2.9 Besluit en dankwoord

Besluit

Hoewel er vroeger occasionele vondsten waren, komt systematisch onderzoek naar het mesolithicum pas in de tweede helft van de twintigste eeuw op gang, aan de universiteiten van Leuven en Gent. In Vlaanderen zijn ondertussen relatief veel mesolithische sites gekend. Verdere evaluatie van sites geregistreerd in de CAI dringt zich echter op, evenals de aanvulling ervan met informatie uit amateurcollecties en door middel van nieuw prospectieonderzoek.
Vaak vormen de sites grote complexen, bestaande uit vele concentraties verspreid over een grote oppervlakte, waarvan slechts weinige exhaustief onderzocht werden. Hiermee is er een zeer grote “voorraad” aan mesolithisch erfgoed aanwezig, ook op sites waar al onderzoek werd uitgevoerd. Daarnaast bevatten Zandig Vlaanderen en de Kempen door relatieve geringe erosie en de Scheldevallei door afdekkende sedimentatie ongetwijfeld nog zeer veel gelijkaardige sites.
Voorlopig profiteert de mesolithische archeologie niet mee van het groeiende preventieve terreinwerk dat plaatsvindt als gevolg van de Malta-conventie. Dit heeft waarschijnlijk te maken met eerder beperkte actieve expertise op dit vlak binnen de uitvoerende bedrijven, maar vooral met het feit dat de toegepaste terreinmethodieken niet zijn aangepast aan het vinden van mesolithische sites. De klassieke benadering met proefsleuvenonderzoek biedt meestal niet de condities om mesolithische vondsten te treffen. Hiervoor zijn specifieke opgravingstechnieken aangewezen, met gerichte staalname en het gebruik van aangepaste zeven. Ook de bouwvoor, die nu meestal zonder verdere inspectie wordt weggehaald, kan hierbij een rol spelen. In dit perspectief is het zeker aan te bevelen om voor het mesolithicum en de steentijd in het algemeen, in de toekomst verder in te zetten op proactief prospectie- en waarderingsonderzoek. Reconstructies van het paleolandschap kunnen daarbij als leidraad fungeren.
Door de beperkte voorraad van permanent natte contexten is organisch materiaal schaars. In Zandig Vlaanderen en de Scheldepolders werd op verbrand materiaal een groot aantal 14C- dateringen uitgevoerd voor de opbouw van een absoluut chronologisch kader. Bij gebrek aan opgegraven midden- en laatmesolithische contexten ligt de focus hierbij op het vroeg- en finaalmesolithicum. De rest van Vlaanderen heeft nauwelijks betrouwbare dateringen opgeleverd.
Binnen het mesolithicum zijn geen gestratifieerde sites gekend, en met het finaalpaleolithicum gestratifieerde contexten zijn zeer zeldzaam. Aangezien ze dit soort sites wel kunnen bevatten in hun alluviale sedimenten, verdienen valleigebieden zeker meer aandacht. Ook de kans op goed bewaard organisch materiaal is hier groter, evenals de mogelijkheden voor het verbinden van de archeologie met de omgeving. Prospectie en opgraving in deze gebieden is echter vaak moeilijker en tijdsintensiever dan in de droge contexten.
Naar de transitieprocessen van het pleistoceen (finaalpaleolithicum) naar het holoceen (mesolithicum) en de neolithisatie van Vlaanderen wordt het laatste decennium onderzoek uitgevoerd, evenals naar mobiliteit en landgebruik. Dit moet zeker verder vervolgd worden. Met uitzondering van de kwartsieten, is er nooit uitgebreid onderzoek naar de grondstoffen gedaan. Ook over de subsistance of het dieet van de mesolitische mens is nauwelijks iets geweten. Hedendaagse onderzoeksmethoden zoals combinatie van refitting, microscopisch gebruikssporenonderzoek en ruimtelijke analyse worden pas sinds korte tijd aangewend, meestal enkel in het kader van doctoraatsonderzoek, en verdienen zeker een meer algemene toepassing.
Om echt mee te spelen in het internationale onderzoek is het van belang dat publicaties ook in het buitenland bekend zijn en gebruikt worden. Een eerste aanbeveling is daarom regelmatig te blijven publiceren in het Engels of het Frans. Een andere les uit deze balans lijkt te zijn dat enkel projecten van voldoende omvang en waarin ook voldoende middelen in de uitwerking worden geïnvesteerd kans maken om hun weg te vinden in de internationale literatuur. Hopelijk blijven in de huidige Malta-ontwikkelingen dus nog onderzoeksgroepen overeind die voldoende kunnen investeren in post-excavation onderzoek en in de lange termijn.

Dankwoord

Voor het maken van de kaart met mesolithische sites gekend in de CAI danken we Lies Op de Beeck en Katrien Cousserier.