5.6.2.3.2 Vici

  • Auteurs: M. Martens en K. Magerman

Inleiding

Het proces van integratie in het Romeinse Rijk, dat na de verovering van onze gebieden plaatsvond, is momenteel nog moeilijk in kaart te brengen. Wel is het duidelijk dat dit proces een intensievere exploitatie van het landschap met zich meebracht. Er werden meer gronden in gebruik genomen voor landbouw en veeteelt door villa’s en boerderijen. Er werden meer natuurlijke grondstoffen zoals hout, gesteente, klei en leem geëxploiteerd voor de bouw van huizen, de productie van gebruiksvoorwerpen, enz. Ook op cultureel en religieus gebied vond er een verandering plaats. Vanaf de Augusteïsche periode zien we dan ook een aantal landelijke centra of vici ontstaan.
Met een vicus bedoelen we een landelijke nederzetting met centrumfuncties voor de omgeving op religieus, economisch en/of administratief vlak. De huidige stand van het onderzoek laat een meer concrete definitie van dit type nederzetting niet toe. 1 De term ‘vicus’ heeft vooral door het langdurige gebruik zijn intrede gemaakt in het vakjargon van archeologen. We gaan hier echter niet dieper in op het probleem van de terminologie van het woord vicus. (Picard 1986: 48-49; Wightman 1986: 59-64; Hiddink 1991: 204-219; Petit & Mangin 1994: 7-15)

Momenteel worden de volgende vindplaatsen door het merendeel van archeologen als een vicus beschouwd:

