5.6.2.7 Muurschilderingen en mozaïeken

  • Auteurs: S. Vanhoutte en A. Vanderhoeven

Op heel wat Romeinse sites in Vlaanderen worden beschilderde pleisterfragmenten aangetroffen. Muurschilderingen komen zowel op militaire als op burgerlijke sites voor en worden daar in contexten van zowel publieke als private bouwwerken aangetroffen. In Tongeren is bovendien de vondst van een vermoedelijk laat-Romeins beschilderd graf bekend. De overgrote meerderheid van de opgegraven pleisterstukken is echter niet gepubliceerd of wordt maar summier in het opgravingsrapport behandeld. In het meest gunstige geval beperkt men zich tot een opsomming van het aantal fragmenten, de decoratiepatronen en het gebruikte kleurenpalet. Het aantal studies dat uitsluitend aan in Vlaanderen opgegraven Romeinse muurschilderingen gewijd is, is zeer beperkt.

Vanaf de jaren 1980 groeide enige interesse voor deze vondstcategorie. Delplace (1983) maakte het eerste overzichtswerk voor ons land en stelde een catalogus van alle haar tot dan toe uit België bekende fragmenten van muurschilderingen op. Verder werd ook een licentiaatsthesis aan de Gallo-Romeinse wandschilderingen in België gewijd. (Meeus 1986) Niet alleen de muurschilderingen maar ook de gebruikte grondstoffen kregen in de jaren 1980 enige aandacht. Een selectie van Romeins mortel, pleister en vloerbeton werd in het kader van een licentiaatsverhandeling micromorfologisch onderzocht. (Mestdagh 1990; Mestdagh 1991) Ondermeer stukken van de Romeinse sites van Oudenburg, Wenduine, Kruishoutem, Kerkhove, Kooigem, Tiegem, Belsele en Tielrode werden in deze verhandeling geanalyseerd.
In 1988 deden Van Dierendonck, Swinkels, De Kind en De Mol een voorstel tot systematische beschrijving en studie van de Romeinse muurschilderingen in Noordwest-Europa, en tot onderzoek van deze vondsten in relatie tot hun archeologische, chronologische en geografische context. (Van Dierendonck e.a. 1991) Het voorstel concentreerde zich vooral op 1ste-eeuwse muurschilderingen. De doelstelling was te komen tot inzicht in alle aspecten van het voorkomen en de verspreiding van muurschilderingen en in de invloed van de Romeinse cultuur en maatschappij in de noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk. In 1990 waren binnen dit project voor het Belgische grondgebied de pleistervondsten van 130 Belgische vindplaatsen geïnventariseerd, waarbij de aard van één derde van de vindplaatsen ongekend was. Van 90 Belgische sites werd in de literatuur vaak alleen de aanwezigheid van muurschilderingen vastgesteld, zonder in te gaan op het decoratiesysteem.

In 1993 werd een iets meer uitvoerige bespreking van het decoratieschema van een aantal aan de Veemarkt te Tongeren gevonden ensembles gepubliceerd. Wegens tijdsgebrek kon daar echter geen systematische beschrijving en reconstructie in opgenomen worden. (Van Dierendonck 1993) Het betrof twee paneeldecoraties, het voor onze streken meest karakteristieke decoratiepatroon. Een eerste interdisciplinaire aanpak werd in 2001 op een ensemble van bijna 1300 fragmenten uit een kuil van de villa van Hoegaarden-Goudberg toegepast. (Cleeren 2001) Hierbij werd een macroscopische en microscopische analyse uitgevoerd om tot een karakterisering van de gebruikte materialen (mortel, pigmenten) en technieken te komen, in combinatie met een typologisch onderzoek naar het decoratiepatroon. Ook hier leverde de reconstructie van de pleisterwanden een paneeldecoratie op.

Twee uitzonderlijk grote vondstcomplexen die de voorbije jaren aan het licht zijn gekomen verdienen hier bijzondere aandacht. Het betreft materiaal uit Tongeren en Oudenburg. In beide gevallen gaat het om vele tienduizenden fragmenten. Ze zijn daarmee de grootste vondstensembles van hun soort in Vlaanderen.

