3.4 Balans in de tijd

4.1 Dateringsproblematiek en beschikbare dateringen

Bij de absolute datering van neolithische sites in Vlaanderen speelt in feite enkel de 14C methode een belangrijke rol. Dendrochronologische dateringen zijn voor deze periode in principe wel mogelijk, maar voor Vlaanderen is vooralsnog geen enkele datering beschikbaar. Doordat neolithische sites worden gekenmerkt door het voorkomen van uitgegraven sporen, is het vaak evidenter dan voor het mesolithicum om monsters te vinden waarvan de associatie met de te dateren fenomenen voldoende betrouwbaar is. Anderzijds dienen bij het evalueren van de dateringen een aantal bedenkingen in rekening te worden gebracht. 1 2 3 Zo is vanzelfsprekend de aard van het monster van belang. Vandaag gaat de voorkeur zeker naar kortlevende monsters zoals takken, schors, zaden en vruchten die goed zijn geassocieerd met de te dateren fenomenen, in plaats van naar ongedetermineerde houtskoolfragmenten. Dit wordt mogelijk gemaakt door de ontwikkeling en evolutie van de AMS-techniek sinds het einde van de jaren 1970, waarbij beduidend kleinere monsters voor datering in aanmerking komen. Terwijl het dateren van voedselresidu op potscherven eveneens als kortlevend monster kan worden beschouwd, is ook hier voorzichtigheid geboden. Ook hier is een analyse van de precieze samenstelling van het monster aangewezen, om een verouderde datering door het reservoireffect te vermijden.4 Deze bedenkingen worden in het huidig onderzoek in principe steeds meegenomen alvorens monsters naar dateringslabo’s te sturen. In het verleden werd hier echter vaak onvoldoende rekening mee gehouden, zodat heel wat dateringen werden bekomen op grote, ongedetermineerde houtskoolfragmenten. Een andere factor die de bruikbaarheid van dateringen kan beïnvloeden, is de omvang van de standaarddeviatie. Dit is voornamelijk problematisch voor conventionele dateringen die reeds lang geleden werden bekomen. Andere problemen zijn gelieerd aan de vergelijking van dateringen uit verschillende labo’s, dateringen die over een lange periode heen in hetzelfde labo zijn gedateerd, die met een verschillende techniek zijn gedateerd 5 of die op verschillende soorten monsters zijn bekomen. Ten slotte hangt de waarde van de bekomen dateringen ook nog af van de mate van overlap met één of meer plateaus in de calibratiecurve. Zo verkleint een belangrijk calibratieplateau tussen ongeveer 4260 en 4080 v.Chr. de chronologische resolutie van de dateringen, ook al is de standaardafwijking van die dateringen beperkt.

Bij de beschikbare dateringen voor het vroegneolithicum dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de dateringen van Bandkeramische sites in de leemstreek en dateringen die voor de finaalmesolithische/vroegneolithische Swifterbantoccupatie in de Scheldepolders beschikbaar zijn. Voor de Bandkeramiek in Vlaanderen zijn in totaal 17 dateringen beschikbaar, alle afkomstig van sites in Haspengouw. De meeste van deze dateringen werden uitgevoerd tijdens de jaren 1980. Dateringen voor recent opgegraven sites zijn niet beschikbaar. Gezien de Zuid-Limburgse sitecluster nauw aansluit bij de grotere cluster van sites in Luiks Haspengouw enerzijds en de Graetheidecluster in Nederlands Zuid-Limburg anderzijds, kan voor een datering van de Bandkeramische occupatie in Vlaanderen ook naar deze contexten worden gerefereerd, waarvoor heel wat dateringen beschikbaar zijn.
Voor de Swifterbantoccupatie van de Scheldepolders kunnen we verwijzen naar het grootschalige dateringsproject van de UGent en het KIK, waarbij met name voor de sites in Doel Deurganckdok al heel wat dateringen werden bekomen. In tegenstelling tot de Bandkeramische dateringen zijn deze voor de Swifterbant alle bekomen tijdens het laatste decennium.
Voor de periode tussen het einde van de Bandkeramische occupatie en het begin van het middenneolithicum, meer dan een half millennium later, zijn geen 14C-dateringen beschikbaar. Dit chronologische hiaat komt bovendien overeen met een hiaat in de kennis van de occupatie. In Bekkevoort is op basis van een oppervlaktekartering een enkele site geïdentificeerd die mogelijk door de Groep van Blicquy werd bewoond, maar sites van andere post-Bandkeramische groepen zoals de Rössencultuur ontbreken vooralsnog.6 Voor de rest van Vlaanderen zijn evenmin gedateerde sites voorhanden. Wel werden in een dateringsproject op hakken in gewei die in de Beneden Schelde gevonden werden enkele dateringen bekomen die in deze periode te situeren zijn.7 8 Of deze met een neolithische occupatie in verband moeten worden gebracht is onzeker. Mogelijk betreft het werktuigen van late (Swifterbant?) groepen jager-verzamelaars die eerder bij het mesolithicum dienen te worden ondergebracht. Het is evenmin duidelijk of de losse vondsten van Rössen Breitkeilen gelieerd zijn met een Rössenoccupatie van het gebied, dan wel het resultaat van uitwisseling met lokale, pre-neolithische groepen. In elk geval bevestigen ze dat het kennishiaat tijdens het midden van het 5de millennium geen gevolg is van een totaal verlaten van het gebied.
Vanaf de periode tussen 4260 en 4080 v.Chr. – die gekenmerkt wordt door een calibratieplateau – duiken de sites en 14C-dateringen weer op, ditmaal in de leemstreek gelieerd aan de Michelsbergcultuur en aanverwante groepen. In totaal zijn slechts 11 betrouwbare dateringen met een standaarddeviatie kleiner dan 100 jaar beschikbaar voor het middenneolithicum in Vlaanderen. Deze lopen door tot in het eerste calibratieplateau van het 4de millennium v.Chr., tussen 3950 en 3790 v.Chr. De periode daarna wordt nogmaals gekenmerkt door een hiaat in de kennis, opnieuw ingevuld door enkele dateringen op geweien hakken uit de Beneden Schelde. Deze dateringen lopen overigens door tot het einde van het neolithicum, omstreeks 2000 v.Chr. Ook in het zuiden van het land lopen de dateringen in grotsites door over deze periode.9 Deze dateringen zijn vaak bekomen op monsters die eind 19de of begin 20ste eeuw werden opgegraven en niet meer betrouwbaar met een materiële cultuur zijn geassocieerd, waardoor ze niet meer informatie opleveren dan het bevestigen van het doorlopen van de menselijke bewoning in het gebied.
In Vlaanderen duiken de eerste dateringen weer op voor het laat- en finaalneolithicum, tijdens het derde millennium v.Chr. De dateringen werden in de laatste jaren aangevuld en zijn intussen afkomstig van een negental sites: nederzettingsresten in Hertsberge en Waardamme (Deûle-Escaut), Deinze (Enkelgrafcultuur), Hansbeke en Oudenaarde Donk (Klokbekercultuur) en de funeraire sites in Kruishoutem (Wijkhuis en Kapellekouter), Mol en Sint-Denijs-Westrem. Enkele dateringen in de tweede helft van het 4de millennium, zoals in Ename, Oudenaarde en Deinze, zijn niet betrouwbaar geassocieerd met laatneolithische occupatieresten en zijn bijgevolg moeilijker te interpreteren.10 11