  • Asse 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
  • Elewijt 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
  • Tienen (Thoen 1964; Mertens 1972; De Boe 1972; 1984; Provoost 1981; Thomas 1983; Vanderhoeven & Vynckier 1996; Vanderhoeven, Vynckier & Wouters 1997-1998; Martens 1999; 2001; 2002; 2004; 2008; Martens & Vanderhoeven 1998; 1999; Martens & Hartoch 2000; Martens, Debruyne & Vanderhoeven 2000; 2002; Martens & Willems 2002; Martens, Debruyne, ea. 2003; 2005; Martens, Hanut, ea. 2002; Martens, Debruyne & Van Den Vonder 2005)
  • Dilsen-Stokkem 25 26 27 28
  • Grobbendonk 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
  • Kester 43 44 45 46 47
  • Kontich 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 1988; Van Heesch 1988; Verbeeck 1987; 1988; 1990; 1993; 2001; Annaert 1993; 1995; 1996; Annaert & Verbeeck 1992; Annaert, Cooremans et al 1994)
  • Velzeke (De Laet & Nenquin 1953; Mertens 1965; 1969; Thoen 1968; Meex & Mertens 1972; 1973; Rogge 1972; 1974; 1976; 1977; 1978; 1980; 1985; 1987; 1988; 1994; Despriet 1971; Jamée 1972; Thirion 1974; Janssens 1977; Braeckman, De Mulder 1994; 1999; De Mulder & Rogge 1995; 1996;1997; Braeckman, De Mulder & Deschieter 1997; De Mulder & Braeckman 1999; De Mulder, Braeckman et al 1999; Deschieter, De Mulder en Braeckman 1998; 1999; Rogge, Braekman & De Mulder 1996; 2004; De Muldr & Smits 1999; De Mulder & Rogge 1995; 1999; De Clercq 1999; De Mulder & De Clercq 1999; Deschieter & De Clercq 1999; Van Heesch & Deschieter 2000; De Mulder, Deschieter et al 2001; De Mulder & Deschieter 2001; 2004; 2005; 2006; De Graeve 2003; 2004; De Mulder, Deschieter en De Graeve 2003; Deschieter & De Mulder 1999; 2000; 2001; 2002; 2003; De Mulder, Deschieter & Huyghe 2002; 2006; Meulemeester 2008)
  • Rumst (De Cock 1986; Sevenants & Van Heesch 1988-89; Sevenants 1991; Scheltjens 2007)
  • Oudenburg (Devliegher 1959; Mertens 1963; 1964; 1968; 1970; 1976; 1977; 1978; 1987; 2006; Lalleman 1966; Mertens & Van Impe 1971; Gautier 1972; Thoen 1974; Creus 1975; De Cock & Thoen 1983; Hollevoet 1985; 1986; 1987; 1990; 1992; 1993; 2002; 2004; Schelvis & Ervynck 1992; 1993; Demiddele & Ervynck 1993; Gilté 1993; Cooremans 2003; Vanhoutte 2004, 2005; 2006; 2007; Thoen & Vanhoutte 2004)
  • Kortrijk (Mertens 1966; Leva & Coene 1969; Despriet 1969-1976; 1979-1981; 1984; 1990; 1991; 1996; 2005-2006; 2008; Vierin 1970; 1971; 1973; Vierin & Dumolin 1973; Van Doorselaer 1976; 1981; Despriet, Van Moerkerke & Ferfers 1983; De Zegher & De Cock 1983; Debruyne 1983; De Cock 1987; Rogge 1988; Van Doorselaer, De Cock & Rogge 1988;1989; Deschieter 1993; 1995)
  • Waasmunster (Thoen 1965; 1967; 1970; 1974; 1976-78; Dewulf 1966-69; 1972; 1974; 1975; 1978; Mertens 1968; Dewulf & Thoen 1976; De Clercq, Thoen & Van Hove 1979; Thoen & Verbruggen 1986; Ven Poucke 1987; Verlaeckt 1989; Van Roeyen & Van Hove 1992; Van Hove 1993; 1996; Van Roeyen 1994; 1995; 1999; Baetens 1994; Merckx 1994; Van Driessche 1995; Tency 2000; 2001)
  • Harelbeke (Vierin 1964; 1967; 1971; Mertens 1967; Despriet 1967-1971; 1973-1975; 1979; 1981; 1982; 1984; Favorel & Despriet 1967; Thoen 1969; 1970; Ooghe, Debrandere & Despriet 1979; Ferfers 1984; De Paepe 1984; Gautier 1984; Matton & Ferfers 1993; Messiaen, De Logi ea. 2008)
  • Wervik (Despriet 1975; 1976; Goeminne 1970; Debonne 1982; 1988; Desreumaux 1988; Termote 1989; 1991; 1992; 1995; Nuitten 1990; Debonne, Termote & Wouters 1990; Nuitten & Termote 1992; Opsteyn 1992; 1996; Termote & Wouters 1992; Debonne & Termote 1992; Verbrugge 2004; 2005)

Er zijn ook een aantal vindplaatsen waarrond nog twijfel bestaat of het om een landelijk centrum gaat:

  • Ophoven-Geistingen (Claassen 1973) (Claassen & Heymans 1975) (Mertens 1975) (Heymans 1977)
  • Wenduine (Cleeremans 1966) (Thoen 1976) (Thoen 1977), Mortsel (de Cannière 1965) (De Boe 1965) (Verstappen 2001)
  • Merendree (Semey & Rommelaere 1986) (Semey & Rommelaere 1987) (De Clercq 1996) (De Clercq 2001) (Vermeulen 1983), Kruishoutem (Rogge 1972) (Rogge 1973) (De Laet ea 1982) (Rogge & Braeckman 1996)
  • Hofstade (De Laet 1973) (De Swaef & Temmerman 1991)
  • Destelbergen (De Laet 1969) (De Laet 1976)(De Laet, Thoen & Van Doorselaer 1970) (Bourgeois & Thoen 1980) (Cherretté & Dhaeze 2003)
  • Aartrijke (Goeminne 1969) (Thoen 1974) (Hollevoet 1986) (Laureys 1989)

Van Antwerpen en Kerkhove neemt men momenteel aan dat het geen vici waren.
Geen enkele van de hierboven vermelde ‘vici’ is voldoende onderzocht om een volledig inzicht te krijgen in dit type nederzetting. Van bepaalde vici werden vooral ambachtelijke zones opgegraven, van andere vooral de tempels en van nog andere enkele woningen. Ook de relatie tussen een vicus en de regio op economisch, administratief en cultureel gebied is nauwelijks bestudeerd. Het gevolg is een zeer versnipperd beeld van deze belangrijke nederzettingsvorm in de Romeinse tijd. Het is wel mogelijk een overzicht te geven van de huidige kennis over enkele al dan niet gemeenschappelijke kenmerken van vici in Vlaanderen. Achtereenvolgens bespreken we het ontstaan, de rol, de landschappelijke context, de morfologie, de publieke, de private en de religieuze gebouwen.

