief ingescand. De gemeente-inleidingen en opgenomen ensembles werden in de databank “Cultuurhistorische ensembles” ondergebracht, de straatinleiding in een tweede databank “Straten” en ten slotte de apart opgenomen gebouwen in een derde databank “Gebouwen”.

De inventarisatie van bouwkundig erfgoed wordt vanaf 2003 één van de kerntaken van het nieuw opgerichte Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE). In samenspraak met het agentschap R-O, werkt het VIOE aan het beheer en de optimalisatie van de databank terwijl R-O de geografische inventarisatie in Oost- en West-Vlaanderen afwerkt.

1 Knelpunten van de inventarisdatabank

De databank bevat alle gegevens van de publicatiereeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. De belangrijkste kwaliteit van deze databank is de toegankelijkheid via internet. Op dit moment staat de databank op de website van het VIOE. In de databank wordt voor elk gebouw een veld met adresgegevens en een tekst- en een fotoveld voorzien.

Een meerwaarde aan de databankstructuur is dat er gemakkelijk gezocht kan worden via het zoekformulier. Dit is geografisch opgevat en bevat tevens de mogelijkheid om een vrije zoekterm in te vullen, dat in alle beschikbare teksten zal gezocht worden. Knelpunten hierbij zijn de sterk verouderde adresgegevens en het ontbreken van de mogelijkheid om typologisch te zoeken. Het probleem van de verouderde adressen wordt op dit moment opgelost door een grootschalig actualisatieproject van alle adres- en statusgegevens (gesloopt/bewaard). Deze actualisatie is een vereiste om de officiële vaststelling van de inventaris mogelijk te maken, zodat deze effectief als beleidsinstrument kan worden gebruikt. Dit is onder meer noodzakelijk om de uitvoering mogelijk te maken van een aantal bepalingen in de wetgeving van het beleidsdomein ruimtelijke planning.

Tegelijkertijd wordt door het VIOE intensief gewerkt aan de opmaak van thematisch-typologische zoekmogelijkheden. Er worden drie thesauri gekoppeld aan alle inventarisitems: een typologische thesaurus, een thesaurus met bouwstijlen en een thesaurus met bouwperiodes. Daarnaast is er een zoeklijst met architectennamen. Deze informatie zal pas te consulteren zijn begin 2009, wanneer de vernieuwde databank wordt gelanceerd.

Een direct gevolg van het letterlijk inscannen van de teksten uit de boeken is de beperkte leesbaarheid in de databank van sommige bibliografische nota's die bij de gebouwen horen.
In de boekdelen werd gewerkt met de verwijzing "o.c.", voor de al eerder genoemde werken. Omdat alle teksten in de databank uit hun boekverband zijn gerukt, kan de databankgebruiker niet te weten komen over welk boek het gaat. Dit zal in 2009 handmatig opgelost worden door inventarismedewerkers van het VIOE.

Bij elke tekst in de databank werd een fotoveld voorzien. Tot nog toe zijn er echter zeer weinig foto's voorzien op de databank. Vanaf 2000 worden voor de inventarissen van West-Vlaanderen, die in gemeentebundels uitgegeven worden, digitale foto's geleverd. Dit geldt ook voor de vier opnieuw geïnventariseerde Vlaams-Brabantse gemeenten. In het kader van de actualisatie begon het VIOE met een inhaalbeweging: op die manier kon de volledige provincie Vlaams-Brabant al van foto's worden voorzien (dit was een lacune in de boekenreeks). Ook het historische centrum van Antwerpen kreeg fotomateriaal. Ondertussen zijn digitale foto's van een deel van Mechelen, een deel van de fusie van Antwerpen en een deel van Gent gemaakt. Wij kregen voor Nevele ook een groot pakket fotomateriaal van de vzw Wende. Al die foto's zullen in 2009 in de nieuwe databankstructuur gekoppeld worden.

In de boeken van Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen werd beschermd erfgoed telkens met een asterix aangeduid. Deze aanduiding werd in de databank jammer genoeg niet voorzien. Het VIOE werkt momenteel wel aan de volledige synchronisatie tussen de databank van de beschermingen en van de inventaris: bij elk item in de inventaris wordt opgezocht in welk beschermingsdossier het eventueel vervat is. Beschermde monumenten die niet in de inventaris zijn opgenomen, worden aan de databank toegevoegd. Dit is onder meer het geval voor recente architectuur of voor eind-19de-eeuwse gebouwen in Vlaams-Brabant. Dit is meteen de eerste realisatie binnen het project om de inventarisdatabank te linken met externe databanken.

2 GIS-laag inventaris bouwkundig erfgoed in functie van beleid niet-beschermd bouwkundig erfgoed

Alle gebouwen in de inventarisdatabank worden gegeorefereerd op een aparte GIS-puntenlaag. Er werd gekozen voor een puntenlaag (en niet voor polygonen), omdat het niet haalbaar is om voor 70.000 gebouwen de precieze afbakening op te zoeken en in te tekenen. In de attributentabel wordt het unieke objectidentificatienummer uit de databank GIS-laag gebruikt, aangevuld met de naam van het object en de verwijzing naar het adres-ID in de Melanie GIS-databank. De Melanie GIS-databank is intern in het VIOE ontwikkeld om zoveel mogelijk geactualiseerde adressen via CRAB automatisch in te tekenen op de GIS-laag. Gebouwen met een onvolledig adres (bijv. zonder huisnummer, denk aan kerken) worden manueel ingetekend.
Belangrijk aan deze GIS-laag is dat de informatie visueel op kaart wordt weergeven, wat ideaal is voor gebruik van het materiaal in het kader van het ruimtelijke ordeningbeleid dat onroerend erfgoed integreert. De beschikbare informatie van deze GIS-laag in opbouw kan op aanvraag verkregen worden bij het VIOE en zal na afwerking van de laag via de nieuwe portaalsite beschikbaar worden gesteld.

2.3.4 Externe, geografisch aangepakte inventarissen

Ook provinciale en gemeentelijke overheden werken vaak intensief aan inventarisprojecten. Meestal gebeurt dit rond een bepaald thema binnen een geografische afbakening.

Hieronder volgt een (niet-exhaustief) overzicht van bestaande, lokale inventarisprojecten die van een geografische afbakening vertrekken en die daarbinnen een overzicht bieden van alle waardevolle bouwkundige erfgoed. Een belangrijke bron van informatie voor het opstellen van deze lijst was het verslagboek van de VCM-ontmoetingsdag rond niet-beschermd bouwkundig erfgoed 1.

1 Provincies

Het grootschalige databankproject 'ErfgoedLimburg.be' is een van de meest opvallende inventarisatieprojecten van de laatste jaren. De provincie Limburg tracht de verschillende inventarissen van het onroerende, roerende en immateriële erfgoed betreffende de provincie te centraliseren in een nieuw daarvoor ontwikkelde, aan de Art and Architecture Thesaurus (AAT) gekoppelde inventarisdatabank. Momenteel is men bezig met de inventarissen van de musea. Er wordt samengewerkt met de provincies Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. Op dit moment komt het onroerend erfgoed nog niet aan bod. Het VIOE wordt op de hoogte gehouden, zodat een samenwerking onmiddellijk kan opgestart worden wanneer de centralisatie van inventarisgegevens van onroerend erfgoed opgestart wordt.

De provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen geven erfgoed- en cultuurgidsen uit, waarin regelmatig publicaties worden gemaakt die zich baseren op het inventariseren van een deel van het bouwkundig patrimonium. 2 3 4 5

2 Steden en gemeenten

Het verslagboek van VCM geeft een overzicht van alle gemeentelijke initiatieven omtrent niet-beschermd bouwkundig erfgoed, waaronder talrijke inventarisatieprojecten. 6

In het kader van de actualisatie van inventarisgegevens van Bouwen door de Eeuwen heen kwam voor de steden Gent, Antwerpen, Mechelen en Kortrijk op een spontane manier een samenwerking met het VIOE tot stand. Door hun gedetailleerde kennis van de bestaande inventarisgegevens kon het VIOE heel goed helpen bij het opzoeken van juiste adressen of statussen. Tevens werden afspraken gemaakt rond de inhoudelijke aanvulling van de bestaande gegevens. Antwerpen en Gent hebben bijvoorbeeld gespecialiseerde ambtenaren in dienst die in de nabije toekomst eigen inventarisprojecten zullen opstarten die onmiddellijk naar de inventarisdatabank van het VIOE kunnen terugvloeien, zodat de juridische vaststelling van deze panden mogelijk gemaakt wordt.

De West-Vlaamse gemeente Zedelgem (nog niet opgenomen in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen) maakte zelf een lijst met waardevol niet-beschermd bouwkundig erfgoed in de gemeente en stelde die in Word-formaat ter beschikking aan het VIOE .
Een schitterend initiatief is de inventaris van het bouwkundig erfgoed die Sarah Willems in 2004-2006 in opdracht van de gemeente Koksijde maakte. In het kader van het "Cultuurbeleidsplan Koksijde 2003-2007" stelde het gemeentebestuur de kunsthistorica aan voor de aanvulling van de bestaande inventarisgegevens met nieuw materiaal. Koksijde werd in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in boekdeel 8n opgenomen, een publicatie die dateert van 1982. De uitgebreide, systematische herinventarisatie door Sarah Willems, bestaande uit veldwerkfiches, archiefmateriaal en foto's van alle interessante gebouwen in de gemeente, wordt door de gemeente digitaal bewaard . Deze databank zal de basis vormen van een lokaal beleid rond bouwkundig erfgoed en wordt in functie van de opmaak van Gemeentelijke Ruimtelijke Uitvoeringsplannen digitaal in kaart gebracht. Ter gelegenheid van Open Monumentendag 2006 verscheen tevens een boek onder de titel "Koksijde, een bewogen architectuurgeschiedenis." 7 Het boek is opgevat als een chronologisch overzicht van de architectuurgeschiedenis van Koksijde. Het bevat een ruime selectie van de waardevolle gebouwen in Koksijde, gebaseerd op de informatie uit het inventarisproject. Het is een toegankelijke publicatie, die de geschiedenis van de oorspronkelijke kerkdorpen Koksijde, Oostduinkerke en Wulpen en hun uitbouw tot bloeiende badplaatsen toelicht aan de hand van honderden foto's, prentkaarten en plannetjes. Daarbij ligt de nadruk vooral op de talrijke vakantiewoningen die de gemeente rijk is. Naast de goed uitgewerkte architectuurhistorische informatie biedt het boek verhalen en anekdotes van bewoners of omwonenden, dit om tegemoet te komen aan de wens van het gemeentebestuur om de publicatie voor een ruim publiek aantrekkelijk te maken.

Voor de stad Brugge is een ontzettend interessante en vooruitstrevende website huizenonderzoek voorhanden. Deze site behandelt de stad Brugge en biedt een inventaris beschermde monumenten, een inventaris van standbeelden en beeldhouwwerken en van cinemazalen. Er kan gezocht worden op kaart (tot perceelsniveau) en op adres. Interessant is dat naast de tekstuele informatiefiche voor heel wat percelen de link bestaat met hetzelfde perceel op historisch kaartmateriaal. Dit is een zeer sterke benadering naar wetenschappelijk onderzoek toe.

In de provincie Antwerpen maakten verschillende gemeenten een inventarisatie van het bouwkundig erfgoed uit in functie van het vergunningsbeleid: Niel gaf opdracht aan een studiebureau om dit uit te voeren (in functie van BPA/RUP), de gemeente Schoten inventariseerde de villawijken Schotenhof en Koningshof, Ranst besteedde de herinventarisatie van Bouwen door de Eeuwen heen uit. In Oud-Deurne werd een inventaris opgemaakt waar o.m. interessante noodwoningen aan het licht kwamen. De Stad Antwerpen gaf opdracht tot inventarisatie van de wijk Sint-Mariaburg (Ekeren) in functie van een RUP. 8 Hetzelfde zal gebeuren voor (een deel van) de binnenstad.

Het Sint-Lukasarchief maakte herinventarisaties van de reeks Bouwen door de Eeuwen heen voor Wemmel, Heuvelland, Halle en Kortenberg. Voor Knokke-Heist maakte het archief een "inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in de villawijk Prins Karellaan te Knokke-Zoute." (Knokke was toen nog niet geïnventariseerd binnen de Bouwen-reeks) 9
Verschillende gemeenten of hun heemkundige kringen maakten werk van het inventariseren van 19de- en 20ste-eeuws bouwkundig erfgoed binnen hun gemeente. Voorbeelden zijn Kalmthout, Brasschaat, Deurne, Mortsel, Nijlen, Wilrijk, Nieuwpoort, De Panne. Deze gegevens werden uitgewerkt in wandelgidsen of publicaties bij Roularta. 10 11 12 13 14

Geert Vanthuyne (Gemeente De Panne) werkt aan een doctoraatsverhandeling omtrent architectuur aan de Westkust. Voorlopig is deze informatie nog niet beschikbaar.
De dienst Monumentenzorg van de stad Mechelen is zeer actief op het vlak van inventarisatie. Samen met "Restauratie en integratie in Mechelen" (RIM) werkten ze wandelingen uit rond historisch erfgoed in de stad.
In Tielt, Torhout en Beernem had men in de gemeente voor het verschijnen van de gegevens van Bouwen door de Eeuwen Heen een eigen inventaris ter beschikking, die verwerkt is in Bouwen.

3 Heemkundige kringen15

De heemkundige kring van de Antwerpse polder vzw en de vzw Poldermuseum Lillo-Fort stelden een brochure samen onder de titel wandelen in Lillo-Fort en het Poldermuseum met aandacht voor het beschermd en niet-beschermd waardevol erfgoed in Lillo-Fort.

Heemkundige Kring De Vlierbes maakte in september 2001 een lijst van niet-beschermde waardevolle gebouwen in Beerse en Vlimmeren ( Antwerpen). Deze lijst was gebaseerd op Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen en vulde de gegevens daarvan aan.
De gemeente Zonhoven (Limburg) besteedt aandacht aan niet-beschermd waardevol erfgoed door de uitgave van de Kleine Gids voor Zonhoven, waarin een overzicht geboden wordt van beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen, van waardevolle gebouwen, gedenktekens, kunstwerken, enz. Alle gebouwen uit deze gids kregen een herkenningsteken.

De heemkundige kring van Mortsel geeft in hun tijdschrift regelmatig overzichten van landhuizen, villa's en herbergen. Ze werken al twintig jaar rond deze thema's.

4 Kwaliteiten en knelpunten

Een absoluut voordeel van een lokaal opgevatte inventaris is de grote kennis van het eigen erfgoed. Daardoor wordt veel vaker het historische of socio-culturele belang van het erfgoed duidelijk.
Een minpunt van deze projecten is de vaak beperkte ontsluiting. De publicaties zijn vaak enkel lokaal gekend en beschikbaar. Slechts in enkele gevallen biedt een website een publieke databank aan. Een duidelijk voorbeeld is de zeer uitgebreide reeks brochures die opgemaakt werd voor de verschillende Open Monumentendagen. Daar staat vaak nieuwe onderzoeksinformatie in die nergens anders gepubliceerd werd. Deze brochures zijn echter vaak enkel in de lokale bibliotheken beschikbaar en worden dus niet genoeg gebruikt.

2.4 Beeldbanken

2.4 Beeldbanken

Een type inventarissen dat heel vaak geografisch werkt, zijn de beeldbanken. Door de websitevorm zijn de gegevens voor elke onderzoeker toegankelijk. Talrijke lokale overheden, wetenschappelijke instellingen of erfgoedverenigingen bezitten een enorme schat aan iconografisch beeldmateriaal, dat recent werd gedigitaliseerd en beschikbaar gesteld via een beeldbank. Dit materiaal is bij de opmaak van nieuwe inventarissen zeer interessant als basis. De beeldbank van het VIOE is een recent voorbeeld. Een overzicht van deze beeldbanken wordt gemaakt door het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed (faro). Onder digitale collecties krijg je een overzicht van de bestaande beeldbanken en interessante links.

Belangrijke initiatieven rond digitaliseren van waardevol beeldmateriaal werden ontwikkeld door de Universiteitsbibliotheek Gent:

  • "recollecting landscapes": deze website herbergt een fotocollectie van huizen en gebouwen in gans België. De foto’s dateren van rond 1900 en ze werden ooit door het KIK (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium) aan UGent geschonken waar ze nu een nieuw leven krijgen. De collectie is toegankelijk via een kaartje van België en via namen of postnummers van gemeenten.
  • de digitalisering van de topografische collectie van de Universiteit Gent. Met meer dan 40.000 historische postkaarten, foto's, knipsels en gravures van steden, gebouwen, landschappen, monumenten en kunstwerken in België uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw biedt de topografische collectie een unieke blik op het culturele bouwpatrimonium van België.

Een steeds wisselende, virtuele verzameling postkaarten kan worden geconsulteerd op deze commerciële veilingsite. Het gaat hier niet om een beeldbank, maar om een tijdelijke collectie, die beschikbaar is zolang deze te koop wordt aangeboden.

Talrijke heemkundige kringen bezitten uitgebreide postkaarten- en fotocollecties.

  • Een voorbeeld is Turninum Volksmuseum Deurne vzw, dat een collectie van ca. 10.000 foto's en postkaarten verzamelde over Deurne. Ze willen dit uitbouwen als deel van een documentatiecentrum. De papieren collectie is geordend per onderwerp en bevat krantenartikels, nota's, plans, foto's (analoog en digitaal). De collectie is ter plaatse te raadplegen (Koraalplaats 2, Deurne – contact: F. Van Visschel). De digitalisering van de collectie is al voor een derde gerealiseerd.
  • De provincie Antwerpen werkte een belangrijke publicatie uit die dergelijke collecties met beeldmateriaal of beeldbanken in het bezit van erfgoedhouders aan het licht kan brengen: repertorium van lokale erfgoedhouders in de provincie Antwerpen, waarbij de collecties van de verenigingen opgesomd en toegelicht worden. 1

2.5 Thematisch - typologisch inventariseren

2.5 Thematisch-typologisch inventariseren

2.5.1 Gebouwd Erfgoed

2.5.1 Gebouwd erfgoed

2.5.1.1 Religieus erfgoed

1 Kerken en kloosters

Kerken en kloosters behoren tot het belangrijkste historische bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Van bij het begin van de inventarisatie werd veel aandacht besteed aan dit type gebouw binnen de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. Knelpunt van deze reeks is evenwel het niet gebiedsdekkend aanwezig zijn van alle 19de- en 20ste-eeuwse kerken. Deels omdat de eerste inventarissen een tijdslimiet van ca. 1850 oplegden, deels omdat de appreciatie van neostijlen en hedendaagse architectuur binnen de kerkenbouw sterk geëvolueerd is doorheen de tijd. Om deze hiaten op te lossen werden twee onderzoeksopdrachten uitgeschreven door de Vlaamse overheid

  • "Kerken in neostijlen" was een opdracht die in 2001-2003 door het Kadoc werd uitgevoerd in opdracht van de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen. Thomas Coomans kreeg de opdracht een overzicht te maken van de parochiekerken in neostijlen in Vlaanderen en bijkomend om een methodologie voor selectie te maken wat beschermingen betreft. De gegevens werden in boekvorm gepubliceerd 1 en in een accessdatabank gegoten, die bij het VIOE beschikbaar is. 2 De inventaris bevat een methodologie voor selectie van dit zeer talrijk aanwezige, maar weinig gekende erfgoed (1479 items). Een knelpunt is de onvolledigheid van de databank. Deze wordt niet systematisch, maar enkel naar aanleiding van beschermingsdossiers aangevuld. Er is weinig tekstinformatie beschikbaar; niet aan alle items werd een plaatsbezoek gebracht. Er is geen fotomateriaal voorhanden en de beleidsoptie is niet telkens ingevuld.
  • Het VIOE besteedt in 2008 een opdracht uit aan het Kadoc voor de inventarisatie van kerken en kloosters van 1914 tot 2000. Dit project is in juni 2008 opgestart in nauw overleg met de inventariscel van het VIOE. Het is de bedoeling om de bestaande VIOE-inventarisdatabank zo efficiënt mogelijk aan te vullen door uitwisseling van gegevens. Tevens moet een selectie gemaakt worden wat de beschermingsdossiers betreft. De nauwe samenwerking met het inventaristeam en de zeer ruime en gespecialiseerde wetenschappelijke begeleiding maakt dit project zeer beloftevol.

Een aantal belangrijke, klassieke publicaties richten zich op kerken en gebruiken vooral een opdeling per stijl. Zo zijn er overzichtswerken van bijvoorbeeld Romaanse kerken in een bepaalde streek, onder meer 3, of gotische architectuur enz. Deze werken kunnen als inventarissen worden gezien en bevatten vaak zeer bruikbare, wetenschappelijke informatie. Een opdeling per typologie komt ook voor bijvoorbeeld "kathedralen en kapittelkerken in België" van Delmelle 4. Omdat deze werken meer als monografieën van een bepaalde stijl of typologie opgevat werden met een inventarisatie als wetenschappelijke basis, bespreken we deze werken hier maar heel summier. In het hoofdstuk architectuurgeschiedenis van de onderzoekbalans, wordt per periode een overzicht gegeven van de belangrijkste basiswerken.

2 Kruisen en kapellen

De inventarissen van Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen besteden van bij de start van de reeks aandacht aan dit type klein religieus erfgoed. De kruisen en kapellen met voldoende erfgoedwaarde worden als apart item opgenomen. Andere worden vaak in de straatinleiding vermeld.

Kruisen en kapellen vormen een populair onderwerp bij talrijke erfgoedverenigingen, heemkundige kringen en lokale overheden. Er werden voor heel wat gemeenten inventarissen, wandel- en fietsgidsen gemaakt rond dit religieus erfgoed. De lijst met publicaties omtrent inventarisprojecten van kapellen is schier eindeloos. De inventarismedewerkers van Bouwen door de Eeuwen heen consulteren de plaatselijke werken zoveel mogelijk, de bibliografische referenties zijn grotendeels in Bouwen verzameld en werden zoveel mogelijk opgenomen in de bilbiografie van de onderzoeksbalans. De informatie die in deze inventarissen werd verzameld, bevat vaak de ontstaansgeschiedenis en belicht ook immateriële, devotionele facetten. Architectuurhistorische informatie is vaak minder prioritair. Meerdere eindverhandelingen nemen de inventarisatie van kapellen als uitgangspunt en werken de gegevens bouw- en kunsthistorisch verder uit.

