1.2 Historische ecologie

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Paul Van den Bremt, Moïra Heyn, Aukje de Haan
  • Medewerkers: Jan Bastiaens, Kristof Haneca, Kris Verheyen, Hans Baeté, Hilde Verboven, Martin Hermy, Hans Van Calster, Guido Tack, Koen Himpe, Marc Antrop

Bijlage 1: Projectenlijst
In bijgevoegde lijst staan de projecten (vanaf 2000 of bijzonder relevant) die doorgegeven zijn door onze contactpersonen en die we op websites van universiteiten en instellingen hebben gevonden. Deze lijst is waarschijnlijk niet volledig. Suggesties voor aanvulling zijn dan ook steeds welkom.

Bibliografie: Overzicht van de bibliografie over dit thema
In de bibliografie beperken we ons tot basiswerken. Deze geven een overzicht van het onderzoekdomein, de bijdrage aan het onderzoeksveld landschap of voorbeelden van methoden die gebruikt kunnen worden.

1 Onderzoeksbenadering

Historische ecologie is een relatief nieuwe onderzoeksdiscipline die binnen het landschapsonderzoek een unieke positie inneemt door cultuurhistorie en ecologie te integreren. Ze beschouwt het landschap als een ecosysteem dat een - vaak lange - geschiedenis kent van menselijke beïnvloeding .

1.1 Evolutie onderzoeksbenadering

“Historical ecology seeks to interpret the natural and artificial factors that have influenced the development of an area of vegetation to its present state.” 1

Eén van de grondleggers van historische ecologie in Europa is de Engelse bioloog, bos- en landschapsonderzoeker Oliver Rackham. In ‘Hayley Wood, its History and Ecology’ uit 1975 2 introduceerde hij het begrip historical ecology als tegenhanger van modern ecology. 3 Deze detailstudie van een bos in de omgeving van Cambridge breidde hij nadien uit tot historisch ecologisch bossenonderzoek over heel Engeland. In 1980 resulteerde dit in Ancient Woodland, its history, vegetation and uses in England. 4 5 In 1986 verscheen zijn monumentale The history of the British countryside, the classic history of Britain’s landscape, flora and fauna, 6 waarin hij het landschap van Groot-Brittannië in zijn totaliteit behandelt. In 2003 verscheen The nature of Mediterranean Europe. An ecological history, 7 waarmee Rackham met A.T. Groove zijn benadering uitbreidde naar het Middelands zeegebied.
Rackham zelf verwijst graag naar vroegere pioniers: “The science of historical ecology began in 1769-72 with a debate in the Royal Society on whether or not the sweet-chestnut was an exotic tree.” 8

Het historisch-ecologische bossenonderzoek van Rackham kreeg navolging in tal van andere landen in en buiten Europa. Dit was ook in Vlaanderen het geval met het regionale bossenonderzoek dat in 1993 uitmondde in de publicatie van Guido Tack et al., Bossen van Vlaanderen, een historische ecologie. 9
De resultaten van het historisch-ecologische bossenonderzoek beïnvloedden vooral vanaf de jaren 1980 van de vorige eeuw steeds meer het natuur- en landschapsbeheer. Een van de eerste werken die historisch-ecologisch onderzoek in het bosbeheer integreerde was dat van George F. Peterken uit 1981, Woodland conservation and management. 10 Van grote invloed in Nederland en Vlaanderen - en ook ruim daarbuiten - was het recentere spraakmakende onderzoek van Frans Vera uit 1997, Metaforen voor de wildernis: eik, hazelaar, rund, paard. 11 Vera’s theorieën over landschapsbeheer en begrazing gaan terug op een eigenzinnige interpretatie van voornamelijk paleo-ecologisch onderzoek. Met een Engelse bewerking uit 2000, Grazing ecology and forest history 12 bereikte zijn onderzoek ook het internationale forum en werd zijn werk ook daar voer voor discussie. 13