Ontstaan van de vici

Het gebrek aan onderzoek laat momenteel niet toe diep in te gaan op de ontstaansgeschiedenis van vici. Voor geen enkele van de vici kon een continuïteit van bewoning vastgesteld worden tussen de Laat La Tène en de vroeg-Romeinse periode. (Magerman 2006: 148) De meeste vici ontstonden of werden gesticht op nieuwe plaatsen: langs een belangrijke weg of een kruispunt van wegen, bij een oversteekplaats van een rivier, bij een heiligdom, bij een militair kamp, in de buurt van belangrijke grondstoffen of een combinatie van deze elementen.
In de vici van Velzeke en Tienen werd al bewoning vastgesteld in de Augusteïsche periode.
In Velzeke kwamen een aantal V-grachten aan het licht die mogelijk behoorden tot een militaire structuur. Het gaat hier wellicht om een vicus die ontstond bij een militair kamp. (Rogge 1980: 71-75) Het onderzoek van munten geeft aan dat ook Asse, Kruishoutem en Grobbendonk waarschijnlijk in de Augusteïsche periode gesticht werden. (Magerman 2006: 148-149) Aan de zuidwestelijke rand van de vicus van Tienen kan een vierkant omgracht enclos (zijde 40 m) en een boerderij in verband gebracht worden met de stichting van de vicus in de Augusteïsche periode. (Martens et al. 2002: 388-401) De huidige stand van het onderzoek toont aan dat andere vici later in de 1ste eeuw ontstonden (Magerman 2006: 148-149). Een centrale vraag bij het ontstaan van de vici is in hoeverre de Romeinse overheid een rol speelde bij de stichting van de vici.

