2.3.2 Publicatiereeks "Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen": inventaris van het bouwkundig erfgoed

Onder minister Frans Van Mechelen startte men in 1965 met een inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, die in heel België met dezelfde criteria en volgens dezelfde methodiek uitgevoerd zou worden. De boekdelen zouden telkens in beide landstalen uitgegeven worden. De publicatiereeks telt ondertussen 55 delen en wordt sinds 2001 verder gezet met aparte geringde bundels per gemeente (de zogenaamde pdf's) waarvan er ondertussen een veertigtal zijn verschenen. Meer dan veertig jaar later, in 2010, werd de laatste Vlaamse gemeente geïnventariseerd door het Agentschap Ruimte en Erfgoed. Sinds 2004 maakt het VIOE een prioriteit van het optimaliseren en actualiseren van de databank van deze inventaris.

1 Ontstaan en evolutie

Dit hoofdstuk is gebaseerd op de bijdrage van Suzanne van Aerschot in het plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 1

In het voorwoord van het eerste boekdeel van de reeks verwijst minister Van Mechelen naar de Europese ministerconferentie van 1969 te Brussel waar "de regeringen voor de eerste maal op één en hetzelfde ogenblik en gemeenschappelijk hun ongerustheid uitten over de bedreiging van de historische monumenten, één van de meest kostbare erfenissen van de Europese cultuurgeschiedenis". 2 Een beschermende overzichtsinventaris moet hiervoor het noodzakelijke basismateriaal aanbrengen. Omdat die bestemd is voor de betrokken overheden - niet alleen monumentencommissies, maar evenzeer stedenbouwkundige en technische diensten - en voor de te sensibiliseren bevolking, lijkt een vernieuwende formule wenselijk, ook in de presentatie. Bedoeling is: "een lijst op te stellen van de gebouwen en groepen van gebouwen, die dienen bewaard te worden, omdat zij een uiterst waardevol cultuurbezit vormen, waarvan het verlies in elk opzicht zeer betreurenswaardig zou zijn; ten tweede: de lezer een beknopte gids verschaffen voor het architecturale patrimonium van onze dorpen en steden; ten derde: een - opzettelijk onvolledig - ontwerp van wetenschappelijke inventaris voorleggen.

Deze drievoudige doelstelling veronderstelt het op punt stellen van een pragmatische methodologie die vatbaar moet zijn voor verdere aanpassingen en verbeteringen. De topografische benadering behoudt het arrondissement als hanteerbaar gebied. Het systematische plaatsbezoek en de kritische visuele vaststelling en ontleding blijven als uitgangspunt fungeren. Wegens het dringende karakter van de operatie blijft het bijkomende onderzoek beperkt en wordt het raadplegen van archiefstukken en de volledige speciale literatuur uitgesloten. Omdat het de bedoeling is minstens het erfgoed op te nemen dat juridisch moest worden beschermd, wegen de toenmalige opvattingen uiteraard door op de keuze van de op te nemen items. De beschermingswaardige gebouwen worden daarbij met een stip aangeduid, de al beschermde monumenten met een asterix. Het aanduiden van items die voor bescherming vatbaar zouden zijn, is ook in het tweede deel van Vlaams-Brabant, in de eerste, in 1976 gepubliceerde delen van Stad Antwerpen en Stad Gent gebruikt, maar nadien afgeschaft op vraag van de verantwoordelijke overheid. De toen nog geldende chronologische limiet bij het begin van de 19de eeuw is bepalend.

Het arrondissement Leuven, voltooid in 1967 met drukproeven in 1969, maar met vertraging gepubliceerd in het Nederlands en in het Frans in 1971, fungeert als pilootstudie. Klassiek in de publicatie in boekvorm is de topografische behandeling waarbij de gemeenten vanzelfsprekend in alfabetische volgorde behandeld worden, met verwijzing van gehuchten en andere plaatsnamen naar de gemeente in kwestie. De interne indeling naar bouwtype, die op internationaal niveau en hier te lande door de KCML werd gevolgd, wordt ook hier, met enige kleine wijzigingen, toegepast. Vernieuwend is de gewild aantrekkelijke publicatie, die bedoeld is om zowel specialisten, geïnteresseerden als het grote publiek te bereiken. De bondige beschrijvingen en de (voor die tijd) talrijke zwart-witfoto’s en plannen in het boekblok dragen hiertoe bij. De naar type en stijl ingekleurde stadsplattegronden en dito arrondissementskaart lokaliseren de aparte gebouwen, ensembles en concentraties, terwijl de kleurenplaten de materialen, vormen en omgeving overtuigend visualiseren. De oplage (tweemaal 5000 exemplaren) leek een waagstuk, maar raakte uitverkocht en werd later aangevuld.