Het waren de bosonderzoekers die de term “historische ecologie” introduceerden. Niettemin werd een dergelijke vorm van onderzoek al eerder, of gelijktijdig, beoefend door onderzoekers die in hoofdzaak belangstelling hadden voor het meer vegetatiekundige werk. Van bij de opkomst van de vegetatiekunde in het begin van de 20ste eeuw ging er al aandacht uit naar de menselijke invloed op de vegetaties. Maar veelal bleef deze aandacht beperkt tot een beschrijving van de invloed van de mens, die de onderzoeker vaststelde tijdens de vegetatiekundige opnamen. Vooral heideonderzoekers zoals de Nederlanders Ph. Stoutjesdijk en zeker J.T. De Smidt interesseerden zich voor historisch heidebeheer. Het is dan ook niet toevallig dat in De Nederlandse heidevegetaties van De Smidt uit 1981 14 heel wat pagina’s besteed worden aan de relatie mens-heide. In Groot-Brittannië ziet men hetzelfde fenomeen. Zich baserend op bijvoorbeeld het vele onderzoekswerk van Charles Gimingham, besteedt Nigel Webb in 1986 in Heathlands 15 ruim aandacht aan de invloed van de mens op de heide.
Ook in Vlaanderen was er al voor 1980 belangstelling voor historische ecologie, zonder dat die naam gebruikt werd. Zo gaf Joseph-Edgar De Langhe, hoofdauteur van de Nouvelle Flore de la Belgique (1973), in april 1978 een voordracht op een colloquium over het natuurreservaat De Zegge met als titel: Rol en betekenis van De Zegge in het traditioneel Kempische landschap. 16 Het onderwerp werd hierin vanuit een brede historisch-ecologische invalshoek benaderd.
Van de recentere historisch-ecologische bijdragen buiten de bossfeer in Vlaanderen en Nederland vernoemen we de werken van Henk Hillegers uit 1993, Heerdgang in Zuidelijk Limburg 17 en Joel Burny uit 1999, Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen. 18

Historische ecologie is grotendeels parallel ontstaan met een aanverwante nieuwe discipline, nl. de ‘ecologische geschiedenis’ of ‘milieugeschiedenis’. Deze laatste discipline behandelt de wisselwerking tussen mens en natuur doorheen de geschiedenis in al zijn aspecten (dus ook klimaatgeschiedenis, denken over natuur, de problematiek van de energiebronnen …) en legt de nadruk niet alleen op de ecosystemen. Soms beperkt men zich louter tot een zuiver mechanistische benadering. 19 In een mechanistische benadering wordt de werkelijkheid opgevat als een verzameling objecten die volgens vaste wetten functioneren en op elkaar reageren. Alles ligt dus in wezen vast, is gedetermineerd. Als we die vaste wetten en de structuur van alle objecten leren kennen, zouden we optimaal met de werkelijkheid kunnen omgaan. Anderzijds zijn er natuurlijk wel veel raakpunten. De ecologische geschiedenis is vooral tijdens het jongste decennium internationaal trendy geworden met populairwetenschappelijke bestsellers van internationaal gerenommeerde wetenschappers. Zo is er het werk van Clive Ponting (2007), A New Green History of the World: The Environment and the Collapse of Great Civilizations, en dat de Amerikaan Jared Diamond met zijn Guns, germs and Steel. The fates of Human Societies uit 1999 (vertaald in 2000 als Zwaarden, Paarden en Ziektekiemen, waarom Europeanen en Aziaten de wereld domineren) en meer recent uit 2004, Collapse (vertaald in 2005 als Ondergang, Waarom zijn sommige beschavingen verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen). De Australische onderzoeker Tim Flannery schreef dan weer in 2001 de bestseller The Eternal Frontier. An Ecological History of North America and its Peoples. (in 2001 vertaald als Een ecologische geschiedenis van Noord-Amerika).
In de Verenigde Staten heeft men de historisch-ecologische benadering bovendien als inspiratie gebruikt om ook in economische en sociale wetenschappen toe te passen. Zo gaat men bijvoorbeeld een parallel trekken tussen ecologische processen en doorheen de tijd evoluerende intermenselijke relaties.

1.2 Afbakening ‘historische ecologie’

Aangezien het onderzoeksgebied historische ecologie zich vanuit verschillende invalshoeken ontwikkelde, en ook in verschillende richtingen verder evolueert, is het wenselijk een definitie te verwoorden. Deze definitie geeft vooral weer wat in Vlaanderen (en binnen de onderzoeksbalans) verstaan wordt onder historische ecologie.

Definitie Historische ecologie is een onderzoeksveld dat zich bezighoudt met de studie van ecosystemen of delen ervan door de tijd heen. Het onderzoek heeft betrekking op een tijdsdoorsnede, of volgt een evolutie tot de huidige situatie. De natuurlijke én culturele processen die op het landschap als ecosysteem inwerken, komen beide evenwaardig aan bod. Historisch-ecologisch onderzoek is per definitie interdisciplinair en stelt de voortdurende en complexe interactie tussen mensen en hun omgeving centraal.
Technieken uit de historische wetenschap (archiefonderzoek, onderzoek van historische kaarten, oral history-technieken …), uit de biologie (floristiek en faunistiek, vegetatiekunde, landschapsecologie), de genetica, de land- en bosbouw, de geografie (geomorfologie, bodemkunde, historische geografie), de taalkunde (toponymie, etymologie, dialectologie) en intermediaire disciplines zoals de archeologie, de dendrochronologie, de paleobotanie, de palynologie en de archeozoölogie worden gehanteerd om te komen tot een totaalbeeld, dat meer is dan louter de som van de resultaten uit de afzonderlijke disciplines (holistisch concept).

