8.1.2.6 19de-20ste eeuw

1 Subtidaal

De zeekaart Vlaamse banken en de eraan gekoppelde wrakkendatabank vormen de basis voor het onderzoek naar wrakken in het Belgische deel van de Noordzee. In het archief van de Vlaamse Hydrografie dateren de eerste waarnemingen met betrekking tot wrakken uit 1919. 1 2

De meerderheid van de gekende wraksites uit het Belgische deel van de Noordzee dateert uit de 20ste eeuw. Tomas Termote heeft over de scheepswrakken uit deze periode een aantal publicaties verzorgd. Deze zijn vooral toegespitst op onderzoek van scheepswrakken uit de twee wereldoorlogen. De wrakken behandeld in deze publicaties worden hierna kort voorgesteld in de chronologische volgorde van het onderwerp, m.a.w. eerst deze uit WOI en vervolgens deze uit WOII.

Een eerste thematische publicatie, gebaseerd op de licentiaatsverhandeling van de auteur, brengt een overzicht van de in het Kanaal en de zuidelijke Noordzee gelokaliseerde Duitse duikbootwrakken, daterend uit de Eerste Wereldoorlog. 3

De auteur bespreekt daarin o.a. ook de verschillende types van onderzeeërs: de zgn. U-klasse, UB-klassen (I-III) en UC-klassen (I-II). 4 We overlopen kort de in Belgische wateren gelokaliseerde duikbootwrakken. Van de U-klasse ligt in Belgische wateren enkel de U-11. Deze duikboot, vergaan in december 1914 en met zekerheid geïdentificeerd (o.a. aan de hand van vondsten gemerkt met U-XI), ligt op de Oostendebank. 5 Dat men voorzichtig dient om te springen met identificatie van wrakken wordt bijvoorbeeld ook aangetoond door het wrak van de U-37, gesitueerd buiten Belgische wateren, met op de schroef de vermelding ‘U-24’. Vermits de U-24 de oorlog heeft overleefd, betreft het bij deze duikboot ongetwijfeld een vervangstuk. 6 Nabij de Thorntonbank ligt op 33 meter diepte een duikbootwrak dat wellicht kan worden geïdentificeerd als dit van de UB-13 (UB-I klasse), vergaan in april 1916. 7 Aan het Schooneveld ligt het wrak van een duikboot die als UC-3 of UC-7 geïdentificeerd kan worden, allebei vergaan in 1916 (respectievelijk mei en juli). 8 Het wrak van één van beide zou ook op de Rabsbank kunnen liggen. 9 Ten noorden van de Buiten Ratel ligt het wrak van de UB-20, gezonken op 28 juli 1917 en geïdentificeerd op basis van de gegevens aanwezig op de stuurboordschroef. Uit dit wrak is al heel wat materiaal gerecupereerd, o.a. een apparaat om stalen netten door te knippen. 10 11 Op het Schooneveld ligt verder ook het wrak van de UC-14, gezonken op 3 oktober 1917 en geïdentificeerd aan de hand van de brugtelegraaf waarop UC-14 gegraveerd was. 12 13 Op de Thorntonbank tenslotte ligt het wrak van de UC-62, gezonken in oktober 1917 en geïdentificeerd op basis van de in de stuurboordschroef gegraveerde naam. 14 Daarnaast liggen ongetwijfeld nog een aantal duikbootwrakken uit WOI in de Belgische wateren zoals de UB-59 en UB-10 die opzettelijk tot zinken zijn gebracht in oktober 1918. 15

Het best gedocumenteerde scheepswrak daterend uit WOI is dat van de Vorpostenboot S.M.S. Prangenhof, waarover Tomas Termote naar aanleiding van de berging ervan door de Tijdelijke Vereniging van Bergingswerken een uitvoerige studie heeft gerealiseerd. 16 17 Het wrak werd aan land gebracht en deskundig ontmanteld. Tijdens deze werkzaamheden konden een aantal archeologische waarnemingen worden verricht. Deze verschaffen een goed inzicht in de omschakeling van vissersboot naar oorlogsbodem. In het wrak werden nog een groot aantal voorwerpen aangetroffen waaronder een merkwaardige glazen ‘insectenval.’ 18 (fig. 9)

Glazen insektenval afkomstig uit het wrak van de Prangenhof.Fig. 9: Glazen ‘insektenval’ afkomstig uit het wrak van de Prangenhof.