Op de website van FARO is een pdf te downloaden van een tekst van Henri Vannoppen uit 2002 waarin een mooie stand van zaken, gekoppeld aan een uitgebreide bibliografie betreffende omgaan met kapellen als erfgoed wordt gegeven. Hierbij een samenvatting uit deze nota:
Jan Van den Broeck schreef een reeks artikelen Langs de kapellen van Antwerpen in het driemaandelijkse tijdschrift van het Verbond voor Heemkunde, Gouw Antwerpen.5 In Oost-Vlaanderen maakte Lut Bavay in 1981 haar licentiaatverhandeling over Kapellen en Kruisen te Mere. 6 Die werd in 1982 door de Heemkundige Kring van Erpe-Mere uitgegeven. A. Van Oostveldt maakte een inventaris op van de kapellen in Vlaams-Brabant in drie boeken: Het Hageland aan Maria 7, Het Pajottenland aan Maria 8 en Midden-Brabant aan Maria. 9 In 1974 begon Eigen Schoon en De Brabander met een actie rond kapellen en kruisen. Men wou zoveel mogelijk foto’s verzamelen rond de devotieoorden. Valeer Wouters maakte een boek rond Hageland en Vlaams-Brabants Haspengouw. 10 A. Roeck vulde dit aan met het artikel 'Kerken en kapellen in Midden-Brabant anno 1999', dat verscheen in Volkskunde. 11 Ook in Aarschot werden de kapelletjes geïnventariseerd. 12 De heemkundige kring Andreas Masius publiceerde in 1983 het boek Kapellen en Kruisen te Lennik. De Stichting Monumenten- en Landschapszorg, de ABB-Verzekeringen, de Landelijke Gilden en VTB-VAB kwamen in 1993 met het project De Kapelletjesbaan naar voren en dit op initiatief van Luc Devliegher. De bedoeling was de kapel op te waarderen als sociaal verankerd lokaal cultuurhistorisch erfgoed. Deze tijdelijke actie duurde tot 1997. Ca. 8000 kapelletjes werden door vrijwilligers geïnventariseerd, 43 dossiers voor restauraties werden goedgekeurd. In Vlaams-Brabant was er het project 'Kapelletjes' met als leidraad 50 basisvragen, waarin alle aspecten van de kapelletjes aan bod kwamen zowel deze als monumentwaardig gebouw als de hele devotiebasis. In Kortenberg in 1988 en in Haacht in 1998 werden fiets- en wandelpaden ingericht onder de term ‘De Fietsroute De Kapellekensbaan’ en ‘Haachtse Kapelletjesroute’. Ook tentoonstellingen werden aan kapelletjes gewijd zoals ‘Heilige Huisjes in het Hageland’ in 1999 in Huize Hageland in Tielt-Winge.

Om deze zeer omvangrijke, waardevolle, maar verspreide en vaak niet (goed) ontsloten inventarisinformatie van lokale initiatiefnemers te homogeniseren en een centralisatie mogelijk te maken, ontwikkelt VCM een inventarisfiche voor kruisen en kapellen.

Een aantal grote initiatieven houden zich actief bezig met de inventarisatie van kruisen en kapellen en werken overkoepelend. Op dit moment zijn de meest grootschalige initiatieven de inventaris op de site van het KADOC en het InterregIIIA-project van IGO Leuven.

2.1 KADOC

Via de website www.kadoc.kuleuven.be werd een enorme verzameling foto's van Dries Clauwaert en Marieke van Heukelom ontsloten. Ze bevat foto's van kapellen, grotten, kruisen, nisjes en andere vormen van volksdevotie in Vlaanderen, ook te consulteren via kapelletjes in Vlaanderen. Het is in de eerste plaats de bedoeling alle "officiële" kapellen, kapelletjes, grotten, kruisen en andere vormen van volksdevotie in Vlaanderen die als dusdanig op de topografische kaarten met het overeengekomen teken zijn aangeduid te inventariseren. Daarnaast worden ook alle "toevallige" kapelletjes in kaart gebracht die de auteurs op hun tochten ontdekten, meestal boomkapelletjes, gevelnisjes of heiligenbeelden in kloostertuinen en Mariaparken. Er wordt geen aanspraak gemaakt op volledigheid. 
Opgepast: deze inventarisatie is zeer volledig, maar bevat geen historische of bouwhistorische informatie.

2.2 IGO Leuven

Einde maart 2007 zette Europa het licht op groen voor het zogenaamde Interregproject IIIA  'Verborgen Monumenten: kruisen en kapellen' van het Vlaamse IGO Leuven en de Nederlandse Monumentenwacht Limburg, twee partners in de Euregio Benelux Middengebied. Beide organisaties zullen dankzij dit project gedurende een jaar grensoverschrijdend een gemeenschappelijk basissysteem uittesten om het vrij kleine maar waardevolle erfgoed van kruisen en kapellen een toekomst te garanderen. Deze monumenten zijn beeldbepalend in betrokken regio’s (zijnde het arrondissement Leuven in Vlaanderen en de provincie Limburg in Nederland) en vormen een belangrijke cultuurhistorische getuige in hun culturele identiteit. Bovendien zijn deze locaties zeer betekenisvolle plekjes met een karakteristieke historische, volksdevotionele, sociale waarde. De doelstelling is dubbel: er wordt in functie van behoud en beheer van dit kwetsbare erfgoed bouwfysische informatie verzameld en er wordt ook sensibiliserend/informerend gewerkt. De veldwerkfiche die getest wordt, wordt afgetoetst met VCM en bevat ook bouwhistorische informatie. Er wordt een website gebouwd om de databank te ontsluiten.
Voor andere provincies werden ook al grootschalige inventarisprojecten van kapellen en kruisen gedaan. Bij het Verbond voor Heemkunde werd voor de provincie Antwerpen in 1997 door H. Geybels een synthesewerk gemaakt op basis van de beschikbare, door heemkundige kringen samengestelde, literatuur. Behalve met een boek, werd het project 'Langs deze weg zet gene voet...De kapellen van de provincie Antwerpen' afgesloten met een rondreizende tentoonstelling waarbij oorsprong, achtergrond, devotie en monumentwaarde van dit patrimonium werden belicht. 13
In de provincie Vlaams-Brabant bouwde men verder op de tijdens dit project opgedane ervaring en werkt een team heemkundigen onder leiding van H. Vannoppen aan een syntheseboek over de kapellen van de provincie Vlaams-Brabant. Op basis van eerdere inventarismodellen, lokaal en regionaal, werd een uitgebreide vragenlijst opgesteld. Met deze leidraad van 50 basisvragen komen alle aspecten aan bod, die ruimer zijn dan alleen de kapel als monumentwaardig gebouw, maar de hele devotiebasis bestrijken.
Valentin Degrande deed hetzelfde voor West-Vlaanderen. Hij inventariseerde 2.530 weg- en veldkapellen in West-Vlaanderen en verzamelde die in een publicatie. Van elke kapel maakte hij een gedetailleerde fiche met beschrijving, foto, literatuur en ligging. Het resultaat zit in dikke mappen die in het provinciale tolhuis in Brugge geraadpleegd kunnen worden. Om het geheel overzichtelijk te maken heeft de auteur de kapellen ingedeeld naar de bouwvorm.
Voor Oost-Vlaanderen vonden wij een werk van Van Vlierberghe dat de kapellen uit het Waasland samen brengt. 14

3 Roerend religieus erfgoed

Strik gezien is dit roerend erfgoed niet de bevoegdheid van het VIOE. Omdat men er van bij het begin van de inventarisatie en bescherming als monument van het bouwkundig erfgoed is van uitgegaan dat het roerend religieus erfgoed in een optimaal scenario integrerend deel uitmaakt van kerken, kloosters of kapellen, wordt binnen de onderzoeksbalans toch de nodige aandacht aan dit erfgoed besteed.
Ook in Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen wordt bij elke opgenomen kerk een bondig overzicht gemaakt van de belangrijkste roerende goederen, gebaseerd op de informatie van het KIK, die ter plaatse geverifieerd wordt en, indien beschikbaar, aangevuld met gepubliceerde gegevens.

3.1 Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium (KIK)

Een van de meest ambitieuze inventarisprojecten van roerend erfgoed is het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, uitgegeven van 1972 tot 1983 en bestaande uit 214 delen. Het is een project van het KIK. Het VIOE zal in de planning van 2009 werken aan de link tussen de on-line fototheek van het KIK en de centrale inventarisdatabank van het bouwkundig erfgoed Bouwen door de Eeuwen heen.
In 1900 wordt het Fotografische Atelier van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis opgericht. In 1920 richten de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis de Dienst voor Belgische Documentatie op. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bezitten de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis ongeveer 30.000 negatieven, waaronder een 12.000-tal die waren afgekocht van Duitsland op de rekening van de marken die na de Eerste Wereldoorlog geblokkeerd waren (in het bijzonder glasnegatieven 40x40cm). In juli 1940 beginnen de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis bij hoogdringendheid een fotografische inventaris voor het Commissariaat Generaal voor 's Lands wederopbouw. Tussen 1941 en 1945 worden zo meer dan 165.000 negatieven gemaakt. Volgende gebouwen en voorwerpen komen voor de opnamen in aanmerking: monumenten en kunstvoorwerpen van voor 1840, zowel burgerlijke als kerkelijke gebouwen, musea, maar ook oude glasramen die uit de gebouwen waren verwijderd, torenklokken (die in 1943 werden opgeëist), werken die overgebracht waren naar de schuilplaatsen te Gent, Antwerpen, Brussel en het kasteel van Lavaux Saint-Anne (meesterwerken uit de musea van Brugge, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, het Museum Plantin- Moretus en het Antwerps Prentenkabinet. In 1943 wordt het Fotografische Atelier van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis bij de Dienst voor Belgische documentatie toegevoegd en kan het rekenen op een ploeg van een veertigtal personen.
Dankzij lokale wetenschappelijke medewerkers en fotografen wordt de inventaris na de oorlog uitgebreid. In 1948 wordt de ACL opgericht. In 1957 wordt het ACL het KIK. Om de verzameling te vervolledigen koopt men ook fondsen aan bij andere instellingen of bij privé-fotografen. Deze fondsen, waarvan sommigen tot in de 19de eeuw teruggaan, zijn erg waardevol omdat ze een vaak verdwenen toestand oproepen van een landschap, het aspect van een gemeente of een gebouw.
In 1967 gaven de ministers van Cultuur aan het KIK de opdracht om een versnelde inventaris te maken van het meubilair in de Belgische bedehuizen. Het was een dringende opdracht, omdat door het Tweede Vaticaans Concilie verscheidene wijzigingen waren ingevoerd met betrekking tot de liturgie en de kerkelijke kalender; hierdoor raakten onder meer sommige kerkmeubelen zoals de communiebank of de preekstoel in onbruik. In elke provincie werd een kunsthistoricus aangeworven om deze inventarisatieopdracht uit te voeren, vertrekkende van de bestaande documentatie. Indien nodig werden aanvullende fotografische opnamen uitgevoerd door privéfotografen. Elk waardevol voorwerp werd beschreven en gefotografeerd. De publicatie van het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen (FMBB) vormt er de neerslag van; het is een enig instrument voor het beleid en een basiswerk voor de wetenschap. De publicatie van de bedehuizen van België werd ingedeeld per kanton en beslaat 213 delen. In het FMBB worden alle voorwerpen per bewaarplaats opgenomen; na de beschrijving van het gebouw waarin ze voorkomen, worden de voorwerpen vermeld met een elementaire kunsthistorische identificatie; de ordening van de voorwerpen gebeurt volgens het in het KIK gangbare trefwoordensysteem. Elke identificatie wordt gevolgd door de nummers van de foto’s die er op het KIK van bewaard zijn. De fotorepertoria zijn bijzonder interessante hulpmiddelen voor de kerkfabrieken, die jaarlijks verplicht zijn een inventaris op te maken, bestemd voor het controlerende provinciebestuur.
Er worden door het KIK ook zendingen naar het buitenland ondernomen om belangrijke Belgische kunstwerken te fotograferen of om de restauratie van in België bewaarde werken te documenteren. Vanaf 1990 worden voor de fotografische inventaris ook kleurenopnamen gemaakt. Vanaf 2000 maakt het KIK digitale opnamen. Op dit moment bestaat de collectie uit meer dan 900.000 zwart-wit- en kleurenfoto’s waarvan het gros op deze fototheek te consulteren valt. De oudste documenten dateren van het einde van de 19de eeuw. Dit fonds wordt voortdurend aangevuld dankzij fotografische zendingen en door het documenteren van restauraties, uitgevoerd op het KIK.

3.2 Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC)

Het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur vzw werd in 1997 opgericht met als doel de instandhouding en de valorisatie van het waardevolle culturele erfgoed van de kerkelijke instellingen in Vlaanderen. Eveneens wil het centrum de hedendaagse religieuze kunst en cultuur in al haar uitingsvormen bevorderen.

Het centrum fungeert als adviescentrum voor het beheer, de instandhouding, de valorisatie, de conservering en restauratie en de presentatie van het kerkelijk kunst- en cultuurpatrimonium. Bij het centrum kunnen congregaties, klooster- en abdijgemeenschappen, parochies en katholieke instellingen (bv. scholen, ziekenhuizen) maar ook families en privépersonen terecht met hun vragen op het gebied van het kerkelijk cultuurhistorisch erfgoed. Verder houdt het zich bezig met vorming en sensibilisatie via onder andere het organiseren van studiedagen, tentoonstellingen en door op termijn een Museum voor Religieuze Kunst en Cultuur te openen.
Een hoofdtaak van het centrum is de kloostergemeenschappen bijstaan bij het behoud en beheer van hun erfgoed. Het centrum ontwikkelt onder meer belangrijke initiatieven op het vlak van de inventarisatie van het roerend kerkelijk kunst- en cultuurpatrimonium van deze instellingen. Op verzoek van de betrokken religieuze gemeenschap kan het centrum het materiële beheer van de collectie in een goed uitgerust depot overnemen.

De inventaris van het CRKC, die is ondergebracht in de databank ‘Religieus Erfgoed in Vlaanderen’, werd in 2004 ontwikkeld voor de registratie van religieus erfgoed van privaatrechtelijke religieuze instellingen, zoals kloosters en abdijen. In 2006 werd op vraag van de Provincie Oost-Vlaanderen de databank aangepast om ook openbaar religieus erfgoed beheerd door de kerkbesturen te registeren. Sinds 2008 is de provincie Antwerpen partner van dit project, cf. infra. Dit inventarisatieproject is tevens één van de pilootprojecten voor het VIOE om de mogelijkheden van linken vanuit en met de inventarisdatabank van het bouwkundig erfgoed te onderzoeken.

Bij het zoeken in de databank krijgt men niet de volledige objectfiches te zien, maar een beperkte selectie van de registratievelden bedoeld voor het grote publiek. Voor het raadplegen van de volledige gegevens op de CRKC-databank werden verschillende toegangsniveaus of gebruikersgroepen aangemaakt. Indien gewenst kunnen onderzoekers, eigenaars, collectiebeheerders met een log in en paswoord meer lees- en/of schrijfrechten aanvragen …, de uitgebreide fiches kunnen bekeken worden naargelang de toegekende rechten.

In de publieke objectfiches, die beperkte informatie weergeven, kan gezocht worden op objectnaam of vervaardiger. Men kan een uitgebreide zoekopdracht invoeren en zoeken op titel, objectnaam, vervaardigers, stijl, perioden, plaats van ontstaan, materialen, technieken en toestand algemeen. Als men wil zoeken op locatie heeft men uitgebreide toegangsrechten nodig . Elke gezocht object werd voorzien van één of meerdere duidelijke afbeelding.

3.3 Provincie Antwerpen

De provinciale overheden zijn bij wet verplicht om de inventarissen van het roerend erfgoed van de kerkfabrieken bij te houden. De provincie Antwerpen voert hierin sinds 1975 een actieve politiek en helpt de kerkfabrieken mee bij het inventariseren. In totaal bezit de provincie ca. 385 inventarissen, met ca. 200.000 opgenomen items.
Knelpunten zijn de onvolledigheid van de inventarissen: ze zijn grotendeels door niet-gevormde vrijwilligers opgemaakt, de inventarissen zijn onderhevig aan modeverschijnselen en daardoor selectief, beschrijvingen zijn vaak ondermaats, beeldmateriaal ontbreekt vaak.

Er is een papieren, niet gepubliceerde vorm van de inventaris, bestaande uit fiches met volgende gegevens: nr., typologie, auteur, datering, materiaal, technische gegevens, korte beschrijving, opschriften, plaats van bewaring. Deze kunnen geconsulteerd worden bij de dienst Erfgoed van het Provinciebestuur Antwerpen (contact: Marc Mees, Jan Geudens, Ann Bries). Ongeveer 20% van de gegevens werd in een databank gedigitaliseerd, die niet online beschikbaar is. Het project sloot zich onlangs aan bij het inventarisatieproject van het CRKC, wat extra mogelijkheden kan bieden voor de ontsluiting van deze waardevolle gegevens.

2.5.1.2 Woningen

In Bouwen door de Eeuwen heen vormen de woonhuizen het belangrijkste bestanddeel van de inventaris, gaande van zeer bescheiden arbeiderswoningen tot rijke herenhuizen.

De vzw Ar-Tur, een Turnhoutse architectuurvereniging maakt met een subsidie van de Vlaamse Gemeenschap (Cultuur) een inventaris op van de hedendaagse architectuur in de regio Turnhout. Daarmee wil het een aanvulling bieden op de gegevens van Bouwen door de Eeuwen heen in die regio. De inventarisatie zal uitgevoerd worden door architect Saskia Kloosterboer. Er is contact met het VIOE om de ontsluiting van de gegevens te optimaliseren.
De vriendenkring van de stadsgidsen van Blankenberge maken sinds 2001 een inventaris op van art nouveau-architectuur in Blankenberge en spitsen zich daarbij toe op tegels en smeedwerk. De inventaris bevat ca. 90 items en heeft als bedoeling dit erfgoed te promoten en te laten beschermen. Een gelijkaardige inventarisatie werd opgemaakt voor het interbellumerfgoed en bevat 86 items. Door de wandelbrochures van beide thema's komen toeristen in aanraking met het patrimonium, verkrijgbaar bij het VVV-kantoor van Blankenberge en bij Alberta Vanasbroek. Kwaliteiten van deze brochures zijn de sensibiliserende functie: ze worden erg veel verkocht, ook aan toeristen. Nadeel is de beperkte beschikbaarheid van de gegevens en de soms beperkte wetenschappelijke informatie en beeldmateriaal.
Veel gemeentebesturen en heemkundige kringen houden zich bezig met de opmaak van een inventaris van een deel van het bouwkundig patrimonium van hun gemeente; heel vaak gaat dit om woonhuizen. Deze gegevens zijn ter plaatse beschikbaar in de vorm van wandelgidsen, brochures, folders Open Monumenten dag of uitgegeven in een publicatie.
Het thema Wonen van Open Monumentendag 2007 bracht heel wat lokale initiatieven tot stand. Veel brochures geven een overzicht van waardevolle woningen binnen een provincie of gemeente. Een heel mooi voorbeeld is "Van tuinwijk tot hoogbouw. Woonwijken in Waregem, 1922-1977", uitgaande van een inventarisatie van de woonwijken. 1
Een recent initiatief is "Historische huizen Vlaanderen", een netwerk van waardevolle, voor het publiek opengestelde woonhuizen. De website biedt een (voorlopig erg kort) overzicht van waardevolle huizen in Vlaanderen waarbij de samenhang tussen collectie en gebouw centraal gesteld wordt.

2.5.1.3 Kastelen en landhuizen

De erfgoedwaarde van kastelen en landhuizen is een evidentie. Ze zijn dan ook goed vertegenwoordigd in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. Knelpunt is opnieuw dat niet alle 19de- en 20ste-eeuwse kastelen en landhuizen systematisch werden geregistreerd, omdat de eerste inventarissen de tijdslimiet van ca. 1850 hanteerden, maar ook omdat de appreciatie van neostijlen sterk evolueerde de laatste decennia.

De twee boekdelen van het Groot Kastelenboek van België gelden nog steeds als basisbron voor deze typologie, maar zijn dringend aan actualisatie toe, vooral wat betreft 19de-eeuwse of jongere kasteeldomeinen. 12
Een gelijkaardige publicatie is Van kasteel tot kasteel, een grootschalige, tiendelige reeks van Paul Arren. 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 In deze inventaris worden nagenoeg alle kastelen en landhuizen opgenomen, maar de publicatie spitst zich vooral toe op heraldiek en familiegeschiedenis. Er wordt een bondige historiek gegeven bij elk kasteel, bouwkundige gegevens ontbreken echter bijna altijd.
Talrijke eindverhandelingen en lokale publicaties nemen een stuk inventarisatie van kastelen en landhuizen in hun streek op zich. Vaak is daar zeer waardevolle bouwkundige informatie uit te halen.
Het Regionaal Landschap Dijleland vzw is bezig met inventarisatie van ijs- en groentekelders; ijskelders zijn typische elementen die horen bij kasteeldomeinen. De bedoeling is om een prioriteitenlijst op te stellen van welke objecten in aanmerking komen voor een opwaardering. 14
D'Hoine maakte een inventarisatie van ijskelders in Vlaanderen en Brussel, een zeer interessante en wetenschappelijke studie. 15
De gemeente Boechout heeft een inventaris van hoven van plaisantie en landhuizen uit de 19de eeuw. Bouwen door de Eeuwen heen is wat betreft de boekdelen 10n1,2 en 3, die de groene gordel rond Antwerpen behandelen, niet volledig.
"Vreemd Gebouwd", een publicatie van de provincie Antwerpen rond invloeden van vreemde bouwstijlen op de architectuur in Antwerpen, bevat twee zeer interessante inventarissen die vaak met een kasteeldomein of landhuizen te maken hebben, nl. inventarisatie van chinoiserieën en japonaiserieën. 16

2.5.1.4 Landelijk erfgoed

Bouwen door de Eeuwen heen heeft van bij het begin ruim aandacht besteed aan landelijke architectuur. Dit type is in de hele reeks ruim vertegenwoordigd. In de delen van Vlaams-Brabant dient men in acht te nemen dat 19de- en 20ste-eeuwse boerderijen ontbreken. Bescheiden hoeves worden in de oudste delen vaak niet opgenomen. Opvallend is ook dat men zich in de oudste delen streek per streek vooral richt op een specifiek type zoals bijv. leembouw en daarbij de andere, "gewonere" types soms uit het oog verliest.