Bij historisch-ecologisch onderzoek wordt als onderwerp van studie eigenlijk altijd vertrokken vanuit een landschap, habitattype, plant of dier en wordt gekeken naar de ontwikkelingen in relatie tot de mens. 20 Methodologisch maakt men gebruik van verschillende disciplines. Historische ecologie bestaat daarom ook niet als ‘vak’. Pas wanneer er twee of meer disciplines gecombineerd worden, kan gesproken worden van historische ecologie. Het tijdvak beslaat een periode van 0 tot 15.000 jaar geleden, want in deze periode bestaat er een duidelijke relatie met de mens. 21

Rackham stelde als eerste dat ‘historische’ ecologie verschilt van ‘moderne’ ecologie door het bestuderen van de tijdsdimensie bij de ontwikkeling van de ecosystemen. Moderne ecologie beperkt zich hoofdzakelijk tot de huidige tijd 22 terwijl ‘historische’ ecologie ook de voorbije historische periode onderzoekt. Hierbij wordt niet beperkt tot perioden met geschreven of getekend bronnenmateriaal. Ook de pre- en protohistorie worden betrokken bij de studie van het landschap als ecosysteem. Wel neemt men aan dat de menselijke invloed op het omringende landschap in de prehistorie veel geringer was dan in de historische periode. 23

Zoals boven aangehaald, worden de parallel ontwikkelende disciplines historische ecologie en ecologische geschiedenis soms met elkaar verward.

1.3 Historische ecologie en landschapsonderzoek

Binnen de integrerende studies van het landschap vormt historische ecologie geen uitzondering. Al deze studies maken bij het onderzoeken van het landschap namelijk gebruik van diverse disciplines. Door de unieke combinatie van abiotische, biotische, antropogene factoren en de factor tijd, levert historisch-ecologisch onderzoek echter een bijzonder veelzijdige bijdrage aan het globale landschapsonderzoek.

Zoals de naam doet vermoeden, sluit ‘historische ecologie’ nauw aan bij historische geografie en landschapsecologie. Het delen van bevindingen en werkwijzen tussen deze onderzoeksdomeinen, leidt meermaals tot vruchtbare kruisbestuivingen.

Historische geografie en historische ecologie bekijken het landschap beide vanuit historisch perspectief en zullen daardoor altijd een bepaalde periode in het verleden of de evolutie tot nu bestuderen. Ze verschillen echter in het onderwerp van studie. Bij historische ecologie is het uitgangspunt een ecosysteem, plant of dier, en heeft de studie altijd een ecologische inslag. Bij historische geografie ligt de nadruk meer op de mens, en wordt gekeken naar hoe de mens omgaat met het landschap. Een onderzoek naar de occupatiegeschiedenis van een landschap dat geen aandacht besteedt aan de effecten ervan op het ecosysteem is bijvoorbeeld geen historisch-ecologisch onderzoek maar een historisch-geografisch onderzoek. 24

Historische ecologie kan beschouwd worden als een onderdeel van landschapsecologie. Dit overkoepelend onderzoeksdomein bekijkt immers zowel de biofysische als maatschappelijke oorzaken en gevolgen van landschapsheterogeniteit. De relatie tussen menselijke activiteiten en de patronen en processen in het landschap doorheen de tijd, neemt de historische ecologie voor zijn rekening.

Beheerders van regionale landschappen, bos- en natuurgebieden kunnen bij het huidige beheer voordeel doen bij een betere kennis van het vroegere landschapsbeheer. Die kennis kan precies geleverd worden door gericht historisch-ecologisch onderzoek.

1.4 Internationale aandachtspunten

Om het Vlaamse onderzoek te toetsen aan de internationale context worden internationale aandachtspunten en daarbij behorende representatieve projecten behandeld.

Net als in vele onderzoeksvelden is er een internationale trend naar meer interdisciplinariteit. Hierbij is het belangrijk in te zien dat interdisciplinariteit verder gaat dan multidisciplinariteit. Het volstaat immers niet om de resultaten van verschillende deeldisciplines naast elkaar te plaatsen, een echte integratie is aangewezen. Het combineren van verschillende disciplines met erg uiteenlopende expertises is hierbij allerminst evident.

Steeds meer ecologen nemen aan dat vele zogenaamde natuurlijke systemen in min of meerdere mate beïnvloed werden door de mens, zeker in onze van oudsher dichtbevolkte streken. Verschillende habitats en levensgemeenschappen kenden zelfs hun oorsprong onder invloed van de mens. Dit inzicht is grotendeels de verdienste van historische ecologie. Meer onderzoek is noodzakelijk om dit beeld uit te breiden en te verfijnen.