Tijdens de opgravingen die sinds het midden van de jaren 1990 tot heden in de O.L.V.-basiliek van Tongeren werden uitgevoerd zijn grote aantallen Romeinse muurschilderingen geborgen. Ze maken deel uit van een grote domus die vanaf het einde van de 1ste eeuw tot in de tweede helft van de 3de eeuw bewoond was. De stadswoning heeft diverse verbouwingsfasen gekend en is ook tweemaal afgebrand. Van alle bewoningsfasen zijn muurschilderingen bewaard gebleven. Soms bevonden ze zich nog in situ op de muren, soms waren de wanden omgevallen en werden ze als puinlaag aangetroffen. In een aantal gevallen ging het om deposities van grote aantallen fragmenten, afkomstig van eenzelfde muur. Tot slot werden nog talloze geïsoleerde stukken geborgen. Van de bergingswerken van dit materiaal verscheen een aantal rapporten. (Groetembril, Allonsius & Guilbaud 2005; Groetembril & Amadei 2005; Groetembril et al. 2006; Groetembril & Allonsius 2007; Groetembril & Laken 2007; Groetembril & Laken 2007; Groetembril, Pedroso & Laken 2007) De restauratie, reconstructie en studie van de wanddecoraties moeten echter nog plaatsvinden. Op dit ogenblik wordt een poging ondernomen een restauratiesubsidie te verkrijgen voor dit uitzonderlijk complex. Door de complexe stratigrafie van de site kan de uitwerking ervan immers belangrijke inzichten in de chronologische evolutie van Romeinse interieurdecoraties in onze streken opleveren.

Tijdens de opgravingscampagne van 2001-2005 op de zuidwesthoek van het Romeinse castellum in Oudenburg werden de restanten gevonden van een groot gebouwencomplex uit de eerste helft van de 3de eeuw dat vermoedelijk dienst deed als valetudinarium of militair hospitaal. (Vanhoutte 2007) Het gebouw was uitgerust met beschilderde pleisterwanden met paneeldecoratie. De collectie van enkele tienduizenden pleisterfragmenten wordt momenteel gereinigd en geïnventariseerd. Ook hier worden de mogelijkheden onderzocht voor een grondige studie. Chronologisch is dit materiaal een belangrijke aanvulling van het gepubliceerde materiaal van het nabijgelegen Aardenburg. (Van Dierendonck & Swinkels 1983; Van Dierendonck 1987)

De voorbije decennia zijn op andere opgravingsterreinen in Tongeren nog talrijke collecties van beschilderde pleisterfragmenten geborgen, naargelang de site variërend van enkele tientallen tot vele duizenden fragmenten. Ze dekken vrijwel de gehele Romeinse periode, van de eerste helft van de 1ste eeuw tot de 4de eeuw. Daar deze opgravingen nooit het stadium van een publicatie gehaald hebben, ligt het materiaal op dit ogenblik onbestudeerd in de vondstdepots. Het verdient echter een gedegen studie, met aandacht voor de chronologische en ruimtelijke spreiding en alle mogelijke aspecten van productie en consumptie, zodat de Romeinse stad Tongeren in dat opzicht vergelijkbaar kan worden met de naburige Rijnlandse civitashoofdplaatsen als Xanten (Jansen e.a. 2001) en Keulen (Thomas 1993 en 2004), of met de Noordfranse steden als Bavay (Groetembril & Thollard 1999; Vibert-Guigue 2005), Reims (Allag 2007), Soissons (Defente 1987 en 1991; Allag 2007) en Metz (Heckenbenner & Perichon 1987), waarvan de voorbije jaren wel studies van muurschilderingen zijn verschenen. Op dit ogenblik is één Tongers ensemble van het Vrijthof geïnventariseerd en grotendeels uitgewerkt, maar nog niet gepubliceerd.

