1.1 Historische geografie

  • Versie:1
  • Datum:23/07/2010
  • Auteur: Aukje de Haan
  • Medewerkers: Marc Antrop, Henk Baas, Frank Gelaude, Hans Renes, Erik Thoen, Dries Tys, Thomas Van Driessche, Inge Verdurmen, Jelle Vervloet, Moïra Heyn

Bijlage 1: Projectenlijst
In bijgevoegde lijst staan de projecten (vanaf 2000 of bijzonder relevant) die doorgegeven zijn door onze contactpersonen en die we op websites van universiteiten en instellingen hebben gevonden. Deze lijst is waarschijnlijk niet volledig. Suggesties voor aanvulling zijn dan ook steeds welkom.

Bibliografie: Overzicht van de bibliografie over dit thema
In de bibliografie beperken we ons tot basiswerken. Deze geven een overzicht van het onderzoekdomein, de bijdrage aan het onderzoeksveld landschap of voorbeelden van methoden die gebruikt kunnen worden.

1 Onderzoeksbenadering

In de historische geografie wordt het landschap beschouwd als het waarneembare (materiële) resultaat van transformatieprocessen. Historische geografie heeft hierbij vooral aandacht voor de invloed van de mens. Het landschap wordt beschouwd als het samenhangend systeem van patronen en elementen zoals nederzettingen, infrastructuur, verkavelingen en grondgebruik. Het gaat dan vooral om materiële kenmerken van die elementen, zoals de kavelgrootte. In deze landschapskenmerken zitten maatschappelijke signalen en referenties vervat, wat ervoor zorgt dat het (cultuur)landschap een betekenisvolle sociale constructie is. De mens geeft immers betekenis aan het landschap.

In het onderzoek zoekt men vooral een antwoord op de vraag: hoe en waarom zijn het (cultuur)landschap en zijn componenten ontstaan? Men ziet het landschap als een samenhangend geheel waarbij de verschillende lagen en elementen een invloed hebben op elkaar. Traditioneel gezien houdt de discipline zich vooral bezig met het cultuurlandschap, en het rurale landschap in het bijzonder.

1.1 Evolutie onderzoeksbenadering

De historische geografie ontstond op het eind van de 19de eeuw. In die periode ging het voornamelijk over de invloed van geografie op geschiedenis. 1 Tot het begin van de 20ste eeuw werd historische geografie beschouwd als “een historische bestuursgeografie, gericht op het samenstellen van historische atlassen waarin de reconstructie van de topografie en de grenzen van staatkundige en kerkelijk eenheden voorop stond.” 2 3

In de jaren 1920 en 1930 ontwikkelde de discipline zich verder. Vidal de la Blache (1922) hanteerde een historische benadering van het landschap, sterk steunend op fysisch-geografische entiteiten. Hij benadrukte het belang van de lokale gemeenschap in de vorming en organisatie van het landschap. Dit leidde tot een regionale differentiatie die niet alleen bepaald werd door natuurlijke omstandigheden, maar ook door culturele, zoals de levenswijze en nederzettingsvormen. Belangrijke concepten hierbij zijn ‘pays’ en ‘genre de vie’. Om die algemene kenmerken van de traditionele rurale landschappen te kunnen verklaren, introduceerde A. Meynier het begrip ‘civilisation agraire’. Agrarische landschappen zag hij als een concretisering, een afspiegeling van de agrarische beschaving die ze creëerde. 4

In deze periode ontwikkelde geografie zich tot een academische wetenschap, waarbij ook werd gekeken naar de mogelijke relevantie van geschiedenis bij geografisch onderzoek. 5
Het eerste internationale congres voor historische geografie vond plaats in Brussel in 1930, een jaar nadat een internationale commissie voor historische geografie opgericht werd. Het initiatief was Belgisch en ging uit van een drietal historici, leerlingen van de Belgische historicus Henri Pirenne. Historische geografie werd eerst meer als hulpwetenschap van de geschiedenis benaderd. Febvre had in 1922 al fel gereageerd op deze opvatting 6 en tijdens het congres werd verder gezocht naar de inhoud en taak van historische geografie. Er werden verschillende definities voorgesteld zoals ‘the human geography of the past’ en ‘past geographies’. Twee aanwezige geografen gaven aan dat het onderwerp van studie eigenlijk de menselijke aardrijkskunde van het verleden is, net zoals Vidal de la Blache dat zag. Vanaf dit moment wordt deze opvatting dan ook breder gedragen. Iets later wordt deze stelling in Groot-Brittannië verdedigd door H.C. Darby. Hij behandelt ook de multi- of interdisciplinaire kenmerken van historische geografie. Zo zou het niet alleen de menselijke of politieke geografie moeten zijn, maar ook de fysische en economische geografie van het verleden moeten vervatten.

