Het geheugen van een stad : drie decennia gentse stadsarcheologie

TitelHet geheugen van een stad : drie decennia gentse stadsarcheologie
PublicatietypeTijdschriftartikel
Publicatiejaar2007
AuteursLaleman, MC
Titel van het tijdschriftMonumenten, Landschappen & Archeologie
Volume of jaargang26
Nummer binnen de jaargang2
Begin en eindpagina's4-23
Trefwoordenstadsarcheologie
Samenvatting

Van in 1973 lag in de Gentse archeologie de klemtoon op de ontwikkeling van de stad en de historisch-wetenschappelijke vraagstelling.Deze aanpak verschilde van de traditionele, thans eigenlijk verouderde museumvisie.
Van bij de start werd geopteerd voor een archeologie 'van de stad'. Het gaat om een totaliteitsonderzoek, hetgeen inhoudt datde materiële bronnen vanaf de eerste prestedelijke nederzettingsvormen worden behandeld binnen het volledige werkveld of de context van de huidige stad. Elke interventie vormt een schakel van dit totaliteitsonderzoek dat hoe dan ook een meerjarenproject is.
Vanuit de oudste stadskern ontwikkelde zich de middeleeuwse (groot)stad met een tweede omwalling van bij de 14 km en een oppervlakte van 644 ha. In de 14de eeuw behoorde Gent tot de grootste binnenlandsteden van Europa.
Dit vertolkte zich eveneens in de stadsordening (het type van een ville pluricellulaire) , de aard van de bebouwing, economische bedrijvigheden en artisanale activiteiten, het consumptiegedrag, kortom de hele cultuur. Steeds weer blijkt dat bepaalde aspecten van stedelijke ontwikkeling in andere en kleinere steden niet voorkomen of pas enkele deccennia later een bloei bereikten.
Het archeologisch onderzoek in stedelijk milieu wordt bemoeilijkt door de manier waarop de materiële bronnen zich aandienen en de wijze waarop ze kunnen worden onderzocht. De doorgaans eeuwenlange bewoning, de complexe stratigrafie en/of relatieve chronologie en de veelal fragmentarische bewaringstoestand beïnvloeden meestal de lectuur en de interpretatie van het archeologisch erfgoed.
De stadsarcheoloog kiest zijn interventies niet. De onderzoeksplaatsen worden aan de archeoloog opgedrongen wanneer er arcehologisch erfgoed dreigt verloren te gaan door infrastructuurwerken, renovatie, restauratie of nieuwbouw. Omwille van het grote aanbod en de uiterst bescheiden middelen inzake personeel, tijd en budget, moeten er keuzes gemaakt worden. Op basis van de historisch-wetenschappelijke vraagstelling en de mogelijkheden voor onderzoek worden prioriteiten bepaald. Jaarlijks is de stadsarcheologische dienst betrokken bij de uitvoering van 25 tot 45 projecten, hetgeen zeer veel is. Ze zijn verspreid over de hele stad alhoewel de archeologische sites en de historische kernen in de deelgemeenten nog eerder ondervertegenwoordigd zijn.
Het grootste geprogrammeerd onderzoek dat in Gent werd gerealiseerd omvatte de opgravingen op het Sint-Pietersplein.
De goed geprogrammeerde projecten zijn niet enkel grootschalig. In een dergelijk versnipperd en gefragmenteerd onderzoeksveld kunnen ook kleinere interventies waardevolle resultaten aanreiken. In de posteernestraat konden de stadsarcheologen na het opruimen van een paar kleine bijgebouwen, bovengronds de funderingen van een stadsmuur onderzoeken. Hij maakte deel uit van de 13de eeuwse stenen verdediging bij de westelijke stadsgracht die omstreeks 1100 was gegraven. Van deze stadsfortificatie blijft enkel de gegraven Ketelvest in het stadsbeeld bewaard.
