3.9 Balans van theoretisch werk

Net als voor de voorgaande perioden zijn publicaties met reflecties over de discipline en het neolithisch onderzoek vrij schaars. Ook hier kunnen we verwijzen naar S.J. De Laet (UGent) en zijn internationaal gewaardeerde standaardwerk over de aard en problemen van de archeologie,1 waarin zowel methodologische als theoretische aspecten aan bod kwamen. Nadien, en in het bijzonder na de ontwikkelingen die zich vanaf 1960 hebben afgespeeld, bleven de Belgische en Vlaamse archeologen eerder afzijdig van het debat rond theorievorming in het archeologisch onderzoek. In Vlaanderen zijn dan ook geen publicaties beschikbaar die specifiek handelen over theoretische ontwikkelingen in de archeologie van de vroege landbouwerssamenlevingen van het neolithicum.

Om iets algemener een inschatting te maken van de bijdrage die archeologen in Vlaanderen recent hebben geleverd aan het internationale debat rond archeologische theorie, werd de deelname van twee jaarlijkse symposia rond archeologie en theorie onder de loep genomen: de jaarlijkse bijeenkomst van de ‘Theoretical Archaeology Group’ en het ‘Archeologie & Theorie symposium’ (Nederland).
De Theoretical Archaeology Group (TAG) werd eind jaren 1970 in Groot-Brittannië opgericht met als doel het debat te stimuleren rond theorievorming in de archeologie. Hoofdactiviteit van de TAG is het organiseren van een jaarlijks congres, met een Britse universiteit als gastheer. Een overzicht van de sinds 1979 georganiseerde congressen is momenteel terug te vinden via de website van Antiquity. Het congres groeide gestaag en werd recent uitgebreid met de organisatie van jaarlijkse TAG-bijeenkomsten in Scandinavië,2 Schotland,3 en de Verenigde Staten, met Columbia University als eerste gaststad in 2008. Het hoofdcongres is de laatste vijf jaar uitgegroeid tot een driedaags congres met een tiental parallelle sessies en een totaal van om en bij 350 presentaties. Het laatste congres, georganiseerd in 2009 (Durham), werd actief bijgewoond door 26 nationaliteiten. Vier jaar eerder, in Sheffield, waren 16 nationaliteiten vertegenwoordigd op het programma. Aldus groeide het congres uit tot de belangrijkste jaarlijkse bijeenkomst rond archeologie en theorie.
Voor de voorbije TAG-congressen werden de programma’s van het laatste jaarkwintet geïnventariseerd (Tabel 3). De bijdragen werden logischerwijze hoofdzakelijk geleverd door Groot-Brittannië, het land waarin het congres wordt georganiseerd. De vijf landen die na Groot-Brittannië het meeste bijdragen leverden tijdens het laatste jaarkwintet zijn de Verenigde staten (N=59), Portugal (N=29), Nederland (N=21), Spanje (N=17) en Ierland (N=17). België staat samen met Brazilië en Duitsland op een gedeelde 18de plaats met vier bijdragen in de laatste vijf jaar. Met dat beperkte aantal staat het in de middenmoot samen met nog heel wat West-Europese landen die meer dan een enkele, maar minder dan tien bijdragen leverden in de laatste vijf jaar, waar onder ook Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Italië. Slechts een enkele van de Belgische bijdragen werd geleverd door onderzoekers waarvan de focus van hun werk in Vlaanderen ligt: de bijdrage op de 2009 editie van de TAG in Durham van Erick Robinson (toen nog verbonden aan de Universiteit van Sheffield) en collega’s van de UGent. De andere bijdragen zijn van de hand van Laurence Gillot (ULB) en Eugène Warmenbol (ULB), eveneens in Durham 2009, en Ilse Schoep (K.U.Leuven) in Exeter 2006.
Andere bijdragen van Vlaamse onderzoekers aan de TAG sinds 2005 zijn deze van Karen Ruebens, die na haar opleiding aan de Leuvense universiteit startte met een doctoraatsonderzoek aan de universiteit van Southampton en in die hoedanigheid bijdroeg aan de TAG 2008 met twee presentaties en de organisatie van een sessie, en Aurelie Daems en Bart Ooghe, studenten van de UGent (Oude Nabije Oosten) die hun onderzoek presenteerden op de TAG-NYC in 2008.

 Aantal presentaties op de TAG bijeenkomsten van het laatste jaarkwintet (2005-09), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.Tabel 3: Aantal presentaties op de TAG bijeenkomsten van het laatste jaarkwintet (2005-09), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.

Ook de ‘Stichting Archaeological Dialogues’ heeft als voornaamste doelstelling het stimuleren van het debat rond theorie, methode en ethiek in de archeologie, met name in Nederland, en organiseert vanuit deze doelstelling sinds 1990 een jaarlijks symposium rond ‘Archeologie en Theorie’. Analoog aan de TAG-bijeenkomsten, roteert het A & T symposium tussen de academische instellingen in Nederland die zich bezig houden met archeologie. Daarnaast geeft de stichting ook het tijdschrift ‘Archaeological Dialogues’ uit. Gezien deze bijeenkomsten nabij Vlaanderen worden georganiseerd en bovendien in hetzelfde taalgebied liggen, zijn ze in principe uitermate geschikt voor Vlaamse onderzoekers. Via de website van de stichting Archaeological Dialogues zijn de programma’s van 12 van de voorbije 18 symposia beschikbaar (Tabel 4). Vanzelfsprekend domineren opnieuw de bijdragen van het gastland. Bijdragen uit het buitenland bleven in het algemeen erg beperkt. Dit is ongetwijfeld mede doordat de voertaal voor de bijeenkomsten hoofdzakelijk Nederlands is, wat voor Vlaamse onderzoekers geen belemmering hoeft te zijn. Toch zijn ook de bijdragen vanuit Vlaanderen ook erg beperkt, met twee actieve deelnames van Vlaamse onderzoekers: Jeroen Poblome (K.U.Leuven) in 1995 met een bijdrage over de aardewerkstudie op het Sagalassosproject en Mark Van Strydonck (KIK) in 2008 met een methodologische bijdrage over de mogelijkheden en beperkingen van de radiokoolstofmethode voor het dateren van Koptisch textiel. Het tijdschrift Archaeological Dialogues groeide in de voorbije 16 jaar uit tot – volgens de eigen website – “one of the leading journals for debating innovative issues in archaeology”. Bijdragen aan het tijdschrift vanuit Vlaanderen bleven tot op vandaag beperkt tot de bijdragen van David Van Reybrouck, 4 5 6 die tevens als editor van het tijdschrift actief was, en een enkel discussieartikel van de hand van Stefan Bekaert.7
Niettegenstaande de beperkte omvang van deze prospectie, bevestigen deze cijfers dat de Vlaamse wetenschappelijke instellingen zich in het verleden eerder afzijdig hebben gehouden van het debat rond theorievorming in de archeologie. Vanzelfsprekend is dit eveneens geldig voor de onderzoekers die zich focussen op de neolithische archeologie.

 Aantal presentaties op de Archeologie en Theorie bijeenkomsten (beschikbare informatie), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.Tabel 4: Aantal presentaties op de Archeologie en Theorie bijeenkomsten (beschikbare informatie), onderverdeeld naar nationaliteit van de eerste auteur en gesorteerd op het totaal aantal bijdragen. De affiliatie van de auteur eerder dan de eigen nationaliteit is telkens determinerend.