In de beginperiode waren er twee invalshoeken van waaruit onderzoek gedaan werd. Ten eerste was er de benadering van het historisch landschap door amateurs (heemkundigen). Dit onderzoek werd gestimuleerd door het werk ‘The making of the English Landscape’ van Hoskins. 7 Hoskins was historicus 8 en vond dat de bestudering van het landschap een belangrijk aspect vormde van de beoefening van de geschiedenis. 9 Het landschap was in de eerste plaats van belang als bron van historische kennis.
In een tweede benadering gebruiken geografen luchtfoto’s voor de studie van de historische ontwikkeling van het agrarische landschap.10

Sinds 1957 hadden de historisch-geografen een eigen forum in de Permanent European Conference for the Study of the Rural Landscape (PECSRL) opgericht bij het begin van de Europese eenmaking. In oorsprong verwees het vooral naar ‘géographie et histoires agraires’. De Belgische geografen stonden trouwens mee aan de wieg van PECSRL.

Tot in de jaren 1960 werden in Groot-Brittannië geweldige ontdekkingen gedaan (sporen van veenwinning, verdwenen dorpen, etc.) en het was in die jaren heel uitdagend om historisch-geograaf te zijn. In de jaren 1960 stond men door het vele onderzoek ver met het ontwikkelen van onderzoeksmethodes. In die jaren kwam er een algemene omslag naar kwantitatieve onderzoeksmethodes, met onder meer de toepassing van statistische methoden en technieken.

Duitsland kent een lange geschiedenis in landschapskunde met aan de basis de ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt (1789-1859) die als eerste het landschap beschreef als het ‘Totalcharakter einer Erdgegend’ waarin regionale diversiteit wordt geïmpliceerd en het landschap holistisch wordt benaderd. 11 In de loop van de 19de eeuw ontwikkelt landschapskunde zich op theoretisch vlak vooral in Midden-Europa en Scandinavië. De Duitser Friedrich Ratzel was hierbij een belangrijke figuur; hij kan beschouwd worden als de grondlegger van de menselijke en politieke geografie. Hij benadrukte het belang van het fysische milieu op de menselijke activiteit en legde hiermee de basis van het determinisme. 12 Deze benadering speelde in de historische geografie, voor het vinden van verklaringen voor regionale verschillen, lange tijd een belangrijke rol. Ratzel introduceerde tevens het onderscheid tussen ‘Naturlandschaft’ en ‘Kulturlandschapft’.13.
Het onderzoek naar het cultuurhistorisch landschap ontwikkelde zich in Duitsland volop tussen de jaren 1930-1960; historische landschapsanalyse krijgt meer en meer aandacht met daarbij onderzoek op nederzettings- en perceleringspatronen en agrarische geografie. 14 In 1974 werd in Bonn de ‘Arbeidskreis für genetische Siedlungsforschung in Mitteleuropa’ opgericht. Het doel was om onderzoekers binnen Midden-Europa met elkaar in contact te brengen en uitwisseling tot stand te brengen tussen nederzettingsarcheologie, nederzettingsgeschiedenis, historische nederzettingsgeografie en andere op nederzettingen gerichte historische vakgebieden. 15

In de jaren 1960-1970 ligt (in Nederland) een belangrijke ontwikkelingsperiode van de historische geografie. 16 Er werd bij het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) een werkgroep Historische Geografie opgericht. Vele geografen, maar ook niet-geografen sloten zich aan. Dit geeft aan hoezeer de behoefte bestond aan een gemeenschappelijk forum, waar historisch-geografische vraagstukken vanuit verschillende standpunten belicht konden worden. 17 Elisabeth Gottschalk geeft aan dat “modern soil survey opened up completely new vistas for historical geography, rendering it possible to reconstruct the story of habitation and reclamation much farther back into the past than when relying solely on archives.” 18 Bij de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka) was dan ook van vrijwel in het begin aandacht voor historische geografie door het aanwerven van de historisch geografe Alida Edelman-Vlam. 19
Ook andere onderzoekers leveren in deze jaren een bijdrage aan de historische geografie. Zo bracht Keuning, die zich breed georiënteerd had in sociale geografie, fysische geografie en geschiedenis, in 1955 de publicatie ‘Mozaïek der functies’ uit.20Herdruk in 1998, Regio-Project Uitgevers, Groningen En kwam in 1960 het boek ‘De agrarische geschiedenis van West-Europa, 500-1850’ van Slicher van Bath uit. 21
Er worden in de jaren die daarop volgen in verschillende Nederlandse regio’s tal van historisch-geografische studies verricht. Dit leidde tot nieuwe inzichten over de ontstaansgeschiedenis van een groot deel van het Nederlandse landschap. “Niet alleen de geografen hebben in dit opzicht onze blik verruimd, maar tal van historici, prehistorici en bodemkundigen hebben een niet te onderschatten aandeel daaraan gehad.” 22

