3.5 Balans in de ruimte

5.1 Overzicht van de gekende sites per archeoregio

De verspreiding van de neolithische sites over de archeoregio’s werd eveneens bekeken op basis van de gegevens in de CAI. Voor het neolithicum kan een ander patroon worden waargenomen dan voor de voorgaande steentijdperioden (Figuur 28). Het grootst aantal sites is voor het neolithicum gekend in de zandleem- en leemstreek (53%), terwijl dat voor paleo- en mesolithische sites de Kempen is. In Zandig Vlaanderen (19%) zijn slechts iets minder sites gekend dan in de Kempen (26%). In de Maasvallei en de duin- en poldergebieden werden totnogtoe het minst aantal neolithische sites geregistreerd (samen 2%).

 Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’sFiguur 28: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode in de verschillende archeoregio’s

Binnen het neolithicum zijn middenneolithische sites duidelijk dominant in elk van de archeoregio’s, met uitzondering van Zandig Vlaanderen waar meer laat- en finaalneolithische sites zijn gekend (Figuur 29). Terwijl het vroegneolithicum nagenoeg uitsluitend is gekend in de zandleem- en leemstreek en er ook voor het middenneolithicum sterke verschillen zijn in de verspreiding van sites met opnieuw de zandleem- en leemstreek als dominante, is de verdeling van laat- en finaalneolithische sites vrij gelijk gespreid over Zandig Vlaanderen, de Kempen en de zandleem- en leemstreek.

 Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase in de verschillende archeoregio’s. Group1=laat- en finaalneolithicum.Figuur 29: Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase in de verschillende archeoregio’s. Group1=laat- en finaalneolithicum.

Een verspreidingskaart van alle gelokaliseerde neolithische sites in Vlaanderen bevestigt dit patroon en toont dat de sites nagenoeg overal binnen de archeoregio’s voorkomen (Figuur 30). Enkele concentraties van sites zijn wellicht eerder gelinkt aan een concentratie van archeologisch onderzoek, in het bijzonder veldkartering, dan aan een daadwerkelijke concentratie van sites.

 Verspreiding van neolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 30: Verspreiding van neolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Vroegneolithische sites zijn wel duidelijk geconcentreerd in het oostelijk uiteinde van de zandleem- en leemstreek (Figuur 31). Dit is het gebied van de Bandkeramische nederzettingscluster in oostelijk Haspengouw die naar het zuiden aansluit bij de nederzettingscluster in Luiks Haspengouw en naar het noordoosten bij de Graetheidecluster in Nederlands Zuid-Limburg. De nederzettingscluster op het plateau tussen de bovenloop van Demer en Maas wordt in de wetenschappelijke literatuur aangeduid als Heeswatercluster.1 2 Momenteel zijn 28 van deze Bandkeramische nederzettingen in deze cluster in Vlaanderen bekend. De tweede Bandkeramische nederzettingscluster, in het gebied van de Kleine Gete, is ca. 20 km meer naar het westen gesitueerd en bevat slechts een drietal sites. Een enkele site, in Sluizen, is gelegen op de linkeroever van de benedenloop van de Jeker en behoort niet tot deze clusters. Het voorkomen van de Bandkeramische sites in slechts enkele nederzettingsclusters in de leemstreek sluit aan bij het patroon van sites elders in Noordwest-Europa.
Daarnaast zijn een beperkt aantal vroegneolithische sites verspreid over de rest van de zandleem- en leemstreek en in de zandige delen van Vlaanderen. Deze verspreiding moet in verband worden gebracht met de verspreiding van losse, diagnostische vondsten zoals pijlpunten en dissels, voornamelijk in een gebied dat zich uitstrekt tot ca. 30 km buiten de Bandkeramische nederzettingsclusters.3 4 5 Een deel hiervan kan wellicht in verband worden gebracht met expedities van de Bandkeramiek buiten de nederzettingsclusters en ten noorden van de leemgronden, maar het is niet uit te sluiten dat het bij een ander deel uitwisselingsvondsten betreft tussen de eerste landbouwersgemeenschappen en de laatste jager-verzamelaar groepen van het gebied. De enkele vroegneolithische vondsten in het poldergebied van de Beneden Schelde corresponderen met de vondsten van de Swifterbant cultuur in Doel Deurganckdok.6

