1.6 Industrieel erfgoed

  • Versie: 2
  • Datum: 01/06/2010
  • Auteurs: Frank Becuwe, Mario Baeck, Greet Polfliet, Harry van Royen, Paul De Niel, Lieven Denewet, Davy Jacobs, Brigitte De Meyer, Adriaan Linters, Eddie Niesten
  • Medewerkers: André Cresens, Johan David, Hilde Declercq, Veerle Jacobs, Gerard Ketele, Peter Scholliers, Bert Van Doorslaer, Vincent Verbrugge, Patrick Viaene, Luc Wante

1 Inleiding

Op het einde van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw wekte de industriële ontwikkeling in Engeland en vervolgens op het continent (met België als gidsland) vooral bewondering op. Bij zijn bezoek aan de hoogovens van de heer Cockerill in 1838 schreef Victor Hugo: “Daar heb ik werkelijk de industrie bewonderd. Het is een mooi en buitengewoon schouwspel, dat ’s nachts iets bovennatuurlijks lijkt te ontlenen aan de plechtige troosteloosheid van het ogenblik. Raderwerken, zagen, stoomketels, platwalsen, cilinders en persen, al deze monsters van koper, plaatijzer en brons die wij machines noemen en die aangedreven worden met stoom, gloeien, fluiten, knarsen, brullen, snuiven, blaffen, krijsen, verscheuren het brons, verwringen het ijzer, kauwen het graniet”. 1 In de daaropvolgende decennia verloor de industrie echter zijn glans van vervoering. Achter de industriële ontwikkeling bleken – zoals in 1902 door Auguste De Winne beschreven in zijn A travers les Flandres 2 verpaupering, sociale ellende, gevaarlijke arbeidsomstandigheden, gebrek aan hygiëne, … schuil te gaan, die gestaag de door traditionele waarden gedragen ‘zekerheid’ ondergroeven. De angst en de afkeer voor de onrust die de industriële ontwikkeling meer en meer teweegbracht, riepen een romantische bewondering voor de oude, rurale maatschappij in het leven. Na de Tweede Wereldoorlog herstelde het geloof in wetenschap en techniek zich, zoals de Expo ‘58 met het Atomium als blikvanger duidelijk illustreerde. De verouderde industriële infrastructuur, voor zover die nog niet door de oorlog was aangetast, werd op grote schaal vernieuwd. De systematische verwijzing van de materiële cultuur van de eerste industriële ontwikkeling naar de schroothoop wekte in Engeland vanaf de late jaren 1950 echter geleidelijk de aandacht van lokale erfgoedverenigingen. Gesteund door landelijke organisaties zoals de National Trust en Civic Trusts werd het behoud van fabrieken, spoorwegstations, … én stoommachines bepleit. 3 Met enige vertraging vond dit pleidooi ook gehoor op het continent. Vooral het grote publiek kreeg belangstelling voor de materiële relicten van onze economische en industriële geschiedenis. In Vlaanderen volgde de overheid in 1976 (als één van de eerste regio’s ter wereld) door in het nieuwe monumentendecreet aandacht te besteden aan het industrieel erfgoed. Sindsdien vormen industrieelarcheologische waarden een volwaardig criterium in de evaluatie van de monumentwaarde van een onroerend goed. Intussen werd zowel binnen de voor monumenten bevoegde diensten van de Vlaamse overheid als door externen baanbrekend werk verricht om het industrieel erfgoed een volwaardige plaats te geven in de zorg voor het onroerend erfgoed. Dit engagement sluit echter niet uit dat het onderzoek met betrekking tot het industrieel erfgoed in Vlaanderen nog voor een zeer grote opdracht staat. Veel nijverheidssectoren zijn enkel in zeer algemene zin in beeld gebracht, maar over enkele sectoren bestaat zelfs nog helemaal niets. Onderzoek met betrekking tot de productieprocessen en hun ontwikkelingen werd zelden verricht. Inzicht in deze processen is echter wel noodzakelijk om sectoraal aan de hand van onroerende erfgoedrelicten een selectief maar coherent beeld van ons industrieel verleden te kunnen ophangen. Bovendien is de kennis van het productieproces evenzeer onontbeerlijk om voor een beschermenswaardige of beschermde industrieelarcheologische site vanuit zijn draagkracht een adequate, nieuwe, maatschappelijk relevante bestemming te kunnen ontwikkelen. 4

2 Industriële archeologie / Industrieel erfgoed

Met de term ‘industriële archeologie’ wordt de wetenschappelijke discipline aangeduid die zich bezighoudt met de studie en het behoud van het industrieel erfgoed en daarbij rekening houdt met alle invalshoeken, methoden en beschikbare informatiebronnen. Daarmee kende dit begrip sinds zijn ontstaan in 1896, die een zuiver industrieeltechnologische benadering betrof, een belangrijke evolutie. 5 Een doorbraak van de term kwam er pas vanaf de jaren 1950 toen de ‘industrial archaeology’ in Engeland een passende voedingsbodem vond in de bedreiging van de oudste sporen van de industriële ontwikkeling. De promotionele populariteit die de Engelse ‘industrial archaeology’ te beurt viel, straalde al snel af op het buitenland, die de term en discipline al dan niet vertaald, overnam. Tot in de jaren 1970 kenmerkte de ‘industriële archeologie’ zich door een vrije grote spraakverwarring wat inhoud, chronologie en aanpak betrof. Dat het industrieelarcheologisch onderzoek zich nauwelijks of niet aan universiteiten of gevestigde onderzoeksinstellingen afspeelde, maar door veelal niet-academisch geschoolde veldwerkers werd beoefend, droeg er dan ook toe bij dat ‘industriële archeologie’ lange tijd niet als een erfgoeddiscipline werd ervaren. Met de uitgave in 1975 van Neil Cossons’ standaardwerk The BP-Book of Industrial Archaeology en pogingen tot definiëring op een congres in het Ecomusée in Le Creusot (Frankrijk, 1976) en tijdens de Third International Conference on the Conservation of Industrial Monuments (Zweden, 1978) begonnen de gemeenschappelijke accenten zich echter af te tekenen. Naast de term ‘industriële archeologie’ trad hierbij ook de term ‘industrieel erfgoed’ op het voorplan, die door The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage (TICCIH) in 1978 werd gedefinieerd als: ‘de materiële relicten (zoals landschappen, sites, gebouwen, technische uitrustingen en machines, producten en andere roerende en onroerende objecten), evenals alle documenten dienaangaande, zowel mondelinge als geschreven bronnen, als het registreren van herinneringen van mannen en vrouwen die bij het industrieel proces betrokken waren.

