3.10 Perspectieven

Het archeologisch onderzoek kent sinds het laatste halve decennium belangrijke veranderingen die gerelateerd zijn met de groeiende toepassing van het veroorzakersprincipe door de bevoegde administratie. Dit zogenaamde ‘Malta’-onderzoek is verantwoordelijk voor de exponentiële stijging van archeologisch onderzoek in Vlaanderen, en dit geldt eveneens voor het neolithisch onderzoek. Met name voor dat neolithisch onderzoek, maar iets ruimer voor de hele inschakeling van de Malta-archeologie in het steentijdonderzoek, gaat dit proces echter gepaard met enkele belangrijke uitdagingen.
Vooreerst blijkt de schaal van het terreinwerk naar het neolithicum in Vlaanderen veelal beperkt, net als de bereikte kennisverwerving of -vermeerdering. De bijdrage van het Malta-onderzoek van de laatste 5 jaar is immers hoofdzakelijk beperkt tot het toevoegen van ‘stippen op de kaart’, eerder dan dat het ons beeld op het neolithicum aanscherpt. Dit lijkt in belangrijke mate verband te houden met het ontbreken van aangepaste terreinmethodes en aandacht in het beslissingsproces. Bredere proefsleuven en nauwgezet opschaven van vlakken kunnen hier deels aan verhelpen, gekoppeld aan het correct inschatten van de waarde van neolithische vondsten. Hierbij kan gesteld worden dat sporen uit verschillende perioden in een beslissingsproces na het vooronderzoek niet op gelijke voet behandeld mogen worden, aangezien zij zich op verschillende manieren voordoen. Dit betekent vanzelfsprekend een complicering van het beslissingsproces. We kunnen in dit kader verwijzen naar de situatie in Noord-Frankrijk, waar na jaren van grootschalig prospectieonderzoek in de preventieve archeologie gerealiseerd wordt dat voor het neolithicum aangepaste terreinmethodes noodzakelijk zijn en dat ook geïsoleerde sporen in een standaard proefsleuvenonderzoek steeds aanleiding dienen te geven tot een vervolgtraject. Dit heeft onder meer te maken met de problemen van spoorherkenning en geringe spoordensiteit voor sites uit het midden- en laatneolithicum. Wellicht wordt ook in Vlaanderen het probleem van spoorherkenning onderschat. Het betrekken van specialisten in het beslissingsproces zou hier een oplossing kunnen zijn.
De neolithische expertise is bij het gros van de uitvoerders van Malta-onderzoek erg beperkt. Gelukkig schatten de meeste uitvoerders dit ook zo in en blijkt er in de praktijk een gezonde reflex te bestaan om specialisten, op vrijwillige basis, te betrekken bij het onderzoek. Projecten waar neolithische sporen en resten worden aangetroffen, blijken enkel in deze condities een meerwaarde te krijgen, waaruit het belang van de expertise bij de wetenschappelijke instellingen blijkt. Helaas gebeurt dit meestal ad hoc en na de planning van het onderzoek of de opgraving en blijft het vaak beperkt tot de determinatie van vondsten. Een systematische inpassing van specialisten in het onderzoek, via de uitvoerders of in een vorm van trajectbegeleiding lijkt dan ook noodzakelijk.
Op één enkel punt lijkt het Malta-onderzoek wel een belangrijke bijdrage te hebben geleverd voor het beeld van het neolithicum in Vlaanderen. Een deel van het onderzoek van de laatste jaren in Zandig Vlaanderen, dat het beeld van een onbekend gebied kon bijstellen voor alvast het laat- en finaalneolithicum,1 werd in Malta-context uitgevoerd. Dit onderzoek vormt eveneens een uitzondering daar het deel uitmaakt van een lopend onderzoeksproject dat aan de UGent wordt gevoerd. Deze instelling was in een belangrijk aantal gevallen ook de uitvoerder van het Malta-onderzoek, of tenminste als adviserende partij betrokken. Dankzij deze activiteit staat het laat- en finaalneolithicum opnieuw prominenter op de radar in Zandig Vlaanderen en verwacht wordt dat dit aanleiding zal geven tot het naar waarde schatten van heel wat nieuwe gegevens in de nabije toekomst. Dit toont aan dat de waarde van de Malta-archeologie voor het neolithisch onderzoek sterk afhankelijk is van de activiteit van de wetenschappelijke instellingen. Het is dan ook van belang dat deze onderzoeksgroepen ook in de toekomst blijvend kunnen investeren in neolithisch onderzoek en aldus hun expertise kunnen behouden en uitbouwen. De activiteit en betrokkenheid van deze onderzoeksgroepen in Malta-context lijkt hiervoor momenteel een belangrijke impuls te zijn.
Het belang van de actieve onderzoeksgroepen speelt bovendien ook voor het post-excavation traject. Het zijn deze groepen van wie een bijdrage mag verwacht worden aan de beperkingen van de Vlaamse (neolithische) archeologie met betrekking tot internationale impact, methodologische en theoretische ontwikkelingen.