Geheel conform de voorschriften van het Europese Verdrag van Malta (1992) dragen steeds meer private bouwheren bij tot de archeologische terreininterventies die in Gent altijd onder de leiding van de Dienst Stadsarcheologie worden gerealiseerd. Het oudste voorbeeld hiervan had betrekking op de eerste pandhof van het klooster van de geschoeide karmelieten. De geregistreerde , veelal zeer fragmentarische sporen lieten toch toe de evolutie van de bebouwing rond de pandhof tussen de 15de en de 18de eeuw te volgen.
Een ander voorbeeld was de Vismijnsite waar het onderzoek mogelijk maakte dat nieuwe gegevens ingewonnen werden over het voorhof van het Gravensteen en over de middeleeuwse collegiale Sint-Veerlekerk met haar ten westen gelegen begraafplaats. Archeologische waarnemingen in het zuidelijke bouwblok van het sint-Veerleplein, maakten het verder mogelijk de opeenvolgende Sint-Veerlekerken precies te localiseren.
In1978 besliste de stad Gent om de restauratie en renovatie van stadseigendommen te laten voorafgaan door grondig archeologisch en bouwhistorisch onderzoek. Pilootvoorbeelden waren voor de periode 1978-1980 de restauratie aan het Toreken aan de Vrijdagsmarkt, het Caermersklooster of klooster van de geschoeide karmelieten , het Hof van Ryhove en het Gravensteen.
Van meet af aan heeft de Gentse stadsarcheologie opgravingen gecombineerd met archeologisch muur- en dakonderzoek van bovengronds bewaard erfgoed.
Bij ongeveer de helft van de Gentse interventies worden opgravingen gecombineerd met Bauarchäologie. Ui de veelheid aan projecten die deze aanpak over de voorbije dertig jaren illusteren, kan het voorbeeld van de bijlokesite worden aangehaald. De terreininterventies olv de Dienst stadsarcheologie van de stad Gent omvatten er zowel opgravingen als archeologische waarnemingen, bij werken, alsook bouwarcheologie en dakkaponderzoek met dendrochronologie.. Voor elk deelonderzoek vormde een renovatie- of restauratieproject de aanleiding. De eerste interventie dagtekent van 1988 en omvatte het archeologische vooronderzoek van de 13de eeuwse ziekenzaal met haar unieke kapconstructie. Het archeologisch onderzoek in 2005 en 2006 concentreert zich op de gebouwen van de voormalige cisterciënzerinnenabdij en kadert in de voorbereidende werkzaamheden voor de inrichting van het nieuwe stadsmuseum of STAM. Dit onderzoek maakt het mogelijk de 13de eeuwse monialenkerk, waarover zogeod als geen informatie bestaat, juist te lokaliseren en de plattegrond te reconstrueren. Alle archeologische interventies in de Bijloke kaderen overigens in de wetenschappelijke vraagstelling over de betekenis van deze site voor het ontstaan en de ontwikkeling van Gent, de evolutie van het Bijloke-areaal doorheen de eeuwen en de betekenis van zowel ziekenhuis als abdij in ruimer Europees perspectief.
Door het verrichten van bodemonderzoek en muurarcheologie in stedelijk milieu worden de archeologen dagelijks geconfronteerd met huizen en huisresten, evenals met de materiële context waarin deze relicten thuishoren. Door de grote rijkdom aan archiefbronnen over Gent anders te bekijken, door als basis aanvankelijk weining benutte fiscale en kadastrale bronnenreeksen te raadplegen, is het sinds 1992 mogelijk om op een betrouwbare en vooral meer exhaustieve manier aan huizenonderzoek te doen. De materiële sporen vormen nog steeds het uitgangspunt en dit blijkt ook absoluut noodzakelijk om de link te kunnen leggen met de geschreven bronnen. De interdisciplinaire samenhang van het onderzoek bepaalt de kwaliteit van het eindresultaat. Telkens weer blijkt verder dat de resultaten van een huisproject de genese van het pand overstijgen. Via de eigenaar/bewoner, zijn woon- en leefcultuur wordt men geconfronteerd met de hele politieke, economische, sociale, culturele en levensbeschouwelijke context. Het eerste interdisciplinaire huizenproject dat tot onverwachte resultaten leidde, had betrekking op het Hof van Ryhove. Meer grootschalige projecten van dergelijk huizenonderzoek omvatten de wijk van het Prinsenhof of de vroegere adelijke site van De Wal en daarbij aansluitend de omgeving van de Berg van Barmhartigheid, beide gelegen tussen het Gravensteen en de laat-middeleeuwse , westelijke stadsomwalling. Een grootschalig interdisciplinair project dat thans in wording is, heeft te maken met de deelgemeente Sint-Kruis-Winkel of het oude Winkel, waarbij uitgetest wordt of de methode die voor het centrum van de stad kan gelden ook voor buitengebieden met tal van oudere historische kernen kan worden toegepast.
