5.6.2.2 Militaire nederzettingen

  • Auteurs: W. Dhaeze, A. Vanderhoeven en S. Vanhoutte

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de bibliografische kennis van militaire nederzettingen in Vlaanderen. Behalve de sites die door archeologisch onderzoek met zekerheid als militair zijn te bestempelen, worden ook enkele vindplaatsen besproken die mogelijkerwijs een militair karakter hadden. De sites zijn opgedeeld per periode (vroeg-Romeins, midden-Romeins en laat-Romeins). Ook hun geopolitieke en/of militair-historische kader komt aan bod.
Theoretisch loopt de Romeinse tijd vanaf de veroveringen van Gallië door Julius Caesar (58-51 v.Chr.) tot de val van Rome in 476 n.Chr. Archeologisch kan de Romeinse militaire aanwezigheid in onze streken echter maar aangetoond worden vanaf ca. 15 v.Chr. in het kader van het Germaans offensief van keizer Augustus. Aan het begin van de 5de eeuw liep de Gallo-Romeinse periode hier al ten einde met de terugtrekking van de Romeinse troepen uit Noord-Gallië.

1 De vroeg-Romeinse periode (ca. 50 v.Chr. – 70 n.Chr.)

Uit de tijd van de Gallische oorlogen werden in Vlaanderen tot nog toe geen overblijfselen aangetroffen. Recent publiceerde Rombaut 1 een voorstel tot identificatie van een aantal locaties uit Caesars’ De Bello Gallico in ons land. Hij doet dat aan de hand van historisch-geografische informatie, toponymische gegevens en vergelijkingen van Caesars teksten met de lokale topografie van zijn identificaties.
De oudste sporen van militaire bedrijvigheid uit de oudheid in Vlaanderen situeren zich mogelijk op het plateau van Caster te Kanne. Daar werden in de jaren 1970 door middel van de aanleg van een groot aantal zoeksleuven de gracht- en walsystemen van een versterking in kaart gebracht. 2 3 4 5 Uit de profielen van de grachten bleken tenminste twee bouwfasen herkenbaar. De schaarste aan mobiele vondsten bemoeilijkt jammer genoeg de datering van dit complex. Nabij één van de poortgebouwen kon een reeks verkoolde balken voor dendrochronologisch onderzoek bemonsterd worden.
De aanvankelijke datering van deze balken in 57 v.Chr., mede een argument om de site met het door Caesar beschreven Atuatuca van de Eburonen te identificeren, 6 7 moest later bijgesteld worden tot 31 v.Chr. 8 9 10 Deze bijstelling gaf vervolgens weer aanleiding om de versterking met de opstand van de Treveri in 30/29 v.Chr. in verband te brengen, zonder daarom de mogelijkheid uit te sluiten dat de nederzetting ook het Atuatuca van de Eburonen zou geweest zijn. Zoals gezegd vertoont het profiel van de grachten immers twee aanlegfasen. Geen van beide grachten kan evenwel aan de dendrochronologische dateringen van het wallichaam en poortgebouw gekoppeld worden. 11 12 13 14
Voor de Augusteïsche periode beschikken we over meer vindplaatsen. 15 16 Hun militaire aard blijft echter ter discussie staan. Hierbij kan onder andere verwezen worden naar de publicaties van Wightman 17 en Mertens 18 die de militaire oorsprong van verschillende Romeinse sites in het vroege Romeinse Gallië onderzochten. De belangrijkste vindplaats is ongetwijfeld Tongeren. Het blijft evenwel een onuitgemaakte zaak of deze nederzetting als een legerplaats uit de tijd van de verplaatsing van de Romeinse troepen van het Gallische binnenland naar de Rijn omstreeks 15 v.Chr., als een bevoorradingskamp uit de tijd van de Overrijnse campagnes vanaf 12 v.Chr. tot 16 na Chr. of als civitashoofdplaats van de Tungri omstreeks 10 v. Chr. werd aangelegd. De eerste twee visies stonden in de jaren 1960 tot 1980 centraal. 19 20 21 22 23 24 25 26 De laatste visie wordt ingegeven door het recentere stadsonderzoek. 27 28 29 30 31 Uit dezelfde tijd dateert het vermoedelijke legerkamp van Velzeke, dat evenwel maar in zeer beperkte mate onderzocht kon worden. De drie brede spitsgrachten die in 1976 werden ontdekt, lijnen mogelijk een kamp af met de vorm van een onregelmatige rechthoek. 32 33 34 35 36 Een gelijkaardig tijdelijk kampement werd vermoedelijk aangesneden in Kooigem (gemeente Kortrijk en Zwevegem). Hier werd op de site Kooigem-Bos, een strategische plaats op een hoogte, in 1982 37 en in 1990 38 de mogelijke verdedigingsstructuur met spitsgracht en aarden wal van een een vroeg-Romeinse legerplaats ontdekt, die uit de Augusteïsche periode lijkt te dateren. 39 Twee vindplaatsen, met een hardnekkige traditie van het vermoeden van een vroeg-Romeinse legerplaats zijn verder Asse 40 41 42 43 en Elewijt. 44 45 46 47 Voor de site van Wange vermoeden de opgravers eveneens een vroeg-Romeinse militaire aanwezigheid. 48 49 In Wervik werd recentelijk tijdens proefsleuvenonderzoek een spitsgracht aangetroffen die mogelijk hoort bij een vroeg-Romeins militair kamp. 50 Kester, een toponiem dat verwijst naar castrum, wordt soms als de mogelijke locatie van een vroeg-Romeinse versterking gepresenteerd. 51