Inmiddels wordt algemeen aanvaard dat de ‘industriële archeologie’ wat betreft het onderwerp, het bronnenonderzoek en de beheersmethodologie bij de studie en het behoud van het industrieel erfgoed een geïntegreerde en integrale aanpak dient na te streven. Het onderwerp van de ‘industriële archeologie’ betreft de totale vroegere industriële maatschappij, wat zowel de gebouwen als de machines, de uitrustingen en de voorzieningen inhoudt van zowel de nijverheden (de secundaire sector) als de diensten en verzorging (de tertiaire sector) als ook de evolutie in de agrarische sector (primaire sector). Hierbij boort de ‘industriële archeologie’ als informatiebron niet alleen de materiële (roerende en onroerende) relicten, maar ook de archivalische en de mondelinge bronnen aan om via toetsing en confrontatie van de materiële cultuur van het industriële verleden een duidelijk beeld te krijgen. Daar de ‘industriële archeologie’ naast de studie evenzeer het behoud van het industrieel erfgoed tot doel stelt, is het tot slot belangrijk dat de optie om dit erfgoed te behouden en te valoriseren vanuit het wetenschappelijk onderzoek verantwoord wordt. Enkel een optimale interactie tussen studie, behoud en valorisatie staat garant voor een kwalitatief erfgoedbeheer. 6

3 Inventarisatie, onderzoek en ontsluiting

In de vroege jaren 1970 werd vanuit een geografische benadering gestart met de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen, dat gepubliceerd werd in de reeks Bouwen door de eeuwen heen. De eerste delen van deze inventaris, die het bouwkundig erfgoed van de arrondissementen Leuven, Nijvel en Aalst in kaart brachten, geven duidelijk aan dat industrieelarcheologische waarden aanvankelijk nauwelijks of geen deel uitmaakten van de evaluatiecriteria. Pas vanaf de jaren 1980 wordt het industrieel erfgoed geleidelijk aan beschouwd als een volwaardig segment van het onroerend erfgoed in Vlaanderen. Een belangrijke stimulans om de erfgoedwaarde van de onroerende relicten van ons proto-industrieel en industrieel verleden te onderkennen, werd in 1986 gegeven met de uitgave door het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (M.I.A.T) van de door Patrick Viaene samengestelde tweedelige inventaris Industriële archeologie in België. 7 Omtrent dezelfde tijd volgden op deze baan- en lansbrekende inventaris de standaardwerken Industriële revoluties in de provincie Antwerpen (1984) 8 en Industriële archeologie in Vlaanderen (1986) onder leiding van Roland Baetens en De wortels van Flanders Technology (1987) 9 van Adriaan Linters voor een passende historische duiding bij het industrieel erfgoed in Vlaanderen. Om één of andere reden is de golf aan publicaties na deze ongemeen vruchtbare periode gestopt, op enkele werken na. 10

Vandaag staat de industriële archeologie als multidisciplinaire wetenschap niet meer ter discussie.
Het aantal actoren die het industrieel erfgoed als onderzoeksveld nemen, is intussen niet onbelangrijk. Naast de universitaire instellingen (KUBrussel, K.U.Leuven, UAntwerpen, UGent, VUB, …), de hogescholen (Sint-Lucas Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, …), de federale, provinciale 11 en locale archiefinstellingen en (recentelijk) het V.I.O.E. laten vooral de industrieelarcheologische musea, zoals (onder meer) het EMABB (Boom), de Herisemmolen (Alsemberg), het M.I.A.T. (Gent), het MOLA (Wachtebeke), het Mout- & Brouwhuis de Snoek (Alveringem), het MOT (Grimbergen) of het Nationaal Jenevermuseum (Hasselt), zich opmerken. Een doctoraat over industriële archeologie is tot op vandaag echter nog niet verdedigd aan de Vlaamse universiteiten. Een project over industrieel erfgoed is evenmin door het FWO of de Onderzoeksraden gefinancierd. Van diverse erfgoedverenigingen zoals (onder meer) Levende Molens, SIWE en VVIA gaat dan wel weer een belangrijke dynamiek uit. 12 Al deze inzet ten spijt blijft het systematisch onderzoek naar de erfgoedwaarden van ons industrieel verleden zeer beperkt. Veel sectoren of branches zijn nauwelijks of niet onderzocht. De toenemende druk op de ruimte en bijgevolg op de onroerende getuigenissen, die door de uitdeining van steden en gemeenten in veel gevallen in woongebieden kwamen te liggen, scherpt echter de nood aan permanent en systematisch onderzoek in belangrijke mate aan om alsnog tot een wetenschappelijk onderbouwde en samenhangende selectie van de industriële materiële cultuur te kunnen besluiten.

4 Het onderzoek van het industrieel erfgoed, een status quaestionis

De industriële archeologie bestrijkt een zeer uitgebreid erfgoedveld. Om de onderzoeksbalans Industrieel erfgoed meer dan een algemene status quaestionis van de studie van (de materiële relicten van) ons proto-industriële en industriële verleden te laten ophangen, werd met het veld geopteerd voor een sectorale aanpak van de nijverheid. Inspirerend was het grootschalige onderzoeksproject dat Nederland in de jaren 1990 met betrekking tot het industrieel erfgoed via het tijdelijke Projectbureau Industrieel Erfgoed opzette. Het industrieel erfgoed werd er in een veertigtal branches opgedeeld die, het arbitraire karakter van om het even welke categorisering ten spijt, de onderzoekers toelieten vrij eenduidige erfgoedevaluaties neer te zetten. Opdat de onderzoeksbalans Industrieel erfgoed zou uitgroeien tot een permanente aanzet voor verder industrieel erfgoedonderzoek dat op zijn beurt een coherent thematisch beschermings- en beheersbeleid mogelijk maakt, vertaalt de onderzoeksbalans zich in een verticale structuur met momenteel dertig branches. Naarmate de onderzoeksbalans Industrieel erfgoed zich verder ontwikkelt wordt deze branchestructuur vervolledigd.

4.1 Bakkerijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Sinds 1880 kent de bakkerij in Vlaanderen een snelle ontwikkeling. Van een grotendeels huishoudelijke taak evolueerde het broodbakken tot een industriële activiteit. Nochtans bleef de aandacht van de industriële archeologie voor deze zeer belangrijke voedingsnijverheid ondermaats. Op enkele bijdragen na, waaronder de M.I.A.T-uitgave ’t Is voor de bakker. Industrialisatie van de brood- en banketbakkerij door A. Detremmerie & G. Deseyn, werd het industrieel erfgoed van de bakkerij nauwelijks onderzocht. Een thematische inventarisatie met betrekking tot het bakkerijpatrimonium in Vlaanderen ontbreekt evenzeer. Een erfgoedevaluatie van het nog resterende bakkerijpatrimonium op wetenschappelijke basis is momenteel niet mogelijk. 13
Enkel wat de historische huisbakkerij betreft, biedt de nabije toekomst perspectief. Een belangrijk inventariserend initiatief gaat momenteel uit van het M.O.T. in Grimbergen en betreft een – zoals de projectnaam ‘Red de bakovens’ aangeeft – een in kaart brengen van de bakovens en bakoventypes in Vlaanderen. 14

4.2 Borstelnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Aan de borstelnijverheid in Vlaanderen, waarvan de stad Izegem de bakermat wordt beschouwd, werd in 2001 door M. De Vlieghere het boek 'Borstels, overbekend, miskend' gewijd. Enkele jaren voorheen (1996) verscheen van J. Naert in het heemkundig tijdschrift Ten Mandere een interessante historische schets van de borstelnijverheid in Izegem. Met deze publicaties werd het onderzoek naar de borstelnijverheid in Vlaanderen in belangrijke mate aangezwengeld. Verder onderzoek naar onder meer de rol van deze nijverheid als toeleveringssector voor andere sectoren, in het bijzonder de machinebouw, is echter geboden om van ons industrieel verleden een samenhangend beeld op te hangen. 15

4.3 Breigoednijverheid

door Frank Becuwe (VIOE) m.m.v. G. Polfliet (Stedelijke Musea Sint-Niklaas)

De breigoednijverheid in Vlaanderen situeerde zich in het bijzonder in en rond Sint-Niklaas. Daarnaast kwam deze nijverheid ook tot bloei in en rond Zottegem. Onderzoek naar het industrieel erfgoed van deze nijverheid werd echter nog nauwelijks verricht. Een kentering dient zich evenwel aan vanuit het Breigoedmuseum dat in 1991 in Sint-Niklaas werd opgestart. In het kader van de renovatie van het stedelijke museum Zwijgershoek, waaronder het Breigoedmuseum ressorteert, werd door Greet Polfliet een eerste aanzet gegeven tot onderzoek naar het industriële erfgoed van de lokale breigoednijverheid. De betrachting van het museum is om in de komende jaren dit onderzoek verder te zetten en aldus het belang evenals de materiële sporen van de breigoednijverheid in de streek van Sint-Niklaas in beeld te brengen.16

4.4 Brouwerijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Over de brouwnijverheid in Vlaanderen werd al zeer veel gepubliceerd. Veel heem- of geschiedkundige tijdschriften behandelden het brouwerijverleden van de dorpen in hun onderzoeksgebied. In zeer veel gevallen beperkt de aandacht zich echter tot de geschiedenis van de brouwerij en haar bewoners en een lijst van de lokale bieren. In weinig gevallen gaat het onderzoek naar de brouwtechnische evolutie en de architecturale vertaling van deze ontwikkeling.

