7.3.5 Sites met walgracht

  • Auteurs: Marc Dewilde, Vera Ameels

De sites met walgracht – moated sites, omwalde of omgrachte hoeves – vormen een van de belangrijkste componenten van de middeleeuwse landelijke bewoning.

Het doctoraat van Prof. F. Verhaeghe kan beschouwd worden als de officiële doorstart van het onderzoek van deze sites in Vlaanderen. 1 Vanaf 1972 werd een programma opgezet, waarbij een ruime zone tussen Veurne en Diksmuide werd gescreend op de aanwezigheid van sites met walgracht aan de hand van allerlei kaartmateriaal en luchtfotografische informatie. Hieruit werd een kleiner gebied gelicht – Lampernisse -, waar met opgravingen, sondages en veldprospectie het fenomeen nader werd onderzocht.

Voorheen waren enkel de lokale historici en een verdwaalde onderzoeker van de landelijke architectuur geïnteresseerd in deze hoeves. 2 Veel eerder had A. de Loë er al enkele onder de aandacht gebracht. Wie anders dan Prof. J. Mertens had ook op dat vlak al enige ervaring opgedaan, toen in Zoutenaaie (Veurne) een belangrijke ophoging werd afgegraven. 3

Prof. F. Verhaeghe inspireerde ook anderen. R. Merlier leverde een licentiaatsthesis af, waarin sites met walgracht van Desselgem, Beveren-Leie, Deerlijk en Waregem via het archief van de Sint-Pietersabdij van Gent bestudeerd werden. 4
Begin jaren 1980 begonnen ook andere onderzoekers deze sites archeologisch te verkennen. Door de Archeologische Dienst Waasland werden ondermeer het Bordurehof te Bazel 5 en het Hof ten Damme in Melsele 6 onderzocht.
Een belangrijke vorm van inventarisatie vormen de licentiaatsverhandelingen die onder leiding van Prof. J. Nenquin aan de Rijksuniversiteit Gent werden uitgewerkt. Voor de laatmiddeleeuwse en postmiddeleeuwse periodes is dit inventariswerk meestal niet zo relevant, omdat het om bij prospectie gerecupereerd oppervlaktemateriaal gaat, dat voor de betreffende periodes een sterke verspreiding kent. Voor de sites met walgracht waar bijkomende bronnen zoals luchtfotografie en cartografische en topografische documenten bijkomende indicaties verschaffen, daarentegen is dit wel het geval.?Het programma, waarbij thesisstudenten archeologie via o.a. veldprospectie de archeologisch inventaris van een (gedeelte van een) gemeente voor hun rekening namen, leverde een schat aan informatie op voor deze vorm van landelijke bewoning. Daar het project opgestart werd te Gent, worden voornamelijk Oost- en West-Vlaamse gemeentes belicht. Een paar voorbeelden zijn Nazareth 7 en Eke 8 en Nokere; 9 Erpe; 10 Wijnegem 11 en Oudenburg. 12 Het betreft evenwel geïnventariseerd sites, maar in uitzonderlijke gevallen werden deze ook deels of volledig archeologisch onderzocht.

Prof. F. Verhaeghe kon al snel een eerste stand van zaken opmaken 13 en 14. Ondanks het feit dat er op dat moment enkel sprake was van proefonderzoek en er geen enkel site volledig opgegraven was, kon hij toch al de belangrijkste kenmerken van dit soort site oplijsten en dieper ingaan op de betekenis van het fenomeen. Hij behandelde daarbij de omgrachting, het wooneiland en de bebouwing, stelde een classificatie voor, besprak de datering en de verspreiding in Vlaanderen, wijdde uit over de sociaal-economische betekenis van deze sites en de functie van de walgracht en zette enkele toekomstige onderzoekslijnen uit.
De walgracht bleek in de polders een soepbordprofiel te vertonen, waarbij enkel het centrale deel dieper was uitgegraven. Ook kan een dubbele omgrachting (met een dam ertussen) voorkomen. Naast enkelvoudige sites met de gebouwen in los verband, zijn er ook meervoudige, waarbij een onderscheid kan gemaakt worden tussen een residentieel en (een) funcione(e)l(e) wooneiland(en). De toegang tot de site is meestal extra in de verf gezet. De 13de eeuw is de bloeiperiode voor dit verschijnsel, dat doorloopt in de 14de en 15de eeuw. Er zijn enkele schuchtere aanwijzingen voor een aanvang in de (late) 12de eeuw. De gracht wordt niet gezien als een verdedigingselement, maar eerder als een statussymbool. De nadruk wordt gelegd op de onafhankelijkheid, de vrijheid van de eigenaar. Tenslotte wordt het verband met de castrale motte, de stek van de lokale heer, gelegd en wordt de omgrachting als de nabootsing van de mottegracht geïnterpreteerd.
Verder onderzoek was nodig naar de bebouwing (o.a. de functie) en de eventuele evolutie ervan op deze sites, naar de status van de eigenaars of gebruikers, naar eventuele interregionale verschillen en naar het economisch belang. Bij dit alles mochten de studie van de beschikbare historische bronnen en de combinatie met de archeologische informatie niet uit het oog verloren worden.

