Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Mombersstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2005

TitelHet oudheidkundig bodemonderzoek aan de Mombersstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2005
PublicatietypeTijdschriftartikel
Publicatiejaar2007
AuteursVanderhoeven, A, Vynckier, G, Cooremans, B, Ervynck, A, Lentacker, A, Van Neer, W, De Groote, K
Titel van het tijdschriftRelicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen
Volume of jaargang3
Begin en eindpagina's93-158
UitgeverVlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
Plaats van UitgaveBrussel
ISSN Nummer1783-6425
Trefwoordenarcheozoölogie, beerput, houtbouw, kelder, muurschildering, stad, stadsarcheologie, steenbouw, voeding, voedselvoorziening, wrijfschaalstempel
Samenvatting

De laat- en postmiddeleeuwse sporen
Van de postmiddeleeuwse periode zijn gedeelten van twee kelders in de westelijke helft van het terrein aangetroffen.
Van de 7 laatmiddeleeuwse beerputten waren slechts de onderkanten bewaard gebleven. Deze beerputten maakten ongetwijfeld deel uit van een of meer woningen die op de Mombersstraat hebben uitgegeven.
5 beerputten hebben een zeer beperkte hoeveelheid aardewerk opgeleverd. Naast intrusieve scherven uit de Romeinse periode kunnen 3 aardewerksoorten onderscheiden worden : rood aardewerk, steengoed en Maaslandse witbakkende waar. Het rood aardewerk, dat gekenmerkt wordt door een hard, donkerrood tot bruinrood baksel met een matig fijne zandverschraling is waarschijnlijk van lokale herkomst. De aanwezigheid van pottenbakkersovens te Tongeren, ondermeer aan de Clarissenstraat, vormt alvast een bewijs van aardewerkproductie in de laatmiddeleeuwse stad. De zeer beperkte hoeveelheid aardewerk maakt een goed analyse onmogelijk. Door de kleine hoeveelheid importmateriaal, met nauwelijks bruikbare morfologische kenmerken, en door de quasi onbestaande kennis van de aard en de evolutie van het lokale laatmiddeleeuwse aardewerk uit de regio Tongeren, is het moeilijk een betrouwbare datering te geven voor de periode van depositie. De beerputten lijken tot eenzelfde periode te horen, die tussen de late 14de en de vroege 16de eeuw gesitueerd moet worden. In hoeverre de overige contexten daarop aansluiten , en wat de onderlinge chronologische verschillen zijn binnen deze periode, kan niet uitgemaakt worden. Zeker is dat er geen veel oudere (13de eeuw of ouder) of veel jongere (17de of 18de eeuw) aanwezig zijn.
Het is duidelijk dat dergelijke beperkte aardewerkensembles totaal geen sociaaleconomische uitspraken toelaten.
De laatmiddeleeuwse beerputten stellen een interpretatieprobleem. Enerzijds is hun circulaire en schachtvormige structuur typisch voor een beerput, anderzijds is het in de vulling aangetroffen materiaal eerder karakteristiek voor nederzettingsruis dan voor beer. Mogelijk dateren de aangetroffen lagen veeleer uit de dichtgooifase dan uit de gebruiksfase van de beerputten. Tot slot dient hier nog de bijzondere vondst uit een van deze beerputten in herinnering worden gebracht. Het betreft grote aantallen dadelpitten uit spoor 15. Omdat uitgerekend dit spoor geen dateerbare vondsten bevat, tasten we voorlopig nog in het duister over de betekenis van deze merkwaardige vondst.

Citation KeyVanderhoev:2007b
VerantwoordelijkeCAI AODB, AERVYNCK, BCOOREMANS, WDECLERCQ, VAMEELS, AVANDERHOEVEN, SVANDEVOORDE