Een uitgebreide, niet-exhaustieve lijst van brouwerijsites is sinds de jaren 1970 terug te vinden in de inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Door het feit dat industriële archeologie een vrij jonge erfgoeddiscipline is, is de aandacht voor het industrieel erfgoed, in casu het brouwerijpatrimonium, in de eerste inventarisatieprojecten echter eerder minimaal. Aangezien de opzet van een inventaris van het bouwkundig erfgoed van meet af aan vrij strikt werd geïnterpreteerd, is de informatie met betrekking tot de brouwerijuitrusting doorgaans zeer summier.

Sommige gevalsstudies hebben wel een uitsproken aandacht voor de materiële brouwerijcultuur en de typische brouwerijarchitectuur, maar beperken zich tot een bepaalde periode. Een algemene studie die de ontwikkeling in Vlaanderen sinds de vroege 19de eeuw van de ambachtelijke brouwerij tot de industriële bierfabriek in beeld brengt, ontbreekt echter. Nochtans is meer en diepgaander onderzoek over de geleidelijke mechanisering van het brouwbedrijf - met bijzondere aandacht voor de invoering en veralgemening van mechanische drijfkracht, de omschakeling van infusie- naar decoctiemethode en de evolutie van hoge naar lage gistingsbrouwerij - noodzakelijk om van ons rijk brouwerijverleden een volledig beeld te kunnen ophangen. Een poging om deze leemte in te vullen gaat uit van het Mout- & Brouwhuis de Snoek in Alveringem. Jaarlijks belicht dit brouwerijmuseum in zijn monografieënreeks Het Vlaams Brouwbedrijf in historisch perspectief met een uitgesproken aandacht voor het brouwindustrieel erfgoed één of meer brouwerijen of een specifiek aspect van de biernijverheid.

4.5 Chemische nijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

In 1986 merkte Adriaan Linters in zijn boek De wortels van Flanders Technology al op dat van industrieelarcheologische hoek nauwelijks aandacht werd en wordt besteed aan de chemische nijverheid. Meer dan twintig jaar later is de situatie nauwelijks veranderd. Op enkele interessante, algemene benaderingen, zoals de bijdrage van V. Duchène in Nijver België 17, beperkt het onderzoek zich doorgaans tot beperkte gevalsstudies. Een belangrijke reden is ongetwijfeld het feit dat de chemische nijverheid een procesnijverheid betreft, waardoor het materieel erfgoed ons maar in beperkte mate informeert over het effectieve productieproces. Onderzoek naar het industrieel erfgoed van deze nijverheid vereist van de onderzoeker dan ook een (voor een industrieel erfgoedonderzoeker niet zo evidente) gedegen scheikundige kennis om het nodige inzicht te krijgen in het verloop van de chemische procédés en reacties.

4.6 Constructies voor infrastructuur en verkeer

4.6.1 Bruggenbouw

door Harry van Royen (UGent) 18

In tegenstelling tot Nederland, waar de Nederlandse Bruggen Stichting baanbrekend onderzoek (heeft) verricht, is de studie van het bruggenpatrimonium in Vlaanderen zeer fragmentair en ad hoc.
Het historisch bruggenpatrimonium werd nog niet specifiek opgelijst, noch voor wat er nog is, noch voor wat er door diverse omstandigheden verdwenen is. Het beste overzicht, qua typologie en staalkaart van voorbeelden in Vlaanderen, blijft nog steeds het themanummer van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

Een belangrijk pijnpunt voor vlot onderzoek is het beheer én het gebrek aan een inventarisatie van de relevante archieffondsen over bruggen in de diverse administraties (NMBS, De Lijn, Bruggen & Wegen – i.c. het Bruggenbureau - Waterwegen en Zeekanaal (WenZ) en de andere regionale diensten voor waterwegbeheer) en hun rechtsvoorgangers. De inventarisatielacune is eveneens een probleem in de archieven van kleinere gemeenten en steden die vroeger zelf bruggen bezaten (zoals - in de 19de eeuw - tolbruggen die nadien door de hogere overheden werden overgenomen) of die in concessie (tol) lieten uitbaten. Door de versnippering en de doorgaans slechte toegankelijkheid van essentieel primair bronnenmateriaal en het beperkt (ontsloten) aanbod aan secundaire literatuur, in vele gevallen van buitenlandse origine (zoals met betrekking tot de Baileybruggen) worden onderzoekers (ingenieurs, historici, kunsthistorici) weinig of niet gestimuleerd om dit element verder uit te werken.

Om deze lacune in te vullen is een vergelijkbaar onderzoeksproject zoals het project “Bruggen in Nederland 1800-1940” van de Nederlandse Bruggen Stichting, noodzakelijk.

4.7 Diamantbewerkende industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Mede door de oprichting van het Diamantmuseum ontsnapt de diamantbewerkende industrie niet aan de aandacht van de industriële archeologie. De diamantnijverheid in Antwerpen is onder meer in beeld gebracht in The briljant story of Antwerp diamonds van I. Kockelbergh, E. Vleeschdrager en J. Walgrave. 19 Ook met betrekking tot andere centra die een vrij bloeiende diamantbewerkende industrie hebben gekend, zoals Brugge, Diest en Diksmuide, is intussen al enig onderzoek verricht. Een degelijk onderbouwd overzichtswerk over de sector, haar historische evolutie en met aandacht voor haar industrieel erfgoed in Vlaanderen ontbreekt echter nog. 20

4.8 Energie

4.8.1 Stoom

door Frank Becuwe (VIOE)

De door Thomas Newcomen (1663-1729) uitgevonden stoommachine was initieel ontstaan als antwoord op het drainageprobleem in de Engelse steenkoolmijnen. De verbeteringen die James Watt (1736-1819) omstreeks 1769 aan deze waterpomp aanbracht, maakten de stoommachine echter ook toepasbaar in andere industrietakken. Voortaan was het mogelijk om - ongeacht dag, nacht of uur - in ateliers, manufacturen en fabrieken over de vereiste drijfkracht te beschikken. Ook voor de vestiging van het bedrijf was men niet langer enkel aangewezen op het platteland (waar de wind- en waterkracht vooral te vinden waren). Een stedelijke locatie, dicht bij de consumenten én het verpauperde proletariaat dat een ruime arbeidsreserve vertegenwoordigde, behoorde nu tot de mogelijkheden.

