3.7 Balans van onderzoeksvragen en interpretaties

Net zoals voor de voorgaande steentijdperioden, maar eveneens voor de latere perioden, domineerde een eerder descriptieve uitwerking van een cultuurhistorische vraagstelling lange tijd het archeologisch onderzoek van het neolithicum.1 2 Ook recentere literatuur is vaak beperkt tot vondstmeldingen of het voorstellen van de onderzoeksgegevens van individuele sites. Deze beperkte invalshoek kan zeker ten dele verklaard worden door de vaak beperkte informatiewaarde van het onderzoek, met betrekking tot omvang, bewaringsomstandigheden voor stratigrafische informatie of voor niet-verkoold organisch materiaal. Deels, en in het bijzonder in combinatie met de chronologische problematiek en het voorkomen van belangrijke lacunes in onze kennis over het neolithicum in Vlaanderen, is een dergelijke vraagstelling overigens nog steeds relevant voor het onderzoek, zij het iets minder descriptief.3 4 5
Regionale variatie en etniciteit kwamen vrij vroeg aan bod en bleven in feite tot op vandaag vrij actueel.6 7 8 9 10 11 12 13 14 Ook de neolithisatieproblematiek komt in Vlaanderen reeds geruime tijd aan bod.15 Het laatste halve decennium is echter een duidelijke groei merkbaar in de aandacht voor deze problematiek, zowel met betrekking tot de overgang van jager-verzamelaars naar een landbouwersbestaan, als tot de contacten tussen jager-verzamelaars en vroege landbouwers.16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 Populatieprocessen komen voor het neolithicum slechts zelden of indirect aan bod,30 evenmin als mobiliteit en gebruik van het landschap in het neolithicum, nederzettingsdynamiek en –organisatie.31 32 33 De oorzaak hiervoor is hoofdzakelijk het ontbreken van een rijk databestand.
Meer aandacht is doorgaans gericht op thema’s die betrekking hebben op de mobiele archaeologica. Terwijl aandacht hiervoor in het verleden hoofdzakelijk een typologische benadering omvatte,34 35 36 groeit de aandacht het laatste decennium voor technologische benaderingen en functionele studies,37 38 39 voor aardewerk studies en voor het lithisch materiaal 40 41 42 43 44 Onderzoeksvragen rond voedselvoorziening en –consumptie komen slechts beperkt aan bod wegens het ontbreken van goede databestanden. Waar mogelijk wordt hier evenwel aandacht aan besteed.45 46 47 48 49 50 51 52 Hetzelfde geldt voor studies rond het natuurlijk milieu en de impact van de mens daarop.53 54 55
Ten slotte komen ook beheersaspecten aan bod, met betrekking tot tafonomie en bewaringstoestand van neolithische sites sporadisch.56