3.2 Balans van het terreinwerk

2.1 Overzicht van toevalsvondsten, prospectievondsten, opgravingen

2.1.1 Toevalsvondsten

Toevalsvondsten zijn archeologische sporen en voorwerpen die werden aangetroffen buiten de context van een archeologisch onderzoek in de vorm van een prospectie of opgraving. De moeilijke herkenbaarheid van materiaal uit het neolithicum voor niet-specialisten zorgt dat, net als voor de andere perioden van de prehistorie,1 het aantal toevalsvondsten vrij beperkt is. Een van de belangrijke uitzonderingen hierop vormt de vondstcategorie van de gepolijste bijlen.

2.1.2 Prospectievondsten

Heel wat neolithische sites werden ontdekt via prospectievondsten. Voor een groot deel hiervan werden de prospecties uitgevoerd door amateurarcheologen, die meestal regionaal actief waren. Zo werden in de vroege 20ste eeuw tot de jaren 1970 in de Vlaamse Ardennen heel wat prospecties uitgevoerd door onder meer Cambier, Delvaux, Verbecelte en Deconinck, 2 in het Hageland door onder meer Bols, Boschmans, Claes, Gilson en Scheys 3 4 en in Haspengouw door onder meer Jadoulle, Lux en Peuskens.5
De jaren 1980 zijn verantwoordelijk voor een nieuwe generatie amateurarcheologen en de ontdekking van heel wat nieuwe sites6 Net zoals voor andere perioden, reflecteert de spreidingskaart van sites deels de activiteitsgebieden van deze prospecteurs.
Vanaf de jaren 1980 werden heel wat van deze collecties geïnventariseerd in het kader van licentiaatsverhandelingen, met als onderwerp de verwerking en evaluatie van specifieke (grote) oppervlaktesites7 8 of de verwerking en evaluatie van oppervlaktevondsten uit een specifieke regio.9 10 11 12 Ook het inventarisatieproject ‘Archeologische Inventaris Vlaanderen’ dat in 1978 in Gent werd opgestart onder impuls van wijlen J. Nenquin kan eveneens in dit kader worden geplaatst.13 Door de grote hoeveelheid nieuwe sites en vondsten bleef de inventarisatie en verwerking van oppervlaktevindplaatsen niet beperkt tot studies in het kader van licentiaatsverhandelingen. Ook tal van andere inventarisaties aan wetenschappelijke instellingen of samenwerkingen tussen amateurarcheologen en beroepsarcheologen werden opgestart, opnieuw met betrekking tot zowel individuele vondstlocaties14 15 16 als ruimere regionale inventarisatieprojecten.17
Recente systematische prospectiecampagnes naar de neolithische occupatie van een bepaald gebied uitgevoerd door wetenschappelijke instellingen zijn erg schaars. Aan de UGent loopt momenteel wel een dergelijk project,18 waarvan een nauwkeurige inventaris van alle diagnostische neolithische artefacten een onderdeel vormt (types pijlpunten, gepolijste artefacten, afslagbijlen, mijnbouwklingen, …).
Een apart fenomeen vormen de vondsten van gepolijste bijlen, een van de meest herkenbare neolithische werktuigtypes. Het bijzondere aan dit type artefact is dat het vaak buiten nederzettingscontext wordt aangetroffen en er slechts zelden tot nooit volledige exemplaren in nederzettingscontext worden gevonden. Deze afwezigheid van diagnostische vormen in goed te dateren contexten bemoeilijkt vanzelfsprekend de datering van de stukken en hun toewijzing aan het neolithicum. Zo is het erg waarschijnlijk dat een deel van de bijlvondsten uit de metaaltijden dateert. Bijlen zijn in het verleden zowel als toevalsvondsten gerapporteerd, als gevonden in het kader van prospecties door voornamelijk amateurarcheologen. In de CAI zijn in totaal 243 gepolijste bijlen of fragmenten van gepolijste bijlen opgenomen die het resultaat zijn van een toevalsvondst, 743 waarnemingen zijn gerelateerd aan veldprospecties. Deze aantallen zijn vanzelfsprekend beperkt tot de gemelde en gepubliceerde objecten, wat een onderschatting is van het werkelijk aantal gevonden bijlen in dit soort contexten.

