4.5.4 Maaskant

  • Versie: 1
  • Datum: 21/08/2009
  • Auteur: Guido Creemers

De Maasvallei, die de oostgrens van Vlaanderen vormt, wordt gekarakteriseerd door recente alluviale afzettingen op vruchtbaar leem, waarin de verlaten stroomdalen nog zichtbaar zijn. Ze heeft een gemiddelde breedte van 4 km. De Maasvallei is zeer vlak en helt geleidelijk aan naar het noorden: bij Lanaken ongeveer 50 m, dalend tot ongeveer 25 m bij Kessenich. Morfologisch gezien is deze vallei erg complex: naast de alluviale vlakte kunnen verschillende niveaus worden onderscheiden, de zgn. terrassen bedekt met zanden die rusten op grind. De voornaamste oorzaken van de terrasvormingen hebben te maken met de opheffing van de Ardennen, tektonische oorzaken, oplossingsverschijnselen in het krijt en met schommelingen in het klimaat. Qua bodemgesteldheid is dit laagterrassengebied te vergelijken met het Kempisch Plateau (in feite een hoogterras). De watertafel ligt echter dichter aan de oppervlakte, waardoor het gebied vruchtbaarder is. Tijdens het Mindel-Riss interglaciaal erodeerde de Maas een brede vallei in de hoogterrassen. De insnijding kan aanzienlijk zijn, ten westen van Lanaken bijvoorbeeld tot 40 meter. De Maas heeft zich in de loop der tijden herhaaldelijk herlegd. Oude meanders zijn her en der in het landschap nog zichtbaar. De lager gelegen depressies en oude meanders zijn erg vochtig en worden ook tegenwoordig nog vaak overstroomd. Lithologisch gezien bestaat de Maasvallei uit 2 duidelijke gescheiden eenheden: het westelijke gedeelte is bedekt met fijne gele dekzanden, het oostelijke gedeelte met alluviale lemen en kleien. Het dekzandgebied was al vanaf het subboreaal een grote heidevlakte, ontstaan door een geleidelijke ontbossing van het eikenbos. In de vochtige alluviale vlakte domineerden grassen en kruiden. In de alluviale vlakte liggen zeer vruchtbare lemen en kleien aan de oppervlakte; ze laten vruchtbare teelten, vergelijkbaar met Haspengouw, toe. In deze vlakte bevindt zich ook een aantal dekzandeilanden (Leut, Boorsem) en terrassen (Geistingen). De meesten zijn echter in de loop der tijden verdwenen, velen zelfs sinds de 18de eeuw. Het zijn de hoger gelegen en overstromingsvrije gedeelten die voor bewoning uitgekozen werden door de mens. 1 2 3

Het archeologisch onderzoek in de Maasvallei en de kennis die uit dit onderzoek voortvloeit hangen voor een groot stuk samen met de ontstaansgeschiedenis van de vallei zelf: door de overvloedige aanwezigheid van grinden en met betrekking tot de metaaltijden in mindere mate eolisch leem (löss) kent de regio een rijke recente ontginningsgeschiedenis. Grind- of leemgroeven zijn er in zowat iedere fusiegemeente te vinden. Toevallige archeologische ontdekkingen en waarnemingen waren er legio, vooral in het tweede gedeelte van de 20ste eeuw. Regelmatig vloeide uit een dergelijke ontdekking wel eens een meestal eerder kleinschalig archeologisch onderzoek voort. In maar één geval, met name in Rekem-Neerharen, leidde een deels gestarte ontgrinding tot grootschalig vooronderzoek.
Het onderzoek te Neerharen-Rekem - dat overigens tot op heden niet volledig gepubliceerd is - groeide zo uit tot een voorbeeldopgraving in Vlaanderen. Overigens beperkte het onderzoek zich hier niet allen tot de ontgrinde zone.

De laatste jaren vallen er vooral in het zuidelijke gedeelte weer intense archeologische activiteiten vanuit de Archeologische Dienst ZOLAD waar te nemen. Vooral in de deelgemeente Lanaken is het onderzoek er in de jaren 2006 – 2008, en dit in het kader van verschillende uitbreidingsactiviteiten, erg intens geweest. Zo werd er op Lanakerveld een groot grafveld uit Ha B-C opgegraven, waarvan de resultaten evenwel nog niet ter beschikking staan.

