3.6 Balans van de bronnen

Net als voor de voorgaande perioden, is de ‘voorraad’ van neolithisch erfgoed in Vlaanderen en haar toestand nauwelijks te schatten. Een evaluatie van de bekende neolithische sites op basis van de beschikbare archeologische inventaris (CAI), wordt bemoeilijkt door het ontbreken van indexen die voor steentijdarcheologie zijn aangepast en door lacunes in deze inventaris, onder meer door een beperkte ontsluiting van oude collecties.1 Bovendien is voor een echte balans van het erfgoed nood aan systematische waarderingscampagnes op neolithische sites in de verschillende archeoregio’s. Dit proces is aan de gang, met een groeiende aandacht voor de waardering van gekende sites, mede in opdracht van het Agentschap Ruimte en Erfgoed,2 maar bleef voor het neolithicum vooralsnog beperkt. Desalniettemin wordt in onderstaand deel getracht een balans te maken van de gekende sites en van het gekende archeologische materiaal, per subfase binnen het neolithicum.

6.1 Balans van de sites

6.1.1 Vroegneolithicum

Swifterbantvindplaatsen zijn vooralsnog uitsluitend gekend uit de natte, alluviale gebieden in de benedenloop van de grote rivieren en in het bijzonder van de Schelde. De vondsten blijven tot nog toe beperkt tot scatters van lithisch materiaal, aardewerk en verbrand botmateriaal en enkele uitgegraven sporen. De functionele interpretatie van deze vindplaatsen is nog aan de gang, maar op basis van de reeds bekomen 14C-dateringen blijken de vindplaatsen gedurende lange tijd herhaaldelijk te zijn opgezocht.3 Desalniettemin biedt deze regio het potentieel om via systematisch prospectiewerk meer informatieve sites op te leveren.
Voor de Bandkeramiek zijn voornamelijk nederzettingen gekend in een tweetal nederzettingsclusters binnen de leemstreek. De nederzettingen zijn, zoals ook elders in Noordwest-Europa voor de Bandkeramiek als typisch wordt beschouwd, gelegen op de leemplateaus, in de onmiddellijke nabijheid van water. De bewaarde resten omvatten sporen van gebouwplattegronden, voornamelijk paalgaten en de langskuilen, en andere kuilen waaronder kuilen die als silo kunnen worden geïnterpreteerd. Stratigrafische informatie is meestal beperkt tot de inhoud van de kuilen. Oversnijdingen van sporen zijn erg zeldzaam. Tot nog toe had geen enkel project in Vlaanderen, in tegenstelling tot in het Waals Gewest,4 5 de ambitie om een volledige nederzetting bloot te leggen. De beperkte schaal van de meeste opgravingen laat dan ook niet toe om de omvang van de nederzettingen te bepalen. Grafvelden van de Bandkeramiek zijn in het algemeen zeldzaam, en tot nog toe zijn geen grafvelden bekend in Vlaanderen. Het dichtstbijzijnde grafveld is dat van Maastricht Lanakerveld dat slechts enkele jaren geleden net over de Belgisch-Nederlandse grens werd ontdekt in het kader van een Malta-gerelateerd prospectieonderzoek.6 De nederzettingscluster van de Kleine Gete vormt een bijzonder geval. Het is een erg beperkte cluster, met tot op heden slechts drie geïdentificeerde sites. Bovendien vertoont het archeologisch materiaal er enkele specifieke eigenschappen, waarin Lodewijckx 7 8 een link ziet tussen de Bandkeramiek en lokale jager-verzamelaar groepen.
Buiten de gekende nederzettingsclusters van Bandkeramische sites worden vaak Bandkeramische vondsten gerapporteerd, maar tot nog toe zijn geen van deze opgegraven en is het moeilijk hun aard te bepalen. Deels zal het gaan om geïsoleerde vondsten, maar het is niet uit te sluiten dat kleine clusters van Bandkeramisch materiaal het resultaat zijn van expedities van de Bandkeramiek buiten de nederzettingsarealen.
Van de ‘Groep van Blicquy,’ een aan de Bandkeramiek verwante en in de tijd op de Bandkeramiek aansluitende vroegneolithische groep, zijn slechts weinig sporen in Vlaanderen bewaard gebleven. Slechts een enkele site, in Bekkevoort Leuvenaar, komt in aanmerking als mogelijke nederzetting maar ook hier zijn de gegevens beperkt tot een oppervlakte-ensemble.

