Het Allerheiligenklooster van de Antwerpse augustijnen (prov. Antwerpen): archeologische en fysisch-antropologische gegevens

TitelHet Allerheiligenklooster van de Antwerpse augustijnen (prov. Antwerpen): archeologische en fysisch-antropologische gegevens
PublicatietypeTijdschriftartikel
Publicatiejaar2006
AuteursBellens, T, Vandenbruaene, M
Titel van het tijdschriftRelicta. Archeologie, Monumenten & Landschapsonderzoek in Vlaanderen
Volume of jaargang2
Begin en eindpagina's197-234
Trefwoordengraf met dakpanbekisting, klooster, menselijke resten, stadsarcheologie
Samenvatting

Status quaestionis van het archeologisch onderzoek
Kloosterarcheologie werd door de Antwerpse Stedelijke Afdeling Archeologie al vaker beoefend. Grootschalig archeologisch onderzoek in het Sint-Paulus of dominicanenklooster bracht in 1990-1992 en in 1995-1996 resten van de middeleeuwse kerk en begravingen uit verschillende perioden aan het licht. Gelijkaardige vondsten, dit keer in de voormalige sint-Michielsabdij, werden in 1997 aan de Sint-Michielskaai ontdekt. Bij graafwerken voor het Horta-project aan het Hopland werden in 1998 resten van het klooster van de ongeschoeide karmelieten onderzocht. In datzelfde jaar werden in de kapel van Terzieken in de Willem Lepelstraat twee paters uit de 18de euw opgegraven. In Hoboken tenslotte werden in 2000 bij rioleringswerken restanten van het klooster van de birgittijnen blootgelegd en gedocumenteerd. Met uitzondering van enkele populariserende artikels werd geen van deze opgravingen gepubliceerd.
Laatmiddeleeuwse sporen komen op vrijwel elke opgraving in de binnenstad voor, veelal in de vorm van afvalkuilen. Een overizcht van alle Antwerpse publicaties over dit onderwerp zou te ver leiden.
Tot op heden blijft het bierbrouwen in antwerpen , vanuit archeologsch standpunt nauwelijks gekend. In tegenstelling tot consumptieafval werden van de eigenlijke bierproductie geen materiële sporen gedocumenteerd. Behalve enkele ongepubliceerde terreininterventies vond in de onmiddelijke omgeving van de Oudaan, Kammen - en Everdijstraat tot dusver geen uitgebreid archeologisch onderzoek plaats.
De bouwwerken voor de politietoren in 1958 werden niet archeologisch opgevolgd. In 1974 werden bij graafwerken tijdens de bouw van het aangrenzende winkelcentrum enkele laat- en post-middeleeuwse archeologische sporen en vondsten geregistreerd. Eind 1984 werd bij rioleringswerken aan de Kleine Markt een kijkje genomen naar de stratigrafische opbouw van het terrein. In 1998 voerde de Stedelijke Afdeling Archeologie een werfcontrole uit tijdens de renovatie van een pastorijwoning in de Everdijstraat. Hieruit bleek dat het betreffende pand al een aantal ingrijpende verbouwingen had gekend. Enkele weken na het hier beschreven onderzoek startten de graafwerken voor een bouwproject op de hoek Oudaan-Kammenstraat. Naast enkele laat- en postmiddeleeuwse sporen werd hier door de stedelijke afdeling archeologie een aantal oudere sporen waargenomen. Het ontbreken van een stratigrafische context en vondstmateriaal laat geen nauwkeurige datering of identificatie toe. Over het hier behandelde noodonderzoek verschenen al enkele beknopte bijdragen in congresbundels en tijdschriften.