Rol van vici

Vici speelden een belangrijke rol in de Gallo-Romeinse samenleving. Onderzoek wijst vooral uit dat de meeste vici gericht waren op handel en productie voor de regio. De grootte en het belang van een vicus in een bepaalde periode lijkt afhankelijk van de ligging, het succes van de ambachtelijke productie en de nabijheid van andere vici of steden. In de leem -en zandleemstreek spelen vici vaak een centrale rol voor de omliggende villae en andere vici. De vici in de zandstreek spelen wellicht een centrale rol voor de omliggende boerderijen of nederzettingen bestaande uit meerdere boerderijen. (Magerman 2006) (Magerman 2008) In hoeverre sommige vici een rol speelden op administratief gebied is momenteel moeilijk te bestuderen, vooral omwille van het gebrek aan epigrafische bronnen en de geringe kennis van de vici zelf. Recent onderzoek wijst wel uit dat de meeste vici belangrijke ambachtelijke productiecentra waren.
In een aantal vici werden meerdere pottenbakkersovens opgegraven: Tienen, Asse, Elewijt en Rumst, Kontich, Grobbendonk en Wervik. Wel valt op dat geen enkele vicus, met uitzondering van Tienen, een continue keramiekproductie had. Waarschijnlijk speelde de aanwezigheid van geschikte klei aan de rand van de vicus van Tienen en zijn centrale ligging hierin een belangrijke rol. Een studie van de types en baksels van het aardewerk van de pottenbakkersateliers van de andere vici zou het mogelijk maken een inzicht te krijgen in het afzetgebied van deze vici en hun relatie met de regio. In bijna alle vici konden activiteiten van bronsgieters en/of ijzersmeden aangetoond worden. Metaalnijverheid vond blijkbaar plaats in een artisanale zone die vaak aan de rand van de nederzetting gelegen was. (Magerman 2006: 146) In de vicus van Tienen kon een grote wijk met pyroclastische ateliers, waar ook glasproductie plaatsvond, vastgesteld worden. Op één plaats in deze wijk werd een groot stenen gebouw opgegraven, met oventjes die in de verschillende fasen in verschillende lagen van de lemen vloer waren ingewerkt. (Martens et al. 2006) Opvallend is ook de aanwezigheid van mogelijke valsmunterateliers in Rumst. (van Heesch 1991: 78-81) In vici werden ongetwijfeld nog talrijke andere producten vervaardigd, waarvan het productieproces minder duidelijke sporen nalaat, zoals houten voorwerpen, textiel, voorwerpen in bot of hoorn. (Magerman 2006: 146-147)
Naargelang de kwaliteit werden de voorwerpen geproduceerd voor de inwoners van de landbouwuitbatingen in de regio, van andere vici en van de stad Tongeren. Aangezien een zeer groot deel van de materiële cultuur in de vici werd geproduceerd, spelen deze een grote rol in het ontstaan en de creatie van de Gallo-Romeinse cultuur in dit gebied. Het is immers duidelijk dat bijvoorbeeld voor aardewerk alle producerende vici zowel imitaties als eigen creaties op de markt brachten van voorwerpen die onderhevig waren aan mode. Typisch Romeinse gebruiksvoorwerpen, zoals mortaria en wierookkelken, werden lokaal geproduceerd en wijd verspreid, zodat vaak ook de bijhorende Romeinse gebruiken in onze streken verspreid werden.
In hoeverre de bewoners van de vici zelf actief waren in landbouw en veeteelt is onduidelijk. Verschillende auteurs zijn van mening dat de inwoners van de vici als seizoensarbeiders betrokken waren in de landbouw en/of de veeteelt op naburige villadomeinen waarbij ze in de vicus niet of enkel op kleinere schaal in de landbouw en veeteelt betrokken waren. (Von Petrokovits 1977 : 127-131 ; Drinkwater 1983 : 179-182; Oelmann 1923 : 87) Het ziet er ook naar uit dat de landbouwfunctie van een vicus in de loop van de tijd kon verdwijnen. (Hiddink 1991 : 216) Het is mogelijk dat het verdwijnen van de inheemse types van houten woningen 68 een indicatie is van het einde van de agrarische activiteiten binnen in een nederzetting.
In hoeverre vici in onze gebieden een rol speelden in de organisatie van de voorziening van de Romeinse troepen aan de Rijngrens is nog niet onderzocht. Verdere inzichten in deze processen kunnen verkregen worden door onderzoek van de al opgegraven gegevens en bijkomend onderzoek.

Landschappelijke context

Agglomeraties met stedelijke kenmerken of vici komen zowel in de leemstreek voor als in de zandleemstreek en de zandstreek. Een aantal vici liggen in een overgangsgebied van verschillende bodemtypes. Kontich ligt in de zandstreek en Kester in de leemstreek. Asse en Velzeke bevinden zich op de overgang van zandleem naar leem. Kruishoutem, Grobbendonk en Elewijt liggen op de overgang van zand naar zandleem.
De vici van Asse, Kester, Elewijt, Velzeke, Kontich, Grobbendonk zijn ingeplant op een plateau. Wervik, Kortrijk, Destelbergen en Waasmunster-Pontrave liggen in de alluviale vlakte van een rivier, wellicht bij een brug of een doorwaadbare plaats. De meeste vici zijn gelegen in de onmiddellijke nabijheid van beken en/of rivieren. Mogelijk werden deze waterwegen gebruikt voor transport van goederen. Hun aanwezigheid kan eveneens een rol gespeeld hebben in de ontwikkeling van bepaalde ambachtelijke activiteiten zoals leerbewerking. (Magerman 2006: 140) Van essentieel belang voor de groei van een vicus is de ligging langs een belangrijke Romeinse weg of de verbinding hiermee. In het kader van zijn Germanië-politiek en met het oog op de veroveringen van Brittannië liet Augustus enkele wegen aanleggen die de Kanaalkusten verbonden met de Rijn. Eén van de belangrijkste wegen verbond Boulogne met Keulen, over de vicus van Velzeke, mogelijke Asse, Tienen en Tongeren. In Asse werd een Y-splitsing aangetroffen waarvan de ene tak naar Elewijt liep en de andere naar Rumst. Een andere belangrijke weg vertrok vanuit Bavay dat een belangrijk wegenknooppunt was. Deze weg, die archeologisch gezien vrij goed gekend is, liep naar het oosten over Liberchies, Baudecet, Taviers en Braives naar Tongeren om uiteindelijk in Keulen terecht te komen.