De regionalisatie heeft het nationale plan doorkruist: het deel 2, gewijd aan het arrondissement Nijvel in het huidige Waals-Brabant, is de laatste tweetalige publicatie, verschenen in 1973. De basisprincipes blijven ongewijzigd, maar verbeteringen komen al aan bod, zoals de weliswaar nog bondige algemene inleiding en een eerste geïllustreerd lexicon met de meest gehanteerde vaktermen. De selectie wordt ruimer door de groeiende aandacht voor de documenterende rol van het werk. Wallonië zet zonder onderbreking en nagenoeg volgens dezelfde basisprincipes het onderzoek verder en rondt het in 1998 af met de publicatie van 23 nummers en 36 delen, plus het eerste volume Leuven. Sinds 1997 is in Wallonië een aanvullende herinventarisatie opgestart die vertrekt van globaal terreinwerk en volledig past in de doelstellingen van de duurzame regionale ontwikkeling gedragen door de lokale overheden.

In Vlaanderen is de inventarisatie, naast andere taken, toevertrouwd aan de Rijksdienst voor de Monumenten- en Landschapzorg, opgericht bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1972. Het deel 2n (voor Nederlands en verder aangehouden in de nummering), gewijd aan Vlaams-Brabant, arrondissement Halle-Vilvoorde, verschijnt tijdens het Europees Monumentenjaar 1975, na een soms onderbroken optekeningperiode van 1971 tot 1975. Dit ‘overgangsdeel’ volgt de drievoudige doelstellingen en behoudt nog grotendeels de basisprincipes en het format van de vorige twee delen; het bevestigt hiermee het voortzetten van de opgestarte reeks met behoud van het A5-formaat en de lay-out. De chronologische limiet, die in het decreet volledig achterwege zal worden gelaten, wordt hier overschreden. Met vereisten als kwaliteit en representativiteit krijgt het werk van vooraanstaande 20ste-eeuwse architecten als onder anderen R. Braem, L. Dekoninck en J. Dupuis, een korte vermelding. Ook de merkwaardigste voorbeelden van industriële archeologie worden opgetekend.

In de loop van het Europese Monumentenjaar van 1975 krijgt de inventarisatie een nieuwe impuls, mede dankzij minister Rika De Backer-Van Ocken, bevoegd voor monumentenzorg. Vrijwilligers werken in de eerste fase mee aan een soort van pre-inventaris van het bouwkundig erfgoed van hun gemeente. De talrijke, al dan niet geïllustreerde steekkaarten, brengen heel wat informatie aan die qua omvang, inhoud en kwaliteit zeer uiteenlopend was en meestal objectgericht. Interessant is dat de lokale architectura minor, gaande van herberg, wegkapel, oorlogs- en grafmonumenten tot wegwijzers en grenspalen, meteen bewust wordt voorgedragen. Binnen de Rijksdienst kan het in 1975 aangestelde inventaristeam in zekere mate terugvallen op deze gegevens en de verantwoordelijke plaatselijke comités zo nodig raadplegen voor de te uniformeren verruimde inventarisatie. De bestaande drievoudige doelstelling wordt hiervoor behouden. De evolutie van de begrippen ‘monumenten’ en ‘stads- en dorpsgezichten’, zoals gedefinieerd in het toekomstige decreet van 1976 vergt een aanpassing van de methodologie. Het wegvallen van een chronologische limiet verbreedt het onderzoek in de tijd. Door het behandelen van de ensembles en de historisch-geografische en stedenbouwkundige context wordt meer aandacht besteed aan de ruimtelijke dimensie. Anderzijds veronderstellen de in het decreet vermelde "artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieelarcheologische en andere sociaal-culturele waarden" een typologische uitbreiding, o.m. afgestemd op de specifieke (her)ontdekte architectura minor en het industriële erfgoed die in de algemene topografische context zijn opgenomen.
In de praktijk monden deze nieuwe invalshoeken uit in een gefaseerde en doelgerichte aanpak: vooronderzoek met raadpleging van literatuur, kaartmateriaal enz., analytisch veldwerk met gebruik van typesteekkaarten en fotografie, bijkomend onderzoek o.m. met waar mogelijk raadpleging van bouwaanvragen en ander beschikbaar plan- en historisch kaartmateriaal, ‘nuttige’ archivalia enz. De teksten, opgevat als kritische synthese van het geheel, vormen de voorlopige eindfase en worden in de publicatie afgeleverd als aanzet voor verdere wetenschappelijke uitdieping.