De regering van Tiberius (14-37) lijkt in de noord-Gallische en neder-Rijnse regio op militair gebied een eerder kalme periode geweest te zijn. Daarin komt verandering met Calligula (37-41) en vooral Claudius (41-54). 52 Uit hun regeringsjaren dateert een versnelde uitbouw van de Rijnlimes en de organisatie van expedities naar Britannia. Tot nu toe zijn in Vlaanderen geen sporen aangetroffen die met deze verhoogde militaire activiteiten in verband zijn te brengen. De Batavenopstand, de gewelddadige gebeurtenis die in onze streken de vroeg-Romeinse tijd afsluit, heeft wel sporen nagelaten in de vorm van een brandlaag in Tongeren. 53 54 55

2 De midden-Romeinse periode (ca. 70 – 275)

Voor de periode van ca. 70 tot ca. 170 na Chr. is er op het grondgebied van het huidige Vlaanderen geen enkele nederzetting bekend die met zekerheid als militair kan gekarakteriseerd worden. Het is een periode van rust en economische bloei. Vanaf het einde van de regering van keizer Marcus Aurelius (161-180) komt hierin echter verandering. Het Romeinse Rijk wordt op diverse fronten aangevallen en ook Gallia Belgica blijft hiervan niet gespaard.
Het castellum van Maldegem-Vake getuigt van deze onrustige periode. Dit kamp werd door luchtfotografie ontdekt en van 1984 tot 1992 door de Universiteit van Gent opgegraven, waarbij ongeveer een derde van het kampareaal werd onderzocht. Het kamp had een vierkant grondplan met zijdes van 157,5 m. Zowel het verdedigingssysteem als de binnenbebouwing volgde de traditionele kamparchitectuur. Het verdedigingssysteem bestond uit een dubbele spitsgracht, een aarden wal met palissade en vier toegangspoorten. In het binnengedeelte werden drie barakken, tien waterputten, enkele werkplaatsen en een latrina onderzocht. 56 Door gedetailleerde studie van de grondplannen was het mogelijk om nog enkele bijkomende gebouwen te onderscheiden, met name twee barakken en enkele centraal gelegen gebouwen. 57 De munten plaatsen het kamp aan het begin van de jaren ’70 van de tweede eeuw na Chr. Dendrochronologisch onderzoek bevestigt deze datering. 58 Archeologische en bodemkundige gegevens tonen aan dat het kamp maar kortstondig was bewoond, hooguit enkele seizoenen. 59 In het kamp was een gemengde eenheid gelegerd waarvan de aard en de herkomst nog stof voor debat vormen. 60 Volgens Thoen betrof het een Tongerse eenheid. 61 62 Richtinggevend in deze hypothese zijn de aangetroffen rolkeien die verzameld werden in een oud Maasterras tussen Maastricht en Luik. 63 64 Op basis van een historische bron kan het kamp gelinkt worden met de invallen van de Chauken in de jaren 172-174 n.Chr. Het kamp kan beschouwd worden als interventiekamp tegen deze invallen. 65 66 Thoen geeft daarbij een overzicht van de algemene militaire situatie in westelijk België op dat moment. In discussies over het castellum van Maldegem-Vake wordt dikwijls verwezen naar Aardenburg (Nl.) waar rond 175/180 na Chr. een versterking in steen met een rechthoekig grondplan van 150 op 240 m werd opgericht. Daar werden de restanten van een verdedigingsmuur met ronde torens, een poortgebouw met eveneens ronde torens, een stafgebouw, barakken en bestrating opgegraven. 67 68 Het castellum van Aardenburg maakte deel uit van een vroege vorm van kustverdediging, waar vermoedelijk pas ca. 200 Oudenburg in werd betrokken. Ook enkele vlootbases van de classis Germanica, gelegen aan de Zeeuwse en Zuid-Hollandse kust, maakten deel uit van deze kustverdediging. 69 70