6.1.2 Middenneolithicum

Sites die dateren uit het middenneolithicum zijn verspreid over heel Vlaanderen.9 Voornamelijk voor de leemgebieden, waar een heel aantal sites uit deze periode werd opgegraven, beschikken we over meer informatie omtrent de aard van de vindplaatsen. De meeste gekende sites zijn gelegen bovenop de leemplateaus, vaak op landtongen en uitkijkend over de riviervallei. Ze worden herkend door het grote aantal lithische artefacten aan het oppervlak, vaak verspreid over een zone van enkele tot enkele tientallen hectare. In Vlaanderen zijn vier van deze sites gekend als aardwerken, dit zijn omvangrijke en door grachten, wallen en/of palissaden omgeven sites: in Assent, Heuvelland (Kemmelberg), Ottenburg en Spiere. Daarnaast zijn ook kleinere vuursteenconcentraties gekend met materiaal dat aan deze periode kan worden toegeschreven. Door de beperkte omvang en resultaten van archeologische opgravingen op deze sites, is het erg moeilijk om een goed beeld te krijgen op de functie van de verschillende sites en aldus op het hele nederzettingssysteem. Om dezelfde redenen bestaat er voor de Vlaamse sites geen duidelijk idee omtrent de interne organisatie van aardwerken. De opgravingen in Spiere hebben in elk geval uitgewezen dat deze sites intens werden gebruikt, als residentiële nederzetting of als trefpunt voor grote bijeenkomsten. De (kleinschalige) opgravingen op de meeste andere sites leverden vaak niet meer dan enkele geïsoleerde kuilen op. Huisplattegronden werden in Vlaanderen nog niet geïdentificeerd. Een enkele claim voor Kruishoutem Kerkakkers,10 bleek na verder onderzoek een vervalsing te zijn.11
Vuursteenmijnbouwsites zijn in Vlaanderen niet gekend, wel enkele gespecialiseerde vuursteenextractieplaatsen in de Voerstreek. Het gaat telkens om openluchtgroeven waar vuursteen uit de vrij ondiepe ondergrond werd gewonnen.12
Het is mogelijk dat in het noorden van het Vlaamse landsdeel een ander nederzettingssysteem bestond, of dat de zandgronden een andere functie hadden in het ruimere nederzettingssysteem. Daar zijn vooralsnog geen aardwerken ontdekt, hoewel het bestaan ervan strikt genomen niet uitgesloten kan worden. Slechts een erg klein aantal sites werd hier opgegraven. Het betreft voornamelijk enkele sites in de Scheldevallei, onder meer in Oudenaarde en Doel. Deze sites, steeds gelegen op zandruggen in de alluviale vlakte, leverden voornamelijk archeologisch materiaal en een beperkt aantal sporen op. Daarnaast zijn ook een aantal geïsoleerde aardewerkvondsten gekend, die mogelijk met een aparte traditie van depositie in verband stonden.13
Tot op vandaag kunnen geen sites die worden toegeschreven aan de Groep van Spiere of de Michelsbergcultuur na 3800 v.Chr. worden gedateerd. In het oostelijk deel van de Kempen kunnen enkele vindplaatsen worden toegeschreven aan de Hazendonkgroep, die in Nederland na 3800 v.Chr. wordt gedateerd.14 In elk van de gevallen betreft het helaas een identificatie van vaak losse scherven, waarvoor de contextuele informatie erg beperkt is. Het grootste ensemble, opgegraven in Meeuwen Donderslagheide,15 leverde eveneens aardewerk dat eerder aan de Michelsbergcultuur dient te worden toegeschreven. Helaas is slechts weinig informatie voorhanden om tot een gefundeerde functionele interpretatie van de site te komen.