Betreffende de bewoningsgeschiedenis tijdens de metaaltijden kunnen we algemeen gesteld zeggen dat de Maasvallei, net als de andere grote valleien van de Noordwest Europese laagvlakte, zeker als een corridor van verkeer en contacten fungeerde.
Dat verschil met het binnenland zien we al vanaf de vroege bronstijd. Uiteraard moeten we hier ook weer een zekere graad van voorzichtigheid inbouwen, omdat het onderzoek dat in de Maasvallei gebeurde, net als in het overgrote deel van Vlaanderen grotendeels gebaseerd is op toevallige opgravingen en vaststellingen, eigenlijk maar in één geval (Rekem-Neerharen) op opgravingen die grootschalig en vlakdekkend werden uitgevoerd.

Tijdens de vroege en midden bronstijd is de Maasvallei al intensief bewoond. Dat blijkt uit de talrijke vondsten die sinds de jaren 1970 her en der ontdekt werden. Het gaat hier in vrijwel alle gevallen over archeologische objecten waaraan voor het overige nauwelijks structuren kunnen gekoppeld worden. Dit probleem doet zich overigens niet alleen voor in de betreffende regio, maar geldt eigenlijk voor het gehele gebied van de Lage Landen, zeker met betrekking tot de nederzettingen. Resten van wikkeldraadbekers werden er o.a. aangetroffen in Geistingen-Huizerhof 4 en in Rekem, 5 waar ook een zgn. Arbeitsaxt als losse vondst werd ontdekt. 6 De wikkeldraadbeker werd ontdekt binnen een circulaire greppelstructuur, zodat we met enige zekerheid wel kunnen stellen dat het hier een grafvondst betreft.
Dat de ontgrindingen in de Maasvallei ook door amateurarcheologen druk opgevolgd worden, bleek bij het begin van de jaren 1990, toen er een fameuze rituele bronzen bijl opdook ‘uit de Limburgse Maasvallei.’ 7 Dergelijke bijlen zijn van Scandinavische origine en moeten in de regio een grote prestigieuze waarde gehad hebben. Net als elders in Vlaanderen ontbreken vroege bronzen randbijlen, zoals deze van Rekem 8 (p. 376) niet.
Uit de midden bronstijd kennen we o.a. een vrijwel complete urne van Maaseik 9 evenwel zonder verder context. Dat de Maasvallei tijdens deze periode allicht intenser bewoond werd dan tot recentelijk werd gedacht, blijkt wel uit het aardewerk uit deze periode dat telkens bij grootschalig onderzoek weer opduikt. 10 Ook op deze plaatsen blijkt weer hoe moeilijk het is voor archeologen om vat te krijgen op de structuur van dergelijke nederzettingen.

Een fenomeen waarbij de grote rivieren allicht een belangrijke rol gespeeld hebben zijn de deposities van bronzen bijlen. Hoewel hierop reeds herhaaldelijk intens en uitvoerig onderzoek – voor de Maasvallei uitvoerig gerepertorieerd en becommentarieerd door o.a. Luc Van Impe 11 12 - gebeurde, kennen we nog steeds niet de exacte betekenis van dergelijke – meer dan waarschijnlijk rituele – deposities. Enkele depots bevatten vleugelbijlen en moeten meer in de midden – tot late bronstijd gedateerd worden.
De meeste depots dateren uit de overgang van de Ha B/C periode. Het grootste depot is dit van Heppeneert, met 42 Plainseau kokerbijlen en een lanspunt 13 (p. 443) 14 15. Het depot getuigt van de grote betekenis van de Maasvallei binnen de Noord-West Europese handelsnetwerken. Daarnaast kennen we ook een aantal Armorikaanse kokerbijlen, zoals dat van Neerharen 16 (meer bepaald p. 443). Een tweede belangrijk depot is dit van Geistingen 17 (meer bepaald p. 439, 444). Het telde oorspronkelijk een 24 tal bronzen dunwandige kokerbijlen van een zachte legering. Het zijn met zekerheid regionale producties. Andere depots uit deze periode werden o.a. ontdekt in Lanaken, Neeroeteren 18 (meer bepaald p. 439), Dilsen 19, Maaseik 20 en elders in de Maasvallei. 21