Al vóór of tijdens de ontwikkeling van de stoommachine werden vele uitvindingen, machines en productieprocessen ontwikkeld. Maar de door de mens, dier, wind en water geleverde energie was ontoereikend om de productiecapaciteit op te drijven. Met de stoommachine kwam er geleidelijk verandering in. De vervanging van de oude krachtbronnen gebeurde immers niet bruusk. Waterkracht, windmolens, zeilschepen, menselijke en dierlijke arbeid bleven in de 19de eeuw nog veelvuldig gebruikt. Hoewel men de rol van de stoommachine niet mag overschatten, staat vast dat deze machine voor een belangrijke productietoename zorgde. De stoommachine werkte onmiskenbaar de evolutie van het kleine atelier naar de grote fabriek in de hand. Door de grote investeringskost zorgde de stoommachine ook veelal voor een concentratie van het arbeidsproces in één gebouw, zoals volgend citaat samenvat: “Die Dampfmachine war der Prinz der das Dornröschen Industrie, aus Ihren Schlummer erweckte”. 21

In België speelde de stoomkracht voor de aandrijving van nijverheidsinstallaties vooral vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw een belangrijke rol. Toonaangevend waren vooral de provincies Henegouwen en Luik, die binnen de Belgische context het industriële zwaartepunt vormden. In Vlaanderen had de provincie Oost-Vlaanderen een voortrekkersrol op het vlak van de energetische mechanisatie, en dit dankzij zijn bloeiende textielnijverheid in de regio Gent.

Naar het gebruik en de betekenis van stoomkracht in Vlaanderen is al in zekere mate onderzoek verricht. Een standaardwerk voor de vroegste periode is zonder twijfel de uitgegeven doctoraatsverhandeling Les débuts de la machine à vapeur dans l’industrie belge, 1800-1850 van A. Van Neck. 22 Met de tentoonstelling en de bijhorende catalogus Onder Stoom. Aspecten van de geschiedenis van de stoommachine 23 onderstreepten R. De Herdt en G. Deseyn van het M.I.A.T. de zeer belangrijke betekenis van Gent in de overschakeling van natuurlijke op mechanische kracht in Vlaanderen. Om echter een landelijk beeld te krijgen van het belang van stoomkracht in Vlaanderen is nog in belangrijke mate verder onderzoek vereist, in het bijzonder naar de betekenis en rol van stoomkracht in de diverse nijverheidssectoren evenals naar de stoommachine- en stoomketelbouwers in Vlaanderen. Met de VIOE-studie In de ban van Ceres. Klein- en grootmaalderijen in Vlaanderen (1850-1950) 24 wordt dit hiaat alvast ingevuld voor wat het maalbedrijf betreft. Met betrekking tot het behoud van stoominstallaties, in het bijzonder stationaire stoomtoestellen, wordt verdienstelijk werk verricht door verenigingen zoals de Stoomstichting West-Vlaanderen vzw.

4.8.2 Elektriciteit

door Frank Becuwe (VIOE)

Voor wat de elektriciteitsproductie en –voorziening in Vlaanderen betreft, staat het onderzoek naar het industrieel erfgoed nog voor grote uitdagingen. Hoe ingrijpend elektriciteit op het vlak van verlichting en drijfkracht ook is geweest, het onderzoek beperkt zich momenteel tot enkele deel- of gevalstudies, zoals een bijdrage van A.-M. Terlinden en J.-P. Zehnlé over de ontstaansgeschiedenis van de industriële elektriciteit, van N. Kerckhaert en D. De Vleeschauwer over elektriciteitsproductie via waterdruk in Antwerpen of van J. Brouwers over de evolutie van de elektrificatie in Limburg. Voor een globaal beeld van de betekenis van elektriciteit in Vlaanderen sinds de eerste toepassingen in het economische leven omstreeks 1830 ontbreekt vandaag echter het nodige onderzoek.

4.9 Ferrometaalnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de ferrometaalnijverheid staat in wezen nog in zijn kinderschoenen. Diverse gevalstudies lichten weliswaar enkele tipjes van de sluier, maar een diepgaand onderzoek naar de vele constructie-ateliers, al dan niet met een eigen gieterij, die Vlaanderen sinds het midden van de 19de eeuw in antwoord op de mechanisering van de nijverheden heeft gekend, evenals naar hun productiewijze en hun eindproducten, ontbreekt. Nochtans heeft deze sector in de overschakeling op mechanische drijfkracht en de mechanisering en industrialisering van de secundaire sector een cruciale rol gespeeld, zoals bijvoorbeeld bleek uit het onderzoek rond wasmachines uitgevoerd door het M.O.T. in Grimbergen. 25 Doorgedreven onderzoek met betrekking tot deze nijverheid zou niet alleen meer inzicht geven in de mechanisering van de respectieve nijverheden en toelaten om boeiende verbanden te leggen tussen de nijverheden onderling, maar ook de informatie aanleveren die nodig is om het roerend industrieel erfgoed, dat integrerend deel uitmaakt van het monument, op zijn uniciteit te evalueren.

4.10 Fijnkeramische nijverheid

4.10.1 Tegelproductie

door Mario Baeck 26

Voor de gedecoreerde tegel die tot de groep van fijnkeramische industrie behoort - met onder meer de subbranches/producten: aardewerk tegels, vloer- en wandtegels in gres en faience, vuurvaste tegels en tegels voor zware toepassingen -, is het onderzoek heel wat uitgebreider dan voor de niet-gedecoreerde grofkeramische tegels, maar dan wel vooral voor de 19de en 20ste eeuw en hoofdzakelijk beperkt tot de gefigureerde vloer- en wandtegel.

De West-Vlaamse haardtegel en de poterie flamandetegel zijn daarbij vrij goed bestudeerd. De rest van het gevoerde onderzoek is nagenoeg beperkt tot dat van één onderzoeker en betreft de Belgische productie van vloer- en wandtegels op basis van klei (zowel gres of steengoed als faience) of cement tijdens de periode 1840-1940 die op grote(re) schaal machinaal werden geproduceerd. Hoewel dit onderzoek zich vooral toespitst op de gefigureerde en kwalitatief hoogstaande tegelproductie, worden de andere productietypes binnen de fijnkeramische industrie niet verwaarloosd. Zo is er ook aandacht voor de productie van kwalitatief hoogstaand - en meestal kleurrijk geglazuurd – bouwaardewerk in gres, faience of terracotta dat als gevelversiering of interieurornament toegepast werd.
Aangezien de wandtegel voor buitengebruik een paar overeenkomsten vertoont met gevelstrips en geglazuurde baksteen worden deze materialen eveneens zijdelings in het onderzoek meegenomen. Verder wordt aandacht besteed aan de industrieel geproduceerde keramische haardtegel die zich door zijn refractaire eigenschappen van de gewone wandtegel onderscheidt en aan de industrieel geproduceerde keramische vloertegel en plavuis voor zware toepassingen of voor buitengebruik (koetsdoorritten, paden, terrassen, e.d.m.).
Andere vorst-, vuur en zuurbestendige producten voor utilitaire en industriële toepassingen (bouwstenen voor ovens, kanaalwanden, e.d.) blijven buiten beschouwing. Op dit gebied is de literatuur overigens zeer schaars.

4.11 Gasproductie en –distributie

door Harry van Royen (U.Gent) 27

De sites van steenkoolgasfabrieken die als bedrijf op zich of als onderdeel van een bedrijf in Vlaanderen actief zijn geweest, werden geïnventariseerd in een literatuurstudie voor OVAM (1999) om de daaraan gerelateerde black points in kaart te kunnen brengen. De acetyleenfabrieken bleven hierbij buiten beschouwing. De bouwkundige erfgoedrelicten werden niet systematisch geïnventariseerd. Een algemene typologische en technologische studie ontbreekt, onder meer doordat van de gasfabrieken nauwelijks nog restanten zijn bewaard. De evolutie van het productieproces is gedeeltelijk bekend op basis van buitenlandse cases - die interessant zijn uit vergelijkend perspectief - maar die uiteraard niet zomaar kan overgenomen worden voor de Vlaamse sites.
De studie van de gasfabrieken in Vlaanderen beperkt zich tot een aantal detailstudies op stedelijk niveau (zoals voor Eeklo, Gent, Lokeren, Dendermonde, Temse, Leuven, Diest en Hasselt). Niet de erfgoedwaarde, gesitueerd binnen een bredere productietechnische context, staat hierbij centraal, maar veeleer de randaspecten zoals de bedrijfsevolutie onder impact van de lokale politieke besluitvorming en de mentaliteitsgeschiedenis.