Sinds het onderzoek van J. Mertens is gebleken dat er vanaf de midden-Romeinse periode een castellum in Oudenburg was ingeplant. Oudenburg kende een zeer strategische ligging. In de Romeinse periode bevond deze plaats zich aan de rand van de kustvlakte, een wadgebied met slikken en schorren. De oostwest gerichte landtong waarop Oudenburg ontstond, een zijtak van de dekzandrug Gistel-Brugge-Maldegem-Stekene, was een ideale uitkijkpost over de kustvlakte. Hier vonden de Romeinen bovendien een goede ondergrond om op te bouwen en zoet water was ruim voorhanden. Er was verder een directe toegang tot de zee via één van de getijdengeulen die de kustvlakte doorsneden. 71 De voordelen vanuit geologisch standpunt voor de oprichting van een fort op deze plaats werden opgemerkt door Mostaert. 72 Ook de aansluiting tot het Romeinse wegennet was belangrijk. De Zeeweg, die Oudenburg via Aartrijke verbond met Bavai, en de Zandstraat die via Brugge naar Aardenburg leidde, komen hier samen. 73 Al in de loop van de tweede helft van de 1ste eeuw n.Chr. ontstond hier een Romeinse handelsnederzetting die in de loop van de 2de eeuw uitgroeide tot een bloeiende agglomeratie en waarschijnlijk het grootste deel van de zandige opduiking inpalmde. 74 75 76 De legereenheid die zich hier later kwam vestigen, kon dus profiteren van een al aanwezige economische activiteit en bood op zijn beurt bescherming aan de nederzetting. In de loop van het derde kwart van de 3de eeuw werd deze burgerlijke nederzetting verlaten en werd de vestiging in Oudenburg puur militair. 77
Het archeologisch onderzoek in Oudenburg startte in 1956. Op basis van toponymische, topografische en historische bronnen was al langer door onderzoekers gesuggereerd dat hier de resten moesten te vinden zijn van een Romeins fort. 78 79 Een belangrijke informatiebron is het 11de-eeuwse traktaat van een geestelijke uit de Sint-Pietersabdij van Oudenburg. 80 Het was Mertens die de aanwezigheid van het Romeins castellum in het stadscentrum door middel van sleuvenonderzoek aantoonde. In 1956-1957 en 1960 vonden deze eerste opgravingscampagnes plaats. Hij lokaliseerde de contouren van het stenen fort en onderzocht de noordoostelijke hoektoren en de noordelijke toren van de westelijke toegangspoort. 81 82 83 84 Aanvullend onderzoek ter hoogte van het castellum vond plaats in 1970 met een paar dwarssleuven op de westrand van het kamp. Pas tijdens de campagnes van 1976 en 1977 werd onderzoek uitgevoerd naar de binnenbebouwing van het castellum op een terrein dat door zijn voormalige functie als gemeentelijk kerkhof een deels verstoord bodemarchief opleverde. 85 86 87 88 89 90 91 92 93 Deze campagnes intra muros werden niet in detail gepubliceerd, maar bleven beperkt tot korte besprekingen en overzichtsartikels. 94 95 96 97
De verschillende opgravingen deden Mertens besluiten tot een erg langdurige militaire bezetting van eind 2de tot begin 5de eeuw na Chr. 98 99 100 101 Hij besloot tot een drieledige fortchronologie met twee houten en aarden forten en één stenen castellum. Pas in 2001 konden opnieuw opgravingen plaatsvinden op het fortgebied. Dit vlakdekkend onderzoek ter hoogte van de zuidwestelijke hoek van het castellum toonde een veel complexere occupatiegeschiedenis van het fort aan en leverde een verfijnde chronologie op van de occupatie van het castellum. Het post-excavation-onderzoek van deze site is nog volop aan de gang. 102 103 104 105 106 107 108 Er kon een opeenvolging vastgesteld worden van vijf fortperiodes die gedateerd worden tussen ca. 200 n.Chr. en het begin van de 5de eeuw. Verschillende argumenten pleiten voor een opeenvolging van drie houten en aarden forten en twee stenen castella. Het archeologisch onderzoek liet toe inzicht te krijgen in de ruimtelijke organisatie van de zuidwestelijke zone van het fort, die in elke fortperiode evenwel een andere functionele invulling kreeg. Doorheen haar occupatiegeschiedenis werd de zuidwestzone immers voor verschillende doeleinden gebruikt. De ruimtelijke organisatie onderging daarbij radicale wijzigingen, wat er ook op wijst dat er vermoedelijk geen continuïteit was in de occupatie. Contubernia, een valetudinarium, vrijstaande wooneenheden, fabricae, een badgebouw en dieren op stal bezetten achtereenvolgens dit terrein. De eerste drie, houten fasen zijn in de midden-Romeinse periode te situeren. Het eerste stenen fort is vermoedelijk al in de overgangsperiode met de laat-Romeinse tijd te plaatsen.
