3.1 Inleiding

1 Inleiding

De archeologie van het neolithicum onderzoekt de vroegste landbouwerssamenlevingen in hun toenmalige milieu, op basis van achtergelaten en bewaarde materiële sporen en resten. Het neolithicum kan beschouwd worden als een van de belangrijkste en meest fundamentele transformaties in de menselijke voorgeschiedenis. Een economische omslag ging gepaard met een hele reeks sociale, culturele en ideologische veranderingen. Economisch was de mens niet langer aangewezen op wat de natuur te bieden had; hij slaagde erin plant en dier te domesticeren. Door deze artificiële versie van natuurlijke selectie had een verandering in genotype en fenotype plaats, waardoor populaties van hun wilde voorlopers werden geïsoleerd en afhankelijk werden van de mens voor hun voortplanting. Voor de mens resulteerde dit in een betere controle op de opbrengst van gewassen en huisdieren, een mogelijkheid tot sedentarisatie en opslag van voorraden en een grotere opbrengst per oppervlakte. Het resulteerde ook in bevolkingsgroei die een reeks van ontwikkelingen in gang zette, die uiteindelijk aanleiding gaf tot het ontstaan van steden, schrift en complexere sociale samenlevingsverbanden.

1.1 Afbakening in tijd en ruimte

Het begin van deze periode neemt een aanvang bij de aankomst van de eerste landbouwers, na een millennialange occupatie door de jager-verzamelaars van het paleolithicum en het mesolithicum. De definitie van de periode als economisch fenomeen heeft als belangrijke consequentie dat de aanvang ervan sterk verschilt van regio tot regio. Zo kan de oorsprong van het Europese neolithicum worden gesitueerd in het Nabije Oosten, bij de aanvang van het holoceen. Met een vooreerst aceramische fase neemt het neolithicum aldaar een start met de eerste gedomesticeerde planten en dieren. 1 Andere elementen die met het neolithicum zijn geassocieerd en er vaak mee worden gerelateerd, zoals gepolijste stenen werktuigen, aardewerk en sedentarisatie, kunnen in principe niet op zich als indicatoren worden beschouwd. Toch zullen ook deze elementen samen met de aanvang van het neolithicum in Vlaanderen worden geïntroduceerd.
Ook binnen Vlaanderen gaat het neolithicum, als economisch fenomeen, niet overal op hetzelfde ogenblik van start. Het neolithicum neemt een aanvang rond 5250 v.Chr.2 met de eerste sporen van de Bandkeramiek in de leemstreek. In de zandstreek, waar de meeste gekende mesolithische sites zijn gesitueerd, loopt het mesolithicum door tot in het 5de millennium v.Chr.3

 Chronologie van het neolithicum in Vlaanderen Figuur 1: Chronologie van het neolithicum in Vlaanderen 4

In Vlaanderen worden binnen het neolithicum vier perioden onderscheiden: het vroeg-, midden-, laat- en finaalneolithicum. Een belangrijk verschil met de voorgaande periode van het mesolithicum, is dat er binnen de fasen van het neolithicum nog een extra onderscheid gemaakt kan worden tussen culturele groepen. Het voorkomen van deze groepen is veelal gelieerd aan een deel van een bepaalde neolithische fase.
De Swifterbantcultuur neemt in de neolithisatieproblematiek een aparte plaats in. Op basis van de vondsten uit Nederland weten we dat terwijl de vroege Swifterbant in feite een aardewerk producerend en gebruikend mesolithicum is, deze cultuur in de loop van haar bestaan op gezette tijden neolithische elementen heeft overgenomen, met als voornaamste het gebruik van gedomesticeerde planten en dieren. Aldus kan het begin van de Swifterbant als finaalmesolithicum worden aangeduid, terwijl de latere Swifterbant bij het vroegneolithicum kan worden ingedeeld. Gezien deze bijzondere positie wordt de Swifterbantcultuur in dit hoofdstuk mee in beschouwing genomen, ook al werden op Vlaamse Swifterbantsites nog geen duidelijke aanwijzingen gevonden van het gebruik van gedomesticeerde planten en dieren als belangrijk onderdeel van de voedseleconomie.