Deze contextuele aanpak introduceert straatbeelden en inleidingen bij de gemeenten en het hele studiegebied met aandacht voor de historisch-geografische, stedenbouwkundige en architecturale aspecten. Na de fusies van de gemeenten in 1977 is de alfabetische volgorde veranderd: eerst wordt de samenstelling van het hele gebied vermeld en in kaart gebracht. Nadien komen achtereenvolgens de spilgemeente en de alfabetisch geordende deelgemeenten met hun eigen actuele plattegrond die soms ter vergelijking wordt vergezeld door een uittreksel uit een historische kaart. Gehuchten worden, met de nodige verwijzingen, nog apart behandeld voor zover ze nog duidelijke entiteiten vormen. In het voorwerk komt een alfabetische lijst van de spilgemeenten met hun deelgemeenten, telkens gevolgd door de aanduiding van de beginpagina in het boek. Een aanvullende lijst brengt een volledige opsomming in alfabetische volgorde van zowel de spil- als deelgemeenten en dit telkens met een gelijksoortige verwijzing. Bepalende gebouwen worden niet meer typologisch voorgesteld, maar wel ondergebracht in hun straat of plein om hun lokalisatie en samenhang met de rest van de bebouwing aan te tonen. Ze worden na de bibliografie bij de gemeente-inleiding opgesomd met verwijzing naar de pagina waarop ze worden voorgesteld. Per item, dat historisch gesitueerd wordt en systematisch beschreven komen ten slotte ook de referenties aan de geraadpleegde bronnen. Voor grote historische steden als Antwerpen, Gent en Brugge is ter wille van de samenhang een andere aanpak uitgewerkt. Rekening houdend met hun historisch-stedenbouwkundige groei komt eerst de oudste in het stadsweefsel nog herkenbare kern aan de beurt, nadien de opeenvolgende stadsuitbreidingen.

Aanvankelijk blijft het arrondissement het studiegebied voor onderzoek en uitgave, wat leidt tot bijvoorbeeld drie in alfabetische volgorde der gemeenten gesplitste delen voor het arrondissement Antwerpen (1985). Vanaf 1987-1988 wordt, om praktische redenen en zorg om samenhang, overgeschakeld op een kanton of groep van aanverwante kantons, uitgebracht in aparte delen. De hoofdbekommernis blijft het streven naar een overzicht en vergelijkingsmogelijkheden voor een gebied dat de gemeentegrenzen overschrijdt. De algemene inleidingen blijven het verband aanduiden tussen bouwkundig erfgoed en de geografische, landschappelijke en historische en stedenbouwkundige omgeving en haar evolutie en belichten het typerende streekeigen bouwen met zoals gebruikelijk een verwijzing naar de goed bewaarde voorbeelden en hun afbeelding in het boekblok. De uitgebreide documentatie blijft gestoffeerd met grond- en situatieplannen, doorsneden, een representatieve selectie van zwart-wit foto’s, ook van bouwaanvragen- en kleurenopnamen. Sinds 1976 vult een fotoregister met alle opgetekende items het geheel aan in het nawerk. Tot 1985 telt het register 20 kleine foto’s per pagina; nadien wordt, voor een meer duidelijke identificatie dit aantal herleid tot 12 ietwat grotere opnamen.