Een in 2000 uitgegeven publicatie brengt een overzicht van schepen die - met noodlottige afloop - hebben deelgenomen aan de evacuatie van Dunkerque (F), eind mei/begin juni 1940 19 en waarvan de wrakken gelokaliseerd en op naam gebracht zijn binnen de Belgische wateren, o.a. aan de hand van vondsten door sportduikers. Van de drie tijdens de zgn. operatie Dynamo gebruikte evacuatieroutes liep enkel de route Y door de Belgische wateren. 20 21
Tot de in Belgische wateren gezonken vaartuigen behoren o.a. een aantal destroyers of torpedobootjagers. Drie Britse: de HMS Wakeful (1917) 22, de HMS Basilisk (1930) 23 24 en de HMS Grafton (1935) 25 26 en twee Franse: de Bourrasque (1925) 27 28 en de Sirocco (1927). 29 Kort voor de operatie Dynamo is ook de HMS Whitley (1918) op enkele mijlen voor Nieuwpoort tot zinken gebracht 30 31 Twee van de Britse torpedobootjagers liggen dicht bij elkaar: de HMS Wakeful en de HMS Grafton. In de onmiddellijke omgeving bevinden zich naar alle waarschijnlijkheid de resten van de houten haringdrifter de Comfort 32 die bij hetzelfde incident tot zinken is gebracht. Nabij de HMS Grafton liggen de resten van de Auretta, een in 1945 gezonken vrachtschip. 33 Nabij de Sirocco ligt wellicht het wrak van de Cyclone (1928), 34 een andere Franse destroyer.
Tot de groep Britse radermijnenvegers behoren de Waverley (1899) – geïdentificeerd aan de hand van een koperen plaat met de naam 35 - en de Gracie Fields (1936). 36 Verder bevindt zich ook een onbekende Britse mijnenveger in Belgische wateren. 37

Behalve militaire vaartuigen zijn bij de evacuatie van Dunkerque ook heel wat niet-militaire vaartuigen ingezet, gaande van pakket- en vissersboten tot vrachtschepen. De in 1935 in dienst genomen pakketboot ‘Queen of the Channel’ is gezonken ter hoogte van Middelkerke. Het wrak is met zekerheid geïdentificeerd aan de hand van de naam die op de boeg stond, alsook aan de hand van het gevonden zilverwerk. 38 39 Ter hoogte van de Westhinder zijn verder zowel het vrachtschip Aboukir (1920) 40 als de tot mijnenveger omgebouwde treiler Thuringia verloren gegaan. De Thuringia liep op een mijn en de Aboukir werd getorpedeerd. De Aboukir is o.a. geïdentificeerd aan de hand van de borden, kopjes, bestek en theepotten van de Khedivial Mail Line 41. Verder zijn er nog een reeks Britse treilers. Ten oosten van de haven van Nieuwpoort lag tot bij de ruiming in 1988 de in 1919 gebouwde stoomtreiler Polly Johnson. 42 43 44 Deze is geïdentificeerd op basis van de scheepsbel. 45 Nabij de West Hinder zonk de Stella Dorado, een treiler uit 1936, 46 alsook de Argyllshire, een treiler uit 1938. 47 Ook het wrak van de St. Achilleus, een Britse treiler uit 1934, rust in Belgische wateren 48 en ter hoogte van de Fairybank bevinden zich de restanten van nog twee treilers uit 1934, namelijk de Blackburn Rovers en de Westella. 49