 Verspreiding van vroegneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 31: Verspreiding van vroegneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Het middenneolithicum wordt niet enkel gekenmerkt door het grootst aantal sites, maar ook door een ruimere spreiding van de sites (Figuur 32). Ze zijn verspreid over nagenoeg de hele zandleem- en leemstreek. In de Kempen en in Zandig Vlaanderen is eveneens een gelijkmatige spreiding, van ditmaal een stuk minder sites, waar te nemen. Enkel in het oostelijk deel van de Kempen is een concentratie van waarnemingen gekarteerd. Voor het grootste deel betreft dit vondsten die in verband kunnen gebracht worden met de Michelsbergcultuur en verwante groepen.

 Verspreiding van middenneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 32: Verspreiding van middenneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Voor het laat- en vooral het finaalneolithicum zijn weer een heel stuk minder sites gekend in Vlaanderen. Begin jaren 1980 beschreef Louwe Kooijmans dit nog als het “grote, ‘lege gebied’ dat de kaart van het laat-neolithicum ons laat zien tussen de ‘Néolithiques de la Meuse’ en de ‘Vlaardingen-cultuur’” en sindsdien is dit beeld niet erg veranderd.7 Terwijl de sites van het laatneolithicum net als die van het middenneolithicum vrij homogeen over de archeoregio’s verspreid zijn (Figuur 33), zijn voor het finaalneolithicum voornamelijk sites gekend in het westelijk deel van de Vlaamse dekzandgebieden (Figuur 34).

 Verspreiding van laatneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 33: Verspreiding van laatneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

 Verspreiding van finaalneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)Figuur 34: Verspreiding van finaalneolithische sites in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010)

Hier is het van belang om te wijzen op het aparte fenomeen van de gepolijste bijl. In totaal zijn 1123 gepolijste bijlen in de CAI geregistreerd als prospectievondst of toevalsvondst. In de meeste gevallen betreft het losse vondsten van volledige exemplaren of fragmenten. De oorsprong van de gepolijste vuurstenen bijl moet bij het begin van het middenneolithicum gezocht worden,8 al blijft het werktuigtype wellicht ook nog na het neolithicum in gebruik. Volledige exemplaren worden echter zelden tot nooit in nederzettingscontext aangetroffen en het blijft dan ook onmogelijk om dergelijke exemplaren op basis van hun morfologie nauwkeurig te dateren. De dateringen die in de CAI werden toegevoegd aan de (losse) prospectievondsten van gepolijste bijlen, gaande van middenneolithicum tot de vroege ijzertijd, moeten dan ook met een korrel zout genomen worden. In ieder geval zijn deze vondsten van gepolijste bijlen verspreid over alle archeoregio’s.

 Verspreiding van gepolijste bijlen in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010). Losse vondsten zijn aangegeven in het zwart.Figuur 35: Verspreiding van gepolijste bijlen in Vlaanderen volgens de Centrale Archeologische Inventaris (toestand april 2010). Losse vondsten zijn aangegeven in het zwart.