De Engelse samenvatting van het Woord Vooraf en de Algemene Inleiding komt sinds 1979, in een periode van nieuw internationaal onderzoek en overleg, tegemoet aan de buitenlandse belangstelling voor deze vorm van inventaris in maatwerk die het midden begint te houden tussen de ‘snelle, voorlopige’ en de ‘wetenschappelijke’ inventaris.

Inventarisatie is duidelijk een dynamisch proces dat niet enkel onderhevig is aan de evoluerende interpretatie van het bouwkundig erfgoed, maar dat het ook in zekere zin mee bepaalt. Een inventarisatie heeft immers naast een vaststellende functie een ontdekkende functie. Gaandeweg werden naargelang het studiegebied niet enkel wederopbouwarchitectuur, kust- en interbellumarchitectuur en recenter werk, maar ook militair en funerair erfgoed en voor zover mogelijk, privé-interieurs onderzocht. Deze nieuwe invalshoeken nuanceren en verzwaren uiteraard het veldwerk, het bijkomende onderzoek en de publicaties. Contacten met lokale kringen en specialisten en het groeiende aantal publicaties ter zake hebben samen met de steeds grotere nood aan precieze informatie in de loop der jaren de overzichtsinventaris opgetild tot een intermediair niveau dat zowel binnen als buiten de administratie tegemoet komt aan de gestelde vereisten.

Inventarisatie wordt doorgaans bestempeld als een werk van lange adem. Van 1975 tot heden zijn in de reeks 19 nummers en 55 volumes verschenen (plus één ouder deel voor het arrondissement Leuven en één voor het arrondissement Nijvel). Daarbij werden de provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant volledig gepubliceerd. In Oost- en West-Vlaanderen blijven een paar onafgewerkte gemeenten over wanneer in ca. 2000 beslist wordt de publicatiereeks stop te zetten. De delen van Antwerpen en Limburg die toen in voorbereiding waren, worden nog gepubliceerd.

Gemeenten per boekdeel in de reeks ‘Bouwen door de Eeuwen heen’Fig. 1: Gemeenten per boekdeel in de reeks ‘Bouwen door de Eeuwen heen’.

2 Heroriëntering

Vanaf eind 2000 is een heroriëntering in het inventarisatieproces opgetreden. Door de toen opgedreven beschermingspolitiek moest versneld gewerkt kunnen worden. Voor de nog te inventariseren gemeenten in Oost- en West-Vlaanderen koos men ervoor geen tijd meer te spenderen aan de publicatie in boekvorm en om de inventarisatie enkel via de databank te ontsluiten, zie ook hoofdstuk Databank van de inventaris bouwkundig erfgoed. In West-Vlaanderen werd ervoor gekozen om de digitale gegevens ook per gemeente in een geringde A4-bundel uit te brengen. Een andere belangrijke wijziging van lay-out is dat de foto naast de tekst van het gebouw kwam te staan, wat het gebruiksgemak van de inventaris verhoogde. 
De opzet van de teksten en methodologie van de inventaris werd echter behouden. Dit concept werd overgenomen door Vlaams-Brabant, waar men in 2000 de rand rond Brussel begon te herinventariseren.

3 Kwaliteiten en knelpunten van Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen

De inventaris ‘Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur’ is binnen de monumentenzorgsector steeds een belangrijk werkinstrument geweest. Het is immers het enige overzicht van het waardevolle bouwkundige erfgoed dat voor Vlaanderen zo goed als gebiedsdekkend is en dat alle typologieën, stijlen en bouwperiodes in achting tracht te nemen. Daardoor vormt het al tientallen jaren het uitgangspunt voor het beschermingsbeleid van de Vlaamse overheid. De inventaris is verder een hulpmiddel voor het gemeentelijke beleid betreffende het architecturale patrimonium; daarnaast vormt het een gids voor de architectuur in de streek en ten slotte een uitstekend uitgangspunt voor dieper wetenschappelijk onderzoek.
Tijdens de negende VCM-ontmoetingsdag omtrent niet-beschermd waardevol erfgoed in 2002 is opnieuw vanuit alle actoren en gebruikers onderstreept dat de inventaris een belangrijk hulpmiddel is voor het gemeentelijk beleid en dat de inventaris de basis moet vormen voor een gemeentelijk reflecteren over het bouwkundig erfgoed. 3

