Een bericht over archeologisch onderzoek naar de middeleeuwen en moderne tijden in de provincie Oost-Vlaanderen

TitelEen bericht over archeologisch onderzoek naar de middeleeuwen en moderne tijden in de provincie Oost-Vlaanderen
PublicatietypeTijdschriftartikel
Publicatiejaar1990
AuteursLaleman, M
Titel van het tijdschriftVOBOV-info
Volume of jaargang38-40
Begin en eindpagina's71-81
Trefwoordenlandelijke archeologie, stadsarcheologie
Samenvatting

Elk overzicht van wat de jongste 25 jaar in de provincie Oost-Vlaanderen op het vlak van de middeleeuwse en post-middeleeuwse archeologie geschiedde , of niet gerealiseerd werd, zal onvolledig zijn, welk uitgangspunt men bij de uitwerking van een dergelijke survey ook hanteert. Onderhavige bijdrage kan niet meer zijn dan een schets van de middeleeuwse en post-middeleeuwse archeologie in Oost-Vlaanderen, waarin enkel een aantal hoofdlijnen en de - althans volgens onze inzichten - meest markante feiten kunnen opgesomd worden.
Ieder overzichtswerk over het ontstaan en de groei van de wetenschappelijke archeologie beklemtoont dat de belangstelling voor de middeleeuwse overblijfselen, en in sterkere mate nog voor de post-middeleeuwse periodes, vrij recent is.
Het archeologisch onderzoek naar de post-middeleeuwse periode blijft nog steeds een zwak broertje in het geheel van de wetenschappelijke bedrijvigheid.
Voor wat de evolutie in de jongere tijd betreft kan eerst melding gemaakt worden van enkele abdij-onderzoeken. In bepaalde monastieke sites werd een deelsector aan een grondige archeologische analyse onderworpen. Dit geldt ondermeer voor de Sint- Pieters, de Sint-Baafs en de Bijloke-abdij in Gent , onderzocht olv stadsarcheologie Gent.
Andere abdijsites zoals Nieuwenbos in Heusden, Zwijveke in Dendermonde, Sint- Adriaan in Geraardsbergen, Beaupré in Grimminge en de Norbertijnerabdij van Drongen kenden kleinschalige interventies.
Bij de grotere projecten moet zeker de in 1063 gestichte Sint-Salvatorabdij van Ename vermeld worden, die als onderdeel van een veel meer omvattend onderzoeksprogramma olv D. Callebaut, in alle details ontleed wordt. De hele structuur van de abdij, de ontwikkeling van het gebouwbestand en de materiële cultuur kunnen er tot aan het einde van het Ancien Regime gereconstrueerd worden. Als laatste voorbeeld van abdijonderzoek moet hier ook het site van Baudeloo in Klein-Sinaai vermeld worden, waar de vereniging voor Oudheidkundig bodemonderzoek van Oost-Vlaanderen jaren noodonderzoek verricht heeft. Deze opgravingen laten toe het grondplan te reconstrueren van de abdijgebouwen zoals die er omstreeks 1200 tot in de 16de eeuw uitgezien hebben. Mede dank zij de inspanningen van M. De Smet werd ook reeds een belangrijk gedeelte van het vondstenmateriaal gepubliceerd.

Kerkonderzoeken vanuit een aantal onderzoeksprogramma's (Sint-Lievens-Houtem, Dikkelvenne NDO - vroeg-middeleeuwse bewoning in de Scheldevallei ; H. Kruiskerk Vrasene) of ressorterend onder de categorie 'rescue' operaties van met vernieling bedreigd stedelijk bodemarchief ( Sint Niklaaskerk gent, kerk van de geschoeide karmelieten -Gent)
Opgraving op de plaats van de verdwenen kerk van Merelbeke ; onderzoek naar de H. Geest kapel te Aalst.