In 2004 werd een noodonderzoek uitgevoerd in de Sint-Augustinuskerk op plaatsen waar dieper gelegen luchtkanalen voorzien waren. Een 30-tal graven uit de periode 1618-1794 en nieuwe gegevens over de bouwgeschiedenis van de kerk. Verspreid over de ophogingslagen binnen de kerk werden grote hoeveelheden majolica-afval gevonden, productieafval. Na de vondst van majolicaovens en/of bijhorend productieafval in de Steenhouwersvest, de Schoyte- en de Aalmoezeniersstraat, vormt dit gegeven een nieuwe aanvulling op onze kennis over de productie en verspreiding van Antwerpse majolica.

Samenvatting
In het voorjaar van 2002 voerde de stedelijke afdeling archeologie gedurende zes weken een archeologisch noodonderzoek uit ter hoogte van het voormalige Allerheiligenklooster van de Antwerpse Augustijnen. De opgravingen brachten resten van een grafkelder onder de pandgang, bodmegraven , laat- en paost-middeleeuwse kuilen en een Gallo-Romeins crematiegraf aanhet licht. Deze bijdrage behandelt in hoofdzaak de archeologische en fysisch-antropologische gegevens van de kloosterfase.
De omgeving situeert zich binnen de derde stadsuitbreiding(1295-1314) en werd tot het midden van de 16de eeuw gekenmerkt door een intensieve bierbrouwersactiviteit.
Reeds bij het begin van de graafwerken kwamen de resten van een grote grafkelder met daarin een 12-tal bewaarde graftomben aan het licht. Deze loculi-graven bevonden zich onder de westelijke vleugel van de kloostergang. In tegenstelling tot het beendermateriaal bleven de resten van textiel, haar, lederen schoenen en hout van grafkisten heel goed bewaard. De graven waren aan de buitenzijde voorzine van een leistenen opschrift met personalia van de overledene. Zij geven aan dat de onderzochte loculi dateren uit de periode 1762-1793. Opvallend is dat er ook na de dood een scheiding bestond tussen paters en broeders.
Onder de betegelde grafkeldervloer werden 22 grafkuilen met een of meerdere bijzettingen ontdekt. In tegenstelling tot de latere loculi bleef er in de grafkuilen meer skeletmateriaal dan textiel of hout bewaard. (periode 1623-1762)
In de vulling van de grafkuilen werd secundair vondstmateriaal ontdekt, in hoofdzaak laat- en postmiddeleeuws aardewerk, naast enkel munten uit diverse perioden. In één van de grafkuilen werd rond een linkerbovenarm een versierd plaatje in een koperlegering gevonden. Traditioneel worden aan dergelijke plaatjes medicinale eigenschappen toegeschreven.
Naast de grafkuilen werden een aantal oudere sporen geregistreerd. Getuige hun ligging en het vondstmateriaal horen zij tot de bewoningsfaze voor de bouw van het klooster. Omwille van het fragmentarische karakter kan er weinig gezegd worden over de aard van de laatmiddeleeuwse bewoning.
Fyssich-antropologisch onderzoek op 31 individuen uit 22 grafkuilen schetste een demografisch beeld van een overwegend of zelfs uitsluitend mannelijke kloosterpopulatie met een gemiddelde sterfteleeftijd van 38,8 jaar en een gemiddelde lichaamslengte van 168,7 cm. Paleopathologisch onderzoek bracht zowel banale infecties als ouderdoms- en welvaartskwalen in kaart, met een hoge frequentie van de zgn. kloosterziekte 'Dish' of verbening van pezen en ligamenten gepaard gaand met een eiwitrijk dieet. Verder viel de weinig fraaie mondhygiëne van de kloosterlingen op, terwijl sporen van groeibelemmering niet werden opgemerkt. Algemeen gesteld weerspiegelt de skeletpopulatie een sociaal hogere klasse typisch voor een religieuze gemeenschap.
Tot slot werd een probleemstelling geformuleerd op basis van het verschil tussen de biologische en de historisch gekende sterfteleeftijd. Hierbij werd gekeken naar vergelijkingsmateriaal uit andere sites.

Citation KeyBellens:2006a
VerantwoordelijkeKDEGROOTE, MVANDENBRUAENE, VAMEELS, WDECLERQ, CAI KC