Gezien de gunstige ligging van Brugge t.o.v. het Romeinse land- en waterwegennet werd in het verleden enkele malen gestipuleerd dat ook hier op één of meerdere momenten militaire bezetting is geweest. 109 110 Brugge is net als Oudenburg en Aardenburg van groot geostrategisch belang: opgericht op een pleistocene opduiking aan de rand van de kustvlakte en door twee geulen met de zee verbonden. Brugge lag halverwege de Zandstraat die Aardenburg met Oudenburg verbond. De aanwezigheid van een haven (Fort Lapin) wijst op het belang van deze plek als handelsnederzetting. De eerste door Thoen geformuleerde werkhypothese is dat het oorspronkelijke middeleeuwse castrum van Brugge (dat een vierkant grondplan zou hebben gehad) teruggaat op een Romeinse versterking. 111 Onderzoek van De Meulemeester en Matthys toonde aan dat dit castrum het resultaat was van een zuiver middeleeuws proces en geen vierkante vorm had. 112 Thoen en Ryckaert ontwikkelden 10 jaar later een nieuwe werkhypothese waarbij het vierkant omgeven door de Kraanrei, Spiegelrei, Groene Rei en Sint-Annarei een reflectie zou kunnen zijn van een Romeinse versterking. 113 Tot op heden werd noch binnen in dit vierkant noch op andere plaatsen in Brugge enige structuur gevonden die wijst op de aanwezigheid van een castellum.
E. Cools vermoedt dat er tijdens de Hoge Keizertijd ook op de oude duinengordel op Belgisch grondgebied militaire versterkingen waren opgericht. 114 115 Deze zouden ter hoogte van de kreekmondingen ingeplant zijn geweest. Dat dit een valabele stelling is, blijkt uit het feit dat er op meerdere plaatsen in de oude duinen van Zeeland en Zuid-Holland vlootbasissen waren opgericht. Doordat deze duinen in Vlaanderen grotendeels zijn weggespoeld, is dit echter moeilijk te verifiëren. Tot nu toe werden echter geen vondsten aangetroffen op het strand of in de netten van vissers die zouden wijzen op de aanwezigheid van militaire installaties in de oude duinen.
Op het einde van de 2de eeuw en tijdens de 3de eeuw was er op de Schelde en haar zijrivieren vermoedelijk een detachement van de classis Germanica actief. De aanwijzingen zijn summier, maar toch niet onbelangrijk: zowel in Rumst als in Rijmenam werden dakpanfragmenten met CGPF-stempel gevonden. 116 117 In Rumst-Molenveld, op dezelfde plaats waar in 1873 de dakpanstempel was gevonden, werden tijdens opgravingen in de tweede helft van de jaren tachtig sporen van het verdedigingssysteem van een vermoedelijk castellum aangetroffen. 118 119 Het verdedigingssysteem bestond uit een dubbele rij paalkuilen die geïnterpreteerd werden als de resten van een hout-aarde-wal met een dubbele houten beschoeiing, en twee verdedigingsgrachten. Dit castellum wordt op basis van het vondstenmateriaal gesitueerd in de tweede helft van de 2de eeuw - begin 3de eeuw. Of hier een hulptroep dan wel een vlooteenheid gelegerd was, is moeilijk te zeggen.