Wetenschappelijke publicaties over landelijke erfgoed zijn nauwelijks voorhanden. Inventarissen zijn er niet, behalve de klassiekers van Tréfois, waaronder een aantal fotoboeken die als inventaris opgevat zijn. Deze inventarissen en de bijhorende typologische en vormgerichte indeling van de hoevetypes zijn dringend aan actualisatie toe. 1 2 3 Ze hebben nog absoluut hun waarde, omdat ze goed weergeven welke hoeves toen al als waardevol beschouwd werden en omdat ze interessant beeldmateriaal bevatten. De publicatie van Goedseels "Op land gebouwd" werkt grosso modo op dezelfde manier verder en geeft ook een selectie van de meest typische hoeves per streek. 4 Ronse en Raison zijn een belangrijke bron voor West-Vlaanderen. 5 Auteurs als Laenen, Weyns De Maesschalkck en Claerhout zorgen samen voor een goed overzicht van de verschillende boerderijtypes in België. Nergens echter een volledige, systematische inventarisatie.

Sinds juli 2003 is een inventarisatieproject bezig omtrent bakovens: "Red de Bakovens." Deze inventarisatie behelst zowel de bestaande als de verdwenen bakovens voor privégebruik, waarbij momenteel 2 746 bestaande bakovens geïnventariseerd werden. Rond dit project werd een databank gebouwd die beschikbaar is via de website van het Museum van Oude Technieken. Deze databank wordt samengesteld met gegevens die vrijwilligers op een beschikbare invulfiche kunnen noteren.
De doelstellingen van de inventaris zijn: Het onderzoek en/of de bescherming mogelijk maken door historische documentatie samen te brengen, vergelijkingsmateriaal leveren als ondersteuning bij de handleiding van het restaureren/bouwen van een bakoven (hoe ziet een bakoven in jouw buurt er uit ?) en het publiek sensibiliseren: interactiviteit in de hand werken door vrijetijdsbesteding te bieden en geïnteresseerden te helpen.
Positief is dat de inventaris door het publiek zelf wordt aangevuld en verbeterd. Door de grote interesse groeit de inventaris daadwerkelijk en wordt hij opgevolgd. Omdat bakovens als "verplicht" uitgangspunt zijn gesteld, is het in te vullen formulier laagdrempelig gebleven. Men kan er desgewenst bijkomende informatie aan toevoegen. Er is ten slotte veel beeldmateriaal beschikbaar. Er zijn een aantal hiaten: doordat de inventaris door het publiek wordt aangevuld, is de inventaris niet systematisch aangepakt, niet volledig en niet altijd wetenschappelijk.

  • Er is tevens een publicatie rond bakovens.6
  • Het Regionaal Landschap Dijleland vzw is bezig met inventarisatie van ijs- en groentekelders. Groentekelders maken soms deel uit van een hoeve. Bedoeling is om een prioriteitenlijst op te stellen van welke objecten in aanmerking komen voor een opwaardering.7
  • De heemkundige kring van de gemeente Baarle-Hertog maakte een inventaris op van rurale architectuur, in samenwerking met de Nederlandse gemeente Baarle-Nassau. Het is niet duidelijk waar deze gegevens beschikbaar zijn.
  • Rosmolens in West-Vlaanderen: een zeer interessante, wetenschappelijke inventaris van dit verdwijnend type landelijk erfgoed voor West-Vlaanderen. Veel rosmolens verdwenen ondertussen. 8
  • Anne Marie D'Hooghe maakte voor West-Vlaanderen een zeer interessante inventarisatie rond bergschuren. Nadeel is dat dit werk aan actualisatie toe is, zowel inzake de benadering van de typologie, de status van de gebouwen als van de adresgegevens. 9
  • De provincie West-Vlaanderen werkt aan een inventarisatie en publicatie rond bergschuren, op basis van de talrijke metingen.
  • Suzan Jurgens voerde in 2006 en 2007 in samenwerking met de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon een onderzoek naar de paalschuren (of hooibergen) in België. In de bijhorende inventarisatie werden 57 paalschuren bekeken.

2.5.1.5 Militair erfgoed en oorlogserfgoed

In de reeks Bouwen door de Eeuwen heen is van bij het begin aandacht besteed aan historische vestingbouw. Kleiner militair of oorlogserfgoed (bijv. bunkers) werd sporadische en niet systematisch opgenomen, vaak in de straatinleiding. Militaire kerkhoven (in de Westhoek) werden niet systematisch opgenomen.

  • Simon Stevin -Vlaams Vestingbouwkundig Centrum - vzw houdt zich al jaren bezig met vestingbouwkundig erfgoed. Hun wetenschappelijk onderbouwde projecten en publicaties zijn terug te vinden op hun website. De vzw werkt als basis voor al deze publicaties al jaren aan verschillende inventarisprojecten. Ze kampen echter met het probleem dat deze informatie niet gedigitaliseerd is. Een eerste inventaris is die van vestingbouw, een tweede van forten en schansen, een derde van linies (incl. bunkerstellingen), een vierde van kunstverdediging en ten slotte een vijfde rond het ijzerfront en de Ieperboog van de Eerste Wereldoorlog. Deze vereniging staat bekend voor zijn gespecialiseerd advies aan de inventaristeams van de Vlaamse Gemeenschap en voor zijn input voor beschermingsdossiers omtrent dit erfgoed. Zij bezitten een enorme hoeveelheid inventarismateriaal dat niet gepubliceerd werd.
  • Een belangrijke inventaris van de provincie West-Vlaanderen is die van de oorlogsgedenktekens. 1 Dit is een zeer gedetailleerde, wetenschappelijke en volledig van foto's voorziene publicatie.
  • het Regionaal Landschap Dijleland vzw is bezig met inventarisatie van bunkers (vnl. KW-linie) en met ijs- en groentekelders. De bedoeling is om een prioriteitenlijst op te stellen van welke objecten in aanmerking komen voor een opwaardering. 2
  • Het VIOE cofinancierde een aantal onderzoeksprojecten rond de Eerste Wereldoorlog. Het eerste project betreft een samenwerkingsovereenkomst met de provincie West-Vlaanderen voor een inventarisatieproject van materiële relicten van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek. De provincie West-Vlaanderen selecteert twee onderzoekers, die een analyse maken van publicaties, inventarisfiches etc. Zij voeren daarnaast aanvullend terreinonderzoek uit. Het gehele inventarisatieproject kadert in een rechtstreekse vraag van het kabinet van Grembergen dat de relicten van als werelderfgoed wenste te laten erkennen en in het vijfjarenproject ‘De Westhoek: oorlog en vrede' van de provincie West-Vlaanderen. Minister Van Mechelen zet dit project verder onder de noemer "Inventarisatie 1914-2014".

De externe studie “Sensibilisatie i.v.m. oorlogserfgoed in de Westhoek” was een project dat in de periode 2003-2005 voortbouwde op de samenwerking tussen het Vlaams Gewest en de provincie West-Vlaanderen m.b.t. de creatie van een snelinventaris van de nog aanwezige relicten van de Eerste Wereldoorlog langsheen de frontlijn en het niet-bezette gebied in West-Vlaanderen.
In het belang van de vrijwaring van het via de inventaris in kaart gebrachte oorlogserfgoed worden sensibiliserende acties uitgewerkt met betrekking tot het beheer, behoud en onderhoud van dit erfgoed. De studie omvatte 3 luiken: de medewerking aan de overzichtspublicatie “De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek” 3 van de uitgeverij Lannoo, de begeleiding van de integratie van de inventaris over oorlogsrelicten in de online databank inventaris Bouwkundig erfgoed op Vlaams niveau en de redactie van een ‘vademecum’ voor lokale overheden over de omgang met oorlogserfgoed (publicatie voorzien in 2009).

2.5.1.6 Industrieel erfgoed

In het hoofdstuk van de inventarissen kunnen we ook de subcategorie van de inventarissen van het industrieel erfgoed plaatsen. Voor een verdere precisering van de stand van het onderzoek van het industrieel erfgoed verwijzen we naar de gelijknamige subcategorie in het hoofdstuk bouwkundig erfgoed.

Voor wat het onroerende van het industrieel erfgoed betreft, is de reeks Bouwen door de eeuwen heen nog steeds het meest gebiedsdekkende werk. Dit geldt echter alleen voor de latere publicaties waarin het industrieel erfgoed werd opgenomen. De oudste publicaties vormen hierin een leemte.

Over het algemeen zijn er voor het specifieke onderdeel van het industrieel onroerend erfgoed nog maar weinig inventarissen beschikbaar. Een eerste inventaris kwam er in 1986 met de publicatie van Industriële Archeologie in België door Patrick Viaene, met bijdragen van René De Herdt. De publicatie omvat het volledige land en behandelt alle typologieën. Jammer is dat de beschrijvingen erg kort zijn en dat er niet voor alles beeldmateriaal voorzien is. Hoewel deze informatie ondertussen verouderd is, is het nog steeds de enige inventaris die zo gebiedsdekkend en algemeen is. 1

De beschikbare inventarissen handelen voornamelijk over een deelonderwerp van de industriële archeologie. Zo springen de in boekvorm gepubliceerde inventarissen wat betreft het molenpatrimonium het meest in het oog. Zij waren zeker bij heemkundige kringen een geliefd onderwerp vanaf de jaren 1970. In West-Vlaanderen werden zowel wind-, water- als rosmolens door het provinciebestuur op een wetenschappelijke manier onderzocht en gepubliceerd onder leiding van Luc Devliegher. 2
Vele moleninventarissen werden opgesteld door Herman Holemans en uitgegeven door de studiekring ‘Ons Molenheem’. 3 4 5 6 7 8 9 Deze vaak regionale inventarissen willen een aanzet geven tot onderzoek, maar zijn vaak geen uitgebreide inventarissen en bevatten weinig informatie. Vaak gaat het om volgende gegevens: molennaam, waterloop, oprichtingsdatum, aard van de molen, kadasternummer, plaatsaanduiding in de gemeente,…met weinig aandacht voor het technische aspect van de molens.
Een zeer uitgebreide databank is deze van de molenecho’s ( de databank maakt deel uit van de molendatabase), die het volledige grondgebied van Vlaanderen beslaat en alle soorten molens opneemt. Per molen is er een fiche voorzien met zoveel mogelijk informatie en een korte beschrijving met bibliografie. Eveneens is elke fiche voorzien van fotomateriaal. Ook de databank van molenwacht Oost-Vlaanderen biedt een goed overzicht en wil alle molens van de provincie grondig in kaart brengen. De hedendaagse toestand wordt aan de hand van foto's en teksten gedetailleerd verzameld in een databank. Deze gegevens kunnen worden geraadpleegd met het oog op restauratie en wederopbouw van een molen. Deze databank is aan de vorige databank gelinkt per fiche. De belangrijkste publicaties en databanken bieden samen een volledig, grotendeels wetenschappelijk verantwoord overzicht van het molenbestand in Vlaanderen.

Voor andere deelthema’s binnen het industriële erfgoed zijn de inventarissen veel schaarser. Een aantal werken is zeer bruikbaar, omdat ze een volledig en zeer gespecialiseerd overzicht bieden van de typologie in Vlaanderen of zelfs België en dus gebruikt kunnen worden als basis voor een gespecialiseerd beleid. Wij denken aan de 'Stationsarchitectuur in België' 10 11 en 'Watertorens in België'. 12
‘Stationsarchitectuur in België’ wil een eerste stap zetten naar de inventarisatie van het Belgische spoorwegpatrimonium, door de stationsgebouwen te behandelen. Het werk hanteert een ordening volgens bouwstijl en typologie en is zeer rijk geïllustreerd.
‘Watertorens in België’ is een grondige studie rond de verschillende types watermolens en bevat een overzichtslijst van alle bestaande watertorens in België met kort weergeven het adres, het bouwjaar en de typologie.

Een recent opgestart inventarisatieproject dat zal uitmonden in een databank betreft de fabrieksschouwen in Vlaanderen, 'belforten van de arbeid'. Deze inventaris heeft niet tot doel een wetenschappelijke inventaris te zijn, maar dient om de belangstelling voor fabrieksschouwen op te wekken en onder de aandacht te brengen.

Geleidelijk aan komen er steeds meer regionale projecten die aandacht hebben voor streekgebonden industrieel erfgoed. Zo komt er bijvoorbeeld een inventaris van het industrieel erfgoed in de Rupelstreek (publicatie voorzien in maart/april 2008) in opdracht van het samenwerkingsverband Musea Rupelstreek. De doelen van deze inventaris zijn het onroerende in kaart brengen en eveneens het grote publiek laten kennis maken en sensibiliseren rond onroerend erfgoed. Nog een voorbeeld hiervan is de recente inventaris van het bouwkundig hoperfgoed in de Westhoek met medewerking van de vereniging De Keteniers. 13 14 15 16

Er komen ook steeds meer databanken online die betrekking hebben op het industriële erfgoed. Verder zijn er nog de databanken van de erfgoedcellen. Bijvoorbeeld voor het industriële erfgoed kunnen volgende beeldbanken van belang zijn: de beeldbank van het mijnerfgoed van de Mijn-erfgoedcel en de beeldbank van het vlaserfgoed binnen de Provinciale Dienst voor Cultuur van West-Vlaanderen. De beeldbank van de Mijn-erfgoedcel wil voornamelijk het beeldmateriaal van de mijnstreek bekend maken bij de bewoners van de mijnstreek en het roerend erfgoed van de mijnstreek zo ontsluiten en promoten. Haar doel is dus niet wetenschappelijk.

De twee verenigingen die in het Vlaamse landschap actief zijn op het vlak van het industrieel erfgoed zijn de koepelverenging en het contactforum Steunpunt voor Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed (SIWE www.siwe.be 1996) en de vrijwilligersvereniging Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vzw (VVIA – Vlaanderen en Brussel – http://www.vvia.be - 1978). VVIA heeft niet tot doel om inventarissen op te stellen. Wel sporen ze aan tot medewerking aan dergelijke initiatieven. SIWE lanceert en ondersteunt inventariscampagnes. Beide verenigingen hebben een tijdschrift, namelijk SIWE-Magazine en Industrieel Erfgoed in Vlaanderen, sinds 2000 verder gezet in het Vlaams-Nederlandse tijdschrift Erfgoed van Industrie en Techniek. Nog een tijdschrift in het landschap van het industrieel erfgoed is TIC (Tijdschrift voor Industriële Cultuur) dat gepubliceerd wordt door het MIAT (Museum voor Industriële Archeologie en Techniek).

Er komen dus geen inventarissen van de grote koepelverengingen, maar meer uit de hoek van regionale en lokale verenigingen. Zo zijn bijvoorbeeld vele kleinere moleninventarissen opgesteld door de vereniging Ons Molenheem. Voor de molens is er het tijdschrift Molenecho’s, Vlaams tijdschrift voor molinologie.

De "Belgian Aviation History Association" (BAHA) maakt sinds 2006 een database van "aviation heritage" of erfgoed van de luchtvaart in België. De inventaris bevat ca. 1100 items, nl. sites die belangrijk zijn voor de Belgische luchtvaartgeschiedenis. De inventaris groeit sterk en snel aan, waardoor de vereniging IT-support nodig heeft. De vereniging maakte een bundel van zijn eerste resultaten in 2007. 17

Vindplaatsen

Het MIAT bevat een uitgebreide bibliotheek die zich gespecialiseerd heeft in alles wat met industriële cultuur te maken heeft. Deze bibliotheek heeft een databank die echter online niet te raadplegen is. Verder werkt het MIAT mee aan de Bibliografie industriële archeologie en industrieel erfgoed – België. Dit is een zeer uitgebreide onlinebibliografie, die sinds 1991 jaarlijks verder gezet wordt in het TIC. Het moet gezegd dat niet alle werken aanwezig zijn in de bibliotheek van het MIAT.

Voor de provincie Oost-Vlaanderen bestaat er een grondig overzichtswerk met een uitgebreide bibliografie voor het industrieel erfgoed. 18

2.5.1.7 Gebouwen voor cultuur en vermaak

"Een hart voor volkscafés" is een project van Volkskunde Vlaanderen vzw. Sinds 1992 is Volkskunde Vlaanderen vzw erkend door de Vlaamse gemeenschap als landelijk organisatie voor volkscultuur. Volkscafés zijn met uitsterven bedreigd. De sociale functie van het buurtcafé staat onomstotelijk vast. Maar de toekomst van het buurtcafé ziet er somber uit. Vaak wordt geen overnemer gevonden als een uitbater stopt. Met het vaak kostbare interieur gaat eveneens het sociale gebeuren in zo’n café verloren. Ons cultureel erfgoed krijgt dan wel extra aandacht, maar vreemd genoeg worden de volkscafés schromelijk over het hoofd gezien. Volkskunde Vlaanderen vzw vindt dan ook dat het tijd wordt om de volkscafés in de kijker te zetten, dat volkscafés beter moeten beschermd worden. Daarom werkt men aan een inventarisatie van dit erfgoed, dat een combinatie is van roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Volkskunde Vlaanderen vzw is een erkende landelijke organisatie volkscultuur die de volkskunde vanuit een hedendaags perspectief bestudeert en onder de aandacht brengt. Volkskunde Vlaanderen vzw werkt mee aan de opbouw van een stevig netwerk rond het thema volkskunde. Onze vijf pijlers: feestcultuur, religieuze cultuur, verzamelcultuur, verhaal- en liedcultuur en leefcultuur. In dit netwerk neemt Volkskunde Vlaanderen vzw de taak op zich van coördinator, ondersteuner en stimulator.
Een gelijkaardig, maar niet gesubsidieerd project is de inventarisatie van danszalen. Radio Modern en vzw Dans'ant ( contactpersoon Cornelis Vanistendael) zijn allebei bezig met het in kaart brengen van de nog bestaande zalen die in het verleden of tot op heden voor bals en dansavonden werden gebruikt. De doelstelling van Radio Modern is deze locaties hergebruiken voor bals en dansfeesten in jaren 1950-stijl. De opzet van vzw Dans'ant is meer wetenschappelijk en kadert in een algemeen onderzoek naar historische danscultuur.

1 Muziekkiosken

Een interessante eindverhandeling aan de Universiteit Gent werd door Van Haevermaet gemaakt over de muziekkiosken in West-Vlaanderen. Volledig, systematisch en wetenschappelijk opgevatte inventaris. 1 Voor het Meetjesland werd een gelijkaardige inventarisatie opgevat door de provincie Oost-Vlaanderen in 2002. 2

2 Cinemazalen

De databank ‘huizenonderzoekbrugge’ biedt eveneens een inventaris van cinemazalen. Er kan gezocht worden op kaart (tot perceelsniveau) en op adres. Interessant is dat naast de tekstuele informatiefiche ook voor heel wat percelen de link bestaat met hetzelfde perceel op historisch kaartmateriaal. Dit is een zeer sterke benadering wat wetenschappelijk onderzoek betreft
Aan de Universiteit Gent werd een zeer interessante eindverhandeling gemaakt betreffende cinemazalen in Antwerpen, uitgaande van een inventarisatie. 3 Deze thesis bevat veel meer wetenschappelijke gegevens dan de publicatie die onlangs omtrent dit onderwerp uitgekomen is. 4

2.5.1.8 Materialen en technieken

1 Tegels en keramiek

Mario Baeck is de specialist op het vlak van tegels in Vlaanderen. Hij maakte een wetenschappelijke inventaris van Belgische tegelrealisatie in situ. Deze inventarisatie resulteerde tevens in een selectie van het meest waardevolle erfgoed van dit type. Concreet beoogt Baeck een registratie en toewijzing aan fabrikanten van keramische tegelpanelen en/of bouwaardewerk vervaardigd door Belgische en buitenlandse fabrieken in exterieurs en waar mogelijk ook in betekenisvolle interieurs uit de periode 1840-1940. De doelstelling is een overzicht te krijgen van de concrete verspreiding van realisaties op dit gebied, naar buitenlandse voorbeelden als de "Tile Gaetteer – A Guide tot British Tile and Architectural Ceramics Locations" of de "In-situ betegelingen in Nederland". De inventaris is opgebouwd op eigen steekproefsgewijze plaatsbezoeken in 19de-eeuwse stadsuitbreidingsgebieden, deels gestuurd door de beschrijvingen uit Bouwen door de Eeuwen Heen en door toevalsvondsten bij stadswandelingen en plaatsbezoeken in dorpen en gemeenten. Het geheel werd opgebouwd sinds 1994, sommige realisaties zijn ondertussen gesloopt. De inventaris is als een Word-document opgevat en is voorlopig enkel voor eigen gebruik beschikbaar. In talrijke publicaties is de inventarisatie al verwerkt. De fiches zijn alfabetisch geordend per gemeente.