Na het verdwijnen van de Bandkeramiek uit de leemstreek, en aansluitend de Groep van Blicquy waarvoor een enkele site in Vlaanderen is gekend, volgt een periode van een half millennium waarvoor geen sites zijn gekend. Slechts enkele losse vondsten kunnen in deze periode worden gedateerd, terwijl verder naar het zuiden de Groep van Cerny en in het Duitse Rijnland de Rössencultuur voorkomen. In Vlaanderen is het echter wachten tot rond 4300 v.Chr. eer opnieuw duidelijke resten van een neolithische occupatie gekend zijn: het middenneolithicum start er met de nederzettingen van de Michelsbergcultuur en de ‘Groep van Spiere’. Die laatste, een aparte groep binnen het middenneolithicum, situeert zich zowel geografisch als stilistisch in de overgangszone tussen Michelsbergcultuur en het noordelijke Chasseaan 5 en werd slechts een klein decennium geleden gedefinieerd op basis van het onderzoek van het aardwerk in Spiere. 6
Goed gedateerde sites uit het late 5de millennium zijn enkel beschikbaar voor de leemgebieden, maar na 4000 v.Chr. zijn ook sites gekend uit de dekzandgebieden en de Scheldevallei. Na 3850 v.Chr. zijn echter geen dateringen meer beschikbaar voor middenneolithische sites en start een nieuw kennishiaat, dat voorlopig enkel wordt ingevuld door radiometrische dateringen op geïsoleerde vondsten en enkele schervenensembles in de oostelijke Kempen die aan de Hazendonkgroep kunnen worden toegeschreven. In Vlaanderen duurt het hiaat verder tot het begin van het derde millennium, wanneer met de Deûle-Escaut groep en de Enkelgrafcultuur opnieuw sites zijn gekend. Gezien de link tussen de Enkelgrafcultuur 7 en het latere Klokbekerfenomeen uit de tweede helft van het derde millennium v.Chr., wordt er in Vlaanderen gekozen om dit hele millennium als ‘finaalneolithicum’ aan te duiden. Het is duidelijk verschillend van de vroege landbouwerssamenlevingen van het vroeg- en middenneolithicum.
Een scharniermoment in het neolithicum kan rond 3000 v.Chr. worden geplaatst en wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke economische ontwikkelingen die Sherratt 8 onder de term ‘secondary products revolution’ onderbracht. Het gaat om het voorkomen van ploegsporen, het wiel, wolproductie enzovoort al zijn hiervan in Vlaanderen geen goed gedateerde vroege aanwijzingen voor beschikbaar. Daarnaast werd wellicht geleidelijk het gebruik van metalen voorwerpen geïntroduceerd.
Het einde van het neolithicum sluit in principe aan op het begin van de vroege bronstijd, op het moment dat stenen door metalen werktuigen worden vervangen. Het beperkte databestand, zowel voor het finaalneolithicum als voor de vroege bronstijd, het doorlopen van het gebruik van stenen werktuigen en het ontbreken van metalen voorwerpen op de eerste bronstijdsites bemoeilijkt het aanduiden van een grens tussen beide. Toch wordt algemeen aanvaard dat deze overgang op 2100/2000 v.Chr. gesitueerd dient te worden,9 met het zogenaamde wikkeldraadaardewerk, de laatste fase van de bekerculturen. Er dient enige nuancering te worden aangebracht bij het belang van deze grens. De vroege bronstijd lijkt in vele opzichten een voortzetting te zijn van de ontwikkelingen die het late neolithicum kenmerken. De problematiek van de archeologie van het laat- en finaalneolithicum sluit dan ook goed aan bij die van de vroege bronstijd. In het recente overzichtswerk dat voor de Nederlandse prehistorie werd opgesteld, werden de ontwikkelingen tussen ca. 2900 en 1100 v.Chr. 10 dan ook geïntegreerd behandeld in het deel over ‘boeren met gemengd bedrijf.’11 12

1.2 Historiek van het neolithisch onderzoek in Vlaanderen