In het kader van de discussie over de Romeinse vloot in onze gewesten, moet ook Antwerpen vermeld worden. Sporen van een Romeinse versterking werden er tot op heden niet gevonden, maar een soldatenfibula en twee dakpannen met het opschrift ‘PRIMCORS’, aangetroffen op de site Antwerpen-Stadsparking 120 121 122 123 zijn vondsten die in de militaire sfeer kunnen liggen. 124
In 261 en in 268, wanneer ons gebied deel uitmaakte van het Gallische Keizerrijk dat zich had afgescheiden van het Romeinse Rijk (van 260 tot 274 n.Chr.), werd het noorden van Gallië opnieuw geteisterd door Frankische piraten. Deze rooftochten waren zo ingrijpend dat heel wat bewoners wegtrokken uit het kustgebied. Tijdens deze periode werd opnieuw een vorm van kustverdediging opgezet, waarbij een aantal plaatsen langs de Vlaamse en Zuid-Nederlandse kust was betrokken: Oudenburg, Aardenburg, Domburg en Schouwen. 125 126 Zowel in Oudenburg 127 128 als in Aardenburg wijzen de munten en het aardewerk er op dat de kampen toen een belangrijke fase doormaakten. Het castellum van Oudenburg werd in deze periode in de latere 3de eeuw versteend. 129
Volgens Rogge zouden de Gallische keizers ook langs de weg Kortrijk-Velzeke-Tienen-Tongeren versterkte baanposten en burgi hebben laten oprichten met als doel de vruchtbare leemstreek te vrijwaren van aanvallen. 130 Tijdens de opgraving van de Gallo-Romeinse villa van Velzeke-Steenbeke kwam de noordelijke hoek van een versterking, bestaande uit twee evenwijdige grachten en een aarden wal met palissade, aan het licht. Het verdedigingssysteem vertoont veel gelijkenissen met sommige burgi aan de weg Bavay-Keulen. De archaeologica lieten toe de versterking in het derde kwart van de 3de eeuw te dateren. Een gelijkaardige versterking uit dezelfde periode werd ontdekt in de zuidoostelijke sector van de vicus Velzeke. Er werden sporen van een dubbele gracht, een aarden wal met palissade aan de buitenzijde en de fundering van een steenbouw opgegraven. 131 In Overhespen werd in de onmiddellijke nabijheid van de weg Tienen-Tongeren een deel van een defensief grachtensysteem aangesneden. Hoewel goed dateerbare vondsten ontbreken, plaatst Lodewijckx deze versterking in de 3de eeuw. 132
Wellicht uit dezelfde periode dateert ook de site Aalter-Loveld die mogelijk ook militair van aard was. De site is gelegen langs de Romeinse weg die van Aalter in de richting van het castellum van Maldegem-Vake en verder naar Aardenburg loopt. Ze is gelegen op een uitgesproken tertiaire opduiking die zich verheft boven het omliggende landschap. In de zomer van 2006 werden er in de opgravingssleuf uitbraaksporen en funderingsresten van de oostelijke hoek van een groot gebouw in steen aangetroffen die in de volle 3de eeuw kunnen gedateerd worden. 133 134 Eerder waren in de onmiddellijke omgeving ook al uitbraaksleuven van stenen muren en een waterput, die deels in steen was opgebouwd, gevonden. 135 De waterput leverde o.a. een houten panfluit, een stemsleutel, een gouden fibula en twee zeer grote ongebruikte maalstenen op. Samen met deze uitzonderlijke vondsten tonen de steenbouw, de waterput in steen en de plek waar de site was ingeplant, in ieder geval aan dat het een site met een meer dan lokale status betreft, mogelijk (tijdelijk) met militair karakter. Op de site werd tijdens prospecties immers ook een pelta aangetroffen en tijdens de recente opgravingen een speer- of lanspunt in ijzer. 136 137 Een laatste argument is dat de plaats tijdens de middeleeuwen het toponiem Ter Caester droeg. 138
In de militaire sfeer hoort ook de grote vierkante structuur op de site Knesselare-Kouter thuis. Deze structuur was ingeplant vlakbij de Romeinse weg van Aalter naar Aardenburg. Ze had zijdes van 35,5 m, was omgeven door een omwering in hout en had een monumentale toegangspoort in het midden van één van de zijdes. De ruimte vóór de toegangspoort werd afgeschermd door een soort clavicula. Behalve enkele palenclusters, werden in de binnenruimte echter geen sporen aangetroffen. Twee 14C-dateringen plaatsen de site ergens tussen 225 en 325 n.Chr. De combinatie van elementen die thuishoren in de Romeinse militaire kamparchitectuur met elementen uit de inheemse architectuur maakt het tot een ongewone site waarvoor geen parallellen voorhanden zijn. De afwezigheid van spitsgrachten duidt aan dat we hier niet met een volwaardig Romeins kamp te maken hebben. De Clercq interpreteert deze site als een versterking die niet door het leger maar door een inheemse groep werd gebouwd. De Clercq laat in het midden of dit een door de overheid gesteunde militie dan wel een opstandige groep tegen het Romeinse gezag was. In het tweede geval is de associatie met de Bagaudae niet veraf. 139 140