Een andere publicatie brengt een overzicht van de in Belgische wateren aanwezige wrakken van schepen van de Kriegsmarine tijdens WOII. Het betreft een drietal zgn. Schnellboten: de S220 50 51 52 en twee niet-geïdentificeerde Schnellboten, eventueel de S77 en de S183, S200 of S702. 53 Voor het laatste wrak komen ook nog in aanmerking de S202, de S703 en de S223. In de Belgische wateren is ook het wrak van één niet nader geïdentificeerde Raumboot gelokaliseerd. 54 Tot de categorie van de Sperrbrecher behoren de ex-Lies (Sperrbrecher nr. 141), de ex-Westerbroek (Sperrbrecher nr. 142) en de ex-Lola (Sperrbrecher nr. 143). 55 56 Het aantreffen van de scheepsbel van de S.S. Ellaline (Cardiff 1906) op het wrak van de Sperrbrecher nr. 141, maant aan tot voorzichtigheid bij de identificatie van een scheepswrak op basis van aangetroffen objecten, zelfs in het geval van een scheepsbel. Deze bel is afkomstig van het stoomschip Ellaline dat zich op het moment van de Duitse inval in de haven van Antwerpen bevond. Een vierde groep wordt gevormd door de Vorpostenboote. Van deze groep is wat het Belgische deel van de Noordzee betreft, enkel het wrak van de ex-John Mahn (1927, later Vorpostenboot 1302) gelokaliseerd, dankzij het vinden van de scheepsbel. 57 58 Daarnaast bevindt zich in Belgische wateren wellicht ook nog het wrak van de V1808 (ex-Dortmund) die verging voor Nieuwpoort. 59 Van de zgn. kleine oppervlaktevloot zijn een aantal wrakken te vinden in Belgische wateren, met name deze van drie mijnenvegers, M3600, M3604 en M3606, 60 van drie sleepboten waarvan er één, de Richard II, reeds geruimd is en ten slotte van één motorjacht. 61 Van de fameuze minionderzeeboten werden geen wrakken gelokaliseerd, hoewel kan worden vermoed dat die er moeten liggen binnen de Belgische wateren. 62

Een volgende publicatie brengt een overzicht van geallieerde schepen gezonken in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog. 63 Het betreft twee wrakken van zgn. LST’s (Landing Ship Tanks), allebei gebouwd in de Verenigde Staten, nl. de LST 80 (1943) en de LST 420 (1942). Het wrak van de LST 420 bevindt zich op de Middelkerkebank, dat van de LST 80 voor Zeebrugge. 64 65 66 67 Bij de berging van het voorschip van de LST 420 zijn heel wat persoonlijke objecten aan het licht gekomen, gaande van een ring in een koperlegering tot een reeks muziekinstrumenten. 68 Nabij dit wrak ligt dit van een anoniem houten vissersschip. 69 Behalve van de grote versies van landingsvaartuigen liggen enkele wrakken van kleinere landingsvaartuigen in onze wateren zoals de LCT(R) 457 (Landing Craft Tanks). 70 71 72 Naast landingsvaartuigen wordt deze periode gekenmerkt door de zgn. ‘Liberty-schepen’, grote gelaste vrachtschepen van Amerikaanse makelij. In Belgische wateren betreft het de resten van de S.S. Francis Asbury (1943), 73 de S.S. Samsip 74 (1943), S.S. Empire Path 75 76 (1943), S.S. Samvern 77 (1943), S.S. Sampa, 78 79 S.S. Robert L. Vann 80 81 (1943), S.S. Empire Blessing (1944), S.S. Samselbu 82 83 (1944), S.S. Eleftheria 84 (1944), S.S. Charles D. McIver 85 (1943). Daarnaast zijn er nog een reeks vrachtschepen: M.S. Lookout 86 87 (1932), S.S. Emeraude 88 (1903), S.S. Halo, S.S. Auretta 89 (1935), Nashaba 90 (1921), M.V. Goldshell 91 92 (1931) en de treiler H.M.S. Colsay, 93 het motorschip Rio Bravo 94 en de treiler H.M.T. Hayburn Wyke 95 (1917).