Het neolithisch onderzoek in Vlaanderen begint in de late 19de eeuw. Dit overzicht van de historiek van het onderzoek vertrekt dan ook vanuit de toenmalige Belgische, nationale realiteit. Voortbouwend op de ontdekking van de neolithische vuursteenmijnen in Spiennes in de jaren 184013 nemen het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) 14 vanaf het einde van de 19de eeuw het voortouw in het onderzoek met de prospectie en opgravingen van heel wat ‘stations néolithiques’. Oorspronkelijk was het onderzoek voornamelijk gericht op de culturele context van het neolithicum in de Belgische leemstreek. Er werd al vlug een onderscheid gemaakt tussen een Campignien en een Robenhausien lithische industrie, op basis van enkele stratigrafische waarnemingen in Spiennes door De Pauw en Van Overloop. 15 Aardewerkfragmenten werden gelinkt aan de tweede van deze industrieën en werden eerst ondergebracht bij het fenomeen dat toen als het ‘Westelijke Neolithicum’ werd aangeduid. 16 Enkele jaren later legde Bersu 17 het stilistische verband tussen het aardewerk dat in Bosvoorde en Spiennes was aangetroffen en dat van aardewerkensembles uit het Rijnland die aan de Michelsbergcultuur waren toegeschreven. Ook enkele geïsoleerde vondsten in het gebied van de Beneden Schelde in Antwerpen en Zwijndrecht konden aan deze traditie worden gelinkt.
In West-Vlaanderen komt het neolithisch onderzoek op gang door autodidacten Ch. baron Gillès de Pelichy en J. Claerhout. 18 19 Claerhout was een geestelijke die tot dan voornamelijk op taalkundig gebied actief was, onder meer in een dichte vriendschap met Guido Gezelle. Hij werd lid van de toenmalige archeologische kringen, onder meer van de Société d’Anthropologie de Bruxelles en de opgravingscommissie van de Société d’Archéologie de Bruxelles. In die hoedanigheid voerde hij veldwerk uit in West- en Oost-Vlaanderen, voornamelijk gericht op de prehistorie met onder meer de opgravingen van het zogenaamde moerasdorp in Dentergem, waar naast resten uit de brons- en ijzertijd ook heel wat neolithische vondsten worden geregistreerd.
Eveneens op het einde van de 19de eeuw, vanaf 1888, start Marcel De Puydt van het Luiks archeologisch instituut met een reeks opgravingen van een neolithische vuursteenbewerkingsplaats in Rullen 20 en zogenaamde hutkommen 21 van de Bandkeramiek in voornamelijk Luiks Haspengouw. De vondsten worden door Rutot22 ondergebracht onder de term Omalien, naar de vindplaats Omal in westelijk Haspengouw. Het aantal vondsten in België steeg gestaag, voornamelijk onder impuls van onderzoekers als J. Hamal-Nandrin en J. Servais van de Universiteit Luik en A. baron de Loë (KMKG). Ook in het toen nog Zuid-Limburgse Bitsingen (Bassenge) 23 werden enkele sites aangetroffen.24 25
Op de eerste vondst van een Bandkeramische site in het huidige Vlaanderen was het wachten tot de vroege jaren 1950. Op zoek naar het restant van een Romeinse villa, ontdekte Heli Roosens in 1952 resten van een Bandkeramische nederzetting op de Staberg in Rosmeer. Aangespoord door het toenmalige hoofd van de Dienst voor Opgravingen, Jacques Breuer, zette Heli Roosens het archeologisch onderzoek op de Staberg tot 1960 voort. 26 Het leverde de eerste bandkeramische gebouwplattegronden van het land op. Dit onderzoek bevestigde dat ook ten westen van de Rijn de mensen van de Bandkeramiek in rechthoekige huizen leefden, en niet in hutkommen zoals eerder gedacht. Min of meer aansluitend op de opgravingen van de Staberg ondernam H. Roosens samen met G. Beex een opgraving op de zogenaamde drieperiodengrafheuvel in Mol, 27 tot vandaag een van de belangrijkste finaalneolithische sites van Vlaanderen.
