3.8 Balans van methodologisch werk

Hoofdzakelijk door de aard van het vondstenmateriaal, de bewaringsomstandigheden en de schaal en omstandigheden van het onderzoek, volgde het neolithisch onderzoek in Vlaanderen in grote mate de methodologische ontwikkelingen in internationale context, eerder dan dat het een trendsetter zou zijn geweest. Lange tijd leek Vlaanderen immers aan de periferie gelegen van de belangrijke ontwikkelingen die tijdens het neolithicum plaats vonden: de aankomst van het neolithicum in de leemstreek, met de belangrijkste sites in Luiks Haspengouw en later ook in Henegouwen, een zeer beperkte connectie met de inheemse neolithisatieprocessen in Nederland en Scandinavië, de aankomst van de Michelsbergcultuur en het ontstaan van de vuursteenmijnbouw waarvoor opnieuw de belangrijkste sites in het zuiden van het land gelegen waren en de Seine-Oise-Marnecultuur die in Vlaanderen enkel via geïsoleerde (bagger)vondsten gekend was. Enkel voor het finaalneolithicum was Vlaanderen beter gedocumenteerd met de drieperiodengrafheuvel in Mol en het klokbekergraf in Kruishoutem Wijkhuis. Pas sinds een tweetal decennia groeit het belang van de Vlaamse neolithische sites in internationale context, en verantwoordt het databestand de inzet en op termijn de ontwikkeling van een nieuwe methodologie.

Absolute dateringen worden meestal toegepast, wanneer de geschikte monsters beschikbaar zijn. Terwijl in het verleden vaak houtskoolmonsters werden gedateerd zonder verdere evaluatie, is er de laatste decennia meer aandacht voor de context van datering, de associatie met het te dateren fenomeen, en de evaluatie van het monster waarbij verstorende effecten zoals het oud hout en reservoir-effect worden vermeden.1 2 3 Het totaal aantal betrouwbare radiometrische dateringen beschikbaar voor het neolithicum in Vlaanderen is evenwel vooralsnog eerder beperkt.

GIS-toepassingen worden vaak aangewend, doch een echte (statistische) ruimtelijke analyse van sites en landschappen bleef vooralsnog uit. Wel kunnen we hier verwijzen naar een vroege toepassing van Lidar-technologie4 in het evalueren van de neolithische site in Ottenburg onder meer met betrekking tot de erosieproblematiek.5 Verder bleven de ruimtelijke toepassingen veelal beperkt tot een analyse van de verspreiding van vondsten op intrasite niveau6 7 of op regionaal niveau8

Met betrekking tot het lithisch materiaal overheerste in het algemeen descriptief typologisch werk van neolithische vondstcomplexen, vaak oppervlaktevindplaatsen. Technologische aspecten worden slechts beperkt behandeld.9 Verder dient de voorlopig erg beperkte toepassing van gebruikssporenonderzoek op Vlaamse sites te worden vermeld. Systematisch gebruikssporenonderzoek op neolithische sites bleef beperkt tot licentiaatsverhandelingen.10 11 12 Wel werkten onderzoekers verbonden aan de K.U.Leuven op de – beter gedocumenteerde – sites uit het zuiden van het land.13 14 15 De laatste jaren werkte Valérie Beugnier in samenwerking met de UGent op enkele mesolithische en neolithische contexten uit Vlaanderen.16 17 Naast Valérie Beugnier is binnen Vlaanderen enkel nog Veerle Rots (K.U.Leuven) actief in het gebruikssporenonderzoek. Zij richt zich echter eerder op materiaal en problematiek van het paleolithicum in de Oude wereld. Andere recente ontwikkelingen met betrekking tot onder meer residu-analyse op lithisch materiaal komen voorlopig nog niet aan bod in het Vlaamse onderzoek.
Ook bij aardewerkstudies bleef de focus lange tijd beperkt tot descriptieve bijdragen waarin de morfologische en technische kenmerken van het aardewerk werden beschreven. De omvang van de vondstcomplexen en hun stratigrafische context liet meestal niet toe over te gaan op het uitvoeren van seriaties of andere statistische verwerkingen van het aardewerk. Pas recenter worden ook andere methoden ingezet die de bijkomende informatiewaarde van aardewerk exploiteren. Analyse van voedselresten op en in aardewerk werd totnogtoe beperkt uitgevoerd, al komt daar sinds de laatste jaren verandering in. Slechts een eerste aanzet van een dergelijke analyse werd uitgevoerd op het materiaal uit Spiere18 19 en later ook van enkele andere neolithische sites.20 21 De laatste jaren wordt de methode ook vaker toegepast door onderzoekers van het KIK (M. Boudin), vaak in nauw verband met de dateringsproblematiek.22

Met betrekking tot de prospectie naar neolithische sites werd geen methodologisch werk uitgevoerd. Wel kon het neolithisch onderzoek mee profiteren van de ontwikkeling van boormethodes voor de prospectie naar mesolithische sites in alluviale context.23 Niet enkel Swifterbantsites komen hierbij aan het licht, maar ook sites daterend uit het volle neolithicum.24 25 26