De eerste publicatie omtrent wrakken in de Noordzee van de hand van Tomas Termote was niet thematisch opgevat, maar bracht in alfabetische volgorde op naam van het schip informatie omtrent 60 door duikers gedocumenteerde scheepswrakken in de Noordzee 96. Hier worden enkel nog die wrakken vermeld die later niet meer in één van de thematische publicaties aan bod kwamen. Het betreffen de Duitse torpedoboot A10 (1915) die in 1918 op een mijn liep, 97 het stalen jacht T.S.M.Y Aloha (1938) dat in 1940 op een mijn liep, 98 het in 1995 gezonken zeiljacht de Apache 99, de in 1966 gezonken M.V. Birkenfels (1951), 100 de in 1951 gezonken treiler Duc de Normandie (1947) 101, het in 1969 gezonken Liberiaans vrachtschip M.V. Garden City (1946), 102 het Britse cargoschip de S.S. Kilmore (1890); gezonken in 1906 en geïdentificeerd aan de hand van de scheepsbel, 103 een anonieme kleine koopvaarder gezonken in WOI, 104 het in 1924 gezonken Brits stoomschip S.S. Laura (1918), 105 de in 1915 op een mijn gelopen Britse torpedojager H.M.S. Maori (1909) 106 30-31. Een schroef en een anker van de HMS Maori bevinden zich in het Loodswezengebouw (Alleene:2007a, 38-43)., een ongekend wrak uit het begin van de vorige eeuw, 107 de Panamese kustvaarder M.V. Nauticus Ena die in 1974 zonk, 108 het houten vissersschip N 591 Dageraad (1963) verwoest door brand in 1976, 109 de hektreiler O.82 (1970) vergaan in 1979, 110 de S.S. Sigurd Faulbaums (1913) getorpedeerd in mei 1940, 111 een onbekend visserschip 112 en tenslotte het visserschip Z. 577 Sabrina II (1965) gezonken in 1972. 113

Verder valt, verspreid in duiktijdschriften, af en toe ook beperkte informatie te vinden met betrekking tot wrakken in de Noordzee zoals de vrachtschepen Nippon 114 en Callisto 115 die niet in voormelde publicaties aan bod komen.
Bij wijze van eerste synthese kunnen met betrekking tot dit overzicht een aantal vaststellingen gedaan worden. Deze publicaties vermelden enkel schepen die gezonken zijn in de 20ste eeuw. De S.S. Kilmore is met een datum van vergaan in 1906 de oudste van de meer dan 80 behandelde wrakken. De grote meerderheid van de schepen (ongeveer 85 %) zijn aan hun einde gekomen bij militaire acties, vooral tijdens WOII.

In de periode 2000-2001 is in het kader van een Europees project, geleid vanuit de Belgische rederscentrale en met Bart Schiltz als projectleider, voor het eerst actief en op systematische basis op zoek gegaan naar wrakken in de Belgische kustwateren, meer specifiek in de zone De Haan en De Panne.. 116 Niet minder dan 320 zgn. targets werden hierbij gelokaliseerd en geregistreerd. Hiervoor werden met de O.116-Caroline een side scan sonar, een magnetometer, een dieptemeter, een DGPS en duikers ingezet. Een kleine helft van deze targets is verder onderzocht. Het project werd in juni 2001 echter stopgezet en de voorlopige resultaten zijn nog niet verder op hun erfgoedwaarde onderzocht.
Het duiken op wrakken wordt aangezien als één van de attractiepolen van het Belgische deel van de Noordzee. Nelos, De Nederlandstalige Liga voor onderwateronderzoek en –sport, heeft in 2003 een gids uitgegeven omtrent duiken in de Noordzee waarin ook aan wrakken aandacht wordt besteed, echter vooral vanuit het standpunt van de duiker-recreant. 117