Weinig bekend zijn de zeer uitgebreide, gedetailleerde fotoarchieven die opgebouwd zijn door de inventaristeams in de verschillende provincies. Dit fotomateriaal is nog nergens gedigitaliseerd, maar is na afspraak ter plaatse bij de bevoegde administraties te consulteren. 4
Het gaat om tienduizenden foto's die genomen werden tijdens het veldwerk voor de reeks Bouwen door de Eeuwen heen. Bij elk gebouw dat opgenomen werd in de inventaris, werd vanaf het derde boekdeel (dus niet voor Vlaams-Brabant) achter in het boek een afbeelding opgenomen, jammer genoeg in heel klein formaat en zwart-wit. Al deze foto's, en nog veel meer nooit gepubliceerde exemplaren, werden bewaard. In West-Vlaanderen is daarvoor een apart, geografische geklasseerd fotoarchief uitgebouwd. In de andere provincies worden de foto's bewaard in het archief van de inventaris, samen met de veldwerkfiches en de verzamelde literatuur- en archiefgegevens.

Er zijn wel een aantal knelpunten binnen deze reeks, die eigen zijn aan een dergelijk grootschalig, langlopend inventarisatieproject.

Zo is er de steeds aangehouden opdeling van de in arrondissementen en kantons. Samen met de bijkomende problematiek van de fusies in de jaren 1970 zorgt deze opdeling ervoor dat het zoeken van een bepaalde gemeente in de zeer uitgebreide reeks niet altijd eenvoudig is. Het VIOE kon in 2007 de gegevens van mevrouw Yvonne De Maeyer gebruiken om een plaatsnamenregister op de volledige reeks Bouwen door de Eeuwen heen uit te geven. Daarin wordt voor elke hoofdgemeente, deelgemeente en elk gehucht dat opgenomen is in de reeks, een aanduiding gegeven van het juiste boekdeel. 5

Een tweede, en veel belangrijker knelpunt, vloeit voort uit de lange historiek van de reeks. Op veertig jaar tijd zijn de principes en selectiecriteria enorm geëvolueerd, waardoor er grote verschillen bestaan tussen de oudste en de nieuwere delen. Terwijl voor de eerste twee boekdelen de gebouwen ouder moesten zijn dan ca. 1850, geldt voor de latere delen geen tijdslimiet meer. Ook nieuwere typologieën als industrieel erfgoed en eenvoudige woningen worden maar gaandeweg in de reeks opgenomen. Voor de oudste delen ontbreekt eveneens het onderzoek van archief- en literatuurgegevens en wordt het per provincie sowieso anders aangepakt.
Een algemeen probleem ten slotte is dat de adressen van de opgenomen gebouwen nooit werden geactualiseerd, waardoor een groot percentage van de adressen op dit moment niet meer klopt. Ook kon niet bijgehouden worden welke gebouwen verbouwd of gesloopt werden, een aspect dat onontbeerlijk is met betrekking tot een erfgoedbeleid. Het VIOE werkte deze problematiek ondertussen weg met een groot actualisatieproject, dat liep van 2006 tot oktober 2008.

De grootste problemen gelden vanzelfsprekend voor de oudste twee delen, die de provincie Vlaams-Brabant omvatten. Deze boekdelen zijn van zeer groot belang, omdat ze het pionierswerk in de inventarisatie bevatten en omdat ze de methodologie hebben ontwikkeld en toegepast. Het gebrek aan fotomateriaal voor elk gebouw, het ontbreken van een bibliografie en van archiefonderzoek, de opgelegde tijdslimiet van 1850 en het ontbreken van nieuwere typologieën zoals industrieel erfgoed en architectura minor maakt een herinventarisatie van dit gebied echter broodnodig. In 2000 is men dan ook begonnen met de herinventarisatie van de provincie, een project dat tot nog toe voor vier gemeenten gegevens opleverde die publiek toegankelijk zijn. Deze inventarisdelen zijn niet meer te koop. Een oplossing voor het deel van Leuven is de in opdracht van de Heemkundige kring "Oost-Brabant, Hagelandse geschied- en heemkundige kring" volledig gedigitaliseerde en online beschikbare versie, inclusief alle afbeeldingen.