Archeobotanisch onderzoek van enkele laat- en postmiddeleeuwse archeologische contexten uit de onderzoekszone Verrebroekdok (Beveren, Oost-Vlaanderen)

TitelArcheobotanisch onderzoek van enkele laat- en postmiddeleeuwse archeologische contexten uit de onderzoekszone Verrebroekdok (Beveren, Oost-Vlaanderen)
PublicatietypeBijdrage in boek
Publicatiejaar2003
AuteursGelorini, V, Meerschaert, L, Van Roeyen, J
Titel van het BoekArcheologie in Vlaanderen
Volume7
Pagina's200-224
UitgeverInstituut voor het Archeologisch Patrimonium
PlaatsBrussel
Trefwoordenarcheobotanisch onderzoek, gracht, kuil, landschapsreconstructie
Samenvatting

Onderzoek nav bouw Verrebroekdok
De archeologische waarnemingen met betrekking tot de Middeleeuwen en post-Middeleeuwen berusten op oppervlakteprospectie, prospectie van de graafwerken in de kaaimuurzones en beperkt aanvullend onderzoek.
De resultaten worden besproken op basis van de beschikbare dateringen, de lokalisatie van de verschillende archeologische contexten en de toegepaste archeobotanische onderzoeken. Kuilencomplex 15, globaal te dateren eind 15de - begin 16de eeuw, bevond zich ten noorden van de St Michielsstraat. Hoewel het onderzoek geen eenduidige interpretatie van de kuilfunctie opleverde, werd gedacht aan het gebruik als rootkuilen. In de omgeving van de kuil werden sporen van bewoning waargenomen. Kuil 6 bevond zich in de omgeving van kuilencomplex 15. De kuil werd afgesloten door een natuurlijk sediment dat wellicht werd aangevoerd door de strategische overstromingenvan 1584. De vullingslagen bevatten talrijke archaeologica : keramiek, organisch materiaal (leder en hout) en een bronzen ketting met ijzeren sleutels. De kuil kan op basis van de keramiek gedateerd worden in de late 16de eeuw. Kuil 1 bevond zich ten zuiden van de Sint Michielsstraat in de zone met laatmiddeleeuwse gebouwen. Het vondstenmateriaal bestaat, naast slachtafval, vooral uit keramiek die toelaat de kuilvulling te dateren aan het eind van de 16de eeuw. De primaire kuilfunctie is niet volledig duidelijk. De aanwezigheid van de beschoeiing en de verbinding met de perceelsgracht zouden erop kunnen wijzen dat de kuil in zijn primaire functie regelmatig water bevatte en ingericht was voor watergebonden activiteiten. Secundair kan de kuil als afvalkuil zijn aangewend. Landschappelijk en historisch geografisch maakt deze context deel uit van de hoger gelegen en in cultuur gebrachte zandgronden van het zuidelijk deel van de Haendorppolder. De kuil hoort bij een gebouwencomplex, bestaande uit een woonhuis met schuur.
Besluit. Tijdens het archeobotanisch onderzoek werd geprobeerd om een beeld te krijgen van het laat- en postmiddeleeuwse landschap van de onderzoekszone Verrebroekdok. We hebben ook getracht om over de landbouwactiviteiten, voedingspatronen enz zoveel mogelijk informatie in te winnen. Aan de hand van enkele grachten en kuilen werden verschillende periodes onderzocht eind 14de - begin 15de eeuw (fase 1) , eind 15de - begin 16de eeuw (fase 2) , en het einde van de 16de eeuw (fase 3). Vooral uit de pollenanalyse blijkt dat het landschap in het zuidelijk deel van deze zandpolder gedurende de volledige onderzoeksperiode in beperkte mate door bossen en struwelen gekenmerkt werd. Het landschap ondergaat gedurende de gehele onderzoeksperiode blijkbaar geen fundamentele wijzigingen. Binnen de cultuurgewassen is er voor sommige soorten daarentegen wel een evolutie waar te nemen. Rogge wordt in alle contexten teruggevonden maar wordt blijkbaar minder belangrijk naar het einde van de 16de eeuw toe. Het aandeel van de andere graansoorten kent dan wel een toename. Boekweit wordt pas vanaf eind 15de - begin 16de eeuw opgemerkt en op het einde van de 16de eeuw wordt het plaatselijk gebruik van deze meelvrucht schijnbaar nog opgedreven. Voor de vroegste periode (fase 1) werden geen aanwijzingen gevonden voor het plaatselijk voorkomen van peulvruchten, keukenkruiden of groenten. In fase twee konden we echter binnen deze categorie biet, tuinboon en mogelijk ook look, tijm en dille onderscheiden. In de contexten van fase 3 blijkt biet nog steeds aanwezig te zijn en één context (kuil 6) bevatte tevens zaadjes van vermoedelijk venkel. Vanaf het einde van de 15de eeuw zien we lokaal hennep en vlas (vooral op het einde van de 16de eeuw) verschijnen. Het was niet mogelijk uit te maken of deze planten werden verbouwd om hun vezels of voor andere doeleinden( bv. medicinaal, culinair). In fase 2 zijn er verschillende soorten tuin - en sierplanten aangetroffen, o.a. kruisbladige wolfsmelk. Op het einde van de zestiende eeuw was buxus aanwezig. Samen met de groenten en kruiden reflecteren ze wellicht de archeologisch ook vastgestelde aanwezighedi van woonerven in het zuidelijk deel van de Haendorppolder. Uit het archeobotanisch onderzoek van de contexten blijkt dat de pioniervegetatie overal en altijd de belangrijkste component van het landschap was. Het aandeel van de pioniervegetatie wordt wel kleiner op het eind van de 16de eeuw terwjil het grasland op dat moment aan belang wint. De functies van de verschillende kuilen valt moeilijk uit de archeobotanische data af te leiden.

Citation KeyGelorini:2003a
VerantwoordelijkeBCOOREMANS, JBASTIAENS, KDEFORCE, VAMEELS, CAI SMORTIER