2.2 Inventarisatie in Vlaanderen: een historiek tot ca. 1960

Dit hoofdstuk is deels gebaseerd op de bijdrage van Suzanne Van Aerschot in het Plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 1

Al sinds het ontstaan van de Belgische staat worden ambtenaren belast met inventarisatie van bouwkundig erfgoed. In eerste instantie moest deze inventarisatie de nieuwe staat legitimeren en een eigen identiteit geven. Geïnspireerd door Koning Leopold I stuurt de minister van Binnenlandse Zaken in 1834 een omzendbrief naar de provinciegouverneurs waarin hij hen vraagt een inventaris op te maken van het waardevolle erfgoed: "Je vous prie de vouloir bien m'adresser un catalogue complet et exact des édifices ou monuments de la province, qui méritent de fixer l'attention du gouvernement par leur antiquité, par les souvenirs qu'ils rapellent ou par leur importance sous le rapport de l'art." De respons was erg mager: de gouverneur van Brabant kent bijvoorbeeld in Diest en Tienen geen enkel belangrijk gebouw.
In 1835 wordt de Koninklijke Commissie voor Monumenten opgericht, met een adviserende bevoegdheid. Deze Commissie neemt het initiatief om een klassering op te maken van gebouwen die behouden moeten blijven. Dit is echter niet gekoppeld aan een systematische inventarisatie. Vanaf 1861 wordt het inventariseren van kunstvoorwerpen wel een taak van de Commissie – aanvankelijk met weinig resultaat.

Toch is het Koninklijk Besluit van 23 februari 1861 een keerpunt. De Koninklijke Commissie voor Monumenten wordt opgedragen een algemene inventaris op te stellen van de kunstvoorwerpen of ‘antiquités nationales’ in openbaar bezit en meer bepaald die welke door hun kunsthistorische en archeologische waarde het behouden waard zijn. Voordien werd meestal het religieuze roerende erfgoed opgenomen; het is pas in een volgende fase dat het openbare, meestal religieuze gebouw dat het herbergt, vermeld wordt en bondig bestudeerd. In de loop van de volgende 100 jaar bleef het uitvoeren van dit K.B. beperkt tot een aantal publicaties dat fasegewijs en over de provincies verspreid tot stand kwamen, telkens op eigen en onvoltooide wijze. 2 3 4 Ten opzichte van het buitenland betekent dit een aanzienlijke achterstand, die grotendeels te wijten is aan een ontbrekende infrastructuur: de Koninklijke Commissie voor Monumenten en later ook Landschappen (KCML) beschikt niet over de nodige vaste medewerkers; van een officiële monumentendienst is al helemaal geen sprake.

Het duurt tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor er concrete inventarisatie-initiatieven genomen worden. De KCML publiceerde in 1914 een lijst met gebouwen, gezichten en landschappen die beschermd dienden te worden. De lijst was bedoeld als basisdocument voor de wederopbouw na de oorlog. Architect Eugène Dhuicque, briefwisselend lid van de KCML, maakte op vraag van de minister van Wetenschappen en Kunsten (d.d. 20 mei 1915) een snelinventaris in niet-bezet België. Hij gaf samen met zijn medewerkers aan de hand van tekeningen en foto's de toestand weer van het verwoeste oorlogsgebied in de Westhoek, een initiatief, gekend als de 'Mission Dhuicque'. 5
De KCML voelt na de Eerste Wereldoorlog de nood tot een systematische inventarisatie groter worden. In 1923 wordt een 'Règlement pour la rédaction des inventaires définitifs des monuments et des sites' geschreven. Daarin staat dat de inventaris een nauwkeurige omschrijving dient te bevatten van alle monumenten die dateren van voor 1830 en die een kunsthistorisch, archeologisch of historisch belang hebben. Jongere monumenten krijgen maar een summiere vermelding. Ook voor het inventariseren van roerende goederen, landschappen en zelfs verdwenen monumenten wordt een regeling voorzien. Door een gebrek aan financiële middelen had dit initiatief weinig resultaat.