Kwaliteit van deze inventaris is de specifieke wetenschappelijke kennis waardoor voor het eerst ongesigneerde ensembles met zekerheid toegewezen zijn aan een fabriek, wat interessante conclusies oplevert.
Knelpunt is de noodgedwongen onvolledigheid. Toch levert deze inventarisatie geregeld aanvullingen op qua niet in Bouwen door de Eeuwen heen geregistreerd materiaal.
In de reeks Bouwen door de Eeuwen heen worden de meeste tegeltableaus opgenomen. Mario Baeck meldt echter volgende belangrijke tekortkomingen, die dankzij zijn inventarisatie opgelost kunnen worden: De vermelding van tegelrealisaties over de diverse delen van Bouwen is niet consequent gebeurd, noch wat de vermelding, noch wat de gehanteerde terminologie betreft. Voor bepaalde regio's (zeker Vlaams-Brabant) ontbreken dan ook waardevolle realisaties. Waar ze wel geregistreerd zijn, zijn ze niet gemakkelijk terug te vinden door een gebrek aan eenduidig gehanteerde terminologie. In de teksten worden betegelingen met verschillende, soms foute of te algemene termen aangeduid. Mario Baeck zou het zeer interessant vinden om zijn gegevens te koppelen aan de databank van Bouwen door de Eeuwen heen. Dit is een project dat op de nieuwe portaalsite zeker een plaats kan krijgen en zeer haalbaar is gezien de hoge graad aan wetenschappelijkheid en door de precieze lokalisatie van de gegevens.

2 Natuursteen

Het Koninklijke Belgische Natuurwetenschappen (KBNW)-Belgische Geologische Dienst maakte een fototheek van natuurlijke bouwstenen in Belgische monumenten. De fototheek bevat 1622 items (+2400 nog te klasseren). De bedoeling is dat er een link gemaakt kan worden met de inventarisdatabank van het KBIN-BGD. Op dit moment bestaat de inventaris uit een accestabel met o.a. auteur, steensoort en link naar monument. Contactpersonen: Marleen De Ceukelaire en Michiel Dusar. 1
Deze wetenschappelijke instelling maakte eveneens een databank over monumenten met natuursteen. Daarin zitten 3463 gebouwen, gegeorefereerd met coördinaten. De databank wil een overzicht bieden van alle natuursteensoorten in België in historische monumenten. De accessdatabank vertrekt vanuit de databank horend bij de Natuursteenatlas Limburgse Monumenten. 2 Verdere aanvulling gebeurt ad hoc. Ze maken een link met hun natuursteendatabank. Contactpersonen: Marleen De Ceukelaire en Michiel Dusar.
Een derde databank van het KBNW is de inventaris van de natuursteencollecties. Die bevat 1616 items en maakt de diverse monsters beschikbaar voor vergelijkend onderzoek. Is beschikbaar in een databank. Contactpersonen: Marleen De Ceukelaire en Michiel Dusar.

3 Vakwerk

Van bij het begin van de reeks Bouwen door de Eeuwen heen werd veel aandacht besteed aan deze techniek. Ook sporen van leembouw en vakwerk binnen ondertussen verbouwde gehelen werden vermeld.

"Verborgen Vakwerk", uitgegeven door de dienst Toerisme van Maaseik. In 59 bouwhistorische verkenningen laat de auteur zien dat achter de gevels van Maaseik (Limburg) een ware historische schat verscholen zit. Het grote aantal vakwerkhuizen dat dankzij het onderzoek gevonden werd, is verrassend. Deze publicatie is het resultaat van jarenlang wetenschappelijk onderzoek door Ronald Glaudemans. Het boek is zowel een inventaris, die een nuttig beleidsinstrument kan zijn voor de erfgoedzorgers, als een goed gedocumenteerd naslagwerk voor belangstellenden. Het biedt een vernieuwende kijk op de oudste bouwgeschiedenis van Maaseik en beschrijft 59 huizen, namelijk alle panden rondom de markt, inclusief achtererven en -bebouwing, en enkele woningen in de Bos-, Bleumer-, Hepper- en Eikerstraat. Het boek wordt aangevuld met vele foto's en tekeningen van het gevonden vakwerk. 3 4

Vakwerkbouw in West-Vlaanderen - reeks provinciale erfgoedgidsen. Vakwerkbouw is een traditionele bouwwijze met hout en leem, waarvan in het zuiden van de provincie West-Vlaanderen een beperkt aantal voorbeelden bewaard bleven. De belangrijkste concentratie bevindt zich in de streek van Poperinge, maar ook in de regio rond Kortrijk en de Schelde worden nog enkele restanten aangetroffen. Deze publicatie wil de West-Vlaamse vakwerkbouw onder de aandacht brengen. Aan de hand van opmetingsschetsen en foto's wordt de historische bouwwijze van woningen en van hoevegebouwen verduidelijkt. Naast bewaarde West-Vlaamse voorbeelden zijn enkele gebouwen opgenomen die naar openluchtmusea werden overgebracht, constructies die in de loop van de laatste decennia verdwenen en enkele vergelijkbare huizen uit Oost-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.
Deze publicatie behoort bij de reeks 'Provinciale Erfgoedgidsen' en werd in 2006 uitgegeven. Een uitgebreidere lijst inventarisfiches is beschikbaar op het provinciebestuur bij Johan Vansteenkiste. 5

4 Metaal

Voor de gemeente Herentals werd een inventaris opgemaakt van de gietijzerconstructies van de firma Van Aerschot. 6

2.5.1.9 Oeuvrelijsten

De oeuvrelijsten van architecten zijn inventarissen van gebouwen die vaak aan de basis liggen van een monografische studie van een bepaalde architect. Wij denken aan de studies rond Renaat Braem (in voorbereiding door Jo Braeken) en Huib Hoste, 1 die aan de basis lagen van nieuwe inzichten omtrent deze architecten.
Talrijke eindverhandelingen maken ook een overzicht van het oeuvre van een bepaalde architecten, wetenschappelijke informatie die dringend aan centralisatie toe is.

2.5.2 Beelden en straatmeubilair

Waar ze aanvankelijk in de inventaris “Bouwen door de Eeuwen heen” vooral in de straatinleidingen werden vermeld als beeldbepalende elementen, werden beelden en straatmeubilair later als zelfstandige items in de reeks opgenomen. In de eerste twee boekdelen van Vlaams-Brabant komt deze typologie sporadisch voor (enkele beschermde pompen en schandpalen bijvoorbeeld).

  • Voor de stad Brugge kan terug gerefereerd worden naar het geoloket van de website Huizenonderzoek Brugge. Er kan gezocht worden op kaart (tot perceelsniveau) en op adres. Interessant is dat naast de tekstuele informatiefiche voor heel wat percelen de link bestaat met hetzelfde perceel op historisch kaartmateriaal. Dit is een zeer sterke benadering wat wetenschappelijk onderzoek betreft.
  • De Win publiceerde in 2006 een volledige wetenschappelijke inventaris van de schandpalen in België. 1 2 Een zeer bruikbare, degelijke wetenschappelijke bron.
  • De Dienst Monumentenzorg van de Stad Gent maakte een inventaris van het straatmeubilair in de stad. Eind de jaren 1970/80 werd in een BTK-project een eerste inventaris opgemaakt voor het Gentse straatmeubilair waarin niet alleen standbeelden, gevelbeelden, maar ook merkwaardige gevelankers en straatlantaarns opgenomen werden. Deze lijst bevindt zich in het stadsarchief (inventaris straatmeubilair). In de jaren ’90 werd de lijst geactualiseerd voor wat betreft de monumenten (standbeelden, gedenkplaten) die stadseigendom zijn. Deze lijst - die onvolledig is en opnieuw moet ter hand genomen worden - bevindt zich bij Anke D’Haene van de Dienst Kunsten
  • Heemkunde Vlaanderen vzw maakte een publicatie: Beelden in de straat. Zij vertellen hun verhaal. Kleine monumenten in Oost-Vlaanderen. Met de steun van de Vlaamse gemeenschap en de provincie Oost-Vlaanderen werden alle kleine monumenten van Oost-Vlaanderen geïnventariseerd. 3
    Het boek bevat 264 pagina’s waarvan 72 in kleur en beschrijft 364 monumenten met foto uit ruim 60 verschillende Oost-Vlaamse fusiegemeenten.
    De Erfgoedcel Antwerpen maakte enkele publicaties die gebaseerd zijn op inventarissen van roerend cultureel erfgoed:
    • "Stadsbeelden Antwerpen", een wandelgids uit 2001 langs beelden in de stad.
    • "Madonna. Beelden van Maria in de Antwerpse binnenstad" is een verzameling wetenswaardigheden over de Maria-gevelbeelden binnen de Leien. Aan bod komen onder meer een nieuw en eigenzinnig Madonnaverhaal, het historische verhaal, een kunsthistorische en een iconografische beschrijving en een overzicht van de Mariadevotie in de kerken.
      Het boek bevat tevens een volledig nieuwe inventaris van alle Madonna's binnen de Leien, met een overzichtelijke plattegrond. De vele foto's en het (vaak niet eerder gepubliceerde) historische illustratiemateriaal maken van 'Madonna' bovendien een kijkboek.
  • De Zonnewijzerkring Vlaanderen vzw zet zich sinds 1995 in voor de inventarisatie van zonnewijzers in Vlaanderen en het Brussels Gewest. Dit wordt jaarlijks bijgewerkt en bevat ca. 600 zonnewijzers op of bij gebouwen.
    De doelstellingen zijn: Weten waar er zonnewijzers zijn, welk type, historiek en toestand, aandacht vragen voor zonnewijzers en adviseren bij eventuele restauratie of renovatie. De informatie is ontsloten via een publicatie 4 en via de website van Patric Oyen en Zonnewijzer Vlaanderen en wat betreft de provincie Limbure (gerealiseerd door Willy Leenders, bestuurslid Zonnewijzerkring Vlaanderen vzw is er de wijzerweb en is er nog gnomonica (in opbouw, in samenwerking met bevriende Waalse werkgroep, heel België, drietalig).
  • Heel wat gemeenten, heemkringen en erfgoedverenigingen verzamelen informatie omtrent beelden in hun regio. Deze informatie is telkens verschillend en vaak niet kunsthistorisch van opzet (eerder de verhalen rond de beelden en de heiligen). Om deze zeer omvangrijke, waardevolle, maar verspreide en vaak niet (goed) ontsloten inventarisinformatie te homogeniseren en een centralisatie mogelijk te maken, ontwikkelt VCM een inventarisfiche voor beelden.
  • De vzw kruis en beeld zet zich in voor de instandhouding van de straatbeelden van OLV of andere heiligen in Antwerpen. Op de website www.verbeelding.be, (contactpersoon L. De Maere) is een databank voorhanden van de religieuze gevelbeelden in Antwerpen. Geklasseerd per straat, voorzien van een foto en van een kort stukje tekst.

2.5.3 Funerair erfgoed

In Bouwen door de Eeuwen heen is het funerair erfgoed voornamelijk aanwezig bij de beschrijving van de (omgeving van) kerken, nl. bij de beschrijving van de kerkhoven met hun belangrijkste grafmonumenten. Recentere begraafplaatsen hebben in de jongere boekdelen ook hun plaats, afhankelijk van de aanwezigheid van waardevolle grafmonumenten zoals bijv. Oostende. Er is echter geen systematische, gelijkmatige inventarisatie gebeurd van dit type erfgoed.

Sinds januari 2004 is er een nieuw decreet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging dat de federale wetgeving moet vervangen. Deze materie valt onder Binnenlands Bestuur, een bevoegdheid van minister Marino Keulen. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria, 1 treft in hoofdstuk VIII een regeling betreffende graven met lokaal historisch belang. Steden en gemeenten worden verplicht een lijst op te maken met te bewaren erfgoed, waarvoor zij de zorg gedurende 50 jaar op zich nemen. Wanneer de lokale besturen aan deze verplichting verzaken, kan de Vlaamse overheid, bijvoorbeeld op vraag van een lokale vereniging, de lijst goedkeuren. Om erfgoedverenigingen te helpen bij het opstellen van een kwalitatieve lijst, heeft VCM samen met Epitaaf vzw een basis-inventarisatiefiche ontwikkeld. Artikel 18 van het decreet vraagt dat "Een afschrift van de bekrachtigde lijst met plan wordt bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de monumenten en de landschappen." Het is tot nog toe niet duidelijk hoe deze informatie zal gecentraliseerd worden. De VCM-inventarisfiche werd door verschillende gemeenten al opgevraagd en werd door Prof. Linda Van Santvoort (UGent) ondertussen vereenvoudigd. De gegevens kunnen verzameld worden in een Accessdatabank die door VCM en Epitaaf ter beschikking gesteld wordt.

De opmaak van inventarissen van funerair erfgoed kent al een lange geschiedenis. Een belangrijke actor is de vzw Epitaaf, die als een van hun belangrijkste doelstellingen heeft : het inventariseren van kerkhoven, begraafplaatsen en grafmonumenten met historisch, cultureel, urbanistisch, sociaal, architectonisch of thanatologisch belang .

Een algemeen probleem in België is het ontbreken van centraal verzamelde gegevens over de identiteit van oorlogsslachtoffers en soldaten die begraven liggen op de oorlogskerkhoven van de gemeentelijke begraafplaatsen.

Voor een vollediger overzicht kan men bij de vzw terecht; wij belichten hier enkele databanken en publicaties die recent gemaakt werden. Voor een aantal gemeenten werd ondertussen het initiatief genomen om een inventaris op te maken. Een overzicht van deze gemeenten is er niet. Centralisatie van de gegevens zou interessant zijn vanuit wetenschappelijk oogpunt.

  • Ann Bulcke maakte in 2003 een inventaris van de begraafplaatsen van Kortemark, Handzame, Zarren en Werken.
  • Een gelijkaardig project liep in Koksijde, Oostduinkerke en Wulpen: de publicatie van Evy Van de Voorde zal in november 2008 voorgesteld worden.
  • De heemkundige kring 't Zwin rechteroever maakte in 2006 een inventaris van de begraafplaatsen van de gemeente Damme op.
  • Voor de stedelijke begraafplaatsen in Antwerpen vond een uitgebreide inventarisatie plaats. De website over de Antwerpse begraafplaatsen is een privé-initiatief. In de eerste plaats is het de bedoeling om de begraafplaats Schoonselhof, niet voor niets het Antwerpse Père Lachaise genoemd, bij een zo breed mogelijk publiek bekend te maken. Dit kan door het aanbieden van algemene rondleidingen op deze 84 hectare grote dodenakker of, voor we iets meer wenst, e door het organiseren van themawandelingen. Deze rondleidingen zijn steeds mogelijk voor verenigingen maar kunnen, op welbepaalde data, ook door de individuele bezoeker gedaan worden. 
Een tweede doelstelling van deze website is het inventariseren van het belangrijk funerair erfgoed dat op de begraafplaats Schoonselhof, maar bij uitbreiding op alle andere Antwerpse begraafplaatsen, aanwezig is. Niet alleen de rustplaatsen van figuren die een rol speelden in de geschiedenis van Antwerpen en omstreken komen aan bod maar de website heeft ook oog voor de talrijke prachtige grafmonumenten die onze begraafplaatsen rijk zijn. Ook het inventariseren van belangrijk lokaal funerair erfgoed geniet onze belangstelling. De informatie haalde men grotendeels uit de talrijke archieven die de stad Antwerpen rijk is, maar onze dank gaat in de eerste plaats uit naar de mensen die er het beheer en onderhoud voor hun rekening nemen. Tevens mag de inbreng van de heemkundige kringen niet onderschat worden.
  • Iemand die in Antwerpen maar ook daarbuiten bijv. Lokeren erg actief is op het vlak van inventariseren van funerair erfgoed is Annemie Havermans.
  • Turninum-Volksmuseum Deurne vzw maakt sinds 1976 een inventarisatie op van het funerair erfgoed op het Sint-Fredegandusbegraafpark en het Sint-Rochusbegraafpark. De inventaris bestaat uit ca. 8000 papieren inventarisfiches. Deze bevatten grondplannen van de begraafperken, dossiers per graf voor de beschermde zone van Sint-Fredegandus, verslagen van de Beheerscommissie en een fotoarchief van alle items. 2
    De doelstelling is om het historische gedeelte van Sint-Fredegandus gedetailleerd te inventariseren (concessiehouders, bouwstijlen, symboliek, steensoorten enz.). Bij Sint-Rochus is er vooral aandacht voor concessionarissen. De inventarisatie is gebaseerd op vrijwilligerswerk zonder enige logistieke of financiële steun. Digitalisering is gepland: het DICE-programma is beschikbaar. Men zoekt vrijwilligers om de gegevens in te geven. Er is een website in voorbereiding (nu enkel introductie). Er is tevens een bezoekersgids voor het Sint-Fredegandusbegraafpark, uitgegeven door het district Deurne.
  • In de reeks van de "Kleine Cultuurgidsen" van de provincie Oost-Vlaanderen zijn een aantal inventarissen van funerair erfgoed verschenen, zij het dat ze beide sterk selecteren en dus niet exhaustief zijn.
    • "Het Campo Santo van Sint-Amandsberg" is een beknopte monografie over een van de merkwaardigste begraafplaatsen in Vlaanderen. Ze laat u kennismaken met een uitzonderlijke concentratie aan gedenktekens voor figuren die in het culturele, economische en politieke leven een vooraanstaande rol hebben gespeeld. De publicatie is beperkt tot de periode van de aanleg van de begraafplaats in 1847 tot 1878. Deze tijdsspanne valt ongeveer samen met de geschiedenis van het oudste en historisch waardevolste gedeelte van de 'heldenheuvel'. In een eerste deel beschrijft men de geschiedenis van het Campo Santo en wordt er komaf gemaakt met de misvattingen en legendes die leven rond deze begraafplaats. De ontwerpers en de uitvoerders van de grafmonumenten komen in een volgend deel aan bod en worden opgedeeld in drie hoofdgroepen: de steenhouwers, de beeldhouwers en de architecten. Ten slotte worden 10 belangrijke graven en hun historische achtergrond belicht. Achteraan is ook een lijst met funeraire symbolen opgenomen. 3
    • De vzw Gent Cultuurstad, die belast is met de uitvoering van het convenant cultureel erfgoed tussen de Vlaamse Regering en de Stad Gent, heeft de bekendmaking van het stedelijk funerair erfgoed ingeschreven in haar werking voor het jaar 2001. Het lag voor de hand dat de bekendste begraafplaats van Gent, het Campo Santo, het eerst aan bod zou komen. Daartoe kon een beroep worden gedaan op Luc Lekens, lid van het Campo Santocomité, iemand die sinds vele jaren geduldig alle mogelijke informatie heeft ingezameld. Johan Decavele, directeur Dienst Culturele Zaken van de stad Gent, stond in voor de eindredactie. "Het Campo Santo in 131 levensverhalen" Het Campo Santo in Sint-Amandsberg wordt wel eens de merkwaardigste begraafplaats van Vlaanderen genoemd. Op de lijst van graven die door het Campo Santocomité worden beschermd staan zo'n honderddertig namen van belangrijke figuren uit de wereld van kunst en cultuur, wetenschap, politiek en industrie. De waardevolle grafmonumenten maken van dit kerkhof een waar openluchtmuseum.
    • "De Westerbegraafplaats van Gent" geeft een beeld van de enorme rijkdom aan grafvormen op dit 'Geuzenkerkhof'. De voorgeschiedenis vertelt hoe de Westerbegraafplaats niet alleen ontworpen werd als rustplaats voor alle doden, maar ook als wandelplaats voor de levenden en terecht een 'jardin des morts' werd genoemd. De verschillende grafvormen worden ingedeeld in enkele grote groepen: baldakijnen, minitempels als grafkapellen, tempelportieken, deurportieken, beelden als graftekens en graven als reclameborden. In een volgend deel bespreekt men de uitzonderlijke openheid van deze begraafplaats voor alle gezindten, zowel katholieken als vrijmetselaars en vrijzinnigen werden er te rusten gelegd. Ten slotte wordt er een bloemlezing gegeven van enkele merkwaardige graven. 4

2.5.4 Orgels en klokken

Orgels worden in de mate van het mogelijke vermeld in Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen, zij het met informatie die gebaseerd is op bestaande literatuur en op de hieronder genoemde orgelinventarissen.
Klokken worden niet opgenomen in Bouwen door de Eeuwen heen.

1 Inventaris van het orgelbezit in Vlaanderen

De inventaris van pijporgels in publiek toegankelijke gebouwen in Vlaanderen wordt op dit moment beheerd vanuit het VIOE, door Patrick Roose. De inventaris bevat ca. 2000 orgels en bestaat uit een historisch en technisch rapport per orgel. Doelstellingen zijn het opmaken van een status quaestionis - "weten wat we hebben" – en het beschikbaar stellen van vertrekmateriaal voor vergelijkende studies voor experten, basismateriaal voor auteurs van lokale monografieën en technische gegevens ten gebruike van ontwerpers van restauratiedossiers. De belangrijkste kwaliteit is de zeer diepgaande technische analyse (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Waalse of sommige buitenlandse inventarissen).
Knelpunten zijn de de inhoudelijke hiaten van de eerste boekdelen, die minder diepgaand werden aangepakt en dus toe zijn aan actualisatie. De inventarisatie is ook nog niet gebiedsdekkend voor Vlaanderen. Het veldwerk gebeurde voor nagenoeg het volledige grondgebied, de publicatie ervan vergt echter nog redactioneel werk voor wat betreft de technische onderzoeken.
De ontsluiting gebeurt met publicaties, aangepakt per arrondissement. 1 2 3 4 5 Enkel het laatste deel is nog beschikbaar, de vier eerste delen zijn uitgeput. Deze zijn enkel nog in bibliotheken of antiquariaten te vinden. De teksten zijn reeds ten dele in Word beschikbaar bij het VIOE, op aanvraag.6 Sinds oktober 2010 wordt de orgelinventaris digitaal ontsloten via de Inventaris van het Onroerend Erfgoed als een specifieke module met historische orgels. Deze inventaris is nog in volle opbouw en bevat momenteel (begin 2011) enkel informatie over orgels in de arrondissementen Diksmuide, Ieper, Roeselare en Veurne.

Stand van zaken orgelinventarisatieFig. 1: Stand van zaken: orgelinventarisatie.

2 Inventaris van luidklokken in torens van publieke gebouwen

De inventaris van de luidklokken werd in de jaren 1977-1980 door een administratief medewerker van de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen opgemaakt. Dit was geen deskundige. Er werd een invulformulier toegezonden aan elke potentiële eigenaar van één of meerdere luidklokken (kerkfabrieken, kloosters, gemeentehuizen…) en die gegevens werden verzameld.
Deze inventaris is maar een schriftelijke enquête: er is geen veldwerk verricht door deskundigen.
Omdat niet alle aangeschrevenen hebben geantwoord, is deze inventarisatie sowieso onvolledig. De kwaliteit van de antwoorden is zeer ongelijk, naargelang de kennis en de inzet van de respondent. Wellicht is een deel van de invulfiches verloren gegaan.