2.1.3 Opgravingen

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen opgravingen van neolithische sites en opgravingen van jongere of oudere sites waar neolithische sporen, vondsten of sites worden aangetroffen. Voorbeelden van deze laatste categorie zijn de ontdekking van een Bandkeramische pot in Oudenaarde Donk,19 middenneolithische kuilen en potten in Kerkhove,20 21 Aalter, 22 Dilsen23 en Lommel Kattenbos,24 een laatneolithische potbeker in Hansbeke25 en klokbekergraven in Kruishoutem Kapellekouter26 en Gent Flanders Expo.27
Opgravingen van vroegneolithische sites zijn in Vlaanderen veelal beperkt gebleven qua omvang. De belangrijkste uitzondering is wellicht nog de vroegneolithische site in Rosmeer Staberg, waar ca. 1 ha volledig werd opgegraven28 en in mindere mate ook de opgravingen in Wange en Overhespen.29 Elders werd niet meer dan een klein areaal opgegraven, wat het beeld op de ruimtelijke organisatie van de vaak erg uitgestrekte neolithische sites beperkt maakt. Dergelijk kleinschalig onderzoek gebeurde op de Bandkeramische sites in Vlijtingen,30 Lanaken Briegdendok31 en Herderen32 Recenter werd nog een volledige huisplattegrond geregistreerd in Riemst Toekomststraat,33 maar de site werd enkel bemonsterd en niet volledig opgegraven.
Ook voor het midden- en laatneolithicum overheersen de kleinschalige opgravingen, met inbegrip van de opgravingen in Assent, Ottenburg, Schorisse en Spiere. Deze laatste leverde wel de grootste hoeveelheid archeologisch materiaal op uit een middenneolithische context in Vlaanderen tot nog toe, maar ook daar bleef het onderzoek beperkt tot een oppervlakte van 0,15 ha, terwijl de lithische prospectievondsten verspreid zijn over een oppervlakte van 23 ha.

Het onderzoek van neolithische sites in een Malta-context 34 is tot nog toe beperkt gebleven. Recente opgravingen in deze context die wel een belangrijke aanvulling betekenen voor de kennis van het neolithicum situeren zich met name in de Vlaamse zandstreek en de vallei van de beneden Schelde: Doel Deurganckdok35 en Waardamme Vijvers.36 In beide gevallen werden betrekkelijk belangrijke neolithische occupatieresten aangetroffen in een gebied dat tot dan toe slechts sporadisch geïsoleerde vondsten had opgeleverd. Daarnaast kunnen we opnieuw verwijzen naar de toevalsvondsten van neolithische sporen bij het onderzoek van enkele recentere sites.

2.4 Evolutie van het terreinwerk op neolithische sites in de laatste dertig jaar, in de context van het steentijdonderzoek

Analoog aan de analyse die voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd uitgevoerd,37 kan ook voor het neolithicum een ‘objectieve’ diachronische kijk op het terreinwerk worden verkregen op basis van de gepubliceerde gegevens in het tijdschrift ‘Notae Praehistoricae’. Dit tijdschrift wordt sinds 1981 jaarlijks gepubliceerd en heeft als doel het archeologisch onderzoek met betrekking tot de steentijden jaarlijks te rapporteren. Naast artikelen rond nieuw veldwerk komen ook bijdragen van post-excavation onderzoek voor, net als een beperkt aantal verslagen over steentijdonderzoek in de buurlanden. We kunnen er redelijkerwijze van uit gaan dat nagenoeg al het ‘publicatiewaardig’ onderzoek van de wetenschappelijke instellingen maar ook van andere uitvoerders, in deze context is terechtgekomen. Dat dit ook nog steeds zo is voor het onderzoek in Malta-context tijdens de laatste vijf jaar blijkt uit een analyse van de zogenaamde grijze literatuur.
Voor deze analyse werden terreincampagnes in Vlaanderen in rekening genomen, die werden geïndexeerd op gewest, archeoregio, periode, fase, type project (prospectie, waardering, opgraving) en uitvoerende instelling (bij samenwerking de belangrijkste partner). In de tellingen werden meerperiodesites bij elk van de betreffende perioden meegerekend. Doordat de Notae Praehistoricae het onderzoek bundelt uit het hele land, kan de evolutie van het onderzoek in Vlaanderen meteen in nationale context worden gekaderd. Daartoe werden ook de terreincampagnes elders in België opgenomen, doch niet verder in detail geïndexeerd. Met uitzondering van een enkele referentie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest38 gingen al deze terreincampagnes door in het Waals Gewest. Voor de vergelijking werden dan ook enkel de campagnes in het Waals Gewest in rekening gebracht. Net zoals voor de andere steentijdhoofdstukken van deze onderzoeksbalans werd gebruik gemaakt van vijfjaarlijkse perioden om de evolutie van het terreinwerk in kaart te brengen. Momenteel zijn de gegevens beschikbaar voor de periode vanaf terreinseizoen 1979 tot en met 2009. Om ook de gegevens van het laatste seizoen in de vergelijking te kunnen betrekken en op te nemen in het laatste ‘jaarkwintet’, werden de jaarkwintetten samengesteld vanaf seizoen 1980. De gegevens voor het seizoen 1979 zijn apart gehouden.