3 De laat-Romeinse periode (ca. 275 - 400)

Hoewel strikt genomen geen zuiver militaire constructie, dient aan het begin van deze paragraaf toch even ingegaan te worden op de laat-Romeinse stadsmuur van Tongeren. Dit bouwwerk maakt immers deel uit van een keten van forten en versterkte steden langs de weg van Boulogne naar Keulen. Alleen al de overeenkomsten in bouwtechniek en -stijl doen veronderstellen dat de aanleg van de versterkingen langs deze weg één groot militair bouwproject is geweest. De tracering van zowel de 2de- als 4de-eeuwse stadsmuren van Tongeren heeft vooral in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw plaatsgevonden. Sindsdien is de belangstelling voor deze grootste Romeinse bouwwerken van ons land alsmaar afgenomen. De voorbije decennia kunnen met betrekking tot het onderzoek van de laat-Romeinse muur maar enkele graafwerkzaamheden vermeld worden. 141 142 143 Daarnaast worden in talloze synthesewerken beschouwingen aan dit bouwwerk gewijd, zonder dat veel nieuwe informatie beschikbaar is gekomen. 144 145 146 147 148 149 150 151
De belangrijkste laat-Romeinse militaire site in Vlaanderen is het castellum van Oudenburg. Het fort werd vermoedelijk ingeschakeld in de Litus Saxonicum, een grootschalig verdedigingssysteem langs de Britse en Gallische kusten, gekend uit de Notitia Dignitatum. Het grondplan van het 4de-eeuwse fort, zijn topografische positie en verschillende vondsten die een nauwe link vertonen met de Zuid-Engelse forten van deze linie 152 153 laten dit vermoeden. J. Mertens voerde verschillende argumenten aan om Oudenburg te vereenzelvigen met de Portus Epatiacus uit de Notitia Dignitatum. In het vermelde fort waren de Milites Nerviorum gelegerd. 154 155 156 Door anderen wordt deze identificatie echter verworpen. 157 158 Hoe dan ook, het staat buiten kijf dat Oudenburg een belangrijke plaats moet hebben bekleed in het verdedigingssysteem langs de Gallische kust. 159 De resultaten van het onderzoek van J. Mertens in de jaren 1950, 1960 en 1970 werden dan ook opgenomen in verschillende buitenlandse publicaties. 160 161 162 163 Hoogstwaarschijnlijk staat het einde van het castellum van Oudenburg in verband met de crisis die zich voordeed in Noord-Gallië in de periode 406-410.
In 1963-1964 en 1968 werden door J. Mertens zo’n 400 m ten westen van het castellum 216 graven van een militair inhumatiegrafveld (grafveld A) uit de tweede helft van de 4de eeuw en het begin van de 5de eeuw blootgelegd, waardoor we een beeld hebben van de laat-Romeinse inwoners van het fort. 164 165 166 167 168 169 170 171 172 Al in 1962 waren bij een nieuwbouw enkele graven van een zuidelijker gelegen, iets ouder grafveld aangesneden (grafveld B). 173 174 175 176 177 Een gezichtsurne van Britse herkomst uit één van de graven van grafveld B werd recentelijk nog onder de loep genomen. 178 Beide sites brachten inwoners van de laatste fasen van het kamp aan het licht, die hier in vol ornaat begraven lagen, vergezeld van rijke grafgiften. Grafveld A werd volledig gepubliceerd in Mertens & Van Impe 1971. De dierenresten gevonden in de graven werden bestudeerd door Gautier 179, de munten door Lallemand. 180
Onder de graven werden de resten aangetroffen van een burgerlijke nederzetting uit het Hoge Keizerrijk. 181 182 Tijdens de opgravingscampagne ter hoogte van de zuidwesthoek van het castellum die voor de laat-Romeinse periode twee stenen fortfasen aantoonde, werd ook een noodonderzoek uitgevoerd op de noordoosthoek van het castellum (2003-voorjaar 2004) ter gelegenheid van de plannen voor een nieuw huisvestingsproject. 183 De laatste uitgebroken restanten van de noordoostelijke hoektoren en van de verdedigingsmuur en de rand van de binnenbebouwing werden er aangesneden. De recente opgravingscampagnes zorgden voor een nauwkeuriger situering van de verdedigingsmuur wat resulteert in fortafmetingen van ca. 153 op 176 m of een fortoppervlakte van ca. 2,7 ha.