Zoals eerder gesteld, kan het gewenst zijn het huidige en toekomstige bos-, natuur- en landschapsbeheer meer te gaan afstellen op lessen/ervaringen/praktijken uit het historisch beheer. Het kan hier zowel gaan over het bekomen van gewenste beheerseffecten als over het vermijden van fouten die in het verleden plaatsvonden, zoals bijv. introducties van exoten of het begrijpen van effecten op bijv. plantensoortensamenstellingen door een beter begrip van het vroegere beheer. In zijn recent afgewerkt doctoraat stelt Hans Van Calster dat er bij het actuele beheer rekening moet gehouden worden met het zogenaamde ‘ecologische geheugen’ van landschappen. Om de impact van actuele beheersmaatregelen in te schatten is het m.a.w. erg belangrijk te begrijpen hoe de ecosystemen/ landschappen ontstaan zijn en in welke mate de geobserveerde patronen nog het historische beheer reflecteren.

Historisch-ecologisch onderzoek geeft inzicht in de wijze waarop soorten en ecosystemen in het verleden reageerden op verstoringen en ‘stresssituaties’. Dit kan wetenschappers helpen te voorspellen hoe deze soorten en ecosystemen ook in de toekomst zullen reageren. De internationale aandacht voor (de gevolgen van) de klimaatsverandering betekent een nieuwe impuls voor historische ecologie.

In het algemeen kan men stellen dat er meer aandacht komt voor de zogenaamde toegepaste historische ecologie waarbij historische kennis gebruikt wordt voor het beheer van ecosystemen. 25 26

1.5 De relevantie van historische ecologie voor de erfgoedbenadering

De unieke combinatie tussen cultuurhistorie en ecologie zorgt ervoor dat historisch-ecologisch onderzoek een bijzondere bijdrage kan leveren aan onderzoek van het onroerend erfgoed. De elementen die onderzocht worden, hebben zelf vaak al een erfgoedwaarde, bijvoorbeeld een historisch bos, Kleine LandschapsElementen (KLE’s), oude muren, … Door het historisch-ecologisch onderzoek kan de geschiedenis van bepaalde gebieden of elementen worden onderzocht en wordt hun waarde voor het erfgoed beschreven. Doordat historisch-ecologisch onderzoek de landgebruikgeschiedenis en het historisch beheer van natuur- en bosgebieden bestudeert, komen ook andere erfgoedwaarden zoals cultuurhistorische landschapsrelicten in deze gebieden meer gericht in beeld.

Het is grotendeels de verdienste van het historisch-ecologisch onderzoek, dat men is gaan inzien dat natuur vaak ook te beschouwen is als erfgoed, zeker in het van oudsher dichtbevolkte Vlaanderen. Vele van onze bijzondere biotopen en hun onderdelen zijn het resultaat van de wisselwerking tussen natuurlijke en antropogene factoren. Hoewel deze vaststelling voor de hand ligt, blijkt het vaak niet evident deze gedachte ingang te doen vinden, zowel bij de natuur- als bij de erfgoedsector. Aangezien historisch-ecologisch onderzoek precies op de grens ligt tussen natuurgericht en cultuurhistorisch onderzoek, kan dit onderzoeksveld dé brug vormen zodat natuurbehoud en -ontwikkeling samen kunnen gaan met erfgoedzorg.

Beheerders van regionale landschappen, bos- en natuurgebieden kunnen bij het huidige beheer hun voordeel doen door een betere kennis van het vroegere landschap en het beheer ervan. Die kennis wordt precies geleverd door gericht historisch-ecologisch onderzoek. Erfgoedelementen en -kenmerken leveren inspiratie en vooral een constructieve bijdrage voor de opmaak van allerlei inrichtingsplannen en consolidatieprojecten. De toepassing leidt tot erfgoedvriendelijk beheer.
De historische landschapsbeelden die bij historisch-ecologisch onderzoek verkregen worden, hebben ook een belangrijke archiefwaarde; ze trachten namelijk een historisch referentiebeeld te geven van hoe het landschap er uit zag in een bepaalde periode. Het is belangrijk om voor ogen te houden dat zo’n beeld nooit af is en ook nooit helemaal ‘scherp’ zal zijn

2 Stand van zaken

In het Vlaamse historisch-ecologisch onderzoek dat sinds 2000 uitgevoerd werd, tekenen zich enkele grotere onderzoeksthema’s af. De projectendatabank vormt de basis van onderstaand overzicht.