Het VIOE heeft in 2006 een volledige lijst opgesteld van alle beschikbare enquêteformulieren. Deze lijst is verkrijgbaar bij Patrick Roose
Er is geen personeel of budget om deze formulieren te ontsluiten. In bijzondere gevallen kunnen ze ingekeken en gekopieerd worden (enkel op aanvraag).

2.5.5 Tuinen en parken

1 Stand van zaken

Stand van zaken inventarisatie tuinen en parkenFig. 1: Stand van zaken inventarisatie tuinen en parken.

Chris De Maegd schreef in M&L een artikel over de stand van zaken en het belang van het lopende inventarisatieproject van historische tuinen en parken in Vlaanderen. 1 De voorliggende tekst is uit deze bijdrage overgenomen, met dank aan de auteur. In de reeks Bouwen door de Eeuwen Heen worden de gebouwen niet systematisch gekaderd in hun omgeving van erven, tuinen, parken, hagen enz. Zeker in de oudste delen ontbreekt dit element helemaal. Pas sedert het Charter van Firenze van 1982 is er internationale erkenning van het belang van tuinen. In navolging van Wallonië werd in 1994 in Vlaanderen de inventarisatie gestart van dit onroerend erfgoed. Een belangrijke doelstelling van de auteurs was om via de inventaris niet-ingewijden te leren kijken met de ogen van een inventaris. Die moet het object analyseren, er de essentie van onderstrepen en het evalueren. Dat proces helpt bij het beheren van erfgoed vanuit de juiste historische reflex.
De inventarisatie gebeurde eerst uitsluitend in Limburg, sedert 1997 nagevolgd in Vlaams-Brabant. Ondertussen beslaat de "Inventaris Historische Tuinen en Parken" toch al een goed deel van deze beide provincies.

Voor Limburg gebeurden het onderzoek en de publicatie volgens dezelfde administratieve indeling (arrondissementen en kantons) als voor de reeks Bouwen door de Eeuwen heen; in Wallonië werd dit systeem ook gevolgd. Sint-Truiden en vier landelijke gemeenten op de grens met Brabant zijn het onderwerp van het eerste Limburgse deel. De stad Hasselt en de twaalf overige gemeenten maken het tweede deel uit. Het derde deel wordt gevormd door de stad Borgloon en vier naburige gemeenten. Samen vormen ze het kanton Borgloon in het arrondissement Tongeren. De inventarisatie van Bilzen en Hoeselt (kieskanton Bilzen) is achter de rug; voor Hoeselt is de redactie al beëindigd, voor Bilzen bijna. De tuininventaris van Voeren staat nu op het programma; Tongeren en Riemst. Maasmechelen en Lanaken, de vier overige kantons in het arrondissement Tongeren en alle gemeenten van het arrondissement Maaseik blijven voorlopig op tuingebied een blanco kennisvlak.

In de Bouwen-reeks beslaan de Vlaams-Brabantse arrondissementen Leuven en Halle-Vilvoorde elk maar één boekdeel. Het zijn de twee allereerste inventarissen in de reeks en ze moeten beschouwd worden als pilootprojecten om de methodologie te ontwikkelen en uit te testen. Een aantal criteria zijn ondertussen sterk verouderd, zoals het gegeven dat enkel het bouwkundig erfgoed van voor 1830 behandeld werd. De tuininventaris is veel uitgebreider, immers in de 19de en begin 20ste eeuw werden veel nieuwe kastelen en voorstedelijke villa's en woningen van dorpsnotabelen gebouwd. Het onderzoek gebeurde disparaat: een beheersdossier voor een landschap of een beschermingsaanvraag was dikwijls de aanleiding om een onderzoek van een gemeente te starten. De inventaris van Vlaams-Brabant wordt dus niet per arrondissement, niet per kanton gepubliceerd en evenmin gegroepeerd rond een stad. De provincie zal uiteindelijk zeven boekdelen beslaan; het vijfde deel dat in 2008 wordt gedrukt, sluit aan bij het eerste deel van de provincie Limburg. De redactie van het zesde deel met Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst is voltooid en de uitgave is eind 2008 zo goed als persklaar. Van een zevende deel dat Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk en Wemmel zal omvatten zal de redactie tegen einde 2008 rond zijn. Maar de gemeenten Beersel, Bertem, Drogenbos, Halle, Herent, Hoeilaart, Huldenberg, Kortenberg, Leuven, Linkebeek, Overijse, Sint-Genesius-Rode en Tervuren blijven voorlopig zonder inventaris, al zijn een aantal teksten wel al beschikbaar.

De particulariteiten van de onderzochte streek bepalen vanzelfsprekend de inhoud van elke inventaris, maar de persoonlijke interesse van de inventarissen schemert in elk deel door. Zo weegt de dendrochronologie in de Vlaams-Brabantse inventaris zwaarder door. In de Limburgse boeken is er meer aandacht voor hagen, hekken, muren, boerentuintjes en erven.

2 Samenstelling

De inventarissen zijn allemaal gedocumenteerd met historische kaarten, oude prentkaarten, plannen, gravures, tekeningen, aquarellen, oude en recente foto's. Alle opgenomen objecten zijn per gemeente gelokaliseerd op de recente stafkaart met schaal 1/50.000. In de inleiding worden de doelstelling, het onderzochte gebied, de definitie van de gebruikte termen, de onderzoeksprocedure en de gebruikte bronnen voorgesteld.

De opgenomen objecten worden beschreven en getypeerd en van de belangrijkste tuinen en parken wordt het ontstaan gesitueerd en de evolutie tot vandaag gevolgd. Een synthese gaat elke tekst vooraf en de vertalingen daarvan in het Frans en Engels werden achteraan verzameld. Het personenregister en de synthetiserende tabel met het typologisch overzicht, een overzicht volgens de oorsprong van de opgenomen objecten en een overzicht van hun belangrijkste kwaliteiten en kenmerken moeten verder onderzoek stimuleren en het formuleren van conclusies vergemakkelijken. Deze kunnen invloed hebben op het beleid en de dagelijkse zorg voor het patrimonium.

3 Kwaliteiten en knelpunten

De inventarissen van historische tuinen en parken bewijzen hun nut op velerlei gebied. Ze zijn nodig bij de adviesverlening in de zorgende omgang met landschappen, parken en dorpsgezichten, ze zijn de basis voor het onderzoek naar eventuele beschermingen en zijn er het referentiekader voor. Ze worden geraadpleegd voor het cultuurhistorische aspect bij de afbakening van ankerplaatsen en voor het schrijven van de verantwoording daarvoor. Bovendien zijn ze een niet te onderschatten steun in het overleg over aangelegenheden waar de belangen van natuurverdedigers in conflict komen met de cultuurhistorische benadering die voor beschermde parken en tuinen een vanzelfsprekende reflex zou moeten zijn.

De zeven, weldra acht inventarisdelen van Inventaris Historische Parken en Tuinen zijn degelijke opstappen naar de nog te schrijven geschiedenis van de tuinkunst in België. In overzichten, ongeacht of ze vulgariserend zijn of wetenschappelijke pretenties hebben, worden onze tuinen zelden vermeld of zijn het altijd hetzelfde handvol, niet eens in Vlaanderen gelegen tuinen.

Enkel in Limburg en Vlaams-Brabant is de inventarisatie van tuinen en parken aan de gang. In de andere drie provincies werd nog geen inventarisatie opgestart. Hoewel het onderzoek in Limburg en Vlaams-Brabant tegen einde 2008 niet voltooid zal zijn, is de voortzetting ervan vanaf 2009 een groot vraagteken.

De "Inventaris Historische Tuinen en Parken" is ontsloten met rijk geïllustreerde wetenschappelijke publicaties, die verschenen in de reeks M&L Cahiers. 2 3 4 5 6 7 8 9 10 De gegevens zijn echter tot nog toe niet opgenomen in een databank en zijn niet digitaal beschikbaar.

4 Externe initiatieven

  • Voor Kortrijk werd door Debrabandere een inventaris opgemaakt van de tuinen en parken. 11
  • Volkstuinen in Vlaanderen. Op donderdag 6 september 2007 organiseerde het departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid, in samenwerking met de provincie Oost-Vlaanderen, UGent en KADOC de studiedag ‘Volkstuinen in Vlaanderen: verleden, heden en toekomst’. Daarop werd onder meer de studie Toestandsbeschrijving van de volkstuinen in Vlaanderen vanuit een sociologische en ruimtelijke benadering voorgesteld. De studie is een realisatie van UGent (Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning) in opdracht van het departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid. De studie beoogde in eerste instantie een inventarisatie van de volkstuinparken in Vlaanderen en het Brussel Hoofdstedelijk Gewest. Aan de hand daarvan worden die parken in het studierapport onderling vergeleken en hun beleids- en juridische context geanalyseerd. Er wordt eveneens een richtnorm voor de behoeftebepaling van volkstuinen berekend. Op basis van een sterkte-zwakteanalyse formuleren de onderzoekers aanbevelingen. Op de website 'het abc van de volkstuin' kunnen de studieresultaten gedownload worden. Er is ook een publicatie aan verbonden.12

2.5.6 Varend erfgoed

2.5.6 Varend erfgoed

Varend erfgoed wordt niet opgenomen binnen de inventarisreeks Bouwen door de Eeuwen heen. Voor Oostende werden wél een aantal boten opgenomen in de straatinleidingen.

Het VIOE maakt een aparte, gespecialiseerde inventaris van varend erfgoed. De doelstelling is de wetenschappelijke vaststelling van de inventaris van het varend erfgoed ten behoeve van het beleid. Men wil een basis voor het bepalen van de waarden, zoals vernoemd in het decreet op het beschermen van het varend erfgoed.
Het belang van deze inventaris ligt in de nieuwe benadering van het begrip erfgoedwaarde op vlak van varend erfgoed. De knelpunten van de inventaris zijn de beperkte bronvermelding en de beperkte wetenschappelijkheid van de bestaande literatuur en van het beschikbare onderzoek.
De inventaris bestaat uit een negentigtal relicten; de inventarisfiches zijn digitaal beschikbaar, er zijn digitale foto's voorzien. Contactpersoon in het VIOE is Tom Lenaerts.

2.6 De nieuwe website "Inventaris Onroerend Erfgoed" van het VIOE

2.6 Website "Inventaris Onroerend Erfgoed" van het VIOE

Op 27 mei 2009 stelde het VIOE de website inventaris.vioe.be voor. Met deze site wil het instituut zijn inventarissen via een centrale plek digitaal ter beschikking stellen. De grootste inventaris die momenteel wordt aangeboden is die van het Bouwkundig Erfgoed in Vlaanderen. In tegenstelling tot de oude inventariswebsite bevat deze alle verzamelde info uit de actualisatie van de adres- en statusgegevens. Door de aanvulling met thematisch-typologische zoekmogelijkheden is de vernieuwde inventaris ook gebruiksvriendelijker en beter doorzoekbaar.

Gaandeweg zullen meer inventarissen aan de site worden toegevoegd. Zo kan nu reeds de inventaris van wereldoorlogerfgoed in de Westhoek geraadpleegd worden. De inventaris van orgels zal geïntegreerd worden in de databank van de Inventaris Bouwkundig Erfgoed. En ook de inventarissen van het archeologisch erfgoed en van het landschappelijk erfgoed zullen op termijn een plek vinden in de digitale inventaris. Het doel is om alle digitaal beschikbare inventarissen via één gemeenschappelijke weg aan te bieden.

3 Monitoring/Conservatie/Restauratie

3.1 Conservatie-restauratie van bouwkundig Erfgoed

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Nathalie Vernimme
  • Medewerkers: Joke Buijs, Hilde De Clercq, Roland Dreesen, Koen Van Balen, Birgit Van Laar, Yves Vanhellemont

Inleiding, definitie en afbakening van het studiegebied

De definiëring van het begrip conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed en de afbakening van het onderzoeksdomein is geen sinecure. Tot op heden is er geen internationale eenduidigheid voor wat betreft de wetenschappelijke terminologie m.b.t. conservatie-restauratie.

In Vlaanderen schaart men zich achter Europese conventies, zoals

Probleem is dat al deze documenten verschillende definities en termen hanteren m.b.t. conservatie-restauratie.

Naar aanleiding van initiatieven in diverse landen om tot standaarden te komen voor de conservatie-restauratie van cultureel erfgoed (roerend en onroerend erfgoed) en de wens om dit ook in een internationaal kader te plaatsen, heeft de Italiaanse nationale standaardenorganisatie UNI in 2004 het initiatief genomen om een aanvraag in te dienen bij het Europees Comité voor Standaardisatie (CEN) om een technisch comité op te starten met als titel TC 346 Conservation of Cultural Property. CEN is verantwoordelijk voor het plannen, ontwikkelen en implementeren van Europese normen (EN). Deze EN vormen het Europees equivalent van ISO-normen. Het doel van TC 346 is dus de creatie van Europese normen m.b.t. conservatie-restauratie van cultureel erfgoed.

Het Belgisch Instituut voor Normalisatie (BIN) werkt mee aan het project en heeft experten aangeduid uit het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf om België in deze materie te vertegenwoordigen. Binnen TC346 is een werkgroep actief rond “General guidelines and terminology”. 3
Het is o.a. de taak van deze werkgroep om een algemene terminologie voor de conservatie-restauratie van cultureel erfgoed uit te bouwen. Hieraan wordt ook meegewerkt door het International Committee for Conservation of the International Council of Museums (ICOM-CC) dat in dit kader een wereldwijde enquête op poten gezet heeft om tot een definitie te komen voor het overkoepelend begrip ‘conservatie-restauratie’ (‘conservation’ in het Engels en ‘conservation-restauration’ in het Frans).

De definities die opgemaakt zijn als resultaat van deze enquête zijn goedgekeurd door de ICOM-CC- leden op de conferentie van 22-26 september 2008 in New Delhi. Deze definities zullen in grote lijnen ook overgenomen worden in de te creëren Europese standaard die handelt over terminologie voor conservatie van cultureel erfgoed. Het voorliggende document zal daarom ook gebruik maken van deze definities:

Conservatie - restauratie van bouwkundig erfgoed staat volgens de resolutie van ICOM-CC voor alle acties en handelingen die gericht zijn op het vrijwaren van het erfgoed en het verzekeren van de toegankelijkheid ervan voor huidige en toekomstige generaties, met dien verstande dat deze acties en handelingen de betekenis en de fysieke eigenschappen van het onroerend erfgoedobject respecteren. 4

Conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed bestaat uit drie soorten ingrepen: ‘preventieve conservatie’, ‘curatieve conservatie’ en ‘restauratie’. In dit document zal elke ingreep in een afzonderlijk deel behandeld worden.

De specificiteit van erfgoedstructuren, met hun complexe geschiedenis, vraagt om een organisatie van erfgoedonderzoek en van de voorstellen voor ingrepen in een aantal stappen die vergelijkbaar zijn met die in de geneeskunde. Anamnese, diagnose, therapie en controle komen respectievelijk overeen met het vergaren van significante gegevens en informatie, de identificatie van de oorzaken van de schade en van het verval, de keuze van de te nemen maatregelen en de controle van de effectiviteit van de toegepaste ingrepen. Alle evaluatie- en monitoringactiviteiten moeten gedocumenteerd en bewaard worden als onderdeel van de geschiedenis van de structuur. 5

De diagnose is in deze vaak de moeilijkste fase, omdat de gegevens uit onderzoek meestal eerder verwijzen naar effecten dan naar oorzaken. Er zal dus steeds een component van intuïtie en ervaring meespelen in het diagnostisch proces.

De diagnose voor het in stand houden van bouwkundig erfgoed stoelt op historische, kwantitatieve en kwalitatieve benaderingen uit de analyse. 6 Er wordt gebruik gemaakt van

  • historische en archeologische informatie (verkregen uit bouwhistorisch onderzoek)
  • directe waarnemingstechnieken (visuele inspectie, documentatie en meettechnieken) voor het identificeren van structurele schade of schade aan materialen en proefresultaten op materialen en op structurele onderdelen
  • structurele analyse (labotesten en monitoring)
  • 1. International Charter for the Conservation and Restoration of Monuments and Sites (The Venice Charter) – 1964. Charter on the Conservation of Historic Towns and Urban Areas – 1987. Principles for the Preservation of Historic Timber Structures – 1999. Charter on the Built Vernacular heritage – 1999. ICOMOS Charter – principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage – 2003. ICOMOS Principles for the Preservation and Conservation-Restoration of Wall Paintings – 2003.
  • 2. Athens Charter for the Restoration of Historic Monuments (Athens Conference, 21-30 October 1931); Normas de Quito, 1967 (Informe final de la reunión sobre la conservación y utilización de monumentos y lugares de interés histórico y artístico); Declaration of Amsterdam (Congress on the European Architectural Heritage, 21-25 October 1975); European Charter of the Architectural Heritage (Council of Europe, October 1975); UNESCO Convention and Recommendations.
  • 3. Andere werkgroepen actief binnen dit TC zijn WG 2 “materials constituting cultural property”, WG 3 “Evaluation of methods and products for conservation”, WG 4 “Environment” and WG 5 “transportation and package methods”.
  • 4. Definitie vrij vertaald uit het ontwerp van resolutie “Terminology to characterize the conservation of tangible cultural heritage” dat goedgekeurd werd door de ICOM-CC leden op de conferentie van 22-26 september 2008 in New Delhi. De koepelterm ‘conservatie-restauratie’ is in het Engels ‘conservation’ en in het Frans ‘conservation-restauration’.
  • 5. Vrije vertaling van Art. 1.6 en 3.2.2 “Principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage” ICOMOS Charter uit 2003. Zie ook: Searls, C.L., L. Binda, J.F. Henriksen, P.W. Mirwald, A. Nappi, C.A. Price, K. Van Balen, V. Vergès-Belmin, E. Wendler, and F.H. Wittman, 1997. Group Report: How can we diagnose the condition of stone monuments and arrive to suitable treatment programs? Saving Our Architectural Heritage: the conservation of historic stone structures. Eds. N.S. Baer, and R. Snethlage, p.199-221. Chichester: J. Wiley and Sons Ltd.
  • 6. Art. 2.5 “Principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage” ICOMOS Charter uit 2003.

3.1.1 Preventieve conservatie

Definiëring van het onderzoeksdomein

Preventieve conservatie kan gedefinieerd worden als die acties en maatregelen die gericht zijn op het vermijden en minimaliseren van toekomstig verval of teloorgang en die uitgevoerd worden op of binnen de omgeving van een (onroerend) erfgoedobject, (of vaker een groep van objecten) onafhankelijk van hun ouderdom of toestand. Deze acties en maatregelen zijn bovendien indirect – ze grijpen niet in op de materialen en structuren waaruit de objecten bestaan en veranderen hun uitzicht niet. 1

Onder preventieve conservatie kunnen heel wat acties of maatregelen vallen zoals: non- destructief onderzoek, documentatie en monitoring (incl. toepassing van systemen voor beveiliging en veiligheid en omgevingsmanagement) en onderhoudsplanning en -maatregelen.

  • 1. Art. 2.5 “Principles for the analysis, conservation and structural restoration of architectural heritage” ICOMOS Charter uit 2003.