Door de vrij moeilijke toegankelijkheid van de voor deze branche interessante archieffondsen wordt het onderzoek met betrekking tot het industrieel erfgoed van de gasfabrieken ook niet onmiddellijk gestimuleerd. 28 Zo worden de bedrijfsarchieven van Tractebel of van een aantal fabrieken die door Tractebel werden overgenomen en als rechtsvoorgangers van Petrofina belangrijk zijn voor Antwerpen (Zuid, Hoboken, Berchem) als grote industriële actor van de Imperial Continental Gas Association, bewaard in London.

4.12 Glas- en glasbewerkingsindustrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Met de verhandeling De Belgische glasnijverheid: haar techniek, lokalisering en afzet 1850-1914 en de publicatie Le verre en Belgique des origines à nos jours leverden respectievelijk Ch. Boutmans in 1976 en L. Engen in 1989 een belangrijke bijdrage tot het onderzoek van de glas- en glasbewerkingsindustrie. Op enkele gevalsstudies na, zoals over het Booms glas, bleef het onderzoek echter beperkt. Voor een globaal beeld van de glasnijverheid (met ondermeer aandacht voor zowel het kunst- als industriële gegeven) dat zich laat vertalen in een inventarisatie van het nijverheidgebonden industrieel erfgoed ontbreekt vandaag echter het nodige onderzoek.

4.13 Grafische industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

De vele bijdragen die her en der in veelal heemkundige en geschiedkundige tijdschriften aan lokale drukkers gewijd zijn, wijzen op een duidelijke interesse voor de grafische sector. Tot die aandacht droeg ongetwijfeld het belang bij van een uitzonderlijk waardevolle site zoals het Plantin-Moretusmuseum in Antwerpen. Ook het Nationaal Museum van de Speelkaart in Turnhout en het Nationaal Boekdrukmuseum (in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel) hebben het historische belang van de grafische industrie in Vlaanderen onderlijnd. 29 Desondanks zijn zeer veel facetten van deze industrie echter nog niet in beeld gebracht. Voor een duidelijk overzicht van de evolutie die de grafische sector van het ambachtelijke naar het industriële niveau heeft opgetild, ontbreekt echter het nodige onderzoek. Een overzicht van het industrieel erfgoed dat deze evolutie materialiseert, ontbreekt bijgevolg evenzeer. Gelukkig ligt wat het roerend industrieel erfgoed van het drukkerijwezen in Vlaanderen betreft een privé-initiatief aan de basis van een belangrijke collectievorming. Een grondige studie van deze collectie, aangevuld met onderzoek naar in situ bewaarde drukkerijen, zou alvast een belangrijke bijdrage leveren tot de kennis, vereist voor een passende zorg voor het industrieel erfgoed van de grafische industrie.

4.14 Grofkeramische nijverheid

4.14.1 Baksteennijverheid

door Paul De Niel (EMABB) 30

Het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de baksteennijverheid in Vlaanderen is vrij fragmentair en doorgaans casusgebonden. Diepgaand onderzoek dat de gehele baksteennijverheid in beeld brengt met ondermeer een uitgesproken aandacht voor de typologie, het productieproces en zijn evolutie en de productieorganisatie evenals voor de materiële relicten van deze nijverheid blijft echter uit. Een inventarisatie van de steenbakkerijen die Vlaanderen sinds de 19de eeuw heeft gekend, ontbreekt evenzeer. Plaatselijke heem- en geschiedkundige tijdschriften reiken soms wel gegevens aan, maar zijn zo gefragmenteerd dat ze samengevoegd nog veel hiaten vertonen. In Frankrijk en Nederland daarentegen staat het onderzoek veel verder. In Frankrijk is een uitgebreide lijst van de steenbakkerijen beschikbaar die via de webstek ‘Architecture & Patrimoine’ van het Ministerie van Cultuur toegankelijk is. In Nederland verscheen in 2006 de publicatie Historisch overzicht van de voormalige Nederlandse dakpannenfabrieken,1594 – 2006, die per site een beknopte fabriekshistorie, overzicht van de productiemodellen en technische noten aanreikt.

4.14.2 Tegelproductie

door Mario Baeck 31

Binnen de groep van de grofkeramische industrie werden wandtegels en vloertegels meestal tot stand gebracht als nevenproducten. In de bestaande literatuur wordt hieraan dan ook nauwelijks aandacht besteed. Over de tegelproductie uit deze groep is voor de periode van middeleeuwen tot het einde van het ancien régime geen systematisch overzicht beschikbaar, noch van de productiecentra, noch van evolutie van kleisamenstellingen, formaten e.d. Enkel R. Baetens (1979) schenkt wat ruimer aandacht aan de dakpannen- en tegelproductie in de regio Boom in deze periode.

Voor de 19de en 20ste eeuw is de situatie analoog. Voor een overzicht van productiecentra van niet gedecoreerde grofkeramische tegels moet men terugvallen op contemporaine bronnen als M. De Meester (1907) en het Ministère de l'Industrie et du Travail (1907) die een beeld geven van de situatie rond 1900. Maar enkele artikelen gaan wat dieper in op de evolutie van individuele bedrijven of binnen een beperkte regio. Er is geen zicht op eventuele evolutie in kleisamenstellingen, technieken of formaten. De betekenis van de groeiende mechanisering in deze sector is voor deze concrete producten nauwelijks onderzocht. Hiervoor kan men wel enigszins terugvallen op de rijke contemporaine Franse vakliteratuur die ook bij ons invloedrijk was. Er is geen degelijk en gemakkelijk toegankelijk overzicht van handelscatalogi op dit gebied zoals dat in Duitsland wel opgebouwd wordt. 32
Er is ook geen landelijk gestructureerde vereniging actief waar gericht studiewerk wordt verricht zoals onder meer in Nederland.

Voor de gedecoreerde tegel verwijzen we naar de branche van de fijnkeramische industrie.

4.15 Haveninfrastructuur

door Frank Becuwe (VIOE)

Baanbrekend werk met betrekking tot de haven van Antwerpen werd verricht door Albert Himler.
De andere Vlaamse havens werden in veel mindere mate of veel minder genuanceerd bestudeerd. Om van het maritieme Vlaanderen het rijk en divers gamma aan industrieel erfgoed in beeld te kunnen brengen, heeft de industriële archeologie nog een lange weg te gaan.

4.16 Hopnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Wat de hopnijverheid betreft, geeft een themagebonden museum aan een passende katalysator te zijn voor het aanzwengelen van de aandacht voor het regionaal erfgoed. Een lokale vereniging, De Keteniers, heeft in Poperinge en onmiddellijke omgeving systematisch gezocht naar materiële relicten van de hopnijverheid die er tot voor een paar decennia het landschap determineerden. Een gelijkaardig inventariserend onderzoek dringt zich evenwel nog op voor de rest van de Westhoek evenals voor de hopstreken Aalst en Asse-Ternat-Dilbeek. Vroeger onderzoek, deels gebaseerd op mondelinge bronnen, en vooral recent archivalisch onderzoek door Guido Vandermarliere zorgen inmiddels wel voor de nodige duiding bij dit industrieel erfgoed.