Vanaf het begin van de 4de eeuw werd naast de bescherming van de kust en het herstel van de Rijn-limes ook werk gemaakt van de verdediging in de diepte. Langs de belangrijkste heirbanen werden militaire posten opgericht. Dit was bijvoorbeeld het geval voor de weg Boulogne-Cassel-Kortrijk-Velzeke-Tongeren. In Kortrijk werd er vermoedelijk in het begin van de 4de eeuw een groot stenen castellum gebouwd. 184 185 In de Notitia Dignitatum vinden we immers de vermelding terug van een troepenafdeling Cortoriacenses. Over de vraag of we onder Cortoriacenses een te Kortrijk gevestigde legereenheid of een in het Kortrijkse geronselde groep soldaten moeten verstaan, is men het niet eens. 186 187 Een overzicht van de laat-Romeinse vondsten die in de loop van de 20ste eeuw in Kortrijk werden aangetroffen, geeft aanwijzingen voor de lokalisatie en de datering van de laat-Romeinse bewoning. 188 Het 4de-eeuwse Cortoriacum kan vermoedelijk gesitueerd worden op een naar de Leie afhellend zandlemig terrein, tussen de Leie en de monding van de Groeninge- en Klakkaersbeek. 189 190 Despriet wijst er echter op dat het eventuele militaire karakter of het bestaan van een castellum hiermee nog niet bevestigd is. 191 Op andere strategische punten langs de weg Boulogne-Tongeren werden kleine sperforten (burgi) opgericht, zoals te Velzeke, Asse, Elewijt en Overhespen. 192 Ooghe, Debrabandere en Despriet opperen op basis van Romeins bouwmateriaal in de funderingen van de Romaanse voorloper van de Sint-Salvatorskerk en de vondst van twee laatromeinse muntschatten uit de 4de eeuw de hypothese dat er ook een laat-Romeinse vesting heeft bestaan in Harelbeke. Net zoals in Kortrijk zou deze dan later zijn uitgegroeid tot een grafelijke nederzetting, maar 5 kilometer van elkaar verwijderd. 193

Behalve het wegennet werd ook het rivierennet betrokken in de verdediging in de diepte. Er zijn concrete aanwijzingen van toponymische (Casterbant, Castelbant) en archeologische aard (4de-eeuwse munten en radjessigillata) om aan te nemen dat er ter hoogte van de samenvloeiing van de Leie met de Schelde te Gent een castellum was ingeplant, meer bepaald op de plaats waar de latere Sint-Baafsabdij werd gebouwd. 194 195
Vermelden we ten slotte nog de in 1940 opgegraven pre-Romaanse fase van de Sint-Pieterskerk te Torhout. De opgravers interpreteerden deze structuur als een Karolingische centraalbouw. Op basis van vormelijke overeenkomsten met laat-Romeinse wachttorens, gevonden aan de Engelse Kust, en op basis van enkele dakpanfragmenten herinterpreteerde Cools ze als een laat-Romeinse wachttoren. 196 197 Tot op heden ontbreken concrete bewijzen, maar in 1991 werd in een kleine proefsleuf even buiten de kerk vastgesteld dat de substructies van de zogenaamde Karolingische centraalbouw vooral Romeins materiaal bevatten, zoals mortel, beton en fragmenten van fresco’s. Dit materiaal was wellicht afkomstig van een in de buurt gelegen elitair gebouw, zoals een badgebouw, tempel of dergelijke. 198 Ook in Stokkem zijn het niet meer dan vondsten die wijzen op een militaire versterking op deze plaats tijdens de laat-Romeinse periode. 199 200
Verschillende publicaties van de hand van Brulet geven een overzicht van de laat-Romeinse militaire situatie in onze contreien 201 202 203, waarbij de militaire stellingen van Oudenburg, Tongeren en Stokkem worden vermeld. De algemene chronologie van de versterkingen in de laat-Romeinse periode in Noord-Gallië wordt besproken door Brulet. 204 205 206 207 Hij geeft ook een overzicht van alle laat-Romeinse sites, zowel militair als civiel, in onze streken. 208
Het uiteindelijke terugtrekken van de Romeinse troepen in het begin van de 5de eeuw, dat kaderde in een algemene crisis in Noord-Gallië in de periode 406-410, betekende ineens ook het einde van de Romeinse periode in onze gewesten. 209 210 211 Ook het castellum van Oudenburg werd toen verlaten. 212 Germaanse groepen waren echter al langer gevestigd in onze contreien. 213 Over het einde van de Romeinse periode en de overgangsperiode met de vroege Middeleeuwen zijn we archeologisch amper ingelicht.