Figuur 2 toont het totale aandeel van het steentijdonderzoek in Vlaanderen en de rest van het land, ingedeeld per periode. De meeste van de 388 terreincampagnes die tot en met 2009 zijn gerapporteerd, hebben betrekking op onderzoek van neolithische sites (n=160), gevolgd door de paleolithische (n=137). Terreincampagnes op mesolithische sites (n=91) zijn duidelijk in de minderheid. In Vlaanderen zijn de gegevens omgekeerd, met een dominantie van onderzoek op mesolithische sites (n=64 op een totaal van 159), gevolgd door neolithische (n=54) en paleolithische (n=41).
Momenteel hebben 41% van de 388 terreincampagnes die in de Notae Praehistoricae zijn gerapporteerd betrekking op onderzoek dat in Vlaanderen is uitgevoerd. Het is opvallend dat het mesolithisch onderzoek voornamelijk in Vlaanderen plaats vond (70%), terwijl het aandeel Vlaamse sites in het neolithisch en paleolithisch onderzoek om en bij 30% schommelt. Voor het neolithicum werden 54 terreincampagnes van de 160, ofwel 34% in het Vlaamse gewest uitgevoerd.

 Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per steentijdperiode en per gewest in BelgiëFiguur 2: Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per steentijdperiode en per gewest in België

De evolutie van het onderzoek over de laatste 30 jaar (Figuur 3) laat enkele belangrijke patronen zien. Tot 2005 bleef het aantal terreincampagnes in Vlaanderen min of meer gelijk, tussen 20 en 27 campagnes per vijf jaar, netjes verdeeld over de drie onderscheiden steentijdperioden. Voor het laatste jaarkwintet, dat de periode tussen 2005 en 2009 beslaat, is echter een sterke groei merkbaar met in totaal 43 terreincampagnes. Het is opvallend dat deze groei in min of meer gelijke mate geldt voor elk van de drie perioden. In totaal werden 14 neolithische campagnes gerapporteerd tijdens de laatste vijf jaar, terwijl dat in de daaraan voorafgaande jaarkwintetten beperkt bleef tot een zevental. In het zuiden van het land is een andere trend merkbaar. Daar groeide het aantal terreincampagnes gestaag tot een maximum van 60 in het jaarkwintet 1995-99. Daarna kende dit aantal een sterke terugval tot slechts 20 tijdens de laatste vijf jaar. Terwijl tot en met het voorlaatste jaarkwintet steeds meer terreincampagnes werden georganiseerd in het Waals Gewest dan in Vlaanderen is dat de laatste vijf jaar omgekeerd, met meer dan dubbel zoveel campagnes in Vlaanderen dan in het zuiden van het land (n=43 vs. 20).

 Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdperiode in de Belgische gewestenFiguur 3: Terreincampagnes gerapporteerd in de Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdperiode in de Belgische gewesten

Zoals hierboven aangegeven is de tendens in het Vlaams Gewest, met een betrekkelijk gelijk aantal campagnes tot het laatste jaarkwintet, geldig voor het onderzoek op zowel paleolithische, mesolithische als neolithische sites. Wanneer deze perioden nog verder worden onderverdeeld, is evenwel heel wat variatie merkbaar (Figuur 4). Zo lag voor het neolithicum tot halfweg de jaren 1980 de klemtoon van het onderzoek op het vroegneolithicum. Na 1985 echter werden de meeste campagnes uitgevoerd op middenneolithische sites. Het laat- en finaalneolithicum kwam in het verleden slechts beperkt aan bod, maar kent tijdens de laatste vijf jaar een duidelijke groei. Het effect van meerjarige campagnes op enkele sites lijkt bij deze evoluties van beperkt belang te zijn. In de meeste gevallen (n=28 op 48 campagnes, i.e. 60%) werd slechts een enkele campagne georganiseerd, terwijl op vijf sites twee campagnes doorgingen. Slechts in drie gevallen gaat het om meer campagnes. Op de sites in Oudenaarde ‘Donk’ en Doel ‘Deurganckdok’ werden in beide gevallen in drie campagnes in feite telkens drie verschillende sites opgegraven in hetzelfde gebied en onder hetzelfde toponiem. De enige site waar meer dan twee campagnes werden georganiseerd is de middenneolithische site in Spiere ‘De Hel’. Daar gingen in totaal drie opgravingscampagnes door en werd een prospectie met monstername voor pollenonderzoek uitgevoerd.

 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Figuur 4: Terreincampagnes in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per steentijdfase. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.

Figuur 5 geeft opnieuw de evolutie van het terreinwerk weer, maar ditmaal afgezet tegenover de aanleiding van het onderzoek. Er werd hiervoor een onderscheid gemaakt tussen geprogrammeerd veldwerk, veldwerk op bedreigde sites met voornamelijk een financiering voorzien door de opgravende instelling en veldwerk op bedreigde sites waarbij de financiering werd opgelegd aan de bouwheer.39
Zoals te verwachten, werd het terreinwerk in de jaren 1980 gedomineerd door geprogrammeerd onderzoek. Steeds was het archeologisch onderzoek echter ook gericht op bedreigde sites. Vanaf de jaren 1990 neemt dit werk op bedreigde sites in belangrijke mate toe in aantal, niettegenstaande het totale aantal terreincampagnes min of meer gelijk bleef. Dit betekent dat het veldwerk van de wetenschappelijke instellingen reeds vanaf dat moment in toenemende mate afgestemd werd op de bedreigingen van het erfgoed. Het aandeel van geprogrammeerd veldwerk op niet-bedreigde sites neemt stelselmatig af. Vanaf het einde van de jaren 1990 wordt een deel van het onderzoek ook door de bouwheer gefinancierd en dit in toenemende mate. In totaal kunnen 19 van de 37 campagnes uit het laatste jaarkwintet worden gerelateerd met een dergelijk Malta-onderzoek, tegenover 3 op 20 voor het voorgaande jaarkwintet en 1 op 21 campagnes in de periode 1995-96. Dit betekent in absolute aantallen dus een belangrijke stijging vanaf de periode 2005-09.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 5: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

 Opgravingcampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 6: Opgravingcampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.

 Terreincampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoekFiguur 7: Terreincampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

 Opgravingcampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoekFiguur 8: Opgravingcampagnes op neolithische sites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek

De verklaring voor de plotse stijging in het aantal terreincampagnes na 2005 is zeker te zoeken in de omslag die de Vlaamse archeologie vanaf dit ogenblik kenmerkte, met de integratie van de archeologische dossierbehandeling in het Agentschap RO-Vlaanderen40 en de veranderde toepassing van het zorgplichtprincipe uit de bestaande Vlaamse wetgeving. Toch is opvallend dat ook het aandeel van het geprogrammeerde onderzoek op niet-bedreigde sites opnieuw gevoelig toeneemt tijdens deze periode, al hebben deze dan voornamelijk betrekking op prospectiecampagnes.41 Specifiek voor het neolithicum zijn exact dezelfde tendensen te zien, zij het dat de opgravingen in het laatste jaarkwintet enkel in een zogenaamde Malta-context tot stand kwamen (Figuur 7 en Figuur 8). Het valt af te wachten of deze stijging zich doorzet in de nabije toekomst.
Een opvallende trend in het steentijdonderzoek in Vlaanderen, die eveneens tot uiting komt in de analyse van de Notae Praehistoricae, is het groeiende aandeel van prospectie- en waarderingsonderzoek (Figuur 9). Zeker voor de periode tot halfweg de jaren 1990 werd enkel opgravingsonderzoek in de Notae gerapporteerd. In het jaarkwintet 1980-1984 is evenwel een zeker aantal prospecties opgenomen, maar dit betreft voornamelijk een aantal studies op grote collecties van amateurarcheologen. Tijdens de laatste vijftien jaar worden echter ook meer prospectie- en waarderingscampagnes georganiseerd door professionele archeologen. Vaak gaat het hierbij om meerperiode-projecten, waarbij ook het neolithicum aan bod komt. Prospecties specifiek gericht op het onderzoek van neolithische sites zijn erg zeldzaam. Voor de periode van de laatste vijftien jaar betreft het de hierboven reeds aangehaalde prospectie voor pollenonderzoek in Spiere, de identificatie van een aardwerk in Assent Hermansheuvel bij een luchtfotografische prospectie42 en twee prospecties op eigen initiatief door jonge professionele archeologen in de gemeenten Oostrozebeke 43 en Sint-Genesius-Rode.44
Waarderingscampagnes werden hoofdzakelijk uitgevoerd op finaalpaleolithische en mesolithische sites, voornamelijk door het VIOE, maar ook door de UGent. Voor het neolithicum bleef het waarderingsonderzoek beperkt tot een campagne op de middenneolithische site in Ottenburg45 en op de vroegneolithische site in Riemst Toekomststraat,46 beide uitgevoerd door het VIOE.
Bij het opdelen van de campagnes per periode en per uitvoerder (Figuur 10), blijkt de dominantie van de K.U.Leuven in het onderzoek van vroeg- en middenneolithische sites, gevolgd door de UGent en het VIOE. Bij het onderzoek naar laat- en finaalneolithische sites is de UGent dan weer het meest actief. Met uitzondering van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, dat met een prospectie- en een opgravingscampagne in deze grafiek is vertegenwoordigd, hebben andere uitvoerders slechts een enkele keer neolithisch onderzoek in de Notae Praehistoricae gerapporteerd.
Indien we de activiteit van de instellingen op steentijdonderzoek over de tijd uitzetten, valt de uitgesproken dominantie van de K.U.Leuven op bij het begin van de registratieperiode (Figuur 11). Het aantal campagnes dat vanuit de K.U.Leuven in de Notae wordt gerapporteerd daalt vanaf dat ogenblik gradueel van 20 in de periode 1980-1984 tot slechts 3 in de periode 2000-2004. Tijdens de laatste vijf jaar is opnieuw een lichte stijging merkbaar met 8 terreincampagnes. Vanaf het jaarkwintet 1985-1989 start ook het steentijdonderzoek aan de UGent met Philippe Crombé en groeit het aandeel van deze instelling stelselmatig tot op vandaag. Hetzelfde kan gesteld worden over de activiteit van het VIOE dat zeker de laatste tien jaar een even groot aandeel heeft in het steentijdonderzoek als de UGent. Tenslotte is ook het belang van de restgroep merkbaar tijdens de laatste vijf jaar, en dit in tegenstelling tot de voorgaande periode. Deze groep wordt vertegenwoordigd door instellingen die niet meer dan een enkele keer een project leidden of er het belangrijkste aandeel in hadden. Voor de periode voorafgaand aan 2005 zijn dit steeds wetenschappelijke instellingen, zoals de universiteiten van Antwerpen, Namen, Luik en Louvain-La-Neuve. Voor het laatste jaarkwintet gaat het bij 4 van de 6 onderzoeken om opgravingen die rechtstreeks voortvloeien uit het Malta-principe met financiering van het onderzoek door de bouwheer. In een enkel geval betreft het onderzoek van een Vlaamse archeologische onderneming, zij het op initiatief van een expert verbonden aan de UGent,47 in de andere gevallen gaat het om een vzw. (Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting)48 of om intercommunale samenwerkingsverbanden49 Ook de grote wetenschappelijke instellingen realiseren meer projecten in de context van deze Malta-archeologie.

 Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintetFiguur 9: Types van terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet

 MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.Figuur 10: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per steentijdfase en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Legende: MP=(vroeg- en) middenpaleolithicum; LP=laat- en finaalpaleolithicum; VM=vroegmesolithicum; MM=middenmesolithicum; LM=laatmesolithicum; VN=vroegneolithicum; MN=middenneolithicum; LN=laat- en finaalneolithicum.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Group1 is de restgroep van instellingen die maximaal een enkele keer een onderzoek uitvoerden.Figuur 11: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en opgesplitst per instelling die het project leidde of er de grootste inbreng in had. Group1 is de restgroep van instellingen die maximaal een enkele keer een onderzoek uitvoerden.

Zoals eerder aangegeven gaan we uit van een representativiteit van de publicaties in de Notae Praehistoricae voor het veldwerk naar steentijdsites in Vlaanderen en België. Een korte analyse van de grijze literatuur uit de laatste vijf jaar, waarin een vermelding naar vondsten uit het neolithicum is opgenomen, bevestigt deze representativiteit. In totaal zijn vijftien dergelijke rapporten opgenomen in de Bibliografie Onroerend Erfgoed. In de meeste gevallen gaat het hierbij om een vondstmelding (n=11), vaak van een enkel artefact dat aan het neolithicum kan toegeschreven worden. In twee andere gevallen gaat het om prospectieonderzoek (proefsleuven) waarbij een enkel spoor aan het neolithicum kan worden toegeschreven en waarbij vervolgonderzoek in deze zone wordt aanbevolen. In al deze gevallen gaat de informatiewaarde dan ook niet verder dan wat in een kroniek zou moeten worden opgenomen.
Met betrekking tot de aanleiding van het onderzoek is opvallend dat alle uitvoerende partijen, maar vooral de UGent en de overheidsdienst, vertegenwoordigd zijn bij het stijgende aandeel van Malta-onderzoek tijdens de laatste vijf jaar (Figuur 12). Terwijl het aandeel van bedreigde sites zonder Malta-financiering sterk afneemt aan de K.U.Leuven sinds 2000 en aan de UGent sinds 2005, blijft dit voor het VIOE min of meer stabiel. Voor wat betreft het geprogrammeerd onderzoek is de heropleving tijdens de laatste vijf jaar voornamelijk te wijten aan de activiteit van de UGent – voornamelijk in het kader van door het FWO gefinancierd prospectieonderzoek – en in veel mindere mate aan dat van de K.U.Leuven, terwijl het geprogrammeerd onderzoek aan het VIOE sterk is afgenomen in de laatste vijf jaar. Figuur 13 toont het steentijd terreinonderzoek dat tijdens de laatste vijf jaar is uitgevoerd per uitvoerende instantie. Bij alle instanties is de dominantie van veldwerk op bedreigde sites waar te nemen, telkens voornamelijk gefinancierd binnen de Malta-context. Het geprogrammeerd onderzoek vormt voornamelijk binnen de UGent nog een belangrijk aandeel van het totale veldwerk op steentijdsites. De gegevens met betrekking tot het neolithicum in het bijzonder volgen deze patronen maar zijn te beperkt in aantal om apart te analyseren.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per uitvoerende instantie, opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 12: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen gerapporteerd in Notae Praehistoricae per jaarkwintet en per uitvoerende instantie, opgesplitst volgens de aanleiding van het onderzoek.

 Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen tijdens de laatste vijf jaar gerapporteerd in Notae Praehistoricae per uitvoerder en ingedeeld volgens de aanleiding van het onderzoek.Figuur 13: Terreincampagnes op steentijdsites in Vlaanderen tijdens de laatste vijf jaar gerapporteerd in Notae Praehistoricae per uitvoerder en ingedeeld volgens de aanleiding van het onderzoek.