Niet alleen de oorsprong van de historische ecologie lag in het bosonderzoek, ook in latere jaren werd veel historisch-ecologisch onderzoek toegespitst op (historische) bossen.
De romantische idee van oude bossen die onverstoorde restanten zijn van bijv. het legendarische Kolenwoud spreekt ongetwijfeld tot de verbeelding. Toch is het juist het historisch-ecologisch onderzoek dat aantoonde dat het oude middelhout- en hakhoutbeheer dat in de meeste bossen werd toegepast, erg ingrijpend te werk ging. Meer nog, verschillende typische bossoorten zoals de meeste voorjaarsbloeiers zijn net aan dit relatief hoogdynamisch beheer gebonden. Daarnaast stonden sommige domeinbossen die als jachtgebied werden ingericht. Hiervoor werden ook vaak allerlei ingrepen uitgevoerd, zoals het aanleggen van boswallen, aanplanten van soorten als voedsel of schuilplaats voor dieren, etc. Vanaf de 18de eeuw kenden verschillende van deze domeinen deels een geometrische aanleg in Engelse landschapsstijl.
Ondanks deze verregaande beïnvloeding door de mens werd al snel vastgesteld dat bossen die op locaties liggen die reeds gedurende eeuwen (min of meer) ‘permanent’ bebost waren specifiek andere kenmerken bezitten dan meer recent aangelegde bossen.
In het Vlaamse historisch-ecologisch bosonderzoek kunnen we in feite twee grote stromingen onderscheiden:

Enerzijds behandelen verschillende studies uitgebreid de geschiedenis van een bepaald bos(complex) of de bosgeschiedenis van een bepaalde regio, steeds gekoppeld aan ecologische aspecten. Het historisch aspect werd hierbij diepgaand uitgewerkt, door mensen met een grondige ervaring op dit vlak. Verschillende grote boscomplexen of regio’s werden bestudeerd. De ‘Bossen van Vlaanderen’ behandelen uitgebreid de bosgeschiedenis van het oude graafschap Vlaanderen (Oost-, West-, Frans- en Zeeuws-Vlaanderen), aangevuld met delen van het oude hertogdom Brabant en het oude graafschap Henegouwen waarbij het Bos ’t Ename nabije Oudenaarde een hoofdrol toebedeeld kreeg. Historica Hilde Verboven maakte in 1988 haar masterthesis over de geschiedenis van het Zoniënwoud, maar vooralsnog zonder ecologische invalshoek. 27 De historisch-ecologische aanpak kwam wel aan bod toen zij en ecologen Martin Hermy en Kris Verheyen de handen in elkaar sloegen voor de ruime regio rond Turnhout. Kris Verheyen startte met Dries Tys recent een nieuw project om de overige gebieden van de Antwerpse Kempen historisch-ecologisch te analyseren. De geschiedenis van het ‘Meerdaalwoud en Heverleebos’ werd grondig bestudeerd als voorbereiding voor verschillende ecologische onderzoeken (cf. infra) en wordt momenteel verder uitgewerkt in een boek. 28 Aan het voormalige ‘Monumenten en Landschappen’ (de ‘onderzoekscel’ bevindt zich nu bij het VIOE) vonden bijkomend studies plaats naar het Zoniënwoud, het Kravaalbos en De Stroopers.
Een heel andere benadering vinden we terug in het dendrochronologisch onderzoek om de ecologie en exploitatie van het Holoceen bos in Vlaanderen te achterhalen, uitgevoerd aan de UGent.
Aan het INBO wordt in het kader van de Monitoring van Bosreservaten, de historische ecologie van elk reservaat grondig besproken in een basisrapport. Dit is voornamelijk het werk van historisch-ecoloog Hans Baeté.
Vermeldenswaard is hier ook het project rond de ‘historische boskaarten van het INBO’. Dit was in feite niet meer dan een groot digitalisatieproject en bevatte geen historisch-ecologisch onderzoek. Toch heeft het een grote waarde, aangezien het gebruik van historische kaarten in bosonderzoek hiermee veralgemeend werd. De digitale lagen vormen sindsdien een belangrijk toetsingskader binnen allerlei onderzoeken en adviezen. 29

Anderzijds ging men de effecten van vroeger landgebruik op plantensamenstelling en diversiteit van bossen, voornamelijk vanuit ecologische hoek bestuderen. Martin Hermy stelde in zijn eigen licentiaats- en doctoraatsonderzoek 30, in navolging van Peterken 31, een lijst op van zogenaamde ‘oud-bosplanten’ die indicatoren zijn voor historisch bosgebruik. In zijn onderzoeksgroep Plantenecologie en Natuurontwikkeling aan de KULeuven bouwde heel wat onderzoek hier op verder. Verschillende doctoraatsonderzoekers en thesisstudenten trachten samen de bepalende factoren voor het ecologische verschil tussen ‘oude’ (i.e. minstens bos sinds Ferraris) en ‘recente’ bossen te ontrafelen. De benadering is onweerlegbaar historisch-ecologisch, maar de uitwerking van het historische luik is in de verschillende (deel)onderzoeken op zich meestal beperkt. De bosleeftijd en de inventarisatie van oud-bosplanten vormen als het ware een premisse, waarna verder onderzoek gebeurde naar allerlei (voornamelijk auto-)ecologische aspecten en ook gekeken werd naar verschillen in bodemkarakteristieken gekoppeld aan verstoringregimes. Op een gegeven moment werd hier ook zaadbankonderzoek aan gekoppeld, waarbij de zaadbank zowel als een archief van voormalig landgebruik fungeert, als deel uitmaakt van de voortplantingsstrategie van planten. Een recent opgestart onderzoek brengt aan het licht dat zelfs verstoringen uit de Gallo-Romeinse periode nog weerspiegeld worden in de zaadbank.
Deze globale benadering werd in beperkte mate ook meegenomen in het VUB-onderzoek van Sandrine Godefroid naar de bosecologie van het Zoniënwoud.