In de sfeer van het Verdrag van 's-Gravenhage (1954) ter bescherming van het erfgoed in geval van een gewapend conflict, komt het "Repertorium van het belangrijk cultuurbezit. Gebouwen en Kunstwerken. Répertoire des biens culturels importants. Monuments et Oeuvres d'Art" tot stand. 6 De elf delen verschijnen in 1955 in Brussel als gestencilde uitgaven met een algemene typologische en topografische indeling en in de voertaal van het bestudeerde gebied. Per provincie en gemeente worden de belangrijkste te vrijwaren kunstwerken en monumenten chronologisch gesitueerd. Er verschijnt een boekdeel per categorie, namelijk bouwkunst, schilderkunst, tekeningen en gravures (niet verschenen); beeldhouwkunst, kunstnijverheid, vaderlandse oudheidkunde, uitheemse oudheidkunde, vaderlandse geschiedenis, volkenkunde, folklore en muziek.
In 1951 zet het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen de wetenschappelijke inventarisatie en publicatie in van haar eigen kunstpatrimonium. 7 8 9 In West-Vlaanderen en Antwerpen gebeurt vanaf de jaren 1960 hetzelfde. 10 11 Van topografische inventarissen van een paar steden of kantons wordt gaandeweg overgestapt naar een grondige studie van een bepaalde interessante en beschermde kerk, een ander type gebouw of een onderdeel ervan. 12 13 14

De KCML zelf houdt het in die periode bij het opzetten van voorlopige topografische lijsten per arrondissement, verwerkt in gestencilde publicaties zonder afbeeldingen. Alleen de provincie Brabant werd afgewerkt cf. Bondige Inventaris der Kunstvoorwerpen van het Arrondissement Brussel, 1961 (ook in het Frans), Arrondissement Leuven, 1961 (alleen in het Nederlands) en het Arrondissement de Nivelles (alleen in het Frans). Per gemeente wordt het verzamelde materiaal typologisch geordend, grotendeels terugvallend op de vroegere reglementen van de Commissie. Wat het bouwkundig erfgoed betreft, komen achtereenvolgens de vestingwerken, de openbare burgerlijke gebouwen, de openbare godsdienstige gebouwen met inbegrip van kapellen en kloosters en ten slotte de private gebouwen (herenhuizen en woningen) aan bod. Opmerkelijk is dat er soms interieurs, straatmeubilair als beelden of pompen opgenomen worden. Eventueel aanwezige kunstvoorwerpen werden na de architectuur opgesomd.

Het feit dat dit initiatief snel uitdooft, illustreert treffend de Belgische achterstand. Artikels over de inventarisatie van Krönig 15 en Devliegher 16 uit de jaren 1960 vestigen de aandacht op het probleem. Het toen nog unitaire ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, met zijn bezielende ambtenaren C. Pirlot en G. Théâtre, beslist daarom het roer over te nemen. Onder minister Frans Van Mechelen wordt gestart met de eerste experimentele fase (van 1965/1966 tot begin 1973) uitgevoerd door een beperkte tweetalige stuurgroep waartoe een aantal KCML-leden behoren. Internationaal expert prof. R.M. Lemaire was de projectleider, verder zijn onder andere prof. F. Desmidt, L. Devliegher, M. Bussels, Kanunnik A. Lanotte, S. Brigode en de KCML-secretaris L. Moulin erbij betrokken. Voor het eerst wordt voor het hele land en in beide landstalen een homogene en bevattelijke inventaris opgestart die moet beantwoorden aan de noden van een degelijk, nog uit te tekenen monumentenbeleid. Het project krijgt de naam Bouwen door de Eeuwen Heen. Deze per bestuurlijke entiteit opgevatte inventaris van het bouwkundig erfgoed is nog steeds lopende en omvat voor Vlaanderen ondertussen meer dan vijftig boekdelen en zal na afwerking in 2009 het volledige Belgische grondgebied omvatten, veertig jaar na de start van het project.