4.17 Houtverwerkende industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Net als voor de ferrometaalnijverheid valt ook voor de houtverwerkende industrie het gebrek aan industrieelarcheologisch onderzoek op. Het schaarse onderzoek betreft vooral gevalstudies en lokale ontwikkelingen. Sommige deelbranches of aspecten laten zich wel door vrij grondig onderzoek opmerken, zoals de Belgische parketindustrie (door I. Van Cauwenbergh), het Mechels Meubel (door ondermeer H. De Nijn en I. Van Cauwenbergh) of de kuiperij (door ondermeer E. Waelput). Diepgaand onderzoek naar het industrieel erfgoed van de houtverwerkende industrie in globo of van de respectieve subbranches, zoals de lucifernijverheid, de meubelindustrie, de houten machinebouw, enz. is echter geboden om voor het erfgoed van de houtverwerkende industrie typologisch tot verantwoorde behoudsopties te komen.

4.18 Ijsfabrieken

door Frank Becuwe (VIOE)

Ondanks het grote belang van ijs voor - in het bijzonder - de bewaring van voedingswaren bleef de aandacht vanuit de industriële archeologie voor de evolutie van natuurijs naar kunstmatig ijs en de productiecentra tot op vandaag ondermaats. Op enkele interessante tijdschriftbijdragen na, zoals De Brusselse ijsindustrie rond de eeuwwisseling door A. Wouters, vormt de ijsindustrie een nog grotendeels onontgonnen onderzoeksterrein.

4.19 Molens en maalderijen

4.19.1 Wind-, water- en rosmolens

door Lieven Denwet (Levende Molens) 33

Het molenbestand in Vlaanderen is in grote mate geïnventariseerd. De database van het Belgische Molenbestand geeft een vrij volledig beeld van hun aantal, hun typologie, hun geschiedenis en hun algemene toestand. Fragmentarisch is evenwel de beschrijving van de moleninrichting. Een systematische in situ-registratie van de uitrusting dient zich nog aan. De informatie met betrekking tot de historische ontwikkeling van het productieproces, gelieerd aan het bouwhistorische aspect, is eveneens veelal anekdotisch en vraagt een meer systematisch aanpak.

4.19.2 Mechanische maalderijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Vanuit een nostalgische bewondering voor het gebruik van natuurkracht richtte het industrieel erfgoedonderzoek zich tot voor kort nauwelijks op de overschakeling naar mechanische kracht en de daaruit voortvloeiende verdere mechanisering van het maalbedrijf. De weinige gevalstudies met betrekking tot mechanische klein- en grootmaalderijen geven een meer algemene historische schets van de onderzochte site, maar brengen noch de technische uitrusting, noch het daaraan gelieerde productieproces ten volle in beeld. Een uitzondering hierop vormt het in 1997 verschenen themanummer Van graan tot bloem van de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed (SIWE).
Om dit hiaat in de ontwikkeling van het maalbedrijf in te vullen, onderzocht het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed de voorbije jaren de plaatsing van hulpmotoren bij wind- en watermolens, de ontwikkeling van mechanische hulpgemalen, het ontstaan van volwaardige mechanische maalderijen en van grootmaalderijen als gevolg van de industrialisering van het maalbedrijf. Tevens werden hierbij ook de toeleveringsbedrijven van zowel de mechanische energiebronnen als van de steeds meer gesofisticeerde maalderijmachines in beeld gebracht. In het kader van dit onderzoek verscheen intussen de gevalsstudie De Bloemmolens van Diksmuide. Het industrieel erfgoed van een grootmaalderij, die het productieproces in een industriële maalderij grondig uittekent. 34 Het resultaat van de gehele studie verschijnt normaliter in 2009.

4.20 Non-ferrometaalnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Net als de ferrometaalnijverheid genoot de non-ferro-industrie nog maar zeer sporadisch de aandacht van de industriële archeologie. Op in het bijzonder de studie Non-ferro metalen. Productie, eigenschappen en gebruik van A. Den Ouden en enkele bijdragen over de zinkindustrie door M. Oris en J. Vanpaemel na, vormt de non-ferrometaalnijverheid voor wat het industrieel erfgoed betreft een quasi onontgonnen onderzoeksveld.

4.21 Papiernijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Vrij vroeg lag de industriële archeologie als jonge discipline aan de basis van de cultuurtoeristische herwaardering van de Herisempapiermolen in Alsemberg. Met dit industrieel erfgoedproject, dat identiteitsbepalend is voor de streek ten zuiden van Brussel, werd van meet af de aandacht gewekt voor het industrieel verleden van dit gebied in het algemeen en de historische papiernijverheid in het bijzonder. Deze interesse resulteerde intussen in een aantal bijdragen over niet alleen ambachtelijke en industriële papiermolens in Vlaams-Brabant maar ook elders in Vlaanderen, zoals in Langerbrugge, Gent en Turnhout. Bij gebrek aan systematisch onderzoek ontbreekt, onverminderd de waarde van enkele boeiende gevalsstudies, echter de wetenschappelijke informatie om tot een voor Vlaanderen vergelijkende studie te komen die als toetssteen kan fungeren voor de evaluatie - in functie van behoud - van nijverheidgebonden erfgoedwaarden.

4.22 Scheepswerven

door Frank Becuwe (VIOE)

De maritieme ligging van Vlaanderen laat terecht een belangrijke scheepsbouwactiviteit veronderstellen. Tot ver in de 20ste eeuw kon Vlaanderen bogen op een vrij groot aantal scheepswerven die zowel houten als metalen vaartuigen voor binnenvaart, kust- en zeevaart bouwden. Op de bouw van pleziervaartuigen na is deze bedrijvigheid intussen volledig teloorgegaan. Ook de opleiding van burgerlijk scheepsbouwkundig ingenieur is inmiddels geschrapt, waardoor het verdwijnen van de vakkennis ter zake nog dreigt te versnellen. Voor de registratie van de empirische kennis van de scheepsbouwers, in het bijzonder de scheepstimmerlieden, is het hoogtijd. Toch bleef het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de scheepsbouw in Vlaanderen hoofdzakelijk beperkt tot enkele gevalsstudies, zoals voor de scheepswerven Van Praet en Van Damme in Baasorde (door Y. Segers) en een eerste, belangrijk overzicht van de visserijgebonden scheepswerven door Gaston en Roland Desnerck. Om tijdig tot een passend behoud te komen van het industrieel erfgoed van deze sector is diepgaand onderzoek dan ook een noodzaak.