Hoewel heide bij uitstek een ecosysteem is dat ontstond door historisch landgebruik, zijn de historisch-ecologische onderzoeken in Vlaanderen beperkt. De eerder vermelde studie over de regio rond Turnhout, behandelde zowel bos- als heide-ecosystemen. Joël Burny leverde een belangrijke bijdrage voor de Limburgse Kempen waarbij hij zich baseerde op oral history-technieken. 32

Groenelementen en –structuren: Bomen en struiken buiten de strikte bos en natuurgebieden kunnen ook historisch-ecologisch onderzocht worden. Aan het VIOE werd gewerkt aan de cultuurgeschiedenis van inheemse en ingeburgerde houtige gewassen. Arnout Zwaenepoel maakte in opdracht van de provincie West-Vlaanderen een (snel-)inventaris van traditionele hagen, solitaire bomen en struiken, bomenrijen en houtkanten. Aan de KULeuven vond een landschapsecologisch doctoraatsonderzoek plaats naar houtige lineaire landschapselementen binnen een agrarisch gebied, waarbij enkele historisch-ecologische aspecten aan bod kwamen. In een ander onderzoek werd de totale plantendiversiteit in een stedelijke context onder de loep genomen.

In Vlaanderen is de plantengroei op historische sites vaak maar anekdotisch bekeken. In Nederland wordt er wel systematisch onderzoek uitgevoerd naar zogenaamde stinzenplanten. Dit zijn uitheemse planten die het goed doen op schaduwrijke plekken bij ‘stinzen en states’, oude boerenhoeven, pastorietuinen, buitenplaatsen en aanverwante milieus als kerkhoven en slotwallen. Veel van deze buitenplaatsen waren lange tijd niet of voor een beperkt publiek toegankelijk en dat kan een reden zijn voor de late ontdekking van de stinzenmilieus als aparte biotoop met een eigen levensgemeenschap. De gewenste omstandigheden voor deze stinzenplanten komen van nature amper voor in Vlaanderen, maar kunnen wél gecreëerd worden door menselijke invloed. Ook muren vormen een bijzondere, door de mens gecreëerde biotoop waar aangepaste planten, vaak typisch voor rotsachtige milieus, makkelijk gedijen. Vooral oude en verweerde muren, bestaande uit natuursteen of oude bakstenen en gevoegd met kalkmortel, kunnen bijzondere muurflora herbergen.

Aangezien riviersystemen hoogdynamische omgevingen zijn, ontbreekt bij ecologen meestal de historisch-ecologische reflex. Toch is ook daar de invloed van de mens van oudsher groot en verdienen de verbonden erfgoedwaarden meer aandacht. Momenteel is het aantal historisch-ecologische onderzoeken naar rivieren beperkt. Aan het INBO werden wel enkele studies uitgevoerd. In een recent, controversieel artikel in Science voerden de Amerikaanse onderzoekers Walter en Merritts aan dat de zogenaamde ‘natuurlijk’ meanderende Europese mid-Atlantische waterlopen volledig het resultaat zijn van menselijk handelen, voornamelijk gerelateerd aan watermolens. 33

Het agrarisch beheer heeft een belangrijke culturele invloed op verschillende ecosystemen. Dit werd binnen de historische ecologie waarschijnlijk voornamelijk bekeken bij studies naar beplantingen en heide. Voor de landbouwgewassen zelf is er over het algemeen weinig aandacht, aangezien er zelden expliciete vraag naar was. Aan het VIOE werd wel onderzoek gedaan naar bedreigde, minder bekende of vergeten industriële teelten.

Behalve studies die een bepaald landgebruikstype binnen het landschap bestuderen, kan historisch ecologisch onderzoek ook het landschap in zijn geheel onderzoeken, waarbij verschillende landgebruiksvormen samen bestudeerd worden. Dit blijkt echter nog weinig te gebeuren. Wel vindt aan het VIOE paleo-ecologisch onderzoek plaats waarbij de ruime leefomgeving van de (pre-)historische mens rond een archeologische vindplaats gereconstrueerd wordt. 34 Hierbij wordt het hele spectrum van voorkomende habitats meegenomen: cultuurgronden, natuur- en bosgebieden, verstoorde terreinen, etc.