Mede gestimuleerd door de opgravingen in Rosmeer, werden in de daaropvolgende twee decennia heel wat prospecties georganiseerd met het oog op het verder in kaart brengen van de Bandkeramische occupatie van het gebied. Het prospectiewerk van onder meer G.V. Lux en N. Peuskens levert een twintigtal nieuwe sites op, met name in de huidige gemeenten Bilzen en Riemst. 28 Vaak werden de prospecties gevolgd en gesteund door de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO), die op enkele van de pas ontdekte sites kleine sonderingen uitvoert ter bevestiging van de waarnemingen. Andere opgravingen werden uitgevoerd door René Seret 29 in Hoeselt en Rijckhoven, door N. Peuskens en D. Tilkin in Vroenhoven en Zichen-Zussen-Bolder en door het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren in Vlijtingen ‘Kayberg.’30 Ook elders in België werd het archeologisch databestand voor het neolithicum tijdens de jaren 1960 en 1970 gevoelig uitgebreid, met in Vlaanderen onder meer de opgravingen van de middenneolithische site op de Kemmelberg 31 en van een klokbekergraf in Kruishoutem ‘Wijkhuis.’ 32
Vanaf de toewijzing van het middenneolithisch aardewerk aan de Michelsbergcultuur door Bersu, werden ook de nieuwe vondsten van middenneolithisch aardewerk aan deze cultuur toegewezen.33 34 35 36 Het bracht Scollar 37 op het einde van de jaren 1950 zelfs tot het onderscheiden van een Belgische groep in zijn supraregionale overzicht van deze cultuur. De tot dan toe bekende sites werden eveneens opgenomen in de seriatie die Lüning 38 in de jaren 1960 voor deze voornamelijk in het Rijnland bekende cultuur ontwierp. De toewijzingen aan de Michelsbergcultuur waren steeds gebaseerd op stilistische en deels ook op technische kenmerken van het aardewerk. Nieuwe data die tijdens de jaren 1960 en 1970 werden verkregen, bleken echter voornamelijk een verschil met het Rijnland aan te geven. Zoals Scollar reeds had aangegeven in 1959, vertoonde het Michelsbergaardewerk van de Belgische groep duidelijke gelijkenissen met het aardewerk dat in Noord-Frankrijk aan het noordelijk Chasseaan werd toegeschreven. 39 40
Lithische ensembles met resten van gepolijste bijlen die niet geassocieerd waren met aardewerkvondsten werden dan ook niet aan de Michelsbergcultuur toegeschreven maar aan wat bekend werd onder de term ‘secundaire neolithische culturen’. Deze nazaten van de lokale jager-verzamelaars zouden gelijktijdig met de Michelsbergcultuur in de regio aanwezig zijn geweest en artefacten met deze ‘primaire’ neolithische cultuur hebben uitgewisseld. 41 42 Dezelfde ideeën lagen aan de grondslag bij de toewijzing van lithische oppervlakte-ensembles aan een ‘secundair Neolithicum’ of een ‘Neolithiserend Mesolithicum’ tot in de jaren 1990. 43 44 45 46 47 48 49
Vanaf de jaren 1970 speelt ook het Laboratorium voor Prehistorie van de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) een belangrijke rol in het neolithisch onderzoek in Vlaanderen. Deels wordt dit gevoerd door het verwerken en herwaarderen van oude collecties uit opgravingen of prospecties. 50 51 52 53 54 Een aantal studies richt zich op het fenomeen van de gepolijste bijl, een van de meest herkenbare neolithische werktuigen. 55 56 57 58 Na de opgravingen in Thieusies (Henegouwen)59 start P.M. Vermeersch echter ook met nieuw veldwerk in Vlaanderen. Een deel van dit veldwerk is gericht op de Bandkeramische occupatie van Haspengouw, met onder meer Lanaken Briegdendok 60 en later ook in Herderen. 61 In diezelfde periode identificeert Marc Lodewijckx van dezelfde instelling een nieuw cluster van Bandkeramische sites in het gebied van de Kleine Gete in Brabants Haspengouw, 62 63 buiten het tot dusver gekende verspreidingsgebied van de Bandkeramiek en een kleine tien jaar na de identificatie van ook al een nieuwe nederzettingscluster in het gebied van de boven Dender in Henegouwen. 64 Tot nog toe omvat deze kleine cluster een drietal sites in Wange en Overhespen die halfweg de jaren 1980 werden onderzocht door middel van enkele opgravingscampagnes. Nieuw veldwerk wordt eveneens gericht op de middenneolihtische occupatie elders in het leemgebied, met onder meer de opgravingen van de sites in Dilsen, 65 Meeuwen 66 en Schorisse. 67 In deze periode worden ook de sites in Geistingen 68 en de vuursteenontginningsplaats in Sint-Pieters-Voeren 69 70 ontdekt en onderzocht.