4.23 Schoenennijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

In de schoenennijverheid in Vlaanderen speelde de stad Izegem destijds een zeer belangrijke rol. In zowel landelijke als regionale historische en heemkundige tijdschriften, waaronder in het bijzonder Erfgoed van Industrie en Techniek, Ten Mandere en De Roede van Tielt, werd dit onderwerp dan ook meermaals aangesneden. Enkele licentiaatsverhandelingen, zoals die van B. Hanson in 1965 en die van L. Vandaele in 1993, trekken het onderzoeksveld ruimtelijk verder open, maar het blijft alsnog wachten op een grondige studie van de Vlaamse schoenennijverheid. Als men van de evolutie van ambachtelijke tot industriële schoenmakerij nog een coherent beeld wenst op te hangen, dringt diepgaand en gebiedsdekkend onderzoek - met bijzondere aandacht voor het industrieel erfgoed van de schoenennijverheid - zich sterk op. 35

4.24 Steenkoolnijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

De steenkoolnijverheid kwam in Vlaanderen pas in de vroege 20ste eeuw tot ontwikkeling. De eerste mijn, namelijk Winterslag, kwam pas in 1917, in volle bezettingstijd, in productie. Het duurde tot 1922 voor in Beringen steenkool werd bovengehaald. Daarna kwamen Eisden in 1922-1923, Waterschei in 1924, Zwartberg in 1925, Helchteren-Zolder in 1930 en ten slotte Houthalen in 1938 aan de beurt. De teloorgang van de steenkoolnijverheid in het laatste kwart van de 20ste eeuw leidde er echter niet tot een integrale sloop van de materiële cultuur van deze economische activiteit.
Op basis van het diepgaand onderzoek dat intussen vanuit de provincie Limburg - in het bijzonder door Bert Van Doorslaer 36 37 38 39 40 41 42 43 44 - naar deze nijverheid was uitgevoerd, konden vrij vlug wetenschappelijk verantwoorde keuzes gemaakt worden voor een adequaat beschermingsbeleid. Dat het beschermde mijnpatrimonium een coherent beeld ophangt van de Kempense steenkoolnijverheid is zonder meer te danken aan het feit dat de Kempische steenkoolnijverheid misschien wel de vanuit erfgoedoogpunt best bestuurde industrietak in Vlaanderen is.

4.25 Stokerijen

door Davy Jacobs (Nationaal Jenevermuseum) m.m.v. Frank Becuwe (VIOE)

Een belangrijke katalysator voor het onderzoek rond het stokerijenpatrimonium vormt het Nationaal Jenevermuseum in Hasselt. Op zeer regelmatige basis verricht het museum in het kader van de studie van de museumcollectie en in functie van tijdelijke tentoonstellingen onderzoek naar thema’s die verwant zijn aan het jeneververhaal. In dit verband heeft het Nationaal Jenevermuseum een lopende inventaris opgebouwd van Belgische stokerijen, geordend per postcode en, waar mogelijk, aangevuld met adres- en andere gegevens met betrekking tot de eigendoms- en productgeschiedenis van de stokerij. Naast deze werkinventaris, die voortdurend aangevuld en aangepast wordt op basis van informatie uit eventueel onderzoek, verwerving van collectiestukken van de stokerij, enz., beschikt het museum over een documentatieafdeling met informatiemappen (met ondermeer kopieën van archivalisch materiaal, krantenknipsels, studiemateriaal n.a.v. tentoonstellingen) betreffende meer dan honderd Belgische stokerijen. Een algemene bevraging van de (al dan niet voormalige) stokerijen over het bedrijfsarchief is nog niet gebeurd. Wel is het zo dat de bestaande stokerijen Vandamme in Balegem en Bruggeman in Gent over een rijk bedrijfsarchief beschikken, dat echter niet altijd even transparant geordend is. Ondanks deze aanzetten ervaart het Nationaal Jenevermuseum dat het ontbreken van een exhaustieve inventaris van de jeneverstokerijen die Vlaanderen ooit heeft gekend en waarvan de nog aanwezige onroerende en roerende industriële erfgoedwaarden zijn geregistreerd, een belangrijke lacune vormt voor verder en diepgaander onderzoek over het jenevererfgoed.

Wat het onderzoek van likeurstokerijen en hun industrieel erfgoed betreft, staat de industrieel archeoloog voor een omzeggens volledig onontgonnen onderzoeksterrein.

4.26 Tabaksverwerkende industrie

door Frank Becuwe (VIOE)

De tabaksnijverheid is in beperkte mate al het onderwerp geweest van lokale onderzoeksprojecten, waarvan de resultaten veelal in lokale of regionale heemkundige of historische tijdschriften werden gepubliceerd. Zo werd bijvoorbeeld in beperkte mate onderzoek verricht rond de sigarenindustrie in Geraardsbergen en in Arendonk, de tabaksverwerking in Nevele en in Hamont of de tabaksteelt in de Leiestreek en in het Wervikse. Systematisch onderzoek met betrekking tot de tabaksteelt, de tabaksverwerkende industrie en het tabakserfgoed vond echter nog niet plaats. Niettemin dringt de tijd, want de achteruitgang van de tabaksteelt en tabaksindustrie laat vermoeden dat binnen een paar jaar van de tabaksteelt in Vlaanderen nauwelijks nog enige bedrijvigheid overblijft. Deze dreigende teloorgang plaatst het tabaksindustrieel erfgoed dan ook onder steeds grotere druk. 45

4.27 Textiel

4.27.1 Katoen

door Brigitte De Meyer (MIAT) 46 m.m.v. Frank Becuwe (VIOE)

Voor het onderzoek naar het industrieel erfgoed van de katoennijverheid in Vlaanderen speelde het MIAT in Gent in de voorbije jaren een belangrijke trekkersrol. Voorafgaand aan de herinrichting van de textielafdeling verrichtte het museum in het bijzonder onderzoek naar de rol en betekenis van de Gentse katoenindustrie. Isabelle De Baets onderzocht in het bijzonder de technische aspecten van het katoenindustrieel erfgoed, terwijl René De Herdt het textielhistorische luik uitdiepte. Maria De Waele bracht vooral de sociaaleconomische omstandigheden met betrekking tot de textielindustrie (arbeidsomstandigheden, kinderarbeid …) in de 19de en vroege 20ste eeuw in kaart. Behalve als wetenschappelijke onderbouw voor de museale herinrichting van de textielafdeling Katoenkabaal werden de onderzoeksresultaten nog niet volledig ontsloten.
Hoezeer ondermeer door het MIAT gewezen wordt op het onderzoeksbelang van deze sector ontbreekt tot op vandaag een inventaris van het onroerend erfgoed over de katoennijverheid in Vlaanderen, evenals een overzichtswerk van de textielindustrie in het algemeen en de katoennijverheid in het bijzonder. Diverse aspecten zoals de confectie en de distributie van (katoenen) stoffen, de ontwikkeling van de productiemethoden of de bouwkundige typologie van de katoenfabrieken gelieerd aan de productietechniek, zijn immers nog nauwelijks of niet aangesneden. Deze leemtes zijn deels te wijten aan een vrij groot gebrek aan technische kennis, in het bijzonder met betrekking tot de werking van de machines. Om inzake de zorg voor het katoenindustrieel (wetenschappelijk) verantwoorde keuzes te kunnen maken, dringt een sectoraal onderzoek dat de gevalsstudies overstijgend de gehele branche en zijn industrieel erfgoed in beeld brengt zich op.