Burchtsites - In de jaren '60 kwam de kasteelkunde of castellogie goed op gang.
De Singelbergmotte in Beveren-Waas werd onderozcht door J. De Meulemeester , wat toeliet de gehele ontwikkeling van deze site te reconstrueren, van de oprichting van de motte in het tweede kwart van de 12de eeuw tot de degradatie van het kasteelsite in de 17de eeuw.
Samen met de stadsarcheologische dienst van Gent werd het Gravensteen aan een hernieuwd onderzoek onderworpen, wat het thans mogelijk maakt zijn ontwikkeling vanaf de 10de eeuw tot vandaag weer te geven.
Voor de Oudenaardse regio moeten verder nog de burcht van de heren van Eine en het torenhof van Heurne vermeld worden. Een meer alleenstaand project binnen de castellogie in Oost-Vlaanderen is het onderzoek van het kasteel van Laarne, waar bodemonderzoek en muurwerkarcheologie in combinatie met natuurwetenschappelijk onderzoek uitgevoerd worden in de delen die door werken aangepakt worden. Interventies op het site Ravenschot in Maldegem, een mottesite in Drongen en het Tempelhof in Gent waren kleinschaliger van aanpak.
1975 : oprichting stadsarcheologische dienst Gent , talrijke interventies kaderen in een onderzoeksprogramma. centraal onderzoeksthema : ontstaan en groei van de middeleeuwse stad.
De opgravingen in de Sint-Pietersabdij, de Sint-Baafsabdij/sint Machariuswijk en de Hogeweg leidden tot nieuwe inzichten voor de ontwikkeling van prestedelijke kernen tot middeleeuwse stad. Voor de groei van de stad waren meerdere onderzoeken relevant, doch essentieel was de ontdekking van een karolingsich grachttracé aan de Gouvernementstraat en het vernieuwde onderzoek in het Gravensteen. Ook de middeleeuwse bebouwing kwam een bod, meerbepaald de particuliere huisarchitectuur waarvan de stenen uit de 12de en 13de eeuw nog een belangrijke getuigenis vormen. Het voorkomen van die architectuurvormen is nauw verbonden met de groei van het middeleeuwse Gent in zijn politieke, sociale en culturele context, wat uiteindelijk één van de hoofdbetrachtingen is van de stadsarcheologische werking van Gent. Deze ontwikkeling eindigt niet met de Late Middeleeuwen maar wordt doorgetrokken tot in onze tijd, wat tot uiting komt bij heel wat interventies en bij de uitwerking van post-middeleeuwse vondstcomplexen.
Behalve in Gent, moeten ook Aalst en Oudenaarde als voorbeelden op vlak van stadskernonderzoek vermeld worden.
Ook in andere Oost-Vlaamse stedelijke centra worden regelmatig archeologische interventies verricht, zoals o.m. in Dendermonde, Deinze, Geraardsbergen, Ronse , Temse en Zottegem. Het gaat meestal om zeer beperkte registraties van zeer verscheiden kwaliteit, die ondanks de verdiensten op lokaal vlak pas ten volle kunnen ingeschat worden bij een veel ruimer opgevat totaalonderzoek van stad of gemeente.
Chronologisch gezien is de archeologische belangstelling voor het platteland en zijn woonvormen in de middeleeuwen en de moderne tijden ouder dan het ontstaan van stadsarcheologie en stadskernonderzoek. Twee factoren hebben die oudheidkundige interesse voor de landelijke sites zeker beïnvloed : het op gang komen van studies over middeleeuws aardewerk en het archeologisch onderzoek van sites met walgracht. De invloed van de Gentse Rijksuniversiteit en de inzet van de promotor op dat vlak F. Verhaeghe, waren niet zonder invloed voor de Provincie Oost-Vlaanderen. Het grote aantal interventies, de sterke verscheidenheid van de sites en de opmerkelijke verschillen op het vlak van de benadering verhinderen hier elke synthese of zinvol overzicht. Zelfs een gewone opsomming van de realisaties is hier niet haalbaar. Toch willen we enkele projecten vernoemen zoals o.m. het onderzoek van het verdwenen dorpssite Roeselare- Sint-Margeriete, enkele projecten uitgaand van de ADW , zoals Bordurehof in Bazel, Castro-hof in Sint-Niklaas, Hof ten Damme in Melsele en diverse registraties in de Kallopolder. Meer kleinschaliger interventies vonden de jongste tijd plaats in Sint-Martens-Latem, Mendonk, Heusden, Evergem, Moorsel, Heurne, Aalter, Brakel, Sint-Denijs-Westrem en Hofstade.