5.2 Het neolithisch potentieel van de archeoregio’s

Het belang van het onderscheid tussen de verschillende archeoregio’s voor het neolithicum houdt verband met twee aspecten. Vooreerst is er het tafonomische aspect, waarbij verschillen in bewaringstoestand en vondstkansen zijn gerelateerd aan de variatie in sediment, hydrografie, topografie, bodemvorming en historisch landgebruik. Daarnaast zullen deze verschillen ook op de neolithische occupatie een impact hebben gehad. De leemgronden van de zandleem- en leemstreek zijn in principe geschikter voor primitieve landbouwactiviteiten dan de zure zandgronden van Zandig Vlaanderen en de Kempen. Er kan dan ook worden verwacht dat de aard van de neolithische occupatie tot op zekere hoogte verschillend is geweest in de verschillende archeoregio’s. Dit kan een impact hebben gehad op nederzettingssystemen en de mate waarin structuren werden uitgegraven. Op zijn beurt zal dit opnieuw de bewaringstoestand en vondstkansen beïnvloeden.
De evaluatie van het neolithisch potentieel van de archeoregio’s is een taak die met name wordt bemoeilijkt door het feit dat de representativiteit van het gegevensbestand tot op zekere hoogte onbekend is. Een belangrijk gevaar bij de evaluatie van het neolithisch potentieel van de archeoregio’s is dan ook een cirkelredenering waarbij gekende neolithische sites als standaard worden aanzien, terwijl ongekende situaties over het hoofd worden gezien. We kunnen er immers van uit gaan dat doorheen het verleden, maar in belangrijke mate vanaf het neolithicum, het landschap actief door de mens werd ingedeeld, waarbij specifieke activiteiten op bepaalde ogenblikken in specifieke contexten werden uitgevoerd. Aldus kan een specifieke situatie, bijvoorbeeld het voorkomen van Bandkeramische nederzettingen (en grafvelden) bovenop leemplateaus, uitgroeien tot de standaard perceptie van de occupatie van die bepaalde cultuur in een specifiek gebied. Dit sluit echter niet uit dat andere activiteiten, of zelfs gelijkaardige activiteiten (i.c. een nederzetting), zich buiten de ‘typische’ geomorfologische context kunnen afspelen. In deze optiek kan verwezen worden naar de ontdekking van (late) Bandkeramische nederzettingsterreinen langsheen de Maas in Nederlands Limburg,9 10 11 die aantonen dat ook zones waar voorheen nooit met een Bandkeramische occupatie rekening werd gehouden een zeker potentieel bevatten. In die zin is het overzicht van het neolithisch potentieel eerder een aangeven van de mogelijkheid voor een goede bewaring van neolithische sites, dan wel het voorspellen van de aanwezigheid van dergelijke sites.
De zandleem- en leemstreek is in het verleden zwaar onderhevig geweest aan watererosie, mede onder invloed van de intensieve landbouw in deze vruchtbare contexten.12 Deze erosie is het sterkst op de plateauranden en bovenaan de hellingen en zal een vernielende impact hebben gehad op sites die zich in deze context bevonden. Onderaan de hellingen en in de valleien kunnen sites bedekt zijn met een belangrijk pakket colluvium, wat hun identificatie bemoeilijkt. Niettegenstaande deze processen bevatten de plateaus in deze regio nog steeds een groot potentieel voor het aantreffen van neolithische sites. Allereerst, en in tegenstelling tot bijvoorbeeld het mesolithicum, zorgen de grootte van de lithische artefacten en de aard van de sites met gegraven sporen van gebouwplattegronden, voorraad- of afvalkuilen en grachten, dat de oppervlakkige erosie niet alle sporen wegwiste. Bovendien is de erosie erg variabel en zijn de neolithische sites vaak betrekkelijk uitgestrekt, waardoor ook goed bewaarde delen voorkomen.13Bijgevolg zijn heel wat neolithische sites tot op vandaag gekend door vrij omvangrijke concentraties lithisch materiaal dat in de huidige bouwvoor is opgenomen en via veldkartering aan het licht kan komen. Tot nog toe bleven de opgravingen in dergelijke context echter kleinschalig, waardoor de kans op het aantreffen van de goed bewaarde delen beperkt bleef. Een voorbeeld van een dergelijk recent ontdekte en goed bewaarde neolithische site in een verder voor erosie erg vatbaar gebied, is de Bandkeramische site Riemst Toekomststraat waar een volledige Bandkeramische gebouwplattegrond werd aangetroffen.14 De waarnemingen werden gedaan bij de voorbereidende werkzaamheden voor de constructie van een paardenpiste, in een zone waar bovendien nog geen indicaties waren voor het aantreffen van een neolithische site. Te verwachten problemen bij de prospectie en opgraving van neolithische sites in deze contexten houden voornamelijk verband met de identificeerbaarheid van neolithische sporen met de standaard prospectiemethoden, alsook het inschatten van het belang op basis van vaak beperkte indicatoren.15 Gezien de zure en droge bodems op de plateaus is onverkoold organisch materiaal er nagenoeg niet te verwachten. De tafonomische context reduceert eveneens de kans op het aantreffen van rijke, gestratifieerde vindplaatsen tot nul.