Morfologie van de vici

Ondanks het geringe onderzoek van grote oppervlakken van Vlaamse vici kunnen we stellen dat ze op verschillende manieren ontstaan en gegroeid zijn en dat er meerdere soorten grondplannen mogelijk waren. Het lijkt er op dat sommige vici, zoals waarschijnlijk Grobbendonk (De Boe 1986 : 108, 112) en Waasmunster-Pontrave, (Van Hove 1996 : 71) gekenmerkt worden door lintbebouwing langs één weg. Indien een vicus ontstond rond een kruispunt van wegen werd een centrum gevormd met lintbebouwing langs deze wegen. Dit lijkt het geval voor Asse (Michiels 2001 : 166), Tienen (Vanderhoeven et al. 2002 : 134) en Velzeke. (De Mulder 1999 : 10 ; Rogge 2004 : 47-48) Aan de rand van de vicus werden 1 of meerdere grafvelden aangelegd. De meeste vici zijn te weinig onderzocht om hun grootte juist te kunnen inschatten. Toch kunnen we werken met een aantal hypothetische grootteordes. De grootte van kleinere vici varieerde vermoedelijk van 2 à 3 tot 10 à 12 ha. Elewijt, Waasmunster-Pontrave, Velzeke en Asse liggen in de categorie van 15 tot 35 ha (Magerman 2006: 149). Recente opgravingen in Tienen doen zelfs vermoeden dat deze vicus een oppervlakte van 60 ha had. (Martens 2004; 2007)

Publieke bouwwerken

De aanwezigheid van publieke bouwwerken karakteriseert een agglomeratie met een zekere centrale organisatie. Met publieke werken bedoelen we activiteiten die door en voor de gemeenschap werden uitgevoerd. De financiering ervan gebeurde doorgaans door leden van de lokale aristocratie (ordo decurionum), voor wie dit vaak een uiting van sociaal-politieke competitie was. Bij opgravingen in vici in Vlaanderen werden echter nog maar weinig structuren aangetroffen die met zekerheid als publiek gebouw te identificeren zijn. Publieke ontspanningsgebouwen, zoals theaters of amfitheaters teruggevonden in Blicquy-Ville d’Anderlecht, waren waarschijnlijk aanwezig, maar werden nog niet ontdekt. (Magerman 2006: 143) In Grobbendonk (De Boe 1977: 36-40) (Van Dyck 1982) (De Boe 1986: 113), Tienen (Vanderhoeven & Vynckier 1996) (Vanderhoeven, Vynckier & Wouters 1997-1998) en mogelijk ook in Velzeke (De Mulder en Deschieter 2005: 30) en in Oudenburg (Mertens & Van Impe 1971) (Creus 1975) (Mertens 1987) werd een badgebouw aangetroffen ; In Grobbendonk en Tienen werden ook mogelijke horrea aangetroffen (De Boe 1977: 17-18; Vanderhoeven, Vynckier & Wouters 1997 ) In Velzeke werd een gebouw geïdentificeerd als een mogelijke baanpost. (Deschieter & Demulder 2005)
Aquaducten werden in vici niet met zekerheid herkend. Aan- en afvoerbuizen in hout of terracotta komen beperkt voor. Op het Grijpenveld in Tienen werd een waterleiding met houten buizen ontdekt die voorzag in de aanvoer van water naar het badgebouw, opgegraven in de Zijdelingsestraat. (Martens 1999) De vondst van een bronzen reptielenkop met opengesperde muil kan duiden op de aanwezigheid van een fontein in Asse. (Michiels 2001: 135) In geen enkele van de vici werd het eigenlijke centrum onderzocht. Het blijft vooralsnog een vraagteken hoe deze centra georganiseerd waren en of er fora, basilica en andere typische Romeinse elementen aanwezig waren.
Een laatste structuur die tot het publieke domein lijkt te hebben behoord, is de ceremoniële ruimte uit de Augusteïsche periode op het Grijpenveld in Tienen. Het gaat om een vierkant plein, omgeven door een gracht, met binnen dit areaal een vooralsnog moeilijk te interpreteren houtbouw. We vermoeden dat zich in deze zone op bepaalde tijdstippen grote mensenmenigten verzamelden, o.a. voor het houden van feestmaaltijden. Daarmee vertoont deze structuur, waarvan in Vlaanderen tot op heden parallellen lijken te ontbreken, grote verwantschap met de zgn. Viereckschanzen uit de ijzertijd en gelijkaardige complexen uit Frankrijk.