Status Quaestionis
Op regelmatige tijdstipen wordt er een status quaestiones opgemaakt.
Maar ook de kennis van de stad als basis voor de keuzes en prioriteiten moeten permanent worden bijgesteld. Nieuwe bevindingen kunnen leiden tot wijziging van prioriteiten.
De voortschrijdenden erosion of history noopt tot regelmatige reflectie. Een recent voorbeeld is de casus Korenmarkt. Tot voor een aantal jaar werd dit plein enkel als een belangrijke middeleeuwse markt beschouwd. Een eerste opgraving leverde al enkele nuances. Neiuw onderzoek van geschreven bronnen wees op het bestaan van twee middeleeuwse kapellen, een ommuurd kekrhof en heel wat verkoopsstallen in de zone ten westen van de Sint-Niklaaskerk tot het iende van de 16de eeuw. De nieuwe visie impliceerde een bijsturing van advies en aanpak voor de integratie van archeologisch onderzoek bij de kompende heraanleg.
Thematische projecten waarbij de status quaestiones wordt opgesteld van een bepaald onderwerp, dat verder kan worden bestudeerd, dragen eveneens bij tot de nodige reflectie. Een aantal van de meer uitgediepte theam's die leidden tot een heroriëntering van vraagstelling, beheer en onderzoekaanpak zijn : de ontwikkeling van het stenen huizenbestandin de late middeleeuwen, de evolutie van het stadscentrum met zijn patricistische domeinen ten opzichte van nieuwe stadsgebiedne met stedelijke verkavelingen en deelgebieden waar de ontwikkeling vanuit adelijke domeinen plaatsvond, de betekenis van de open ruimte in de stad met aandacht voor de verschillende periodes uit het verleden en de hedendaagse situatie, de kennis over de beide abdijen en de rol die ze vervulden in het ontstaan van de middeleeuwse stad, de betekenis van deelgebieden zoals Winkel, Afsnee, Hermelgem of Meulestede, economische themata zoals de betekenis van de 17de eeuwse manufacturen van Hollands porselein versus de lokale pottenbakkersateliers die nog oxiderend gebakken aardewerk vervaardigen.
Vanuit de Gentse ervaringen kunnen een aantal algemene bedenkingen worden geformuleerd. Elke gemeente beschikt over een archeologishc erfgoed dat in grote mate nog onbekend is. Het gaat omsporen die te maken hebben met het collectief geheugen van de lokale leefgemeenschap.
De historisch-wetenschappelijke vraagstelling die alle adviezen en onderzoeken zou moeten omkaderen, veronderstelt een zeer grondige kennis van het onderzoeksgebied en een continuïteit inzaek goed gekwalificeerd personeel en budgettaire middelen.
De Gentse ervaring pleit voor het gezamelijk voortbestaan van beheer, onderzoek, uitwerking , kennisopbouw, archief en depot, evenals communicatie binnen eenzelfde duidelijk herkenbare instelling, omdat idt de beste garanties biedt voor zowel een degelijk onderbouwde als historisch-wetenschappelijke aanpak.

Citation KeyLaleman:2007a
VerantwoordelijkeVAMEELS