6.1.3 Laat- en finaalneolithicum

In Vlaanderen zijn slechts een erg beperkt aantal informatieve sites bekend die met de laatneolithische Vlaardingen / Seine-Oise-Marnecultuur (2de helft 4de millennium) in verband kunnen worden gebracht.16 Een groot deel van de resten zijn bovendien losse of geïsoleerde vondsten, die bijvoorbeeld bij baggerwerken werden aangetroffen. Daarnaast is materiaal toegeschreven aan de Steingroep in secundaire context aangetroffen in Geistingen Huizerhof.17 We kunnen er dan ook redelijkerwijze van uit gaan dat – niettegenstaande tot nog toe geen nederzettingen zijn aangetroffen – het kennishiaat niet overeenkomt met een echt occupatiehiaat en dat nieuwe sites in de toekomst kunnen verwacht worden.
Het finaalneolithicum vangt aan rond 3000 v.Chr. en was tot voor kort net als het laatneolithicum amper gekend in Vlaanderen,18 in grote mate beperkt tot een paar niet nauwkeurig te dateren oppervlaktevindplaatsen19 en een reeks 14C-dateringen op geïsoleerde artefacten.20 Voor de Deûle-Escaut groep is sinds een half decennium wel meer informatie voorhanden. Zo werd in Waardamme, in Zandig Vlaanderen, een nederzetting van deze cultuur aangetroffen, bestaande uit een enkele gebouwplattegrond.21 Een tweede site werd in 2008 aangetroffen in Hertsberge.22 De bewaringskansen voor stratigrafische informatie en organische resten zijn erg beperkt door de tafonomische kenmerken van deze regio. Verder wijzen geïsoleerde vondsten in de Scheldevallei, al dan niet absoluut gedateerd, op een continuïteit van de bewoning in deze periode. Het aantal hoog informatieve sites blijft evenwel erg beperkt.
Ook voor het finaalneolithicum blijft de informatie betrekkelijk beperkt, al is iets meer informatie voorhanden. In de Kempen en Zandig Vlaanderen werden tot nog toe een reeks finaalneolithische grafcontexten opgegraven, naast enkele stukken aardewerk die mogelijk eveneens met een grafcontext in verband kunnen worden gebracht.23 24 Een beperkt aantal van deze sites is betrekkelijk goed bewaard en informatief, terwijl de meeste bestaan uit geïsoleerde kuilen met wat bekeraardewerk. Nederzettingen en nederzettingsresten zijn erg zeldzaam. Enkel in Oudenaarde Donk werden dergelijke resten aangetroffen, maar de vondstomstandigheden lieten helaas niet toe om een duidelijk zicht te krijgen op de aard en omvang van de nederzetting. Verschillende recent opgegraven sporen in Zandig Vlaanderen kunnen mogelijk in verband worden gebracht met nederzettingen, al is het geassocieerde materiaal niet voldoende diagnostisch en is het wachten op de resultaten van 14C-dateringen.25 Dankzij nieuw onderzoek van uit de laatste vijf jaar, lijkt een beeld te ontstaan van een vrij intense bewoning van Zandig Vlaanderen tijdens deze eindfase van het neolithicum.26

6.2 Balans van het archeologisch materiaal

Net zoals voor de voorgaande steentijdperioden is lithisch materiaal de belangrijkste vondstcategorie op neolithische sites. Vanaf het begin van het neolithicum in de leemstreek, en het finaalmesolithicum in het zandige noordelijke deel van het land, verschijnt ook aardewerk als een belangrijke vondstcategorie. Het aardewerk is enkel goed bewaard in begraven toestand en maakt dan ook uiterst zelden deel uit van oppervlaktevindplaatsen. Het aantal hoog informatieve neolithische sites in Vlaanderen is eerder beperkt, en dit voor alle subfasen van deze periode. Het onderzoek dat op deze vindplaatsen en artefactenensembles werd uitgevoerd, beperkt zich dan ook hoofdzakelijk tot eerder descriptieve studies met een beschrijving van typologische samenstelling en technische kenmerken. Organische resten zijn in het algemeen veel zeldzamer en zijn veelal slechts in verbrande of verkoolde vorm bewaard.