4 Aandachtspunten voor verder onderzoek

Over het algemeen is de militaire betekenis van onze gewesten in de Romeinse tijd slecht gekend. Voor zowat alle perioden en aspecten van dit thema manifesteert zich de behoefte aan bijkomend onderzoek.
Zo is er dringend nood aan een actiever opsporen in Vlaanderen van een ongetwijfeld aanwezige archeologische horizont uit de tijd van de Gallische oorlogen en de daarop volgende decennia. Recent grootschalig onderzoek in Noord-Frankrijk heeft aangetoond dat een nog onbekende wereld voor ontsluiting op ons wacht. 214 Als startpunt valt te denken aan een grondige evaluatie van het kleine aantal in Vlaanderen gelegen hoogtenederzettingen, zoals Kanne en Asse. Ook de studie van late inheemse muntschatten en muntvondsten kan een bijdrage leveren aan een beter begrip van deze vroege periode.
Voor de Augusteïsche periode zal intensiever terreinonderzoek naar de oudste horizonten in Tongeren en andere centrale plaatsen moeten plaatsvinden. In principe zou van deze horizonten, die toch al ernstig door latere bewoningssporen zijn aangetast, niets meer ongedocumenteerd mogen verloren gaan. In afwachting van de ontdekking van bijkomende vindplaatsen zou men voor al bekende sites als Tongeren, Velzeke, Elewijt, Kooigem, Tienen en Wange een grondige evaluatie van de met de oudste sporen van deze sites geassocieerde vondsten kunnen uitvoeren.
Wat zich op militair gebied ten tijde van de uitbouw van de Rijnlimes, van de voorbereiding van de Britse expedities en van de opstand van de Bataven in onze gewesten heeft afgespeeld is volslagen onbekend. Vooruitgang moet op de eerste plaats van nieuwe ontdekkingen in het kader van systematische prospecties of van preventieve opgravingen verwacht worden. Toch staan we niet geheel met lege handen. Zo verdient het aanbeveling, naar het voorbeeld van de civitas Tungrorum, 215 ook een prosopografisch onderzoek uit te voeren naar de hulptroepen uit de civitas Nerviorum en de civitas Menapiorum.
De interactie tussen civiele en militaire organisatievormen in de middenkeizertijd is grotendeels onontgonnen terrein. Wellicht wordt het testen van nieuwe hypotheses bemoeilijkt door een visie die militair en civiel te strikt gescheiden wil houden. 216 Dat belet oog te hebben voor sporen van militaire aanwezigheid in burgerlijke nederzetting als steden en vici, zoals misschien het geval was met het horreum nabij de civitashoofdplaats Tongeren. Het belemmert wellicht ook de interpretatie van militaria in op het eerste gezicht niet-militaire contexten. Gerichte prospecties in bepaalde regio’s zouden ons op het spoor van militaire sites kunnen brengen. Zo zou het interessant zijn om de werkhypothese van Cools 217 betreffende de kustverdediging door prospecties te verifiëren. Het zou raadzaam zijn om de door hem voorgestelde prospectiegebieden, als daar zijn het Plateau van Izenberge, het randgebied van het Houtland en de zuidrand van de Scheldemonding nader te onderzoeken.
De Germaanse invallen en de Romeinse reacties daarop, nog incidenteel in de tweede helft van de 2de eeuw, maar grootschalig in de 3de eeuw, zijn voor het Menapisch en Nervisch gebied voor zover mogelijk al eens in kaart gebracht (zie supra). Voor het gebied van de Tungri moet dit nog gebeuren. Hoe dan ook geldt voor heel Vlaanderen dat we rekening moeten houden met een nog grotendeels onbekend bodemarchief dat ons de Romeinse reacties op die vroege invallen zou leren kennen. Dit geldt evenzeer voor de late keizertijd. De versterkte stad Tongeren en het castellum van Oudenburg zijn geen geïsoleerde sites, maar liggen ingebed in een fijnmazig netwerk van verdedigingswerken, dat zich weliswaar in belangrijke mate buiten het Vlaams gebied bevindt, maar zich ook tot in onze gewesten moet uitstrekken.
Tot slot zouden we grote baat hebben bij een systematische studie van de militaria die ongetwijfeld in de talloze collecties van metaaldetectoramateurs aanwezig zijn. Een inventaris en lokalisering van deze vondsten, naar het voorbeeld van het Bataafse gebied 218 zou ons op het spoor van heel wat militaire aspecten van de samenleving kunnen zetten. De enkele militaria die de voorbije jaren gepubliceerd werden zijn maar het topje van de ijsberg. 219 220 221 222 223 224 225