Vanaf de jaren 1970 wordt de historische geografie ook steeds meer ingeschakeld bij ruimtelijke ordening en natuur- en landschapsbescherming. Het onderzoek is er dan vooral op gericht de historische continuïteit in de landschappelijke ontwikkeling te bestendigen, opdat men het ‘continuüm’ kan blijven herkennen. 23 uit 24 Vele onderzoeken in het kader van de (her)inrichting en het beheer van het landschap bevatten dan ook een, al dan niet beperkt, historisch-geografische analyse van het bewuste gebied. In deze periode worden, met hetzelfde doel, in Vlaanderen de eerste landschapsinventarissen opgemaakt.25. Tevens werden in deze periode de eerste historische landschapsinventarissen opgemaakt. 26

Tot de jaren 1980 ligt de nadruk op het onderzoek van het landschap zelf en de veranderingen die er onder invloed van voornamelijk de mens in plaatsvonden. Het onderzoek is vaak demografisch en technisch (bv. aandacht voor ploegtypes) en gaat ervan uit dat de natuurlijke omstandigheden het meest bepalend waren voor het handelen van de mens. Toch krijgen ook economische aspecten die een rol spelen bij regionale verscheidenheid aandacht.27

Aan het eind van de 20ste eeuw wordt het onderzoek steeds meer toegepast, bijvoorbeeld in het kader van inrichtingsplannen. Dit komt ten dele doordat het landschap vanuit het beleid en beheer meer en meer als erfgoed benaderd wordt. In deze periode neemt in Nederland en Vlaanderen ook in het beleid de aandacht voor erfgoed toe. De Nota Belvedere 28 in Nederland vormt hierbij een mijlpaal. De Landschapsatlas 29 die enkele jaren daarna in Vlaanderen volgt, mee geïnspireerd op de Nota Belvedere, is van onschatbare waarde geweest.
Digitale technieken zijn in deze periode voor iedereen beschikbaar en kunnen ruim toegepast worden in het onderzoek zoals digitalisering van (historische) kaarten en het verwerken van data in GIS.

In verschillende landen werden door de jaren heen landschapstypologieën opgesteld. Deze lopen qua methodologie en eindresultaat uiteen, maar er is altijd aandacht voor de ontginningswijze van het landschap, die sterk afhankelijk is van de ondergrond. In Duitsland werkten Uhlig en Lienau in de jaren 1970 aan een typologie. 30 In Nederland is een landschapstypologie opgesteld waarin het natuurlijk substraat voorop staat. Dit sluit aan bij de traditie om bodemkunde te integreren in historisch-geografisch onderzoek. Er werden oorspronkelijk elf landschapstypen onderscheiden 31 (bv. lössontginningen, veenontginningen, droogmakerijen, etc.) die inmiddels weer verder onderverdeeld zijn. In Vlaanderen wordt gewerkt aan de traditionele landschappen (zie verder). In Groot-Brittannië werd de Countryside Character Map uitgegeven 32 (1998/1999) waarin 159 gebieden werden onderscheiden en een Settlement Atlas 33 waarin in detail de eerste nederzettingen werden beschreven. Daarna werden voor verschillende counties een gedetailleerde historische landschapskarakterisering (Historic Landscape Characterisation) opgesteld. Deze leggen de nadruk op de historische dimensie van het gehele landschap.

De laatste decennia is er meer aandacht voor het onderzoek van ‘de mens’ in historisch-geografisch onderzoek. Guelke 34 pleit ervoor om historische geografie niet als natuurhistorie te benaderen zoals in het verleden wel gebeurde, maar het werkelijk historisch te zien. In dit soort historisch onderzoek zou meer aandacht moeten zijn voor de rol van de mens in de vorming van het landschap. Dit pleit dus voor de studie van de mens en zijn ‘gedachten’, gedrag en hoe dit de omgeving veranderd heeft. Dit wil niet zeggen dat de fysische omgeving geen onderdeel is van het onderzoek, maar het geeft aan dat alle activiteiten in die omgeving (en dus ook de impact daarvan op die omgeving) het product zijn van menselijke planning en ontwerp, waarbij rekening gehouden wordt met kennis, waarden en aannames van de maatschappij waarin ze plaatsvinden.