6.2.1 Vroegneolithicum

De Swifterbantvindplaatsen zijn tot op heden uitsluitend gekend uit natte contexten die heel wat potentieel bieden voor de bewaring van niet-verkoolde organische resten en aldus aansluiting vinden bij de hoogst informatieve Swifterbantvindplaatsen uit het Nederlandse rivierengebied.27 Tot op heden bleef het materiaal dat deze sites opleveren echter beperkt tot lithisch materiaal en aardewerk, naast hoofdzakelijk verbrande botresten en wat verkoold botanisch materiaal. Het lithisch materiaal van de Swifterbant sluit vrij goed aan bij dat van het laatmesolithicum, met als belangrijkste diagnostische elementen Montbani-klingen, Montbani debitage en trapezia die in het geval van de Swifterbant klein en onregelmatig zijn.28 Het aardewerk, gemagerd met chamotte en plantaardig materiaal en hoofdzakelijk onversierd, wordt gedomineerd door S-vormige potten met een licht uitstaande hals en een ronde tot conische bodem. Het sluit betrekkelijk goed aan bij het aardewerk van de vroege Swifterbantvindplaatsen uit het Nederlandse rivierengebied.29 De botresten leverden tot nog toe enkel jachtwild en visresten op.30 Bij het botanische materiaal valt een enkele graankorrel, gedetermineerd als Triticum aestivum, te vermelden.31
Ook voor de Bandkeramiek, waarvoor de sites uitsluitend gekend zijn in contexten met minder goede bewaringsomstandigheden, domineren de vondstcategorieën van lithisch materiaal en aardewerk. Het lithisch materiaal vormde het onderwerp van enkele gespecialiseerde studies.32 33 Het lithisch materiaal wordt gedomineerd door de vuursteenindustrie. De sites uit de Kleine Gete cluster lijken hier een uitzondering op te vormen met een belangrijke productie van werktuigen in andere grondstoffen, zoals Wommersom en ftaniet34 Eindschrabbers maar ook sikkelelementen, spitsen en boren zijn de meest voorkomende werktuigtypes en meestal geproduceerd op klingen. Daarnaast komen dissels, maal- en polijststenen, alle in andere gesteenten dan vuursteen, vaak voor. Het zijn vooral de Bandkeramische spitsen en dissels die voldoende diagnostisch zijn om in het geval van geïsoleerde vondsten buiten nederzettingscontext aan de Bandkeramiek te worden toegeschreven. 35 De dissels vormden reeds verschillende malen het onderwerp van petrografische studies.36 37 Gebruikssporenonderzoek op lithisch materiaal van de Bandkeramiek werd nog niet uitgevoerd op ensembles van binnen Vlaanderen. Ook het aardewerk van de Vlaamse sites vormde slechts beperkt het onderwerp van gedetailleerde studies.38 Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen versierde en onversierde waar. Het onversierde aardewerk is dikwandig en meestal gemagerd met chamotte. De versierde waar is kleiner, dunwandig en fijnkorrelig. Vaak kunnen macroscopisch geen mageringselementen worden geïdentificeerd. De vormen worden gedomineerd door half bolvormige kommen. De versieringen, uitgevoerd met enkelvoudige of meervoudige spatels (kammen) beantwoorden aan een complexe logica. Op basis van de patronen en motieven kan het versierde aardewerk ingepast worden in de seriatie van de Bandkeramiek. De voor Vlaanderen meest toepasselijke seriatie is van de hand van P.J.R. Modderman.39 In Vlaanderen zijn, net als voor de rest van de Bandkeramiek ten westen van de Maas, voornamelijk sites van de jonge Bandkeramiek bekend vanaf Modderman fase II. Onlangs werd echter een site in Riemst gedeeltelijk onderzocht, die voorlopig enkel materiaal uit de oude fase (Bandkeramiek Ib/c) opleverde.40 Organische resten zijn slechts zelden bewaard en enkel in verkoolde vorm. Het verkoolde botanische materiaal, voornamelijk bestaande uit houtskool, werd bovendien slechts in beperkte mate geanalyseerd. Meestal werd het enkel gebruikt voor het bekomen van een 14C-datering. Het verbrande botmateriaal is vaak niet determineerbaar.