De ontdekking van een gebouwplattegrond van de Michelsbergcultuur in Kruishoutem71 – wat later een vervalsing bleek te zijn72 – en de noodopgravingen van de mesolithische en neolithische sites te Oudenaarde ‘Donk’ gaven een nieuwe impuls aan het prospectieonderzoek in Zuid-Oost-Vlaanderen. In de (zand)leemstreek van de Vlaamse Ardennen werd in de tweede helft van de jaren 1980 een project opgestart met het oog op de gedetailleerde verwerking van prospectievondsten en de aanvulling ervan met nieuwe verkennende opgravingen van enkele Michelsbergsites, onder meer op de Muziekberg in Wortegem-Petegem en in Saint-Sauveur. 73 Ten slotte is ook de opgraving van de middenneolithische site op de Kemmelberg in deze periode te situeren. 74
Ondanks het groot aantal onderzoeken bleef de kwaliteit van de data voor het middenneolithicum vrij beperkt. Meestal betreft het grote oppervlakte ensembles of opgravingen van beperkte omvang waarbij een beperkte hoeveelheid vondsten wordt aangetroffen in aardwerken of geïsoleerde sporen.
In de jaren 1990 vervolgt het Laboratorium voor Prehistorie zijn activiteit in het neolithisch onderzoek in de persoon van Jean-Paul Caspar. 75 76 en met enkele opgravingen in Assent 77 en Spiere. 78 Deze laatste zullen bepalend blijken voor het verdere onderzoek naar het middenneolithicum in het Scheldebekken. Hoewel slechts een kleine oppervlakte werd opgegraven, leverden de opgravingen heel wat nieuwe informatie op over de ceramische en lithische productie alsook over de voedselvoorziening en het milieu tijdens het middenneolithicum. Dankzij de omvang van het ensemble, met wat betreft potvormen nog steeds het grootste middenneolithische ensemble van België, kon voor het eerst een samenhangend beeld worden verkregen van de stilistische kenmerken van wat de Belgische groep van de Michelsbergcultuur zou zijn. De verwerking van de gegevens gaf aanleiding tot de creatie van een nieuwe stilistische groep, de zogenaamde ‘groep van Spiere’, op het raakpunt van de Michelsbergcultuur en het noordelijke Chasseaan. 79
Kort na de eeuwwisseling zagen twee overzichtswerken het licht voor het vroeg- en middenneolithicum in België, telkens in het kader van een doctoraatsonderzoek. 80 81 Op datzelfde ogenblik werd ook het neolithisch onderzoek in Zandig Vlaanderen en de aangrenzende polderstreek opgestart. Directe aanleiding waren de ontdekkingen tussen 2000 en 2003 van een drietal Swifterbantsites en een Michelsbergvindplaats in het Deurganckdok in Doel 82 en van een finaalneolithische huisplattegrond in Waardamme ‘Vijvers’. 83 Deze vondsten vormen het vertrekpunt van nieuw opgestart onderzoek aan de Universiteit Gent (UGent) gericht op het neolithicum en de neolithisatie. Tussendoor werd aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) een project uitgevoerd dat gericht was op het evalueren van de bewaringstoestand van neolithische sites in functie van de erosieproblematiek. 84
Het neolithisch onderzoek van de laatste vijf jaar was zowel gericht op syntheseonderzoek als op nieuw veldwerk. Nieuw veldwerk vond voornamelijk plaats in Malta-context – aangevuld met enkele geprogrammeerde opgravingen vanuit de UGent in het kader van een lopend FWO-project–, met als opmerkelijkste bijdrage een aantal laat- en finaalneolithische sites in Zandig Vlaanderen. 85 Voor het synthesewerk dient, naast de publicatie van de nieuwe inzichten uit het begin van de jaren 2000 omtrent de neolithisatie en de neolithische occupatie van Zandig Vlaanderen, ook het vanuit Nederland gevoerde ‘Oogst van Malta’ project vermeld te worden, 86 waarvoor de eindpublicatie in de nabije toekomst wordt verwacht.