Historisch ecologische studies die fauna centraal stellen, zijn voor landschapsonderzoek voornamelijk van betekenis wanneer de link wordt gelegd met het handelen van de mens bijv. in het economisch handelen, het voorkomen van plagen, etc. of wanneer de wisselwerking met de vegetatie bekeken wordt. Diersoorten kunnen ook fungeren als indicatoren voor historisch landgebruik/beheer. Een goed voorbeeld hiervan is het keveronderzoek van Konjev Desender, waarbij keverdiversiteit gelinkt wordt aan historische bossen.
In Vlaanderen is archeozoölogisch onderzoek, waar de relatie tussen dier en (pre-)historische mens centraal staat, beperkt tot onderzoek aan het VIOE en het KBIN. De Nederlandse onderzoekers Frans Vera 35 en Cis van Vuure 36 gebruikten paleobotanische en paleozoölogische gegevens om de prehistorische invloed van grote grazers op natuurgebieden te schetsen.
Een leuk, maar beknopt voorbeeld van het gebruik van ‘oral history’ is het onderzoek van Guido Tack en zijn collega’s naar de vissoortensamenstelling van de Zwalm in het verleden.
Interessant om ook hier te vermelden is het zuiver historisch onderzoek naar jacht in de Spaanse Nederlanden. 37 Het is wenselijk om dergelijk onderzoek te integreren met o.a. ecologisch onderzoek.

Oude ontginningen en ontginningswijzen krijgen totnogtoe beperkt aandacht binnen historisch-ecologisch onderzoek. Twee voorbeelden zijn onderzoek naar turfwinning en onderzoek naar de ijzerzandsteengroeves in het Hageland. Het laatste project is eveneens één van de zeldzame voorbeelden van het gebruik van oral history. Bea Augustyn en Karel Leenders voerden wel verscheidene historische of historisch-geografische onderzoeken naar turfwinning waar soms ecologische aspecten aan bod kwamen. 38

3 Leemtes in onderzoek en aandachtspunten voor de toekomst

Zoals in de stand van zaken duidelijk naar voren komt is voorlopig maar één thema of landschapstype goed onderzocht in Vlaanderen. De (historische) bossen domineren immers het historisch-ecologisch onderzoek. Om het beeld te vervolledigen, dienen echter nog hiaten opgevuld te worden. Het betreft dan zowel niet-onderzochte bossen/regio’s, onderbelichte (pre-)historische perioden en andere thema’s als verdere ontrafeling van ecologische aspecten.

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste leemtes in en aandachtspunten voor historisch-ecologisch onderzoek.

  • De historische ecologie zelf is interdisciplinair, maar toch blijft dit nog vaak beperkt. Er ligt een grote meerwaarde in een toenemende interdisciplinariteit: het meenemen van meer disciplines en een verdere integratie. Zo kan bijvoorbeeld verder gezocht worden naar samenwerkingen met ‘natuurwetenschappen’, waar via onder meer paleobotanisch onderzoek van pollen, zaden en vruchten veel achterhaald kan worden over het voorkomen van bepaalde plantensoorten in bepaalde periodes.
  • Een belangrijk aandachtspunt is ook het integreren van state-of-the art technologieën, zoals bijv. isotopenanalyse, genetisch onderzoek, teledetectie, etc.
  • Het is gewenst om na de historische bossen ook andere habitattypes vanuit historisch-ecologisch perspectief grondig te onderzoeken, zoals heidegebieden, graslanden, natte gebieden, etc. Dit onderzoek biedt een noodzakelijke ondersteuning in het kader van beheer, of voor herinrichting en natuurontwikkeling van dergelijke gebieden. Specifieke aandacht wordt daarbij gevraagd voor zogenaamde hoogdynamische systemen, waar men de erfgoedwaarde nog vaak niet erkent. Ook was tot nog toe historisch-ecologisch onderzoek in stedelijke context quasi onbestaande, terwijl de relevantie voor verstedelijkt Vlaanderen evident is.
  • Deze verschillende types gebieden kunnen afzonderlijk onderzocht worden, maar er ligt ook nog veel werk in het bestuderen van landschappelijke gehelen waar verschillende habitattypes gecombineerd voorkomen. De wisselwerking tussen de verschillende landgebruiksvormen vormt hierbij een specifiek aandachtspunt.
  • Voor historisch-ecologen is er in het algemeen een belangrijke rol weggelegd om de inzichten rond landschappelijke erfgoedkwaliteiten binnen het facet natuur te verruimen. Het blijkt vaak niet evident om deze gedachte ingang te doen vinden, zowel bij de natuur- als bij de erfgoedsector. De historische ecologie vormt een brug tussen natuur- en cultuurhistorisch onderzoek.
  • Een goed begrip van de historische evolutie is nodig om inzicht te krijgen in de toekomstige dynamiek van ecosystemen. Dit wordt nog te vaak onderschat. Waar de basiskennis wel aanwezig is, gebeurt deze vertaalslag van historische naar toekomstige tijdsdimensie nog onvoldoende. In het kader van o.a. de klimaatverandering zal dit echter steeds meer aan belang winnen. In de Lage Landen is deze problematiek zeer actueel voor de veranderingen in watergebonden systeem, gekoppeld aan de verwachte zeespiegelstijgingen. Andere typische bedreigingen voor de Vlaamse natuur- en landschapswaarden als vermesting, verdroging, versnippering, verzuring, invasieve exotische soorten … vragen eveneens om specifieke aandacht.
  • Oral history of mondelinge overlevering wordt in historisch-ecologisch onderzoek steeds meer als een belangrijke bron van informatie beschouwd. Heel wat gedetailleerde, praktische en niet-neergeschreven informatie kan immers verkregen worden door het bevragen van zegslieden, bevoorrechte getuigen, voormalige eigenaars/gebruikers… Deze onderzoekstechniek vergt een heel eigen aanpak en werd nog te weinig toegepast. Een inhaalbeweging is nodig en ook hoogdringend aangezien veel technieken, ambachten en landgebruiksvormen die in de loop van de 20ste eeuw in onbruik raakten, met de laatste getuigen dreigen te verdwijnen.
  • Bowman 39 onderstreept het belang van goed gestructureerde verhalen bij het inzetten van historische ecologie voor het biodiversiteitsvraagstuk. Een logisch en boeiend relaas kan immers de interesse van het grote publiek trekken. Men kan dit gerust open trekken en stellen dat historische ecologie een belangrijk hulpmiddel kan zijn voor het creëren van een grotere maatschappelijke betrokkenheid bij landschapsbescherming, -beheer en –beleid.