6.2.2 Middenneolithicum

Net als voor het vroegneolithicum vormen lithisch materiaal en aardewerk de voornaamste vondstcategorieën. Het lithisch materiaal is dominant op de vele oppervlaktevindplaatsen die aan deze periode worden toegeschreven. Het onderzoek dat op dat materiaal werd uitgevoerd, beperkte zich hoofdzakelijk tot het beschrijven van de typologische samenstelling van de ensembles. Verdere analyse van grondstoffen of gebruikssporen op lithisch materiaal dat in context werd opgegraven is eveneens eerder beperkt, enkele uitzonderingen niet te na gesproken.41 42 In het lithisch materiaal van deze culturele groepen kan meestal een onderscheid worden gemaakt tussen de import van brede klingen en bijlen uit de gespecialiseerde vuursteenexploitatiecentra, en een lokale afslagdebitage op vuursteen van vaak iets mindere kwaliteit. Typische werktuigen zijn grote, massieve eindschrabbers op afslag 43 en afslagbijlen. De pijlpunten zijn meestal bladvormig, hoewel voornamelijk in het westen van Vlaanderen ook pijlsneden voorkomen. Gepolijste bijlen zijn in grote mate geproduceerd op vuursteen, maar vooral in het oosten van Vlaanderen worden ook heel wat hardstenen bijlen teruggevonden. 44 Doorgedreven analyse van de petrografische samenstelling van het stenen materiaal, alsook van gebruikssporen op lithische artefacten bleef tot op vandaag erg beperkt, 45 hoewel het beschikbare materiaal uit opgravingen hier wel enkele kansen biedt. Een enkele studie richtte zich op de schachtingsmogelijkheden van gepolijste bijlen.46
Goede en omvangrijke aardewerkensembles zijn eerder zeldzaam. Meestal bevatten de neolithische sporen enkele, sterk gefragmenteerde stukken aardewerk die enkel op basis van hun technische kenmerken aan de Michelsbergcultuur worden toegeschreven. De analysemogelijkheden voor dit materiaal is dan ook veelal beperkt. Enkel de site in Spiere leverde tot op heden een aardewerkensemble op dat omvangrijk genoemd kan worden, met ca. 350 kg scherven waaruit een honderdtal aardewerkvormen konden worden ineengepuzzeld. Dit materiaal biedt heel wat potentieel voor gedetailleerde petrografische en functionele studies, waarvoor tot op heden slechts een korte aanzet werd gegeven.47 Op het middenneolithisch aardewerk van de sites in Doel en Oudenaarde werd voedselresidu aangetroffen dat aan een gedetailleerde analyse werd onderworpen.48 49 Het middenneolithisch aardewerk is doorgaans gemagerd met een combinatie van grit en plantaardig materiaal. De steenmagering bestaat in het westen van Vlaanderen voornamelijk uit vuursteen, en de Kempen eerder uit kwarts. Dit ruimtelijk onderscheid houdt ongetwijfeld verband met de lokale mogelijkheden.50 De vormenrijkdom is groter dan voor het vroegneolithicum en omvat grote potten met S-vormig profiel of versmalde halsopening en subverticale hals, open kommen met licht geknikt of S-vormig profiel, schalen en aardewerkschijven. De meeste potten zijn onversierd. De weinige versieringen sluiten aan bij de patronen en motieven van andere middenneolithische groepen in het noorden van het Bekken van Parijs, zoals de westelijke Bischheim en Cerny.51
De meeste vindplaatsen van de Michelsbergcultuur / Spieregroep bevinden zich op droge zandleem- en leemgronden die geen goede bewaringsomstandigheden bieden voor niet verkoold organisch materiaal. Enkel in de natte contexten in het rivieralluvium kan op goede bewaringscondities gerekend worden. Een enkele site, in Oudenaarde Donk, leverde dergelijke condities en het bijhorende organische materiaal.52 53 De fauna wordt opmerkelijk gedomineerd door wild, terwijl varken de groep van gedomesticeerde dieren domineert. Helaas kon de site niet onderzocht worden in de best mogelijke omstandigheden, waardoor zeker niet alle mogelijkheden die de site bood geëxploiteerd konden worden. Op de site van Spiere De Hel werd heel wat verkoold en sterk gefragmenteerd botmateriaal aangetroffen; door de grote hoeveelheid kon een nog behoorlijke hoeveelheid gedetermineerd worden naar soort. Het blijkt voornamelijk om resten van varkensbotten te gaan. De gedetailleerde monstername voor botanisch materiaal op dezelfde site leverde een opmerkelijke hoeveelheid aan informatie op, dankzij de in de omheiningsgracht bewaarde fragmenten verbrand en verkoold plantaardig materiaal.54 Het neolithisch aardwerk in Ottenburg is een andere vindplaats waar heel wat fauna werd aangetroffen.55 Aangezien het voornamelijk om oppervlaktemateriaal gaat, is de datering eerder onzeker. Op andere vindplaatsen werd slechts een beperkte hoeveelheid flora- en faunaresten aangetroffen.