Een eerder bijzonder aspect van de archeologische belangstelling voor de buitenstedelijke gebieden vloeit voort uit het inventariswerk dat sedert 1978 in de vorm van licentiaatsverhandelingen olv J. Nenquin aan de Rijksuniversiteit Gent werd opgezet.
Voor de middeleeuwse en post-middeleeuwse periodes is dit inventariswerk over het algemeen niet zo relevant, omdat het voornamelijk om bij prospectie gerecupereerd oppervlaktemateriaal gaat. Wanneer de vondsten getoest worden met systematisch bodemonderzoek of waar andere bronnen zoals luchtfotografie en topografische documenten bijkomende indicaties verschaffen, is dit inventariswerk ook bruikbaar voor de vermelde periodes.
Een opmerkelijke evolutie in het archeologisch onderzoek van de jongste decennia wordt aangegeven door het streven naar een betere samenwerking met andere disciplines. Bij de prospectiemethodes vermelden we de bijdrage van de luchtfotografie die voor middeleeuwse en post-middeleeuwse sites, in ruraal gebied, van ontzettend grote betekenis kan zijn.
Voorts kan verwezen worden naar de bijdrage van diverse natuurwetenschappen en dateringsmethodes, samenwerkingsverbanden die voornamelijk in het Waasland en in Gent tot belangrijke bevindingen geleid hebben en waarvan reeds enekele syntheserapporten verschenen. Voor de archeologie van de middeleeuwen en moderne tijden is ook de samenwerking met het geschreven archief onontbeerlijk. Hierbij denken we niet aan verwijzingen in archeologische rapporten naar summiere gegevens die uit de literatuur bekend zijn. Op verschillende plaatsen , zeker in Gent en Oudenaarde - Ename, heeft het archeologisch onderzoek nieuw historisch vorsingswerk gestimuleerd en leidt de samenspraak tussen archeologen en historici van het geschreven woord tot een grondiger studie van het verleden.
Over de mobiele materiële cultuurresten verschenen algemeen gezien zeer weinig uitgewerkte studies. Enkele overzichtsbijdragen van F. Verhaeghe wijzen duidelijk op de stand van het onderzoek en geven tezelfdertijd de problemen en lacunes aan.
Indien men bij de gepubliceerde bevindingen informatie over het vondstenmateriaal opneemt, dan beperkt men zich meestal tot een louter beschrijvend gedeelte. Slechts in enkele gevallen gaat men dieper in op de betekenis van dit vondstenmateriaal in economisch, sociaal en cultureel perspectief. Voor de late middeleeuwen kan o.m. verwezen worden naar de industriële sector Pamele - Oudenaarde, waar enkele aardewerkovens, afval van lokale ijzerwinning en een kalkstort onderzocht konden worden.
Van bij het ontstaan van de stadsarcheologische werking in Gent werd ook aandacht geschonken aan de materiële cultuurvondsten uit de post-middeleeuwen. Slechts deelaspecten konden vooralsnog uitgewerkt worden. Onder leiding van R. Van de Walle werden enkele belangrijke bijdragen uitgewerkt over pijpen, glas, houten voorwerpen en beendermateriaal. P. Raveschot stond in voor enkele bijdragen over Spaan-Moors aardewerk. De multidisciplinaire uitwerking van een aantal gesloten vondstcomplexen uit de 17de - 18de eeuw leidde er ook tot nieuwe inzichten voor het gebruiksgoed in sociaal verschillende milieu. De aardewerkstudie van de late Middeleeuwen en de post-middeleeuwen is eveneens reeds goed gevorderd voor het Waasland. Door de complexiteit van het materiaal, de veelheid aan bevindingen, de schaarste en de sterke verspreiding van de gepubliceerde gegevens is het onmogelijk om op dit vlak enige volledigheid, of meer consistent overzicht na te streven.

Onderhavige tekst laat ondanks zijn grote onvolledigheid, toch enkele beschouwingen van algemene aard toe.
- jongste decennia relatief veel onderzoek verricht, toch algmeen gezien vrij grote achterstand, maatregelen noodzakelijk voor een degelijk en goed gestructureerd beheer voor het archeologisch erfgoed met gekwalificeerd personeel en een aangepast budget, zowel voor veldwerk als voor uitwerking en studie
- spreiding van de archeologische belangstelling in OOst-Vlaanderen zeer ongelijk verdeeld, grootste archeologische activiteit op plaatsen waar de interventies door een professionele kern onderbouwd zijn.
- uiterst labiel karakter van het onderzoek, alles afhankelijk en verbonden met de persoonlijkheid van de archeoloog, verdwijnt die dan wordt het betrokken onderzoek niet meer voortgezet en is er geen arcehologisch onderzoek meer . Op het vlak van beleid, organisatie en continuïteit dient hier vrijwel nog alles gerealiseerd te worden, en is men de pionnierstoestand van ongeveer 15/20 jaar geleden nog niet ontgroeid.
Door ontstentenis aan voorzieningen op regionaal, provinciaal of (inter-) gemeentelijk vlak blijven ook heel wat zones in Oost-Vlaanderen volledig verstoten van enig bodemarchiefbeheer.
Een ander probleem heeft betrekking op de opleiding in de middeleeuwse en post-middeleeuwse archeologie die in Vlaanderen zo goed als geen burgerrecht heeft. Dit houdt in dat slecht weinig academisch geschoolden in staat zijn om de uiterst complexe materie van deze periodes professioneel aan te pakken en dat het aantal meer doorgedreven specialisaties op dat vak ook zeer beperkt blijft.

Citation KeyLaleman:1990b
VerantwoordelijkeKDEGROOTE, VAMEELS