Valleisites16 zijn in veel mindere mate gekend. Dit heeft wellicht hoofdzakelijk te maken met de hierboven reeds aangehaalde problematiek van selectieve prospecties op de plateaus en hellingen waar de meeste neolithische artefacten aan het oppervlak kunnen gevonden worden. Een gelijkaardige problematiek doet zich eveneens voor met betrekking tot de voorgaande perioden van de prehistorie. Desalniettemin is het bewaringspotentieel in deze valleicontexten groot, en dan in het bijzonder op de oeverwallen van de rivieren en de donken in de brede valleien. Daar is er een grotere kans op het aantreffen van begraven, goed bewaarde sites die een grotere informatiewaarde bevatten dan plateausites door het behoud van stratigrafische informatie en de mogelijkheid op het aantreffen van niet verkoolde organische resten.
De dekzandlandschappen van de Kempen en Zandig Vlaanderen zijn sinds het laatglaciaal veel minder vatbaar geweest voor watererosie en -sedimentatie dan de leemgebieden, wel voor eolische erosieprocessen. Neolithische sites in deze gebieden zijn dan ook voornamelijk aan of nabij het huidige oppervlak bewaard gebleven. Bodemvorming, bioturbatie en verploeging zijn de belangrijkste verstorende processen voor neolithische sporen in deze contexten, waardoor prospecties met ingreep in de bodem voornamelijk te kampen hebben met problemen van spoorherkenning. Daarnaast bestaan in dit gebied ook uitgebreide zones waar plaggengronden voorkomen, die de aanwezige neolithische sites zullen hebben afgedekt. Lithische artefacten aan het oppervlak zijn de meest voor de hand liggende indicatoren voor de aanwezigheid van sites in akkerbouwcontext. Dit is voornamelijk het geval in Zandig Vlaanderen, terwijl er heel wat meer ‘woeste gronden’17 bestaan in de Kempen. Theoretisch zijn de neolithische sites in deze context beter bewaard, want minder verstoord door verploeging, maar ook hier spelen bodemvorming en bioturbatie als voornaamste verstorende processen voor de bewaring van grondsporen. De droge, zure zandbodems bieden enkel bewaringskansen voor verkoold organisch materiaal. In alluviale context in de archeoregio’s van de Kempen en Zandig Vlaanderen zijn betere bewaringskansen voorhanden voor zowel stratigrafische informatie als voor niet verkoold organisch materiaal. Bekende neolithische sites zijn in deze contexten nog erg zeldzaam, maar dit houdt ongetwijfeld verband met de beperktere archeologische activiteit in het verleden en de moeilijkheid om de sites op te sporen, eerder dan dat het een reflectie zou zijn van de zeldzaamheid van neolithische activiteit. De recente vondsten van mesolithische en neolithische sites in deze context18 19 20 bieden eveneens perspectieven voor het aantreffen van neolithische sites.
Een groot onderzoekspotentieel situeert zich in de natte gebieden van de kust- en Scheldepolders en het alluvium van beken en rivieren.21 Swifterbantvindplaatsen22 zijn voornamelijk gekend in deze ‘wetlands’ met goed bewaringspotentieel. De sites werden afgedekt met veen, alluviale en/of mariene sedimenten en dus op een gegeven ogenblik afgesloten voor verdere verstoring en palimpsestvorming. Helaas kan deze afdek in realiteit een hele tijd na de occupatie dateren, waardoor de bewaringscondities op de nederzettingsterreinen23 voor organisch materiaal even beperkt zijn en er eveneens een mogelijkheid bestaat tot vermenging van occupatieresten uit verschillende perioden. Aldus is het bestaan van een feitelijk, cumulatief palimpsest mogelijk zoals onder meer de site en dateringen in Melsele ‘Hof ten Damme’ aangeven.24 25 De beste bewaringscondities voor stratigrafische informatie en organisch materiaal kunnen, naar analogie met de hoge resolutie sites in het Nederlandse rivierengebied,26 worden verwacht aan de voet van de nederzettingsterreinen. Helaas, en in tegenstelling tot de hierboven aangehaalde voorbeelden uit het Nederlandse rivierengebied, zorgde de dynamiek van de rivieren waarlangs de sites zijn gelegen, voor het verstoren en eroderen van mogelijk oorspronkelijk aanwezige afvallagen. Vooralsnog zijn dan ook geen goed bewaarde, gestratifieerde afvallagen aangetroffen, maar in principe bevat dit gebied wel degelijk het potentieel voor dergelijke vondstlocaties. Systematisch prospectiewerk naar dit soort vindplaatsen loopt momenteel, via enkele projecten aan de UGent en door het VIOE in het kader van de archeologische begeleiding van het Sigmaplan.