Daarnaast hebben we weet van talrijke grotere en kleinere complexen van muurschilderingen uit vici, villae en de overige verspreide landelijke bewoning. Een onbekend aantal is niet in de literatuur vermeld, van een aantal bestaat enkel een vondstmelding en van een beperkt aantal hebben we een korte beschrijving. Zo kunnen we melding maken van vondsten te Belsele-Waas (Bourgeois & Thoen 1986), Hoegaarden-De Kluis (Meurrens 1981, 24 en Meurrens & Claes 1881, 85 en afb. 2.52), Hoegaarden-Goudberg (Maes e.a. 1999; Cleeren 2001), Kruishoutem (Rogge 1982), Kumtich (Cramers 1984, 128 en pl. III), Leest (De Boe 1983 en De Cock 1985), Nevele (De Clercq & Thoen 1997, 17-109 en fig. 3,14 en De Clercq e.a. 1998), Muizen (De Cock 1987 en De Cock & Hombroux 1984, 16-17), Sint-Lievens-Esse (De Swaef 1983), Tiegem (De Cock 1988, 78-79), Vechmaal-Middelpadveld (Vanvinckenroye 1997, 191), Velzeke (Deschieter & De Mulder 2005), Wange (Lodewijckx 1991, 46 en 1996, 212) en Zegelsem-Brakel. (Rogge 1984) Willen we inzicht krijgen in de sociale en culturele betekenis van de muurschilderingen in Romeins Vlaanderen, dan zal een uitbreiding van de in 1991 door Vandierendonck e.a. voorgestelde studie nodig zijn (Van Dierendonck e.a. 1991). Los van het nog relatief bescheiden ensemble van Hoegaarden-Goudberg (Cleeren 2001) ontbreken vooralsnog uitgewerkte ensembles, vergelijkbaar met nabijgelegen, maar buiten Vlaanderen gelegen, recent verwerkte complexen als Champion (Delplace & Van Ossel 1987: Delplace 1991-1992), Kerkrade (Laken 2005), Maasbracht (Swinkels 1987; Van Dierendonck e.a. 1987) of Vichten (Krier 2002; Groetembril 2002; Pedroso & Zaccaria 2002). Een regionale studie als bijv. door Gogräfe (1999) voor het noordelijke deel van Germania Superior werd uitgevoerd, ontbreekt eveneens. Het is op dit ogenblik dan ook niet geweten hoe de Vlaamse regio bij de beter gedocumenteerde aangrenzende gebieden aansluit (zie bijv. het ogenschijnlijk lege gebied in de overzichtskaarten van Barbet. (1987)

Tot slot kennen we uit Tongeren één beschilderd, waarschijnlijk laat-Romeins graf. Het betreft een 19de-eeuwse vondst die lange tijd in een Luiks museum bewaard werd, maar recent naar Tongeren is teruggekeerd. Naar aanleiding daarvan is een rapport over deze bijzondere vondst opgesteld. Het Gallo-Romeins Museum van Tongeren plant een uitgebreide publicatie over dit graf.

Werktuigen en grondstoffen voor het aanbrengen van Romeinse muurschilderingen zijn in Vlaanderen afgaande op de literatuur nog maar zelden teruggevonden of herkend. Wel werd aan de Kielenstraat in Tongeren een schaaltje met rode kleurstof in de brandlaag van de Batavenopstand (69/70 n.Chr.) opgegraven. (Vanderhoeven, Vynckier & Vynckier 1991)