Enkele van de bekende wrakken worden sinds kort ook onderzocht vanuit biologische hoek. In het kader van het BEWREMABI-project (Belgian Shipwrecks Hotspots for Marine Biodiversity, 2003-2006) werden de afgelopen jaren vijf wrakken vanuit biologisch oogpunt onderzocht: 118 het betreffen de SS Kilmore, de LCT(R) 457, de ex-Westerbroek (Sperrbrecher 142), de Bourrasque en de Birkenfels. Dit soort onderzoek op wrakken in Belgische wateren is gestart met het wrak van de Birkenfels. 119

2 Intertidaal

Vondsten die dateren uit deze periode werden in het verleden eigenlijk nooit als archeologisch herkend, wat de afwezigheid ervan in de literatuur verklaart. Zo werd een houten scheepswrak op het strand van Raversijde in het begin van de jaren 1970 wel onderzocht vanuit biologische hoek, maar niet vanuit erfgoedstandpunt. 120 Het wrak bevond zich op 140 m van de dijk, het is niet duidelijk of op die plaats nog iets kan waargenomen worden van dit wrak.} Wrakresten van houten schepen aanwezig in de IJzermonding werden eigenlijk niet op hun mogelijke erfgoedwaarde onderzocht en vondsten zoals deze van een vliegtuigwiel uit WOII op het strand van Oostende dringen maar moeizaam door tot de erfgoedwereld. 121 Wrakresten op de stranden echter kunnen soms wel rekenen op belangstelling, zoals aangetoond met de vondst van een houten scheepswrak op het strand van Knokke (fig. 10).

 Marc Dewilde).Fig. 10: Houten scheepswrak op het strand van Knokke (Foto: Marc Dewilde).

In de winter van 2002-2003 is op het strand van Knokke zeer dicht bij de Nederlandse grens een houten scheepswrak vrijgekomen. Dit was een gevolg van zich wijzigende stromingen op het strand zelf; een gevolg van de aanleg van een noodzanddam. De aanleg van deze dam was bedoeld om het Zwin te vrijwaren van de olievervuiling veroorzaakt door de ramp met de Tricolor. Toen de afdamming van het Zwin werd ontmanteld zijn de wrakresten opnieuw onder het strandzand verdwenen.
In de periode dat het scheepswrak gedeeltelijk vrij lag, is de positie ervan correct ingemeten door Johan Van Laecke en is bij laagtij op 15 februari 2003 een verkennende beschrijving van de zichtbare resten gemaakt door Karel Vlierman. 122 123

Het betreft de resten van een betrekkelijk zwaar gebouwd schip: de huidplanken zijn 5 cm dik en de spanten (14 tot 17 cm breed en 9 tot 10 cm dik) bevinden zich op een onderlinge afstand van amper 5 tot 7 cm. De totale lengte van de structuur bedraagt 22,7 m en de grootste breedte 5,4 m. Een dendrochronologisch onderzoek 124 op twee aan bakboordzijde afgezaagde spantkoppen uitgevoerd door Jérôme Eeckhout van de Universiteit van Luik leverde 1809 AD op als terminus post quem. Op basis van het jaarringenonderzoek kon over de herkomst van het hout geen uitspraak worden gedaan. Er dient opgemerkt dat spanten bovenaan bij herstellingen vaak gedeeltelijk worden vervangen, waardoor de dendrochronologische datering een herstelling zou dateren in plaats van de bouw van het schip.
Dat het ook bij relatief recente schipbreuken niet evident is om de resten aan een bekend schip toe te wijzen, bewijst dit scheepswrak op het strand van Knokke. Een kanshebber lijkt de Engelse brik ‘Manning of London’ die door een loodsfout op de nacht van 28 op 29 maart 1831 bij hoogtij in de Zwinmonding strandde. Het schip raakte muurvast en woelde zich steeds dieper in het zand. Of dit schip uiteindelijk is weggehaald van het strand is niet duidelijk. 125 Andere schepen komen in aanmerking. 126