4.2 Overzicht van de gekende sites per periode

Voor een overzicht van de bekende neolithische sites per chronologische fase, werd de Centrale Archeologische Inventaris van Vlaanderen (CAI) als bron gebruikt. De aanpak werd afgestemd op deze gehanteerd voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum van deze onderzoeksbalans. Het is evident dat de CAI met een grote omzichtigheid moet worden gebruikt in kwantitatief onderzoek. In verband met de waarde en het gebruik van de CAI dienen volgende zaken immers te worden opgemerkt:

  • Enkel de sites waarvan de ligging enigszins12 bekend is, zijn in deze analyse in aanmerking genomen.
  • De belangrijkste problematiek bij het gebruik van deze bron is de vraag naar de representativiteit. Bevat de CAI daadwerkelijk een inventaris van alle neolithische vindplaatsen die in Vlaanderen bekend zijn, of ten minste gepubliceerd of gemeld? We moeten er sowieso van uitgaan dat bepaalde collecties nog niet ontsloten zullen zijn, zoals ook bleek uit een grondige evaluatie van de Oost-Vlaamse records in de CAI.13 Voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd reeds opgemerkt dat er ook met betrekking tot de gepubliceerde vondsten nog lacunes zijn. De vraag werd er gesteld in hoeverre alle lokale tijdschriften volledig zijn geëxcerpeerd. Een dergelijke screening impliceert echter een aparte evaluatie van de CAI op zich en gaat de opzet van de onderzoeksbalans te boven.
  • Eveneens voor de hoofdstukken paleolithicum en mesolithicum werd opgemerkt dat de kwaliteit en nauwkeurigheid van de ingevoerde CAI-gegevens momenteel nog erg variabel is. Vaak gaat het om vondstmeldingen zonder grondige evaluatie. Er werd dan ook intern aan het VIOE gestart met deze evaluatie en de redactie van de CAI. Deze redactie is momenteel nog niet afgerond. De gegevens die in dit hoofdstuk werden opgenomen zijn gebaseerd op de toestand in april 2010.

Van de bijna 6565 locaties die in april 2010 in de CAI geregistreerd stonden als steentijdsite, heeft de helft betrekking op lithisch materiaal waarvan de steentijdperiode niet kon worden gedetermineerd (Figuur 26). Zowat 31% van de 6565 locaties werd met het neolithicum in verband gebracht (n=2027). Dit aantal is goed voor meer dan 60% van alle periodegebonden locaties in de CAI. Bij deze aantallen dient in rekening te worden gebracht dat sites waar meerdere perioden zijn aangetroffen ook meerdere malen in deze tellingen zijn betrokken. Dat betekent dat het totaal aantal sites de facto lager ligt dan de 6565 locaties die hier in de discussie zijn betrokken.
Binnen het neolithicum is het grootste aantal sites niet verder bepaald naar fase (Figuur 27). Van de sites die wel naar fase zijn gedetermineerd, is er een erg uitgesproken meerderheid middenneolithische sites. Vroegneolithische sites zijn het zeldzaamst met een totaal van 76, gevolgd door laat- en finaalneolithische sites (n=173). Voor een gedetailleerde analyse van deze aantallen verwijzen we naar de paragraaf met het overzicht van gekende sites per archeoregio van dit hoofdstuk.14

 Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periodeFiguur 26: Aantal registraties in de CAI van steentijdsites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per periode

 Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per faseFiguur 27: Aantal registraties in de CAI van neolithische sites waarvan de ligging tot op 500m gekend is, per fase

4.3 Balans van het onderzoek per chronologische fase

Voor een overzicht van het terreinwerk dat per neolithische fase plaatsvond, verwijzen we naar vorige besprekingen van de evolutie van het terreinwerk in de laatste dertig jaar en van de dateringsproblematiek. De bespreking van publicaties per chronologische fase is eveneens boven terug te vinden in het overzicht van gepubliceerd onderzoek.