Private gebouwen

Typisch voor vici zijn de zgn. Streifenhäuser, lange, smalle gebouwen die met hun korte zijde naar de straat georiënteerd zijn. Deze huizen hebben vaak een stenen sokkel en zijn verder opgetrokken in vakwerk. Deze gebouwen waren mogelijk woningen, ateliers of winkels of een combinatie van meerdere functies. Ze werden in Vlaanderen enkel aangetroffen in de vici van Grobbendonk en Tienen. Over de herkomst van dit huistype is niets bekend. Waarschijnlijk gaat het om een creatie uit de Gallo-Romeinse periode zelf, ontwikkeld op maat van de door de samenleving van die tijd en nederzettingsvorm gevoelde behoeften.
Naast deze zgn. vicushuizen werden in vici ook gebouwen in hout aangetroffen. In Grobbendonk en Kontich gaat het om huizen van het Alphen-Ekeren type: een tweeschepige plattegrond met een centrale rij nokbalkdragers, diep in de bodem ingeplant. Huizen van het type Oss-Ussen (langswanden bestaande uit een dubbele rij van paarsgewijs geschikte palen) werden enkel in de vicus van Kontich aangetroffen. Voorbeelden van woningen gebouwd op ligbalken werden tot nu toe enkel in Grobbendonk herkend. Enkel in de vicus van Velzeke werd met zekerheid een drieschepig type blootgelegd. (De Mulder & Deschieter 2004) (De Mulder & Deschieter 2005) In de vicus Tienen werd in de Augusteïsche fase een houten gebouw van het Oss-Ussentype aangetroffen aan de rand van de nederzetting. Binnen het enclos bevond zich eveneens een inheems gebouw met centrale nokbalkdragers. (Martens et al. 2002)

Religieuze gebouwen

Het zeer beperkte onderzoek totnogtoe uitgevoerd in vici laat niet toe een analyse te maken van de aanwezigheid van tempels en hun respectievelijke goden in vici. In Grobbendonk, Kontich en Velzeke werden typische Gallo-Romeinse omgangstempels aangetroffen. Dit zijn tempels met een centrale cella, omgeven met een zuilengaanderij of porticus. Opvallend is de aanwezigheid van een Mithras-heiligdom in de vicus van Tienen. (Martens 2004; Martens 2007; Martens 2008)

Einde van vici

De meeste vici kenden een bloei vanaf de Flavische periode tot in de loop van de 2de eeuw n.Chr. In het laatste kwart van die eeuw veranderde de situatie wellicht onder de toenemende druk van de invallende volkeren en de politieke instabiliteit van het Romeinse Rijk. De vicus van Oudenburg bleef echter nog belangrijk tot in het derde kwart van de 3de eeuw dankzij de militaire aanwezigheid vanaf ca. 200 n.Chr. Vooral vanaf 275 n.C. verdwenen een aantal vici. 69 Enkel in Asse en Tienen leek de bewoning langer stand te houden.