1.3 Overzicht actuele onderzoekers

Net zoals bij het onderzoek van het paleolithicum en het mesolithicum is ook voor het neolithicum min of meer een geografische en deels ook chronologische scheiding waar te nemen in het onderzoeksgebied van de belangrijkste wetenschappelijke instellingen.
Onderzoek naar het vroegneolithicum en de overgang van (laat)mesolithicum en neolithicum wordt voor Zandig Vlaanderen uitgevoerd onder leiding van Philippe Crombé aan de Onderzoekseenheid Prehistorie en Protohistorie van de UGent. In dit kader valt het lopende FWO-onderzoek te vermelden dat door Joris Sergant wordt uitgevoerd naar de impact van het neolithicum in de Vlaamse zandstreek (2008-2011). Doel van dit project is het karakteriseren van de neolithische occupatie in een gebied waarvoor voorlopig niet erg veel gegevens voorhanden zijn en dit met het oog op het identificeren van de neolithische nederzettingssystemen en landgebruik. Het neolithicum vormt ook een onderdeel in het ruimer opgevatte project omtrent prehistorische en protohistorische nederzetting- en landgebruikssystemen in Zandig Vlaanderen dat aan dezelfde onderzoeksinstelling wordt uitgevoerd door Machteld Bats en de periode tussen het laatglaciaal tot aan de Romeinse periode behelst. De neolithisatieproblematiek vormde ook een onderdeel van het doctoraatsonderzoek van Erick Robinson 87 dat in nauwe samenwerking met de Gentse universiteit werd uitgevoerd en momenteel wordt afgerond. Zijn huidige onderzoeksproject, vanuit de UGent, is gericht op grondstofnetwerken en de evolutie van lithische technologie tijdens het mesolithicum, met bijzondere aandacht voor het kwartsiet van Wommersom en Tienen. Tevens bestaat er een samenwerkingsverband tussen de UGent en Paris X-Nanterre,88 specifiek rond de lithische technologie in laat/finaalmesolithische en vroegneolithische tradities. Het ‘foodcrust project’ in samenwerking met Mark Van Strydonck 89 behandelt dan weer de problematiek van het dateren van voedselresidu op Swifterbantaardewerk.
Aan de K.U.Leuven vormt het vroeg- en middenneolithicum, met inbegrip van de overgangsperiode tussen mesolithicum en neolithicum het onderwerp van het voorbije en lopende onderzoek van Bart Vanmontfort. Dit onderzoek is voornamelijk gericht op het neolithicum in de leemstreek, met occasioneel een uitbreiding naar de Kempen. Tot 2008 was hij ingeschakeld in een grootschalig ‘Oogst van Malta’ project dat vanuit Nederland werd gevoerd rond de neolithisatieproblematiek. Momenteel is hij ook verbonden aan de universiteit Paris X-Nanterre, als lid van een Frans-Duits onderzoeksproject naar het ontstaan van sociale complexiteit in het middenneolithicum.
Aan het VIOE komt het onderzoek naar het neolithicum occasioneel aan bod in het kader van vondstmeldingen. 90 Daarnaast vormt het neolithicum ook een onderdeel van het prospectie- en evaluatieonderzoek in de Scheldevallei in het kader van het Sigmaplan. 91
Vanuit de andere (federale) wetenschappelijke instellingen wordt momenteel geen neolithisch onderzoek meer gevoerd in Vlaanderen. Voorlopig is er ook nauwelijks actieve expertise in neolithisch onderzoek in de (inter)gemeentelijke, stedelijke of provinciale archeologische diensten en in de zich ontwikkelende commerciële archeologie in Vlaanderen. De hierboven vermelde onderzoekers van met name de UGent 92 en de K.U.Leuven 93 zijn momenteel dan ook de aanspreekpunten voor advies en ondersteuning bij neolithisch onderzoek in Vlaanderen.