Anders dan de muurschilderingen zijn Romeinse mozaïeken tot nu toe in Vlaanderen een zeldzaamheid. Stern (1960) meldt voor de regio maar 10 fragmenten, waarvan een aantal op het ogenblik van zijn inventariseringswerk al weer verloren was gegaan. 20 jaar later kan Darmon (1981) in zijn overzicht geen vooruitgang melden. Sindsdien zijn twee mozaïeken opgegraven. In Kumtich is men erin geslaagd aan de hand van een substantieel aantal fragmenten een vloer uit het badgebouw van een villa te reconstrueren. (Cramers 1984) In 1989 kon in Tongeren een vloer van ca. 3 m x 19 m opgegraven worden. Ongeveer een kwart van de originele decoratie was bewaard gebleven (Vanderhoeven e.a. 1992a; met vondstmeldingen in Vanderhoeven e.a. 1989 en 1990, literatuurmeldingen in Christophe 1990-1991, 163, Blanc-Bijon 1994-1995, 130-131 en Morlier 1999, 134 en besprekingen in Creemers 1999, De Boe & Thoen 1990, Vanderhoeven e.a. 1992b en Mertens 1996). Daarnaast zijn ook enkele losse fragmenten tijdens diverse noodopgravingen aangetroffen. Eén fragment is uit Kortrijk bekend. (Christophe & Stern 1978, 88; De Boe 1975, 227; Mertens 1970, 59) In de vicus van Tienen werd in het puin van een badgebouw een klein aantal fragmenten gevonden. In een fundering van één van de afwateringskanalen bevond zich bovendien nog een groot aantal losse mozaïeksteentjes. (Vanderhoeven e.a. 1997/1998) Recent kwam ook in de O.L.V.-basiliek van Tongeren in een puinlaag van een Romeinse stadswoning een fragment aan het licht. Af en toe wordt de vondst van losse mozaïeksteentjes gemeld.

Dat in onze streken zo weinig mozaïeken zijn gevonden heeft natuurlijk te maken met de zeldzaamheid van dit soort vloeren in de oudheid, maar ook met de eerder geringe schaal waarop hier tot nu toe opgravingswerk wordt uitgevoerd. In de ons omringende provincies zijn ze immers frequent op Romeinse vindplaatsen aanwezig (Stern 1957, 1960 en 1963; Darmon 1981; Ling 1997) Nochtans verdient deze vondstcategorie onze bijzondere aandacht. Ze is immers bijzonder geschikt om sociale en culturele veranderingsprocessen te bestuderen. (Wightmann 1985, 138; Dunbabin 1999, 304-316) Zelfs de vondst van een los fragment of van een individueel steentje heeft daarom bijzondere betekenis. Het is dan ook aangewezen tijdens de opgraving bijzonder alert te zijn voor dit soort materiaal en desnoods gericht bouwpuin uit te zeven. Mogelijk loont het ook de moeite in de vondstdepots een systematische zoektocht naar losse steentjes te ondernemen. Ten slotte zou aan de Tongerse mozaïek een grondige studie moeten gewijd worden, met oog voor zowel de technologische als de sociale en culturele aspecten van deze vondst. Recent verschenen Zwitserse studies kunnen daarbij als voorbeeld dienen. (zie bijv. Schmid 1993; Delbarre-Bärtschi S. 2002)

Nog zeldzamer dan mozaïeken zijn fragmenten van wand- of vloerplaten in marmer of andere gesteenten. Welliswaar meldt Mariën (1980) dat fragmenten opus signinum in villa's voorkomen, maar bij het doornemen van de literatuur van de voorbije decennia is alleen voor Kruishouten een vondst vermeld (Rogge 1982). Dit heeft misschien te maken met de eerder kleinschaligheid, waarmee villa's en vici in Vlaanderen tot nu toe zijn onderzocht. In de Romeinse stad Tongeren zijn inmiddels wel substantiële hoeveelheden stenen wand- en vloerdecoratiefragmenten aangetroffen. Op het terrein van de Kielenstraat betreft het zelfs productieafval. Op het terrein van de O.L.V.-basiliek is een aanzienlijk aantal fragmenten in de puinlaag van de vroegmiddeleeuwse kerk weergevonden. Het gaat naar alle waarschijnlijkheid om hergebruikt materiaal uit de laat-Romeinse basilica. Tot slot is er nog de vondst te melden van de hypocaustumvloer in opus signinum van een badhuis in de zuidwesthoek van het Romeins castellum van Oudenburg, ontdekt tijdens het onderzoek 2001-2005. De aangetroffen fragmenten leisteenplaten met restanten van opus signinum zijn vermoedelijk afkomstig van het oorspronkelijk vloerniveau in de badinrichting. (Vanhoutte 2007)