3.1.1.1 Stand van zaken van het onderzoek in Vlaanderen

-

3.1.1.1.2 Onderzoekers en onderzoeksinstellingen

De huidige expertise rond onderzoek m.b.t. preventieve conservatie is verspreid over een aantal instellingen in Vlaanderen:

  • Raymond Lemaire Internationaal Centrum voor Conservatie –KUL (RLICC) is opgericht door professor Raymond Lemaire († 1997) in 1976, op initiatief van de Internationale Raad van Monumenten en Landschappen (ICOMOS), binnen het netwerk van het Europa College in Brugge. Het Raymond Lemaire Internationaal Centrum voor Conservatie maakt nu deel uit van de ManaMa (Master na Master) programma’s van de faculteit wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven.
    Het RLICC hangt af van twee departementen: het Departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening (ASRO) en het Departement Burgerlijk Ingenieur. Het opleidingsprogramma van het Centrum leidt tot het diploma van “Master in Conservation of Monuments and Sites” en is een internationaal en interdisciplinair programma in de conservatie en restauratie van historische monumenten en landschappen. In de schoot van het RLICC gebeurt o.a. doctoraatsonderzoek en projectgebonden onderzoek m.b.t. documentatie en monitoring van onroerend erfgoed. Het RLICC beheert de UNESCO leerstoel over preventieve conservatie, monitoring en onderhoud van monumenten en sites.
    Het onderzoek handelt over de “filosofie” en de methodologieën van het onroerend-erfgoedbehoud. In het bijzonder wordt onderzoek verricht naar het opstellen van driedimensionele documentatie- en monitoringstrategieën en naar de ontwikkeling van opmetingstechnieken. Dit past in een algemene focus voor onderzoek naar preventieve conservatie. De onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • dr. ir. arch. Koen Van Balen (preventieve conservatie alg., monitoringssystemen o.a. MDDS, onderhoud historisch metselwerk)
    • dr. ir. arch. Herman Neuckermans (departement ASRO) (coördinator van de module ”Analyse and Registratietechnieken” van het RLICC studie programma)
    • dr. Mario Santana (meet- en documentatietechnieken ten behoeve van de monumentenzorg)

    De doctorandi verbonden aan het RLICC zijn

    • Bjorn Van Genechten (onderzoeksthema: 3D-laserscanning)
    • Neza Cebron Lipovec (onderzoeksthema: preventieve conservatie, monitoring en onderhoudsgerichte monumentenzorg)
    • Veronica Heras (onderzoeksthema: opzetten van een beheers- en beleidsinstrument voor werelderfgoedsteden –toepassing op Cuenca, Ecuador).
  • Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) is een particuliere onderzoeksinstelling die in 1960 werd opgericht. De statutaire leden van het WTCB zijn de 70.000 Belgische bouwondernemingen. Het WTCB heeft drie hoofdopdrachten: het verrichten van wetenschappelijk en technisch onderzoek ten behoeve van zijn leden; het verlenen van technische voorlichting, bijstand en advies aan zijn leden en het bijdragen tot de algemene innovatie en ontwikkeling in de bouwsector, met name door middel van contractonderzoek op aanvraag van de industrie en de overheid. De onderzoeksactiviteit van het WTCB is voornamelijk gericht op nieuwbouw, maar in mindere mate wordt ook aandacht besteed aan preventieve conservatie o.a. binnen de stuurgroep “renovatie van gebouwen”.
    Onderzoeker preventieve conservatie is
    • Yves Vanhellemont (onderhoudstechnieken, kwantitatieve conditiemeting van gebouwenelementen, risico-analyse van gebouwenelementen, monitoringsstrategie, expert CEN TC 346, WG 2)
  • Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) werd in 1948 opgericht met de bedoeling het artistieke en culturele erfgoed van het land te bestuderen en te conserveren. Als federale wetenschappelijke instelling heeft het een opdracht van onderzoek en dienstverlening naar het publiek toe. De afdeling ‘Methodologie van de Conservatie en van de Monumentenzorg ‘ binnen het Departement Laboratoria verricht zowel in het labo als in situ onderzoek naar de conservatietoestand van de bouwmaterialen in historische gebouwen en de applicatiemodaliteiten van een steenverstevigende behandeling, de aanwezigheid van oplosbare zouten, het optreden van capillair opstijgend vocht en de samenstelling van afwerkingslagen. De afdeling is ook actief in de evaluatie van restauratieproducten voor het (on)roerend patrimonium en geeft advies in verband met preventieve conservatie.
    Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • dr. Hilde De Clercq (medewerking aan Drilling Resistant Measurement System (DRMS: in-situ techniek ter bepaling van de verweringsgraad en diepte van bouwmaterialen); diagnose van de conserveringstoestand van monumentale constructies en materiaaltechnisch onderzoek van steenachtige materialen; identificatie van natuursteen; expert CEN TC 346, WG 2 en 3)
    • dr. Marina Van Bos (monitoring en interpretatie van klimatologische condities).
  • Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek(VITO) is in 1991 opgericht door de Vlaamse overheid als onafhankelijk onderzoeks- en adviescentrum voor bedrijven en de overheid. VITO ontwikkelt duurzame technologieën op het vlak van energie, leefmilieu, materialen en aardobservatie. Binnen VITO wordt o.a. gewerkt rond materiaalkarakterisering voor natuursteen als bouwmateriaal van monumentale constructies. Onderzoeker preventieve conservatie is Roland Dreesen (karakterisatie van natuursteen).
  • Afdeling Bouwmaterialen en Bouwtechnieken, kortweg afdeling MAT van het departement Burgerlijke Bouwkunde (KUL). De onderzoeksafdeling MAT van de KUL heeft als een van haar onderzoeksthema’s de evaluatie van bestaande monumentale historische structuren, met inbegrip van monitoring en niet-destructief onderzoek (bouwtechnologie); en m.b.t. materiaalgedrag zoals bijv. (historisch) metselwerk. De onderzoeksafdeling beschikt ook over een up-to-date ingericht proeflaboratorium – het Laboratorium Reyntjens - dat kan wedijveren met vergelijkbare Labo’s op Europees topniveau. Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • Dr. Dionys Van Gemert (Em. Prof.)(niet-destructief onderzoek van bouwelementen en bouwmaterialen en risico-analyse)
    • dr. Koenraad Van Balen (historisch metselwerk en historische mortels, kalk, carbonatatie)
    • dr. Luc Schueremans (risicoanalyse, niet-destructief onderzoek van historische metselwerkstructuren, (lange termijn) monitoring en niet of weinig destructieve testtechnieken voor conservatie)
    • dr. Staf Roels (transportfenomenen in poreuze bouwmaterialen en componenten zoals metselwerk, beton en hout en modellering van degradatie)

    Doctorandi zijn

    • Sven Ignoul (beoordeling metselwerk via niet destructieve meettechnieken)
    • Els Verstrynge (beoordeling metselwerk via niet destructieve meettechnieken)
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) is een wetenschappelijke instelling, binnen het beleidsdomein RWO van de Vlaamse overheid, met als missie het onderzoek van, kennisbeheer en -verspreiding over, en ontsluiting van het onroerend erfgoed (zowel bouwkundig erfgoed, landschap, archeologisch erfgoed als maritiem en varend erfgoed).
    Het VIOE voert het beleid van de voor monumentenzorg verantwoordelijke minister uit en ondersteunt de minister via het uitvoeren van beleidsgericht onderzoek en het leveren van beleidsadviezen. Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • Joke Buijs (beheersplan op maat, praktische handleiding restauratie)
    • Willem Hulstaert (praktische handleiding restauratie; restauratie-architect)
    • Nathalie Vernimme (praktische handleiding restauratie, schoon schip: onderhoudsrichtlijnen; expert CEN 346 WG 1 guidelines and terminology).
  • Wissenschaftlich-Technische Arbeitsgemeinschaft für Bauwerkserhaltung und Denkmalpflege (WTA) is een in het verenigingsregister te München ingeschreven internationale vereniging, die in regionale groepen onderverdeeld is. De vereniging is erkend als vereniging tot algemeen nut. In de loop van ruim twintig jaar heeft de WTA zich tot een internationaal platform ontwikkeld. Er zijn leden in diverse Europese landen, die in regionale groepen zijn georganiseerd. De WTA Nederland - Vlaanderen is in het verenigingsregister te Delft ingeschreven als regionale vereniging, onderdeel van de WTA internationaal.
    De WTA Vlaanderen-Nederland stelt zich ten doel, het onderzoek en de praktische toepassing ervan op het gebied van het in stand houden van gebouwen en monumenten te bevorderen. Een ander belangrijk doel is nieuwe inzichten en moderne technologieën verantwoord in de praktijk te brengen. Om de internationale dimensie van de wetenschappelijke en praktische dialoog te benadrukken, ontwikkelt de WTA geschikte communicatiekanalen en biedt ze een betrouwbaar draagvlak voor een constante informatiestroom. WTA organiseert studiedagen, seminars en gesprekken tussen deskundigen, geeft ‘Technische Leidraden’ over actuele thema’s uit (door voor dat doel samengestelde werkgroepen). Ze publiceert (via WTA internationaal) het (internationale) tijdschrift: “WTA Journal. International Journal for Technology and Applications in Building Maintenance and Monument Preservation.” , maakt actuele onderzoeksresultaten en syllabi van studiedagen en seminars in de WTA-Schriftenreihe openbaar, geeft syllabi van de Nederlands-Vlaamse studiedagen uit.
  • Monumentenwacht Vlaanderen is geen onderzoeksinstelling maar eerder een ‘advies/expertisecentrum’ voor ‘best practices’ wat monitoring en onderhoud van bouwkundig erfgoed, hun interieurs en het aanwezige roerend erfgoed betreft. Monumentenwacht wil eigenaars en beheerders van historisch waardevolle gebouwen stimuleren om regelmatig onderhoud uit te oefenen en zo herstellings- en restauratiekosten te beperken. Dat doet Monumentenwacht door bij de aangesloten leden op regelmatige basis inspecties uit te voeren van het gebouw, zowel op bouwkundig vlak als voor het interieur en het roerend erfgoed in dat interieur. Monumentenwacht wordt hiervoor financieel ondersteund door de overheid (gewestelijk en provinciaal). Aan de hand van een inspectie stelt Monumentenwacht een toestandsrapport op met aanbevelingen naar onderhoud en instandhouding. Met de inspecties, die vooral gericht zijn op kleine gebreken en het nodige onderhoud, bevindt Monumentenwacht zich in een nichepositie.
    Naast de inspecties voor de aangesloten gebouwen, publiceert Monumentenwacht informatiebrochures en nieuwsbrieven over monitoring en onderhoud van bouwkundig erfgoed om de burger te sensibiliseren.
    De organisatie bestaat uit 5 provinciale verenigingen, die de inspecties uitvoeren op hun grondgebied, en een koepelorganisatie (Monumentenwacht Vlaanderen), die instaat voor de inhoudelijke ondersteuning van de provinciale verenigingen.
    De Vlaamse Monumentenwacht werd opgericht in 1991 (operationeel sinds 1992) naar het Nederlandse model, dat in 1973 ontstond. Ondertussen zijn in Europa verschillende ‘monumentenwachtverenigingen’ actief. In Wallonië en Brussel bestaan er evenwel geen zusterorganisaties. Monumentenwacht onderhoudt nauwe contacten met de collega’s uit Europa, zoals met de Engelse Monumentwatch, de Nederlandse Monumentenwacht etc.. In 1998 werd Monumentenwacht- interieur opgericht en dit jaar (2008) gaat de’ Monumentenwacht Varend Erfgoed ‘van start.
    Vandaag zijn er in Vlaanderen 3100 eigenaars (vrijwillig) aangesloten met in totaal zo’n 5100 gebouwen, waarvan 56% beschermd is. De leden zijn in te delen in 3 grote groepen: 10% overheidsinstellingen, 41% kerkraden, 48% privé-eigenaars met respectievelijk een aandeel van 31%, 29% en 40% in het gebouwenbestand.
    Onderzoekers preventieve conservatie zijn
    • Birgit Van Laar (onderhoudstechnieken bouwkundig erfgoed)
    • Veerle Meul (risk-assesment bouwkundig erfgoed/ vnl. interieur)
    • Anouk Stulens (onderhoudstechnieken bouwkundig erfgoed/ risk-assesment bouwkundig erfgoed)

3.1.1.1.1 Beleid op het vlak van preventieve conservatie in Vlaanderen

De zorg voor het onroerend erfgoed in Vlaanderen is gewestmaterie. De minister bevoegd voor onroerend erfgoed wordt o.a. ondersteund in de voorbereiding van zijn beleid door een wetenschappelijke instelling binnen de eigen administratie, nl. het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).
De erfgoedonderzoekers van het VIOE verrichten onderzoek en formuleren beleidsadviezen waarin het belang van preventieve conservatie (eerder dan restauratie) als efficiënte en duurzame wijze van monumentenbeheer benadrukt wordt. De erfgoedconsulenten van het agentschap RO-Vlaanderen, een agentschap van de Vlaamse administratie, ondersteunen deze boodschap bij de begeleiding van burgers en lokale overheden en andere instanties of personen aan wie delen van die uitvoerende opdracht worden toevertrouwd.
Monumentenwacht Vlaanderen heeft - als een van de partnerverenigingen van de Vlaamse overheid - de taak om via het uitvoeren van inspecties op beschermde monumenten en ander waardevol Vlaams erfgoed, preventieve conservatie in het werkveld te promoten via het verlenen van adviezen en de verspreiding van brochures.

3.1.1.1.3 Stand van zaken van het actuele onderzoek in Vlaanderen

Grosso modo kunnen een aantal types van onderzoek m.b.t. preventieve conservatie onderscheiden worden, nl. onderzoek richtlijnen en beheersstrategieën, niet- en minor- destructieve onderzoeksmethoden van onroerende erfgoedobjecten en onderzoek naar onderhoudstechnieken en onderhoudsplanning.

1 Onderzoek richtlijnen en beheersstrategieën

1.1 Wat?

Om de burger aan te zetten tot een duurzame omgang met het bouwkundig erfgoed, zijn duidelijke richtlijnen en beheersstrategieën vereist. Bouwkundige erfgoedobjecten zijn vaak het resultaat van een complexe mix van historische versus actuele materialen, verschillende bouwfases, ambachtelijke en moderne bouwtechnieken, etc. . Het is bijgevolg niet altijd evident om de onroerend erfgoedwaarden integraal in stand te houden; vaak moeten keuzes gemaakt worden. Onderzoek is dan ook aangewezen om de waardebepalende elementen van onroerend erfgoed te definiëren en om te bepalen op welke wijze en met welke ingrepen het erfgoed op optimale wijze behouden kan worden. De neerslag hiervan in standaarden, richtlijnen en beheersstrategieën vormt een noodzakelijke stap op weg naar een duurzaam erfgoedbeheer.

1.2 Actoren

In verschillende sectoren is er een groeiende tendens naar de ontwikkeling van standaarden en normen. Standaarden worden gecreëerd op internationaal (ISO-normen en Europese normen) en op nationaal vlak (Belgische normen uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie BIN). Richtlijnen zijn minder strikt dan standaarden, maar niettemin onontbeerlijk.
Voor wat preventieve conservatie betreft, loopt een initiatief om EN te ontwikkelen (cfr. supra). Er bestaan momenteel geen officiële Vlaamse richtlijnen evenmin als er (Belgische) standaarden bestaan met betrekking tot de preventieve conservatie van bouwkundig erfgoed.
Vlaamse onderzoekers van het KIK, het WTCB en het VIOE werken mee aan de totstandkoming van Europese normen voor conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed (cfr. supra), waarin ook algemene richtlijnen voor preventieve conservatie aan bod komen. Daarnaast wordt in het kader van het internationale netwerk SPRECOMAH (cfr. infra) ook werk gemaakt van algemene richtlijnen m.b.t. preventieve conservatie.

Het WTCB publiceert (online en op papier) technische voorlichtingen (TV). Deze documenten worden opgesteld onder leiding van de Technische Comités van het WTCB of hun werkgroepen, bestaande uit aannemers, medewerkers van het WTCB en/of externe medewerkers en een ingenieur-animator van het WTCB. De TV vormen doorgaans leidraden voor de goede uitvoering van ingrepen op gebouwen en geven een gedetailleerde beschrijving van een welbepaald onderwerp uit het domein van de bouw. Meestal zijn het onderwerpen die op nieuwe constructies van toepassing zijn. Inzake preventieve conservatie (documentatie) zijn er ook een aantal TV’s gepubliceerd: Deze gaan over (karakterisatie van) natuursteen en schrijnwerk

Binnen het VIOE wordt via modelprojecten onderzoek gevoerd naar gepaste consolidatie-, conservatie-, restauratie- en presentatietechnieken van ons Vlaams erfgoed. De rapporten over de werkwijze en evaluatie van deze modelprojecten dienen o.a. als bron voor een “Handleiding Kwetsbare Erfgoedelementen”, waarvan de eerste delen (online) verschijnen begin 2009. Het is de bedoeling van de Vlaamse overheid via deze publicatie een duidelijke visie te brengen voor de omgang met waardevol erfgoed, gestaafd via ‘best practices’ van eigen bodem. De doelgroep van de publicatie zijn architecten, (lokale) overheden en eigenaars van waardevol onroerend erfgoed. De publicatie ligt in de lijn van de infobladen m.b.t. conservatie-restauratie en beheer van bouwkundig erfgoed, die verspreid worden door de Nederlandse Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM, voorheen RDMZ). 1 2 3 4

De verspreiding binnen de sector van onderzoek met betrekking tot preventieve conservatie gebeurt onder andere in het kader van de studiedagen van WTA Vlaanderen-Nederland .
Om bij te dragen tot de discussie over restauratiefilosofie, onderhoud, monitoring en beheer van monumenten heeft WTA Nederland/Vlaanderen in 2006 en in 2007 een studiedag rond het thema van ‘restauratie, onderhoud en beheer van monumenten’ georganiseerd. In 2005 was het onderwerp van de jaarlijkse studiedag ‘monitoring en diagnose’. De syllabi van deze studiedagen zijn gratis te downloaden van de website van WTA Vlaanderen-Nederland.

Binnen het SPRECOMAH project onder leiding van het RLICC (K.U.Leuven) werden leiddraden ontwikkeld voor het opzetten van preventieve conservatiestrategieën en werden voorstellen gedaan voor onderzoek in dat domein teneinde deze strategieën te verbeteren. Het PRECOMOS netwerk dat aan de UNESCO-leerstoel is verbonden zorgt voor een internationale uitwisseling van kennis en goed praktijkvoorbeelden.

2 Niet- en minor- destructieve onderzoeksmethoden van onroerende erfgoedobjecten

2.1 Wat?

Non- en minor- destructieve onderzoeksmethoden omvatten de ontwikkeling en toepassing van onderzoeksmethoden die niet of zeer beperkt ingrijpen op het onroerende erfgoedobject. In concreto gaat het over visuele inspectiemethodes, in situ documentatie- en meettechnieken en monitoringsystemen. Een belangrijke basis voor de opvolging is het ter beschikking hebben van een goede basisdocumentatie, bij voorkeur op een driedimensionele drager die aanpasbaar is in de tijd. Men spreekt van vierdimensionele (drie dimensies plus de tijd) documentatietechnieken.

2.2 Onderzoek visuele inspectiemethodes

Een gebouw wordt door middel van een visuele inspectie ter plaatse gecontroleerd (kijken, meten, vergelijken). Via niet-destructief onderzoek (o.a. tikken, ruiken, voelen, controle barstenmeters) worden de bouwmaterialen geïdentificeerd en wordt de toestand van de bouwdelen vastgesteld.
Deze directe observatie van het bouwkundig erfgoed door een bekwaam team is ook een essentiële eerste fase van het proces monitoring.
De voornaamste doelstellingen van een visuele inspectie zijn het registreren (‘mapping’) van een aantal zaken zoals de karakterisatie van materialen, de identificatie van uitwendig verval en schade, het bepalen of fenomenen al dan niet gestabiliseerd zijn, het beslissen of er onmiddellijk gevaar is voor de structuur en er al dan niet dringende maatregelen moeten genomen worden en het vaststellen van effecten van omgevingsfactoren op het gebouw.
Het onderzoek naar visuele inspectiemethodes situeert zich vooral op vlak van ontwikkeling van manieren en methodieken om de informatie te verzamelen en in de ontwikkeling van datasystemen voor de verwerking ervan.

2.3 Onderzoek in situ documentatie- en meettechnieken

Naast de louter visuele inspectie van het erfgoed wordt ook gebruik gemaakt van niet-destructieve technieken (en/of toestellen) om bepaalde eigenschappen van het gebouwde erfgoed ter plaatse te meten en te documenteren. Deze technieken zijn niet-intrusief, ze grijpen niet in op het materiaal.

Het resultaat van de metingen wordt o.a. opgenomen in een inspectietekening. Op inspectietekeningen worden de verschillende materialen aangegeven, worden tekenen van verval/ structurele onregelmatigheden en schade (o.a. barsten of aantastingen) aangeduid. In inspectieverslagen of in een toestandsrapport worden de observaties (bij voorkeur in een aangepaste databank) genoteerd die per bouwonderdeel te rapporteren vallen, gedocumenteerd met inspectietekeningen, meetresultaten en/of foto’s.

Onderzoek naar in situ documentatie- en meettechnieken richt zich enerzijds op de ontwikkeling van efficiënte tools om in situ te documenteren en meten.
Vermits vaak op weinig toegankelijke plaatsen en in allerlei weersomstandigheden gewerkt wordt, dienen deze tools low budget, klein en licht in gewicht te zijn, ze moeten tegen een stootje kunnen en bij voorkeur ook spatwater- en stofdicht zijn.
Anderzijds richt het onderzoek zich op de ontwikkeling van datasystemen voor het in kaart brengen en de verwerking van verzamelde meetgegevens. Deze systemen dienen gebruiksvriendelijk en efficiënt te zijn.

2.4 Onderzoek monitoringsystemen

Soms is niet onmiddellijk duidelijk of een bepaalde gemeten waarde of toestand echt schadelijk is. Daarom is monitoring noodzakelijk. Monitoring is een continu proces waarbij de veranderingen (ten gevolge van ouderdom, externe omstandigheden – zoals vocht, vervuiling, het klimaat - of menselijke acties) doorheen de tijd in de toestand van bepaalde parameters van bouwkundig erfgoed gemeten worden. Het doel hiervan is te kunnen bepalen/controleren of de karakteristieke erfgoedwaarden bewaard blijven en op basis hiervan maatregelen te voorzien om (verder) verval te voorkomen. Monitoring reikt ook noodzakelijke gegevens aan voor het opstellen van een correcte en adequate diagnose, die moet leiden tot een zinvolle therapie. Het iteratieve proces stelt voorop dat er een voortdurende dialoog wordt gevoerd tussen monitoren, bestuderen, opvolgen en ingrijpen.

Het repetitief karakter van monitoring houdt in dat monitoringsystemen niet destructief of weinig evasief mogen zijn. Het onderzoek op dit vlak spitst zich dan ook toe op het ontwikkelen van systemen die in situ op – bij voorkeur automatische wijze – bepaalde parameters op en om het bouwkundig erfgoed meten, zonder in te grijpen op het erfgoed zelf en bij voorkeur zonder storend te zijn voor het uitzicht van het erfgoed.
Daarnaast is ook de verwerking van de verzamelde gegevens in datasystemen een belangrijk onderzoeksonderwerp.

2.5 Actoren

Monumentenwacht Vlaanderen voert sinds 1991 visuele inspecties van bouwkundig erfgoed uit. Er wordt bij de inspecties van beschermde monumenten en ander waardevol erfgoed naar gestreefd het gebouw in zijn totaliteit te bekijken. Voor de moeilijk bereikbare plaatsen werken de bouwkundige wachters met behulp van industriële touwtechnieken.
Tijdens een inspectie wordt volgens een vaste methodiek, waarbij alle onderdelen van het gebouw afgegaan worden, de toestand van bepaalde bouwdelen beschreven, er worden foto’s genomen en er wordt desgewenst een actie/maatregel naar instandhouding en onderhoud voorgesteld (voor zover dit mogelijk is vanuit een visuele, niet-destructieve inspectie). De resultaten van de inspectie worden weergegeven in een inspectierapport ten behoeve van de eigenaar van het gebouw. Sinds het ontstaan van de vereniging is de methodiek van inspecteren geëvolueerd, vooral wegens de veranderende wetgeving met betrekking tot veiligheidsvoorschriften. De inspecties van Monumentenwacht worden op regelmatige basis aangeboden (om de twee à drie jaar) en uitgevoerd op vraag van de aangesloten leden (eigenaars – beheerders). De toestand op het moment van inspectie wordt vergeleken met de toestand tijdens de vorige inspectie. Deze monitoring komt in de praktijk neer op een intervalperiode variërend van twee tot vier jaar. Voor verschillende bouwdelen is dit voldoende. Indien een nauwkeurigere (lees regelmatigere) opvolging vereist is, kan dit in sommige gevallen: bijv. scheurmeters worden om de paar maanden gelezen; bijv. vermoedelijke problemen met het binnenklimaat kunnen tijdens een beperkte periode (bijv. een maand) continu gelogd worden.
De inspectierapporten worden momenteel aangeleverd onder de vorm van een word-document waarin foto’s zijn opgenomen. De provinciale verenigingen van monumentenwacht bezitten grote fototheken van de aangesloten gebouwen. De inspectierapporten zijn enkel bedoeld voor de eigenaar, maar zijn met zijn toestemming ook beschikbaar voor anderen, zoals architecten en het agentschap RO-Vlaanderen (wat de beschermde monumenten betreft).

