3.11 Besluit

Het neolithicum kan beschouwd worden als de periode die van start gaat met een van de belangrijkste en meest fundamentele transformaties in de menselijke voorgeschiedenis. Het onderzoek naar deze periode in Vlaanderen komt erg vroeg op gang, vanaf de late 19de en vroege 20ste eeuw, zowel in kringen van geestelijken en notabelen,1 als aan de Koninklijke wetenschappelijke instellingen2 In de loop van de geschiedenis kunnen enkele ogenblikken worden aangeduid wanneer het neolithisch onderzoek een belangrijke impuls kent. Een eerste ogenblik kan gesitueerd worden vanaf de jaren 1950, wanneer de eerste grootschalige nederzetting van de Bandkeramiek in Rosmeer wordt opgegraven door de NDO. Vanzelfsprekend dient deze ontdekking gekaderd te worden in de archeologische activiteit op Belgisch, eerder dan op Vlaams niveau. Desalniettemin betekent deze opgraving de start voor een intensieve prospectiecampagne in Haspengouw en de ontdekking van tal van nieuwe neolithische sites. Daarnaast schenkt S.J. De Laet vanuit de UGent vanaf deze periode eveneens bijzondere aandacht aan het neolithisch onderzoek in Vlaanderen. Een tweede opmerkelijke impuls kent het neolithisch onderzoek vanaf de jaren 1970 en 1980. Oorzaak hiervoor lijkt een samenloop van omstandigheden, met de oprichting en onderzoeksactiviteit van het Laboratorium voor Prehistorie aan de K.U.Leuven, de opgraving3 van de sleutelsite in Oudenaarde Donk en de oprichting van de ‘NFWO’-contactgroep prehistorie. Ongetwijfeld hebben deze elementen ook meegespeeld in het zichtbaar worden van een nieuwe generatie ‘amateurarcheologen’. Sindsdien en na de opdeling van de NDO bij de staatshervorming van de vroege jaren 1990, bleef het neolithicum een belangrijk onderzoeksthema aan de K.U.Leuven en later aan de UGent, terwijl het slechts beperkt aan bod kwam in de activiteit van het IAP en het huidige VIOE.
De veranderingen die de herorganisatie van de Vlaamse administratie in de periode 2003-2005 met zich meebracht, en de de facto toepassing van het Malta-principe in een exponentieel groeiend aantal dossiers, lijkt eveneens voor het neolithisch onderzoek een verandering te betekenen. Ondanks een stijging in het veldwerk blijkt de waarde van het Malta-werk voor de kennisverwerving of –vermeerdering met betrekking tot het neolithicum echter minimaal te zijn. Dit is te wijten aan verschillende oorzaken, waaronder onvoldoende aangepaste terreinmethoden en het gebrek aan expertise dat in de uitvoering wordt ingeschakeld – wat blijkt uit het voorbeeld van het laat- en finaalneolithicum in Zandig Vlaanderen waar kennisvermeerdering wel plaats vond, maar rechtstreeks gerelateerd is aan de activiteit van de UGent. Bovendien lopen neolithische sporen en vondsten bij uitstek een uitermate groot risico om ondergewaardeerd te blijven in een beslissingsproces na een standaard vooronderzoek, zoals ook voorbeelden uit het buitenland aangeven. Een goede opvolging en waardering van neolithische vondsten in dit proces – door het ‘bevoegd gezag’ – is dan ook van groot belang.
Net zoals voor het paleolithicum en mesolithicum kan, ten slotte, gesteld worden dat de werkelijke kennisvermeerdering en de doorstroming hiervan in internationale context enkel mogelijk is bij projecten van voldoende omvang en waarbij voldoende middelen beschikbaar zijn voor een degelijke uitwerking. Hierin is een belangrijke rol te weggelegd voor de onderzoeksgroepen die een specialisatie in het neolithicum uitbouwden.

  • 1. Zoals de West-Vlaamse onderzoekers Ch. baron Gillès de Pelichy en J. Claerhout.
  • 2. KBIN en KMKG.
  • 3. In helaas verre van ideale omstandigheden.