4 Samenwerking

Inhoudelijk zouden veel historisch-ecologische onderzoeken een stuk sterker kunnen zijn, wanneer er tussen de disciplines meer samengewerkt kan worden. Hiervoor is het van groot belang eerst bruggen te bouwen tussen de verschillende disciplines. Onderzoekers binnen één discipline staan immers vaak huiverachtig tegenover het toepassen van een andere discipline of zijn er onvoldoende in onderlegd. Een historicus zal in de meeste gevallen bijv. niet voldoende kennis van ecologie hebben om archiefstukken juist te interpreteren. Maar aan de andere kant is het voor een ecoloog moeilijk deze archiefstukken zelf te lezen en te interpreteren. Het zou daarom aangewezen zijn om projecten op poten te zetten waarbij gezocht wordt naar manieren waarop eenvoudiger informatie tussen de verschillende disciplines uitgewisseld kan worden, zodat men elkaar kan ondersteunen.

5 Uitvoering

In historisch-ecologisch onderzoek wordt, zoals eerder besproken, in grote mate gebruik gemaakt van interdisciplinariteit. Vooral de combinatie tussen historisch en ecologisch onderzoek komt veel voor en vormt eigenlijk de basis voor historisch-ecologisch onderzoek. Daarnaast kunnen nog een heel aantal andere disciplines worden gebruikt om tot een zo volledig mogelijk beeld te komen. Hieronder volgt een niet-limitatieve oplijsting van mogelijk bronnen. Deze bronnen worden verder uitgewerkt in het hoofdstuk Technische grondslagen.

  • Historisch onderzoek
    • Archief
    • Historische kaarten
    • Oral history
    • Iconografisch materiaal
  • Biologie
    • Floristiek
    • Faunistiek
    • Vegetatiekunde
    • Landschapsecologie
  • Genetica
  • Land- en bosbouw
  • Geografie
    • Geomorfologie
    • Bodemkunde
    • Historische geografie
  • Taalkunde
    • Toponymie
    • Etymologie
    • Dialectologie
  • Archeologie
  • Natuurwetenschappen
    • Dendrochronologie
    • Paleobotanisch onderzoek
    • Archeozoölogie
  • Fysico-chemie (o.a. isotopenalyse)
  • Teledetectie – remote sensing

6 Instellingen en onderzoeksgroepen

6.1 Universiteiten en wetenschappelijke instellingen

  • KULeuven; HYPERLINK "http://geo.kuleuven.be/aow/" Departement Aard- en omgevingswetenschappen Afdeling bos, natuur en landschap: onderzoeksgroep plantenecologie en natuurontwikkeling
  • UGent, Vakgroep Bos- en Waterbeheer; Laboratorium voor Bosbouw
  • UGent; Vakgroep Middeleeuwse geschiedenis, Onderzoeksgroep ecologische geschiedenis
  • VUB; Kunstwetenschappen & archeologie en Algemene plantkunde & natuurbeheer
  • VIOE
  • INBO

6.2 Instellingen, verenigingen, etc.

  • Regionale Landschappen
  • Natuurpunt
  • Werkgroep Bosgeschiedenis
Bijlagen: 

OBL_1_2_hist_eco_projectenlijst.xls

Bestand
Office spreadsheet icon OBL_1_2_hist_eco_projectenlijst.xls
Beschrijving: 
Projectenlijst historische ecologie