Het WTCB past in zijn adviesverlening en onderzoek vooral technieken m.b.t. visuele inspectie toe. Daarnaast bepalen ze via een niet destructieve methode de aard van zouten in metselwerk, nl. door het ter plaatse aanbrengen van teststrips voor chloriden, nitraten en sulfaten. Ook monitoringssystemen worden in zéér beperkte mate toegepast. Het gaat dan over het meten en monitoren van vervormingen.

In Vlaanderen zijn er een aantal specialisten voor wat betreft visuele inspectie ter karakterisatie van materialen.
Specialisten met betrekking tot de karakterisatie van natuursteen zijn Eddy De Witte (gepensioneerd, voorheen KIK), Hilde De Clercq (KIK); Roland Dreesen (VITO), Michiel Dusar (KBIN) en Jan Elsen (KUL, Geologie).

RLICC heeft (in samenwerking met Monumentenwacht Vlaanderen) in 2008 een UNESCO-leerstoel “preventive conservation, monitoring and maintenance of the built heritage” en een bijhorend netwerk (PRECOMOS: International network on Preventive Conservation, Maintenance and Monitoring of Monuments and Sites) volgens de UNESCO richtlijnen opgericht. Via deze UNESCO-leerstoel zal het RLICC een geïntegreerd geheel opzetten van onderzoek, opleiding, vorming, informatie en documentatie m.b.t. preventieve conservatie, onderhoud en monitoring van het onroerend erfgoed (gebouwd erfgoed inclusief stedelijke gehelen en archeologische sites). Via onderzoekers van het centrum Europese projecten werden in het verleden expertsystemen ontwikkeld voor het visueel inspecteren en determineren van schadepatronen, zoals bijv. het MDDS (Masonry Damage Diagnostic System). Dit expertsysteem gaat wel een aantal stappen verder dan louter preventieve conservatie. 5
Het helpt de gebruiker een doordachte diagnose te stellen voor de schade aan metselwerk via opeenvolgende fases, gaande van visuele inspectie, het vaststellen van het schadetype (o.a. via een Metselwerk Schadeatlas), ontworpen om hulp aan de gebruikers van MDDS te bieden bij de correcte definitie van de schade. De definities van de schade zijn voorzien van illustraties en een uitleg over de schademechanismen en omstandigheden, het vaststellen van het schadeproces, het vaststellen van de omstandigheden en eventueel aanvullend labo-onderzoek. Op basis hiervan kan overgegaan worden tot een rapportering met het vaststellen van de diagnose en het formuleren van maatregelen voor herstel en instandhouding. Het MDDS werd als basis gebruikt voor het ontwikkelen van een nieuw systeem, het ‘Monument Damage Diagnostic System’, ontstaan binnen het EU project COMPASS. 6
Dit nieuwe systeem bevat meer kennis over verschillende bouwmaterialen en schademechanismen. Ook informatie over pleister en zoutschade komt aan bod. Eindgebruikers vinden richtlijnen om hun keuzes te ondersteunen en een diagnose van de schade en de oorzaak ervan te maken. Verder worden ze geholpen bij het plannen van restauraties. Het doorgeven van de expertise en kennis om dit en dergelijke systemen in de praktijk toe te passen behoort ook tot de opzet van de leerstoel en het netwerk. In dit kader werden in 2007 en 2008 twee internationale seminaries georganiseerd via een project (SPRECOMAH: Seminars on Preventive Conservation and Monitoring of the Architectural Heritage) gefinancierd met middelen van de Europese Commissie (6de kaderprogramma).
Het RLICC draagt ook bij tot het onderzoek naar documentatie- en meettechnieken. Met het VL-ICOON project dat liep van 1999 tot 2002 werd via een projectmatige samenwerking (RLCC en LIBIS-NET van de KULeuven met de Administratie Monumenten en Landschappen (AML) van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) een coherente gegevensstructuur ontwikkeld voor iconografische informatie over het gebouwde patrimonium dankzij de uitwisseling van expertise en de integratie van diverse databanksystemen (BASISplus en Digital Library en LIBIS-Net).
In de rand van deze studie situeert zich ook het vertaalproject voor de Art and Architecture Thesaurus (i.s.m. de Vlaamse overheid en het Nederlandse Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD). 7
Via het VIRTERF (Virtueel erfgoed)-project dat liep van 1999 tot 2001 werd beoogd een technologie te ontwikkelen die vanuit beeldverwerking over reverse engineering geleid heeft tot de opmaak van driedimensionele modellen. Deze modellen kunnen in een CAD omgeving dienen als informatiedrager (multimedia database), als weergave van de ontwerpen voor restauratieve ingrepen en voor representatie naar het grote publiek in het kader van cultuurtoerisme: Het project werd ingediend door een onderzoeksconsortium samengesteld uit onderzoekers van het Departement Architectuur, Stedebouw en Ruimtelijke Ordening (ASRO), het RLICC, het Departement Electronica, en het Departement Mechanica van de KULeuven en heeft geleid tot een verbetering van het onderzoek en de documentatie van erfgoed.

Van 2002 tot 2007 sloot RLICC zich ook aan bij een partnerschip ‘for Heritage Recording, Documentation and Information Management’ (RecorDIM). Het doel van dit netwerk, dat ontstaan was op initiatief van International Council on Monuments and Sites (ICOMOS), Getty Conservation, Institute (GCI) en van International Committee for Documentation of Cultural Heritage (CIPA), was om de samenwerking tussen leveranciers en de gebruikers van erfgoedinformatie in het kader van conservatie te verbeteren.

Ook werden en worden aan RLICC heel wat doctoraten over preventieve conservatie uitgewerkt, o.a. over het gebruik van 3D Documentatie- en verspreidingstechnieken in de studie van het gebouwde erfgoed (Mario Santana Quintero, 2003) en over de toepassing van 3D-laserscanning en fotogrammetrie in de monumentenzorg (Bjorn Van Genechten). 8
De nodige technologie en infrastructuur voor uitvoeren van fotogrammetrische restitutie (situatie reconstrueren m.b.v. luchtfoto’s) is de laatste jaren sterk vereenvoudigd. Ook de opkomst van de digitale camera heeft tal van nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor het 3D-modelleren van constructies en terreinen. De technologie van de laserscanner staat al enkele jaren op punt maar wacht nog op een doorbraak zowel langs de aanbodzijde als langs de vraagzijde.
Momenteel loopt ook een doctoraat over preventieve conservatie, monitoring en onderhoudsgerichte monumentenzorg (Neza Cebron Lipovec).

Het labo monumentenzorg van het KIK stelt diagnoses van de conserveringstoestand en schadefenomenen van monumentale constructies. Het voert ook materiaaltechnisch onderzoek uit van steenachtige materialen met als doel het verlenen van conservatie- en restauratieadvies. In dit kader heeft het labo meegewerkt aan het op punt stellen van een in situ techniek (DRMS) ter bepaling van de verweringsgraad en -diepte van bouwmaterialen. Momenteel wordt dit onderzoek toegepast in het kader van dienstverlening (en verder gezet onderzoek) ter evaluatie van de noodzaak tot een steenverstevigende behandeling naast het vastleggen van de modaliteiten van een dergelijke behandeling.

In de onderzoeksafdeling MAT van de KULeuven loopt al een tiental jaar onderzoek naar niet-destructieve technieken voor het monitoren van structuren. Vaak worden technieken die uit een andere onderzoeksector komen of een toepassing kennen in andere industrieën in de sector van preventieve conservatie van het onroerend erfgoed binnengebracht. Veelal gaat het over onderzoek van metselwerk. Verschillende onderzoekers (Janssens, H.;Van Rickstal, F.; Venderickx, K.; Keersmaekers, R.) hebben gewerkt of werken rond de toepassing van de geo-elektrische meettechniek als niet-destructieve methode om de toestand van (historisch) metselwerk te beoordelen. Zones met verhoogde elektrische weerstand duiden op slecht geconsolideerd metselwerk. De techniek kan ook gebruikt worden om de stroming van een grout bij een consolidatie-injectie op te volgen. 9
De belangrijkste vernieuwing bij de toepassing in de conservatiesector is de ontwikkeling van softwarematige hulpmiddelen bij het verwerken en interpreteren van de metingen.
Er loopt momenteel ook een doctoraatsonderzoek (Els Verstrynge) met betrekking tot het langetermijngedrag van historisch metselwerk en de effecten van schadeaccumulatie op het draagvermogen van historische metselwerkstructuren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van metingen van de akoestische emissie. De akoestische- emissietechniek wordt tot op heden in verscheidene toepassingsgebieden met succes gehanteerd. Het innovatieve is gesitueerd in de uitbreiding van de techniek naar schadeaccumulatie in (historisch) metselwerk. 10
Het doctoraatsonderzoek van Sven Ignoul gaat dieper in op de praktische toepasbaarheid van deze schademodellen en legt het verband met structurele ingrepen (consolidatie, versterking) en de tijd die een structuur nodig heeft om zich aan te passen aan de nieuwe gewijzigde structurele situatie. 11
In de loop van de jaren werd in samenwerking tussen MAT en RLICC uitgebreid onderzoek gedaan naar monitoringtechnieken m.b.t. stabiliteit met de Sint- Jacobskerk te Leuven als proefproject. Verschillende documentatietechnieken (van gerectifieerde foto’s, fotogrammetrie tot 3D laser scanning) werden uitgeprobeerd en vergeleken.

3 Onderzoek naar onderhoudstechnieken en onderhoudsplanning

3.1 Wat?

Een onaangepast onderhoud (verkeerde of te agressieve schoonmaakproducten, geen of niet aangepaste klimaatregeling, etc.) kan een schadelijke invloed hebben op de vaak oude materialen waaruit het onroerend erfgoed is opgebouwd. Onderzoek naar aangepaste onderhoudstechnieken is geen overbodige luxe als we ons erfgoed integraal willen bewaren voor het nageslacht. Dergelijk onderzoek omvat studie van verschillende producten, de creatie van onderhoudsrichtlijnen en specifieke werkbeschrijvingen, etc. .

Maar het volstaat niet enkel om te weten hoe je een materiaal of bouwonderdeel moet onderhouden, het is ook belangrijk de onderhoudscyclus, de frequentie van onderhoud te kennen. In die optiek past ook onderzoek naar onderhoudsplanning en systemen voor onderhoudsmanagement in het plaatje van preventieve conservatie, evenals de link tussen erfgoed en duurzaamheid. Hiervoor dient gekend te zijn wat de levensduur is van materialen, wanneer materialen aan vervanging toe zijn, wat de ideale cyclus is waarin onderhoud toegepast wordt voor specifieke bouwonderdelen in een welbepaald gebouw, hoe men duurzaam om kan gaan met energie in een historisch gebouw etc. . Idealiter heeft elk gebouw een eigen onderhouds- of beheersplan waarin de verschillende onderhoudsstappen, de te gebruiken producten en de frequentie van onderhoud opgenomen staan.
Internationaal maken de Conservation Management Plans uit Australië furore, Vlaanderen zou hierbij echt aansluiting moeten proberen te zoeken. Een belangrijke uitdaging bestaat er voor de toekomst in om bijvoorbeeld toestandsrapporten, zoals deze die door Monumentenwacht worden gemaakt, te integreren in het beheersplan van historische monumenten.

3.2 Actoren

Monumentenwacht geeft aanbevelingen naar onderhoud en instandhouding in zoverre dit mogelijk is vanuit visuele, niet destructieve inspectie. Indien verder onderzoek nodig is, verwijzen de monumentenwachters naar gespecialiseerde studiebureaus of restauratiearchitecten. Monumentenwacht stimuleert onderhoud door middel van de gerichte toestandsrapportage met aanbevelingen voor de aangesloten objecten en door middel van de toegankelijke onderhoudstips. 12
De publicaties (onderhoudstips) worden in gedrukte vorm verstuurd naar abonnees en overheden. Ze zijn ook te koop tegen kostprijs en kunnen gratis gedownload worden van het web.
Daarnaast heeft Monumentenwacht in samenwerking met - de in 2000 in vereffening gegane vzw - Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie een onderhoudsdraaiboek voor monumentale gebouwen opgesteld evenals een publicatie over het praktisch onderhoud van kerkinterieurs.
In de nabije toekomst (2009 e.v.) is Monumentenwacht van plan zich toe te spitsen op de opmaak van beheersplannen met kostencalculatie.
Om een gebouw te onderhouden, bijvoorbeeld voor het reinigen van dakgoten, moet men zich soms op moeilijk bereikbare plaatsen begeven. De monumentenwachters weten dit maar al te goed, want ze zijn extreem kwetsbaar tijdens hun soms gevaarlijke inspecties van bouwkundig erfgoed. Om reden hebben ze een brochure geschreven over de toegankelijkheid van zolders, daken en goten.

WTCB heeft een technische voorlichting gepubliceerd over het onderhoud van buitenschrijnwerk waarin ook de periodiciteit van de onderhoudswerken aangegeven staan. Ook wordt vaak advies gegeven aan de leden en andere klanten over onderhoudsmateries.

VIOE heeft een monument in eigen beheer, nl. het Renaat Braem Huis. Voor het courant onderhoud van dit monument werd in samenwerking met Monumentenwacht een beheersplan met kostencalculatie op maat opgemaakt. De methodiek en de aanpak van deze oefening kunnen model staan voor het creëren van dergelijke plannen voor ander bouwkundig erfgoed.

  • 1. Praktijkboek Instandhouding Monumenten, RDMZ. SDU november 2000.
  • 2. Restauratievademecum van de RDMZ, Zeist, SDU 1985-1998.
  • 3. Brochures m.b.t. conservatie-restauratie en beheer van bouwkundig erfgoed door RACM (voorheen RDMZ).
  • 4. Brochures Techniek
  • 5. Onderzoek “Environment research project (STEP)” 1993-1995 Expert system for the evaluation of deterioration of historic brick structures, in collaboration with T.N.O.-Bouw (The Netherlands), Technische Universität Hamburg (Germany) en Politectnico di Milano (Italy). Betrokkenen centrum Lemaire: Joao Mateus cfr. ook doctoraat in bibliografie, Koen Van Balen).
  • 6. EU Research Project COMPASS ‘Compatibility of plasters and renders with salt loaded substrates in historic buildings’ (EVK-CT 2001-00047).
  • 7. De Art & Architecture Thesaurus (AAT) is een wereldwijd toegepast ontsluitingsmiddel voor het toegankelijk maken van architectuur-, kunst- en cultuurhistorische collecties in musea, bibliotheken, diatheken, kenniscentra, archieven en documentatie-instellingen. De Art & Architecture Thesaurus-Nederlandstalig (AAT-Ned) is een vertaling en bewerking van de door het Getty Research Institute samengestelde Engelstalige Art & Architecture Thesaurus.
  • 8. 3D-laserscanning is een opmetingstechniek die enorme voordelen biedt t.o.v. traditionele opmetingstechnieken, voornamelijk door het direct contactloos opmeten in drie dimensies van grote constructies op zeer korte tijd. De datasets afkomstig van een laser scanner bieden dan ook een permanent archief van de structuur of gebouw, en kunnen gebruikt worden voor allerlei doeleinden in de monumentenzorg zoals: het maken van ‘as-built’ of ‘as-is’ plannen en doorsneden, als geometrische onderlegger voor het mappen van thematische informatie, of voor het monitoren en analyseren van vervormingen in de structuur door externe krachten. Voor een reële constructie is het resultaat van een in situ opmeting een wolk van punten samen met digitale fotografische opnames gemaakt van op dezelfde positie als de laser scanner. De miljoenen punten worden opgemeten met hoge nauwkeurigheid en met een resolutie in functie van de wens van de opdrachtgever. Daarenboven is de benodigde tijd voor het opmeten van deze puntenwolk relatief beperkt. Als resultaat kan gesteld worden dat het vergaren van de data een beperkte kost inhoudt.
  • 9. Grout is een vloeibare samenstelling van cement, water, eventueel kalk en andere toeslagstoffen. Het injecteren van metselwerkmassieven met grout is een techniek die gebruikt wordt om onder andere stabiliteitsproblemen van monumenten op te lossen.
  • 10. Akoestische Emissie (AE) is een niet-destructieve meettechniek die toelaat geluidssignalen van lage energie in een breed frequentiedomein op te vangen en te lokaliseren. Wanneer in een materiaal schade ontstaat, zullen de elastische golven die hierbij gegenereerd worden, i.e. de akoestische emissies, doorheen het materiaal propageren en aan het oppervlak gedetecteerd kunnen worden door AE sensoren. De AE techniek kan de energie die vrijkomt karakteriseren en indien meerdere sensoren gebruikt worden ook lokaliseren. De techniek onderscheidt zich van andere technieken in die zin dat de informatie van het schadeproces zelf gebruikt wordt. Wanneer een continue meetcampagne (monitoring) wordt toegepast kan op deze wijze het ontstaan en groeien van de schade in een structuur gevolgd worden. De techniek verlegt onze geluidsdetectiegrens naar hogere frequentie en lagere intensiteiten, maar de interpretatie van de opgemeten signalen en de link met de hoeveelheid en aard van schade is niet eenvoudig en vraagt voor ieder materiaal en toepassing een aparte expertise.
  • 11. Doc: Sven Ignoul, Structural assessment of masonry structures - long term behavior “Residual Service Life Predicton of ancient masonry”, 2003-2008.
  • 12. De Nederlandse Monumentenwacht heeft een handboek uitgegeven over haar inspectiemethodiek: B: inspectiehandboek Monumentenwacht Nederland (reeks van mappen, wordt regelmatig aangevuld).

3.1.1.2 Internationaal kader

Gezien het feit dat Vlaanderen een relatief kleine regio is in Europa -en bij uitbreiding -mondiaal, zal het belangrijk zijn om zich te integreren in een ruimer onderzoeksnetwerk of zelf een dergelijk netwerk op te zetten. Dit is tevens noodzakelijk om de schaarse beschikbare onderzoeksbudgetten efficiënt te benutten en geen ‘dubbel’ werk te leveren.

Ethiek en deontologie lijken ook onderwerpen die in samenspraak met de ons omringende landen moeten behandeld worden.

Het zou ons te ver leiden om alle relevante onderzoeksnetwerken hier op te sommen, we geven hier een aantal websites van de belangrijkste instanties of netwerken waarbij Vlaanderen aansluiting kan zoeken of reeds zoekt.

Met de oprichting van de UNESCO-leerstoel over preventieve conservatie, monitoring en onderhoud van monumenten en sites krijgt Vlaanderen de kans de specifieke know-how in dit domein te verspreiden ten behoeve van een betere conservatie van het werelderfgoed. Tevens wordt niet alleen onderzoek, maar ook onderwijs in dit domein gestimuleerd. De samenwerking met monumentenwachtverenigingen in Vlaanderen en Nederland ,die pioniers zijn in het domein van de preventieve conservatie is een belangrijke troef. De resultaten van het onderzoek en het onderwijs zullen ten goede komen van de wereldwijde betrachting om het werelderfgoed beter te conserveren en zal uiteraard ook bijdragen tot een verbetering van de conservatiestrategieën in Vlaanderen.

Binnen de Focus Area Cultural Heritage van het European Construction Technical Platform is men een “European Research Agenda” aan het opzetten m.b.t. erfgoed waarin ook de aspecten onderhoud, monitoring en preventieve conservatie aan bod komen. Op nationaal vlak werd o.a. een onderzoeksagenda door English Heritage ontwikkeld.

3.1.1.3 Hiaten in het onderzoek en aanbevelingen vanuit de sector

Het onderzoeksbeleid m.b.t. het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen is nog te eenzijdig gericht op bouwhistorisch en architectuuronderzoek. Onderzoek over preventieve conservatie krijgt onvoldoende aandacht/middelen van de beleidsmakers, terwijl dit internationaal beleidsmatig en ook wetenschappelijk toch van primordiaal belang is. 1 Er wordt heel wat interessant onderzoek opgestart vanuit het Vlaamse onderzoeksveld, maar door gebrek aan structurele ondersteuning voor dit onderzoek is continuïteit niet altijd gegarandeerd en vinden onderzoeksresultaten ook slechts druppelsgewijs ingang in het werkveld zelf. Het is gewenst dat de promotie van preventieve conservatie (onderhoud) als beheersactie boven restauratie in het algemeen (als beheersstrategie) systematischer wordt aangepakt – men gaat vandaag nog teveel uit van de idee dat we “na een restauratie 50 jaar gerust zijn”.
Een vaststelling is verder dat het multidisciplinaire karakter van onderzoek in erfgoedzorg algemeen en met betrekking tot conservatie-restauratie van bouwkundig erfgoed in het bijzonder onderkend wordt. Er is dringend nood aan identificatie en erkenning van dit probleem en aan een actieplan om dit te verhelpen.
Een ander belangrijk aandachtspunt is het vastleggen van waarderingscriteria voor onroerend erfgoed (waardestellingen).
Met betrekking tot de toepassing van de Vlaamse Wetgeving Onroerend Erfgoed, wordt daarnaast vastgesteld dat er veel ‘besparingen’ worden gemaakt op het vooronderzoek in het kader van ingrepen op het erfgoed, of dat vooronderzoeken steevast samen met de uitvoering van een restauratiedossier worden uitgevoerd, waardoor het vooronderzoek zijn doel voorbijschiet: de functie van het vooronderzoek is namelijk de uitvoering sturen wat niet kan als vooronderzoek deel uitmaakt van de uitvoering. Wenselijk zou ook zijn dat resultaten van vooronderzoeken op één of andere manier systematisch beschikbaar worden gemaakt voor meer algemeen onderzoek via internet of via een centraal documentatiecentrum (bvb. bij de Vlaamse overheid).