5.3 Evolutie van het terreinwerk in de archeoregio’s

De evolutie van het neolithisch terreinwerk in de archeoregio’s kan voor de laatste 30 jaar worden bestudeerd op basis van de publicaties in de Notae Praehistoricae
De dominantie van veldwerk in de zandleem- en leemstreek is daarbij erg opvallend en dit voornamelijk voor het vroeg- en middenneolithicum. In Zandig Vlaanderen en de Kempen is heel wat minder veldwerk gericht op het neolithisch onderzoek. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het minder voorkomen van sites enerzijds, zeker voor het vroegneolithicum, en de traceerbaarheid van neolithische sites anderzijds. Voor het laat- en finaalneolithicum is een ander patroon merkbaar, met een min of meer gelijkmatige verspreiding over alle archeoregio’s en zelfs het meeste veldwerk in Zandig Vlaanderen.

 Terreincampagnes (1979-2009) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg- (VN), midden- (MN) en laat- en finaalneolithische (LN) sites, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 36: Terreincampagnes (1979-2009) in de archeoregio’s in Vlaanderen op vroeg- (VN), midden- (MN) en laat- en finaalneolithische (LN) sites, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

Bij de uitvoerders is de dominantie van de K.U.Leuven in zowel de Kempen als de zandleem- en leemstreek merkbaar, in beide gevallen gevolgd door de overheidsdienst. In Zandig Vlaanderen en de Polders is de UGent dan weer uitgesproken het meest actief (Figuur 37). Diezelfde verhoudingen voor de steentijd spelen eveneens voor het neolithisch onderzoek (Figuur 38). In tegenstelling tot het paleolithisch onderzoek wordt dit patroon in geen van deze archeoregio’s gedomineerd door meerjarige campagnes op één of enkele sites. Zoals reeds eerder aangegeven, hebben de meeste projecten betrekking op sites waarvoor niet meer dan twee campagnes werden gerapporteerd.

 Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op steentijdsites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 37: Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op steentijdsites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

 Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 38: Uitvoerders van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

Doordat twee van de drie belangrijkste uitvoerende instellingen voornamelijk binnen de grenzen van een tweetal archeoregio’s onderzoek uitvoeren 27 werken de patronen geldig voor deze instellingen eveneens sterk door op de activiteit binnen de archeoregio’s. Aldus is een verschuiving van het onderzoek op neolithische sites merkbaar (Figuur 39): terwijl tot eind de jaren 1990 het neolithisch onderzoek voornamelijk werd uitgevoerd in de zandleem- en leemstreek,28 is die positie na 2000 weggelegd voor de polders en na 2005 voor Zandig Vlaanderen. 29Deze evolutie reflecteert de groeiende aandacht van de UGent voor het onderzoek op neolithische sites, na een jarenlange nadruk op mesolithisch onderzoek binnen haar werkgebied. Ook het lichte overwicht van Zandig Vlaanderen in het Malta-onderzoek op neolithische sites dat in de Notae werd gerapporteerd (Figuur 40) is met de activiteit van de UGent en het VIOE in deze regio gerelateerd. Het is evenwel een belangrijke trend die in contrast staat met de kennis en verspreiding van neolithische sites over de archeoregio’s. Hieruit kunnen slechts twee conclusies worden getrokken: ofwel is het spreidingspatroon van gekende neolithische sites in Vlaanderen scheefgetrokken door de jarenlange concentratie van geprogrammeerd onderzoek van met name de K.U.Leuven, ofwel is het belang van neolithisch onderzoek in Malta-context sterk afhankelijk van de activiteit van de grote wetenschappelijke instellingen.30

 Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 39: Overzicht per vijf jaar en per archeoregio van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae

 Aanleiding van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae PraehistoricaeFiguur 40: Aanleiding van de terreincampagnes (1979-2009) op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s in Vlaanderen, gerapporteerd in Notae Praehistoricae