Besluit

De huidige stand van het onderzoek van de agglomeraties met stedelijke kenmerken of vici laat niet toe een duidelijk beeld te geven van dit soort nederzettingen in Vlaanderen. Enerzijds werd geen enkele vicus voldoende onderzocht om een volledig beeld te kunnen geven van de ruimtelijke structuren en de verschillende functies van de vicus. Anderzijds werd het opgegraven materiaal ook te weinig bestudeerd en ontsloten. Bovendien ontbreekt een syntheseonderzoek en een onderzoekskader met vraagstellingen voor deze belangrijke categorie van nederzettingen in Vlaanderen. We kunnen binnen het bestek van de onderzoeksbalans archeologie maar een beperkt aantal onderzoeksvragen poneren.
Hoe ontstonden vici? Werden ze gesticht onder impuls van de locale gezagdragers van de Romeinse overheid of groeiden deze nederzettingen eerder spontaan, vanuit een economische behoefte? Voor de vici van Tienen en Velzeke is een stichting in de Augustëische periode verzekerd, maar ook voor Asse, Kruishouten en Grobbendonk wijst het muntenonderzoek in deze richting. Het lijkt op zijn minst aannemelijk dat de Romeinse gezagsdragers, misschien met behulp van het leger, de organisatie van deze centra ondersteunden en faciliteerden.
Bijkomend onderzoek kan ook in andere vici vroegere structuren aan het licht brengen.
Over de rol van vici op administratief en cultureel gebied is weinig bekend. Bij opgravingen werden totnogtoe, buiten badgebouwen, weinig of geen publieke gebouwen aangetroffen. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het geringe onderzoek in de Vlaamse vici.
Bijkomend onderzoek kan eveneens meer inzicht bieden in de ruimtelijke planning van de vici en de mate waarin er sprake is van een planning van de interne structuur van het
wegennet en de perceelsindeling. Momenteel zijn ook onvoldoende gegevens voorhanden om een inzicht te verkrijgen in de evolutie van de ruimtelijke ontwikkeling van de vici en van de evolutie van de private architectuur op zich.
Bijkomend onderzoek is zeker ook nodig om de economische rol van de verschillende vici en de stempel die deze drukten op de ontwikkeling van verschillende regio’s en vice-versa te begrijpen. Verder onderzoek van het al opgegraven vondstenmateriaal kan ook al meer inzichten bieden in deze rol van vici. Zo is er nood aan een typologische studie van het aardewerk van de verschillende productieplaatsen en een karakterisering van hun baksel. Verder onderzoek kan dan een licht werpen op de grootte van het netwerk van handelsrelaties van de vici met hun regio, met elkaar en met de hoofdstad Tongeren in de verschillende periodes. Door de mogelijkheid om aardewerk van de verschillende productieplaatsen te herkennen, kunnen netwerken van handelsrelaties van de vici met hun regio, met elkaar en met de hoofdstad Tongeren in de verschillende periodes blootgelegd worden. De al opgegraven resten van ateliers en activiteiten van bronsgieters en ijzersmeden verdienen eveneens een grondig onderzoek. Het is belangrijk te weten te komen waar de grondstoffen voor deze producties vandaan komen.
Totnogtoe werden in vijf vici gebouwen met een religieuze functie opgegraven. In Grobbendonk, Kontich en Velzeke werden typische Gallo-Romeinse omgangstempels aangetroffen. In Tienen werd een mithraeum opgegraven. Verder onderzoek van religieuze praktijken in vici dringt zich dan ook op.
Nauw verbonden met de vraag naar de rol en functie van de vici is ook een verdere studie noodzakelijk van de landschappelijke context van vici en hun inplanting t.o.v. het wegennet, de waterwegen en de aanwezigheid van natuurlijke grondstoffen en de verschillen in landgebruik.