En waar staan we nu?
Er zijn ondertussen al heel wat sites met walgracht gedeeltelijk – maar enkele ook volledig – onderzocht. West-Vlaanderen spant daarbij de kroon. Ook in Oost-Vlaanderen zijn er al een tiental opgegraven. In Limburg en Antwerpen daarentegen is er op dit vlak nog niets gebeurd. Vlaams-Brabant zit er tussenin met 3 ingrepen.

In het geheel zijn er 10 vlakgravingen (de ene al indrukwekkender dan de andere), 7 werfcontroles, 6 verkenningssleuven en 2 geconcentreerde veldkarteringen te noteren.

Een aantal sites, die via de prospectie van Prof. F. Verhaeghe waren gelokaliseerd, werden inderdaad als dusdanig herkend. Soms bij veldprospectie, omdat de weide ondertussen gescheurd was, soms door werken (egalisatie, …) in het kader van ruilverkavelingen of de aanleg van een aardgaspijplijn of de aanleg van rietvelden in functie van landinrichting en soms door proefsleuvenonderzoek in functie van cultuurtoeristische ontsluiting van bepaalde sites. In de polderklei is de bewaring van de archeologische sporen problematisch. Tenzij er harde materialen (baksteen, …) aangewend zijn of grote kuilen (kelderkuilen, silo’s, …) uitgegraven zijn, zijn de archeologische sporen minimaal en dikwijls beperkt tot wat verspreid vondstenmateriaal. In Leffinge 15 en Zoutenaaie 16 wordt dit zeer duidelijk. Paalkuilen, die men redelijkerwijze zou kunnen verwachten, komen er niet uit. Wel grote kuilen, die als kelderkuilen zouden kunnen geïnterpreteerd worden. Gebouwsporen worden enkel herkend in Steenkerke, en wel bakstenen basissen, waarop vakwerkbouw werd opgetrokken. 17

Buiten de polders is de situatie veel duidelijker. In Koekelare (Oosthof) is één van de neerhoven van een meervoudig site met walgracht volledig in kaart gebracht. 18 14de-eeuwse houten gebouwen (een schuur, een stal, spijkers) maken er de dienst uit. In de 15de eeuw vervangt een boomgaard het gebouwenbestand. Ook in Jonkershove, 19 Bazel 20 en Deerlijk 21 is substantieel metselwerk aangetroffen.

Op enkele sites zijn betekenisvolle sporen uit de moderne tijden aangetroffen. Dat was het geval in Haacht, 22 Opwijk 23 en Leisele. 24

Enkele verworvenheden.
Dit type site werd nog in de 15de eeuw aangelegd. Een voorbeeld uit Eggewaartskapelle maakt dit duidelijk. 25

De evolutie van bepaalde sites is merkwaardig. Er zijn voorbeelden van mottes die door ingrijpende nivellering evolueert tot een site met walgracht. In Moorsel 26 en Eppegem 27 is dat het geval. Het verschil met een flink uit de kluiten gewassen ophoging is in zo’n gevallen niet altijd evident. Het onderzoek vereist dus een volledige doorsnede.

Besluit

Wat opvalt, is dat men eigenlijk niet veel verder geraakt is dan wat al door Prof. F. Verhaeghe was vastgesteld. Territoriaal bekeken is het onderzoek ook zeer ongelijk ontwikkeld. Limburg is één blinde vlek.
Het grote aantal interventies in een aantal gebieden, de sterke verscheidenheid van de sites en de opmerkelijke verschillen op het vlak van de benadering bemoeilijken een snelle synthese.
Veel onderzoek was te vrijblijvend en onvoldoende diepgaand om van een echt wetenschappelijk onderzoek te kunnen spreken.
Het lijkt er dan ook sterk op dat nadat Prof. F. Verhaeghe de basis had gelegd voor verder onderzoek, er weinig aan toegevoegd is en er veelal enkel archeologisch controlerend is opgetreden. Het wordt dan ook tijd om een nieuw project op poten te zetten met een gerichte vraagstelling, uitgaand van de vaststellingen en vragen die uit het onderzoek van Prof. F. Verhaeghe naar voor zijn gekomen.