4.27.2 Vlas

door Adriaan Linters (VVIA)

Vlas (of Linum usitasisimum ) is één van de belangrijkste vezelplanten die al vanaf de steentijd in cultuur werden gebracht. Het adjectief ‘usitasisimum’ bij ‘Linum’ (vlas) betekent immers ‘op veel manieren bruikbaar’. Vlas is het industriegewas met de hoogst toegevoegde waarde, waar naast de vezel ook de zaden (lijnzaad) en alle ‘afval’ nuttige bestemmingen vonden. Vlas is onlosmakelijk verbonden met de cultuur van de Lage Landen tussen Artesië en Friesland, en met ‘cultuur’ als dusdanig. Niet alleen de textiele cultuur (linnen, kant, batist, damast), in de schilderkunst is er het bekende schilderij van Jean François Millet (1815-1875) ‘La Broyeuse de Lin’, 47 in de muziek componeerde Debussy zijn La Fille aux cheveux de lin, Emile Verhaeren verheerlijkte le lin sacré in zijn poëzie en Stijn Streuvels beschreef het werken en leven van de vlasboeren in De Vlaschaard (1907), 48 en bij feesten en kermissen zong het volk over ‘Tineke van Heule met heur vlasblonde haren’. Kortom, de geschiedenis van de vlasvezelbereiding is een belangrijke brok sociale en economische geschiedenis van het platteland. Ze toont via een late vorm van proto-industrialisering de overgang van een agrarische naar een (veelal kleinschalige) industriële samenleving, en hoe die ingreep op traditionele verhoudingen en structuren. Toch heeft men lang geen aandacht gehad voor dit erfgoed, omdat het niet indrukwekkend is, omdat de materiële relicten in het platteland aan elk esthetisch gevoel leken te ontsnappen, omdat op veel plekken in minder dan één generatie dát verleden volledig verleden tijd en vergeten werd. Ondanks het feit dat er in alle vlasgebieden in Europa inmiddels her en der erfgoedprojecten en musea tot stand kwamen die de vlasvezelbereiding tot onderwerp hebben, blijkt het erfgoed van de vlasvezelbereiding nog maar in erg beperkte mate en veelal binnen een al te lokale context onderzocht. Nochtans reisden vlaszaad, vlas en de vlastechnologie door Europa lang vóór er van een Europese Unie of van Europese projecten sprake was. Een systematisch onderzoek dat grensoverschrijdend het erfgoedverhaal van de vlasnijverheid benadert, dringt zich dan ook op opdat sommige regio’s hun toekomst zouden kunnen enten op hun historisch gegroeide identiteit .

4.27.3 Jute

door Frank Becuwe (VIOE)

Rond de jutenijverheid in Vlaanderen werd nog maar zeer beperkte onderzoek verricht. Hoewel er in de 19de eeuw her en der in Vlaanderen juteweverijen werden opgericht, zoals in Roeselare, Lendelede, Temse, Aalst en Sint-Amandsberg, was vooral de streek van Zele wat het epicentrum van de juteverwerking. Met de tentoonstellingsuitgave Jute lichtte de Heem- en Oudheidkundige Kring van Zele in 1974 een tipje van de sluier. Sindsdien werd nauwelijks nog onderzoek verricht. Om het industrieel erfgoed van deze textielbranche in kaart te kunnen brengen, dient het systematische onderzoek nog opgestart.

4.28 Visverwerkingsindustrie

door Frank Becuwe (VIOE)

Het belang van de Vlaamse visserij in het verleden uitte zich ondermeer in de vele visrokerijen en -verwerkingsbedrijven die in het bijzonder tot de Tweede Wereldoorlog niet alleen aan de Vlaamse kust, maar ook in het binnenland gevestigd waren. Ongeacht het economische belang van deze voedingsnijverheid kreeg deze sector nauwelijks de aandacht vanuit het erfgoedonderzoeksveld.
De teloorgang van deze bedrijvigheid leidde intussen echter tot de massale verdwijning van zowel ambachtelijke haring- en sprotrokerijen als industriële visverwerkende bedrijven. Om op basis van de nog schaarse onroerende relicten binnen ons collectief geheugen alsnog een samenhangend evolutief beeld van deze voedingsbranche te bewaren, is onderzoek rond dit industrieel erfgoed een dringende noodzaak.

4.29 Zeepziederijen

door Frank Becuwe (VIOE)

Op enkele beperkte bijdragen na over zeepziederijen in en rond Brussel en Gent is industrieelarcheologisch onderzoek met betrekking tot zeepziederijen in Vlaanderen nagenoeg onbestaande.

4.30 Zuivel- en melkbedrijven

door Frank Becuwe (VIOE) m.m.v. Eddie Niesten (CAG)

Zuivel- en melkbedrijven waren al meermaals het onderwerp van bijdragen in historische, heemkundige of andere tijdschriften. Het tijdschrift Ons Heem wijdde in 1993 een themanummer aan deze sector, terwijl het Centrum voor Agrarische Geschiedenis in 2002 de geschiedenis van de zuivelsector in de voorbije twee eeuwen gedeeltelijk in beeld bracht. Systematisch onderzoek naar de spreiding van zuivel- en melkbedrijven en hun (nog bewaarde) industrieelarcheologisch erfgoedwaarden ontbreekt echter, waardoor een referentiekader in functie van de zorg voor het zuivelerfgoed alsnog onbestaande is.

4.31 Frisdrankennijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Vanaf het interbellum werden frisdranken, in het bijzonder bronwater en limonades, geleidelijk aan een geduchte concurrent van het bier. Diverse brouwerijen startten dan ook een spuitwater- en limonadeafdeling op om aan deze wijziging in het drankenverbruik tegemoet te komen. Op een in 1991 door het M.I.A.T. uitgegeven themanummer49 na gewijd aan deze niet-alcoholische dranken, beperkt het onderzoek van de frisdrankennijverheid zich vandaag nog grotendeels tot enkele casuele studies. Systematisch onderzoek naar de spreiding van bronwater- en limonadefabrieken in Vlaanderen en hun (nog bewaarde) industrieelarcheologische erfgoedwaarden dient echter nog verricht om de materiële erfgoedwaarden van deze sector te kunnen behouden en te beheren.

4.32 Fruitverwerkende nijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

Zoals de hopteelt vooral streken rond Poperinge, Aalst en Asse / Ternat kenmerkt, zijn de fruitteelt en de fruitverwerkende nijverheid karakteristiek voor Haspengouw. Met de studie Limburgs-Haspengouw, een fruitstreek met traditie 50 van Veerle Jacobs bracht de VZW Fruitstreekmuseum in 1997 het materiële en immateriële erfgoed van deze economische activiteit onder de aandacht. Verder onderzoek, ondermeer naar de fruitasten, blijft echter wenselijk om ook de ontwikkelingsgeschiedenis van de fruitteelt en –verwerking, die aan de stroopfabriek in Borgloon voorafgaat, in een adequaat beschermingsbeleid te kunnen vatten.

4.33 Cichoreinijverheid

door Frank Becuwe (VIOE)

De Continentale Blokkade onder Napoleon belemmerde de aanvoer van koffie, waardoor als surrogaat cichorei op de markt werd gebracht. De teelt van de wortels kwam aanvankelijk maar langzaam op gang en concentreerde zich op zandleembodems. Naarmate de binnen- en buitenlandse vraag groter werd, werden de teelt en de verwerking gemechaniseerd met oogst- en snijmachines. Het drogen (eesten) in cichoreiasten, het branden en vermalen van de wortels vond plaats in kleine bedrijfjes. Omstreeks 1900 waren alleen al in de streek rond Kortrijk 150 cichoreifabriekjes die samen 1.100 mensen tewerkstelden. Met de toenemende welvaart in het begin van de 20ste eeuw koos de consument echter opnieuw voor echte koffie. Tijdens de Tweede Oorlog was de surrogaatkoffie opnieuw tijdelijk populair. Na de oorlog verdrong de koffie de cichorei definitief.
Onderzoek naar de ontwikkelingen die de cichoreinijverheid in de 19de en 20ste eeuw heeft gekend, is, op een licentiaatsverhandeling 51 en enkele gevalsstudies 52 53 na, echter nog nauwelijks verricht. Omtrent de evolutie die de cichoreiasten hebben doorgemaakt en hen al dan niet onderscheiden van hop-, tabaks- en fruitasten, is alsnog weinig bekend. Intussen verdwijnen de cichoreiasten en –fabriekjes systematisch uit het rurale landschap. De nood aan typologisch onderzoek, dat zich vertaalt in een thematisch beschermingsbeleid, is dan ook groot.