6.2.3 Laat- en finaalneolithicum

Sites uit het laat- en finaalneolithicum in Vlaanderen worden eveneens gedomineerd door gelijkaardige bewaringsomstandigheden en de zeldzaamheid van onverkoolde organische resten. Ook hier domineren lithische en ceramische artefacten de vondstenspectra.
De lithische industrie van de Deûle-Escaut groep wordt gekenmerkt door een eerder opportunistische debitage, waarbij een minimale energie-investering in de productie van werktuigen wordt gespendeerd.56 Bij de werktuigen komen vooral getanden en microgetanden voor, alsook eindschrabbers op afslag en fragmenten van gepolijste bijlen. Het lijkt erop dat, net als voor het middenneolithicum, een onderscheid gemaakt kan worden tussen een import van gespecialiseerde producten uit de vuursteenmijnbouwcentra, in het bijzonder gepolijste bijlen maar mogelijk ook klingproducten en een opportunistische lokale debitage. Het aardewerk is weinig versierd en er lijkt een onderscheid te zijn tussen fijne en dikwandige waar, beide gemagerd met voornamelijk chamotte. De bodems zijn dik en vlak, de vormen veelal gesloten. Daarnaast komen ook weefgewichten en spinklosjes voor.57
Het archeologisch materiaal dat in Vlaanderen bekend is voor de Bekerculturen is van een andere orde, doordat dit meestal enkel uit grafcontexten afkomstig is. 58 Het spectrum van het lithisch materiaal is dan ook erg verschillend, met grafgiften zoals spitsklingen of dolken in silex uit Grand-Pressigny, alsook wrijf- of polijststenen. Het aardewerk is vrij diagnostisch, voornamelijk door de typische versiering, en is verschraald met chamotte of kwartsfragmenten. Geïsoleerde vondsten die voldoende diagnostisch zijn voor een toewijzing aan de occupatie in het 3de millennium zijn strijdhamers, dolken in Grand-Pressigny vuursteen, ruitvormige, gesteelde of gevleugelde pijlpunten, hulzen in gewei voor vuurstenen bijltjes en Klokbekeraardewerk. Ten slotte dient de afwezigheid van niet-verkoold organisch materiaal vermeld te worden. Het verkoolde botanische materiaal werd tot nog toe voornamelijk aangewend voor het dateren via de radiokoolstofmethode. Botspectra zijn nog niet samengesteld voor deze periode.

6.2.4 Hiaten

Ten slotte passen nog enkele woorden over geïsoleerde vondsten van artefacten in organisch materiaal die met behulp van 14C-dateringen in het neolithicum gedateerd kunnen worden. Een doorgedreven dateringsproject dateerde aldus heel wat hakken in gewei in perioden die verder eerder als kennishiaten geboekstaafd staan.59 Daarnaast werden op enkele sites dateringen bekomen die momenteel nog niet in verband kunnen gebracht worden met specifieke bewoningssporen en -activiteiten of diagnostische artefacten.60 61 Dit bevestigt dat de kennishiaten wellicht niet corresponderen met echte bewoningshiaten. Het mag gehoopt en verwacht worden dat archeologisch onderzoek in de toekomst in staat zal zijn deze kennishiaten in te vullen.