Voor het lopend onderzoek in Vlaanderen is een belangrijk hiaat het onderzoek naar algemene richtlijnen voor preventieve conservatie van onroerend erfgoed.
De ontwikkeling van een “Handleiding Kwetsbare Erfgoedelementen” vanuit de Vlaamse overheid is een goede stap in de ontwikkeling van algemene richtlijnen. Er bestaan al vergelijkbare internationale of commerciële voorbeelden, maar het belang van de illustratie van richtlijnen via ‘best practices’ van eigen bodem en de actieve verspreiding ervan is niet te onderschatten. Ideaal zou zijn dat zoveel mogelijk experten uit verschillende onderzoeksinstellingen in Vlaanderen hieraan meewerken.
Daarnaast is het essentieel dat Vlaanderen zijn actieve medewerking blijft verlenen aan de Europese normen met betrekking tot preventieve conservatie die momenteel in opbouw zijn. Tevens is belangrijk dat de gecreëerde EN snel een vertaling krijgen naar het Nederlands (dit wordt normaal gezien gecoördineerd door het BIN) en ook opgenomen worden in een handige publicatie of online raadpleegbare databank.

Mogelijkheden voor onderzoek met betrekking tot visuele inspectiemethodes liggen vooral in het zoeken naar manieren en instrumenten om beter te kunnen kijken en vast te leggen. Vermits er bij visuele inspectie vaak gewerkt moet worden op weinig toegankelijke plaatsen en in allerlei weersomstandigheden, dienen instrumenten low budget, klein en licht in gewicht zijn, moeten ze tegen een stootje kunnen en bij voorkeur ook spatwater- en stofdicht zijn.
Wat de neerslag van de inspecties betreft (inspectierapport), wordt door Monumentenwacht gewerkt met een schriftelijke neerslag en foto’s. Er wordt bekeken in hoeverre het mogelijk is de inspectiegegevens in te brengen in een databank i.p.v. in een word-document. Onderzoek dringt zich op naar de ontwikkeling van een gebruiksvriendelijk softwarepakket dat eenvoudige inspectie van diverse gebouwentypes mogelijk maakt en dat bij voorkeur ook als monitoringsysteem gebruikt kan worden. De huidige inspectiemethodiek van Monumentenwacht kan hiervoor als uitgangspunt dienen.
Tevens wordt aangedrongen op het systematisch onderzoek en de inventarisatie (via een atlas of een digitale databank) van het gebruik, de fysisch chemische karakteristieken, de exacte herkomst en het voorkomen van historische bouwmaterialen in het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen.

Over meetmethodes en technieken om het bouwkundig erfgoed in situ te onderzoeken is er internationaal - en in mindere mate in Vlaanderen - al heel wat onderzoekwerk verricht en/of nog aan de gang. De resultaten van dit onderzoek zijn ook vrij - vaak online - toegankelijk. Met betrekking tot de beschikbare informatie op het web (vooral internationaal), is het soms moeilijk te onderscheiden of het om betrouwbare of niet betrouwbare informatie gaat. Daarnaast kan men zich de vraag stellen of al deze digitale gegevens ook in de toekomst nog leesbaar en raadpleegbaar zullen zijn. Ook zijn duidelijke en actuele overzichten niet beschikbaar.

Inzake de ontwikkeling van monitoringssystemen heeft men in Vlaanderen meegewerkt aan Europese onderzoeksprojecten rond monitoring van schade aan metselwerk, voor het bepalen van de verweringsgraad en –diepte van bouwmaterialen en van schade aan het bouwkundig erfgoed in zijn geheel.

Wat de concrete toepassing van al deze meetmethodes, technieken en monitoringsystemen in de praktijk in Vlaanderen betreft, zijn er nog weinig grote resultaten te melden. Momenteel is er op het werkveld zelf immers weinig te merken van de toepassing van de resultaten van het onderzoek. Het is niet altijd duidelijk waar de meettoestellen en/of software te verkrijgen zijn, wat ze kosten en hoe ze gebruikt dienen te worden. Eenvoudige en goedkope systemen genieten uiteraard de voorkeur, maar daarvoor moet men weten wat er op de markt is en wat de kwaliteit ervan is. Overzichten hieromtrent zijn niet of zeer moeilijk te vinden.
Binnen de opleiding van het RLICC wordt momenteel wel werk gemaakt van het vertrouwd maken van de studenten met een aantal meettoestellen en software. In het kader van SPRECOMAH en PRECOMOS is het de bedoeling ook een ruimer netwerk van betrokken professionelen vertrouwd te maken met deze nieuwe methoden, technieken en systemen. Het geven van opleidingen, het schrijven van publicaties en het centraal (online) ter beschikking stellen van gegevens is in deze cruciaal.

Inzake werkbeschrijvingen (handleidingen) voor de uitvoering van onderhoudstechnieken is al heel wat onderzoek gebeurd. Brochures en handleidingen voor het grote publiek (de erfgoedzorgers in eerste lijn) over deze problematiek bestaan al, maar zijn wellicht te weinig bekend of te weinig gebruiksvriendelijk. Het vroegere VCAR, het KIK en de Monumentenwacht ontwikkel(d)en terzake initiatieven en verzorg(d)en publicaties (Vademecum van het KIK, Schoon Schip van het VCAR, brochures van Monumentenwacht). Het onderzoek naar het langetermijneffect van sommige onderhoudsproducten kan wel een impuls gebruiken.

Wat het onderzoek naar onderhoudsplanning voor het onroerend erfgoed betreft, staan we in Vlaanderen nog niet ver. Internationale en Vlaamse publicaties inzake systemen voor onderhoudsplanning – en vooral ook de strategie voor onderhoud over lange termijn (meer dan vijf jaar) - en kostenanalyse ontbreken. Ook over risicoanalyse (en niet alleen de grote calamiteiten!) als integrale strategie voor conservering van het erfgoed is nog te weinig studie gebeurd.
De algemene principes m.b.t. onderhoudsfrequentie en planning zijn momenteel te weinig bekend of toch zeker te weinig toegepast in Vlaanderen. Het ware nochtans aangewezen dat minimum elk beschermd monument in Vlaanderen een onderhoudsdraaiboek op maat had. Dit is momenteel helaas niet het geval, waardoor dure restauraties (interveniëren als het eigenlijk al te laat is) de regel blijven.

Verder is volgens werkveldonderzoek naar andere facetten van preventieve conservatie noodzakelijk, zoals:

  • early warning systems en dosimetrie
  • thematisch materieeltechnisch onderzoek
  • onderzoek naar relatie dosis-schade (bijv. effect van luchtvervuiling)
  • 1. “Vision 2030 & Strategic Research Agenda”, opgesteld door Focus Areas Cultural Heritage van ECTP: “To set up sustainable strategies for the preservation of cultural heritage assets by developing new management and monitoring tools to ensure their added value for European cities and the local environment; this will enhance the European Society’s knowledge and understanding, and promote a reliable predictive and cost effective maintenance.”

3.2 Conservatie-restauratie van interieur en kunstwerken

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteur: Marjan Buyle

1 Inleiding op het onderzoeksdomein

1.1 Afbakening

Het onderzoeksdomein overlapt gedeeltelijk dat van het Historisch Interieur en dat van de Materialen en Technieken. Het ligt immers voor de hand dat verantwoorde restauraties van interieurs en kunstwerken voorafgegaan worden en samengaan met het onderzoek van het interieur als een geheel en met het onderzoek naar de gebruikte materialen en technieken. Restauraties leveren overigens vaak gegevens voor voornoemde onderzoeksdomeinen.

Eng gezien is het onderzoeksdomein beperkt tot het onderzoek van restauratieproducten en -technieken. In een breder kader omvat dit het onderzoek naar gebruikte materialen en hun verwerking.
Wat schilderingen betreft, heeft dit dan te maken met onderzoek naar pigmenten, kleurstoffen, bindmiddelen, kleefmiddelen en lijmen, afwerkingmaterialen zoals vernissen, glacis, wassen e.a. Onderzoek naar de laagopbouw levert gegevens op over achtereenvolgende interieuraankledingen, waarbij het interieur als een samenhang steeds in het achterhoofd gehouden wordt en waarbij de link gelegd moet worden naar de rest van de interieurcomponenten: los en vast meubilair, textiel, vloeren en tapijten, vensters en deuren, plafondafwerkingen, vaste interieurcomponenten zoals schouwen, lambriseringen, verlichting en verwarming, losse kunstwerken.

Onderzoek naar de bewaringstoestand, alteratiefenomenen, oorzaken van de schade: “natuurlijke” oorzaken zoals veroudering, vocht, invloed van het licht, klimaat, zouten en “onnatuurlijke” beschadiging door vandalisme, verwaarlozing, gebrek aan onderhoud, historische gebeurtenissen (iconoclasme, oorlogen,..), natuur- en andere rampen (overstromingen, aardbevingen, branden, instortingen).

Onderzoek naar uitvoeringstechnieken, volgorde van handelingen door de kunstenaar (welke lagen eerst, preparaties, verflagen, afwerkingslagen), technische hulpmiddelen (passer, sjablonen, schetsen, ontwerpen).

Evolutie van het interieur en de kunstwerken: latere overschilderingen, aanpassingen, toevoegingen, herstellingen, evolutie van stijl en smaak, van gebruik en functie, verbouwingen e.a.

1.2 Traditionele aanpak van dit onderzoeksdomein

De traditionele aanpak is grotendeels ad hoc: naar aanleiding van een welbepaalde conservatie-restauratie wordt er onderzoek rond verricht. Bovendien is het onderzoek meestal opgesplitst in gespecialiseerde deeldomeinen.

De oprichting van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in 1948 is een belangrijk historisch gegeven, omdat de toenmalige opzet van interdisciplinariteit. 1 Dit had veel, zoniet alles, te maken met de visionaire figuur van Coremans die aan de leiding stond van deze instelling.

2 Stand van het onderzoek

Verschillende personen en instellingen zijn momenteel bezig met onderzoek op dit domein.

2.1 Instellingen

  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed VIOE
    • Marjan Buyle en ploeg (Els Jacobs en Philippe Schurmans)
      • Onderzoek van conservatieproducten en technieken ad hoc
      • Evolutie van de restauratiedeontologie en de weerslag hiervan op de restauratiepraktijk
    • Patrick Roose
      • Onderzoek en conservatie-restauratie van orgels
    • Archeologische conservatie Zellik
    • Aanverwant onderzoek VIOE: dendrochronologie e.a.
  • Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium KIK
    • Jan Wouters
      • kwantitatieve analyse van organische stoffen op micromonsters: natuurlijke organische kleurstoffen, plantaardige looistoffen, proteïnen
      • studie van de representativiteit en reproduceerbaarheid van de resultaten van microanalyses
      • evaluatie van de conditie van papier, leer, perkament, wol en zijde door chemische analyse
    • Hilde De Clercq
      • diagnose van de conserveringstoestand van monumentale constructies en materiaaltechnisch onderzoek van steenachtige materialen
      • identificatie en toepassingsmodaliteiten van behandelingsproducten gebruikt voor de conservatie en restauratie van onroerend erfgoed
      • uitwerken van een databank met analyseresultaten van producten gebruikt in de monumentenzorg als werkinstrument voor de Belgische Unie voor de technische goedkeuring in de bouw: onderzoek van waterwerende en anti-graffiti producten
      • onderzoek van de samenstelling van natuursteen en beton
      • lid van Werkgroep 2, Materials Constituting Cultural Property, en Werkgroep 3, Evaluation of Methods and Products for Conservation Works, binnen de Commissie Europese Normalisatie CEN/TC346 Conservation of Cultural Property: uitwerken van Europese standaarden
      • identificatie van natuursteen
      • analyse van historische mortels en pleisters
      • zoutanalyses, detectie van capillair opstijgend vocht
      • evaluatie en langetermijnefficiëntie van conservatieproducten
    • Marina Van Bos
      • analyse verfmonsters van muurschilderingen, historische gebouwen, miniaturen e.a.
      • identificatie van pigmenten en bindmiddelen en stratigrafie van de lagen met optische microscopie, infrarood spectroscopie en microscopie FT-IR, μRaman spectroscopie, electronenmicroscopie met energiedispersief X-straaldetectiesysteem SEM-EDX, X-straal fluorescentie XRF en gaschromatografie gekoppeld aan massaspectrometrie GCMS
      • preventieve conservatie
      • onderzoek papier, leder, perkament
    • Ina Vanden Berghe
      • onderzoek textiel, papier, leder, perkament
    • Leen Wouters
      • onderzoek glas, metaal, email
    • Mark Van Strydonck en Mathieu Boudin
      • 14 C- datering en stabiele isotopenonderzoek
    • Pascale Fraiture
      • Dendrochronologie
    • Jana Sanyova
      • chemie en geschiedenis van materialen gebruikt als artistieke kleurstoffen en pigmenten (organisch en anorganisch)
      • ontwikkeling van nieuwe extractiemethodes voor organische kleurstoffen vertrekkende van gekleurde lagen en lakken
      • ontwikkeling van nieuwe analysemethodes voor kleurstoffen met LC-DAD-MS
      • reductie van de vereiste hoeveelheid monsters noodzakelijk voor de analyse van kleurstoffen afkomstig van schilderijen
      • chemisch gedrag van pigmenten en organische kleurstoffen gedurende hun natuurlijke veroudering; onderzoek naar degradatieproducten die toelaten de oorspronkelijke kleurstoffen te bepalen in picturale lagen die nu ontkleurd zijn
      • interactie pigment - bindmiddel: invloed van het pigment op het gedrag en de veroudering van het bindmiddel
      • onderzoek van de structuur en de karakteristieken van kraplakken
    • Steven Saverwyns
      • bindmiddel- en vernisanalyse van schilderijen, GC-MS, met daarnaast andere technieken zoals FT-IR, Ramanspectroscopie,…
      • aanpassen van monstervoorbereidingsmethodes voor GC-MS analyses, zodat de analyses vlugger zijn en naar alle waarschijnlijkheid minder monsters vereisen
      • onderzoek naar een methode die de simultane bepaling toelaat van proteïnen en oliehoudende bindmiddelen met GC-MS
      • ontwikkeling van een methode voor de bepaling van polysaccharides
      • gebruik van micro-Ramanspectroscopie voor de identificatie van pigmenten
      • onderzoek naar de toepasbaarheid van micro-Ramanspectroscopie voor bindmiddelidentificatie
      • onderzoek naar het gebruik van micro-Ramanspectroscopie voor in situ analyses op bijvoorbeeld schilderijen
      • reduceren van de hoeveelheid materiaal noodzakelijk voor de analyse van bindmiddelen afkomstig van schilderijen.
    • Mohamed Rich
      • mortelanalyses, zoutdosering en opstijgend vocht
    • Guido Van de Voorde en Catherine Fondaire
      • radiografisch onderzoek van kunstwerken
  • Hogeschool Antwerpen, Departement conservatie en restauratie

    • Patrick Storme
      • conservatie en restauratie van metalen, tincorrosie
    • Joost Caen
      • onderzoek en conservatie glasramen
    • Onderzoeksprojecten
      • Salut-project
        • Study of Advanced Lasertechniques for the Uncovering of polychromed Works of Art, projectleider Dirk Anthierens
      • Smartplasma
        • ontwikkelen van prototype voor reinigen van metalen in historische objecten door middel van plasma, projectleider Patrick Storme
      • Studentenproefschriften?

2.2 Personen

  • Mario Baeck
    • Belgische industriële vloer- en wandtegels 1840-1940
  • Veerle Meul
    • preventieve conservatie, risicoanalyse
  • Aletta Rambaut
    • conservatie en restauratie van gebrandschilderd glas
  • Lieve Watteeuw
    • onderzoek conservatie papier, perkament en boeken
  • Geert Wisse
    • studie en conservatie van behangpapier
  • Leon Smets
    • Preventieve conservatie, monitoring

3 Hiaten

Hiaten zijn vooral de meer synthetische onderzoeken en bepaalde specialisaties die weinig of niet aan bod komen.

De meeste onderzoeken zijn gelinkt aan lopende conservatie- en restauratieprojecten, hetgeen overigens ook normaal is, omdat dan de mogelijkheid geboden wordt om sommige ensembles meer gedetailleerd te onderzoeken. 2

Een andere vaststelling is dat onderzoek gelinkt is aan de interessesfeer en de specialisatie van personen, die, autodidactisch of niet, autoriteiten geworden zijn in hun vakgebied.

Resultaten van onderzoek blijven nog al te vaak weinig toegankelijk. Analyseresultaten blijven ‘hangen’ tussen de opdrachtgever van de onderzoeken en de uitvoerder ervan, tenminste in het - spijtige - geval dat het onderzoek niet gepubliceerd wordt.

Veel vooronderzoeken van conservaties-restauraties, waarin meestal een schat aan gegevens vrijkomt, blijven ontoegankelijk omdat ze verdwijnen in archieven, administraties, instellingen.

Er is weinig grootschalig onderzoek naar bijvoorbeeld restauratieproducten: lijmen en fixeermiddelen, insecticide-fungicidesystemen en producten, reversibele producten voor specifieke doelen, producten en technieken voor reiniging e.a. Probleem hierbij is waarschijnlijk dat iemand de opdracht moet geven voor deze onderzoeken en dat deze de onderzoeken wellicht zelf moet financieren.

Er is weinig fundamenteel ‘theoretisch’ onderzoek wat restauratiedeontologie en –filosofie betreft. Pogingen worden ondernomen om dit hiaat op te vullen via gespecialiseerde congressen en studiedagen. 3 Essentieel hierbij is wel dat er binnen een redelijke termijn een publicatie beschikbaar is.

Er zijn te weinig (gecoördineerde) initiatieven betreffende de wetenschappelijke terminologie van de conservatie-restauratie. Een duidelijk voorbeeld hiervan, maar uitsluitend een deelaspect behandelend, is het Beknopt glossarium voor de conservator-restaurateur van beeldhouwwerk 4 opgemaakt in het kader van het CRISTAL-project. 5 Het VIOE (Marjan Buyle), de Hogeschool Antwerpen (Charles Indekeu) en Culturele Biografie Vlaanderen (Leon Smets) waren bij dit project betrokken. Aanleiding was het feit dat de Art and Architecture Thesaurus van het Getty Institute niet specifiek ingaat op terminologie van de conservatie-restauratie. Opzet van het CRISTAL-project was het verwezenlijken van een meertalig glossarium met technische termen vanuit drie landen van de Unie: Frankrijk, België en Italië. België kreeg de beeldhouwkunst toegewezen, Italië de muurschilderkunst en Frankrijk de schilderijen op doek en de metalen en ceramiek. Het eindresultaat was iets minder ambitieus dan de oorspronkelijke opzet. Het deelaspect muurschilderingen werd uitsluitend in het Italiaans gepubliceerd en schoot hierdoor haar doel volledig voorbij. 6

4 Prioriteiten in het onderzoek

Prioritair is een onderzoek naar de meest efficiënte en tegelijkertijd milieuvriendelijke, ecologisch verantwoorde producten voor de behandeling en de preventie van biologische aantasting (schimmels, zwammen, insecten) van hout?
Het onderzoek zou klaarheid moeten scheppen over volgende punten:

  • welk recent wetenschappelijk onderzoek werd hierover uitgevoerd in binnen- en buitenland? Welke publicaties bestaan hierover?
  • welke schade brengen deze producten toe aan het milieu en de mens in zijn omgeving (manipulatie van behandelde houten werken, schade door inademing, uitwasemingen, …)
  • wat is de efficiëntie van deze producten: curatief? Preventief? Duurzaamheid van de bescherming?
  • wat is hun interactie met afwerkingslagen op het hout: was, vernis, kleurstof, polychromie, metaalopleg,…? Welke residu’s laten ze na in het hout?
  • op welke manier worden deze producten aangebracht? Zijn deze producten in dit land verkrijgbaar? Zoniet, waar zijn ze te bekomen? Kostprijs?

Dit onderzoek is nuttig voor een brede basis: in praktisch alle monumenten is hout aanwezig (constructie, decoratie, kunstbezit).

Hierbij aansluitend en in uitbreiding is onderzoek nodig naar andere facetten van preventieve conservatie (lucht, licht, klimaat e.a.). Brochures en handleidingen voor het grote publiek (de erfgoedzorgers in eerste lijn) over deze problematiek bestaan al, maar zijn wellicht te weinig bekend of te weinig gebruiksvriendelijk. Het vroegere VCAR, het KIK en de Monumentenwacht Interieur nu ontwikkelden initiatieven ter zake en verzorgden publicaties (Vademecum van het KIK, Schoon Schip van het VCAR, brochures van Monumentenwacht). Onze Franstalige collega’s publiceerden bruikbare handleidingen. Enige coördinatie en eventueel vertalingen zijn zeker wenselijk.

Een andere prioriteit is het synthetisch onderzoek naar restauratieproducten (voor het fixeren, verharden, reinigen e.a.), zoals ze in de handel worden aangeboden. Het is bekend dat firma’s vaak zonder veel ruchtbaarheid de samenstelling van hun producten wijzigen. Het is bovendien moeilijk om te allen tijde te beschikken over geactualiseerde technische fiches.

Type- of standaardbestekken zijn in deze sector niet mogelijk noch wenselijk, maar de opmaak van een standaardformulier als richtlijn voor bijvoorbeeld een volledig onderzoek van een historisch interieur moet mogelijk zijn. Dit is nu nog te veel gefixeerd op louter onderzoek van afwerkingslagen en dan nog alleen op de kleur hiervan (en niet op de textuur, dikte, uitzicht, esthetiek, samenstelling, verfsysteem, preparatielagen, …). Bij onderzoek voorafgaande aan de conservatie en restauratie mag vooral de samenhang niet uit het oog worden verloren van afwerkingslagen met los m