Een belangrijke vondst voor de Lage Landen is het collectief graf met bronzen zwaarden van Rekem. De zwaarden dateren uit de Gründlingen fase en markeren zo de overgang van de bronstijd naar de ijzertijd. 22 23 24
Het grafveld van Neerharen-Rekem zelf blijkt vanaf minstens de late bronstijd tot het begin van de La Tène periode (5de – 4de eeuw) bezet te zijn, en het behoort tot de grotere grafvelden binnen Vlaanderen. Het grafveld is reeds bekend vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw. Vooral het feit dat zich binnen deze necropool heel wat zuidelijke importgoederen bevinden, is een belangrijk gegeven (een goed overzicht over het grafveld wordt gegeven in 25 met ook de belangrijkste bibliografische referenties. Zie verder ook o.a. 26 27 28 29 30 31 (op p. 468, 484) Hoewel de begrafenisgebruiken in de Maasvallei onvoldoende onderzocht en bekend zijn, kennen we hier toch nog voorbeelden van andere grafvelden. Zo kwam in Lanaken in 2007 nog een belangrijk grafveld uit de HAB/C periode te voorschijn (niet gepubliceerd). Oudere vondsten zijn o.a. het grafveld van Neeroeteren 32 (p. 501)

De nederzettingssporen uit de vroege en midden ijzertijd in Rekem-Neerharen beperken zich tot een aantal silo’s en spiekertjes, mogelijk één drieschepig huis. Ook uit het noordelijke gedeelte van de vallei, m.n. uit Geistingen kennen we sporen van nederzettingen uit de ijzertijd. Bij ontgrindingen werden voornamelijk aan het einde van de jaren 1970 en het begin van de jaren 1980 heel wat resten uit de metaaltijden ontdekt; nederzettingsaardewerk, een pottenbakkersoven, een waterput, houten kommetjes, zoutgootjes uit de vroege ijzertijd etc. De sites konden echter nooit degelijk onderzocht worden. Zowel vondsten uit de vroege ijzertijd, als vondsten uit de late ijzertijd werden er ontdekt 33 34 35 36 (p. 595-596). Dit soort nederzettingssporen, vaak onvoldoende gedocumenteerd, kwam in het verleden wel herhaaldelijk te voorschijn in de regio, bijvoorbeeld te ‘Op de Heide – Neerharen’ 37 (p. 510), Kinrooi-Boterakker 38, Dilsen-Heuletak 39 (p. 596); 40 en te Maaseik, binnen het opgravingsareaal van een grafveld uit de Romeinse tijd 41 (p. 596); 42. In dit laatste geval ging het om nederzettingsresten uit de late ijzertijd.

Een bijzondere vondst die allicht eerder te situeren valt in de vroeg-Romeinse periode, is de zilveren vaas van Neerharen, waarin Keltische invloeden te bemerken zijn. Ze draagt Griekse inscripties op de bodem. Het stuk werd in de 19de eeuw ontdekt bij het uitgraven van de Zuid-Willemsvaart en belandde in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden 43 (p. 562); 44.

Concluderend kunnen we stellen dat de Limburgse Maasvallei tijdens de metaaltijden vrij intens bewoond was. Tijdens de meeste grootschalige werken worden vaak vrij belangrijke getuigenissen uit deze periode ontdekt. Op maar enkele uitzonderingen na, namelijk het onderzoek in Rekem-Neerharen en het recent onderzoek dat door de intergemeentelijke archeologische dienst ZOLAD in het zuidelijke gedeelte van de hier besproken regio uitgevoerd wordt, gebeurde het onderzoek tot op heden te vluchtig en te kleinschalig. Daarenboven is het overgrote gedeelte van de onderzochte sites onvoldoende gepubliceerd. Dit geldt zeker voor het vondstmateriaal uit de ontgrindingszones; allicht kunnen degelijke archeologische vondstpublicaties van tot op heden onvoldoende uitgewerkte opgravingen ons beeld over deze regio toch enigszins verruimen.