Een hierbij passende recente ontwikkeling is het concept van de landschapsbiografie. “Uitgangspunt van de landschapsbiografie is dat landschappen door de tijd heen als het waren hun eigen levensgeschiedenis opbouwen.” 35 Het huidige landschap is in feite opgebouwd uit verschillende sporen van vorige generaties, waar telkens op verder gebouwd wordt. De omgang met het landschap wordt niet alleen beïnvloed door de fysieke ruimte, maar ook door de economische en sociale context van de gemeenschappen in kwestie. “De inherente gelaagdheid van landschappen kan dus begrepen worden als het (tussen)resultaat van wisselwerkingen: tussen sociale waarden en de fysieke inrichting van de ruimte, tussen cultuurspecifieke keuzes en ecologische processen, etc.” De analyse van een langetermijngeschiedenis van een bepaald gebied is in de praktijk het doel van een landschapsbiografie. Daarbij is aandacht voor de transformaties, functieveranderingen en betekenisverschuivingen van de belangrijkste plekken en ruimtelijke structuren. De landschapsbiografie kan divers toegepast worden, ook buiten het veld van het wetenschappelijk onderzoek. Het gaat dan voornamelijk om de rol en de toekomst van erfgoed binnen huidige culturele en ruimtelijke ontwikkelingen.

1.1.1 Ontwikkelingen in Vlaanderen

Eén van de vroegste voorbeelden van historisch-geografisch onderzoek in België is het werk ‘Le Problème de la Colonisation Franque et du Régime Agraire en Belgique’ van Guillaume Des Marez uit 1926. 36 Hij onderzoekt de geografie van het verleden, vooral de landschaps- en bewoningsgeografie, vanuit een multidisciplinaire invalshoek.
In de periode daarop volgend zijn het vooral geografen uit Luik die historisch-geografisch onderzoek doen, zoals Pirenne naar stadsgeschiedenis en Dussart en Petit met artikelen over het agrarisch landschap.

Een volgend goed voorbeeld is de inleiding uit 1943 van Dept 37 tot de historische geografie van het graafschap Vlaanderen in de 18de eeuw. In dit werk geeft hij tevens aan dat er een achterstand is in het historisch-geografisch onderzoek in Vlaanderen.

Onder initiatief van Dhondt werd in 1955 het schrijven van ‘Flandria Nostra’ 38 geïnitieerd, waarin de geschiedenis van het agrarisch landschap van Vlaanderen van het neolithicum tot het heden beschreven moest worden. Het agrarisch landschap was in deze periode dan ook het belangrijkste onderwerp van studie. Vooral Oost-Vlaanderen en de kuststreek werden bestudeerd. De link tussen het terrein en de historische bronnen zoals kaarten en archiefmateriaal wordt in de jaren 1950 verder uitgediept door Frans Snacken, Luc Daels en Antoon Verhoeve. Er werden in die tijd ook de eerste doctoraten in historische geografie afgelegd.

Vanaf de jaren 1950 is Adriaan Verhulst aan de RUG (nu UGent) actief in de historische geografie. Hij heeft veel aandacht voor interdisciplinariteit. Verhulst heeft – net als andere historici – het onderzoek verbreed door de opname van geschreven bronnen van vóór de 19de eeuw in de analyse. In 1966 publiceerde hij een synthesewerk, ‘Het landschap in Vlaanderen in historisch perspectief’. Ook in de jaren 1990 zijn er nog verschillende belangrijke publicaties van zijn hand. 39 40

In 1967 richten A. Verhulst en L. Genicot (Universiteit Louvain-La-Neuve) het Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis op. Oorspronkelijk werd bij het onderzoek veel gebruik gemaakt van archeologie en luchtfotografie. Luchtfoto’s bieden door hun vogelperspectief de mogelijkheid de ruimtelijke samenhang tussen reliëfvormen, vegetatie, landgebruik en bewoning zichtbaar te maken en gaven een belangrijke impuls voor historische geografie. 41 42

Vanaf eind jaren 1960 worden de eerste indelingen van het landschap in Vlaanderen gemaakt. 43 44 Deze indelingen waren in eerste instantie vooral gebaseerd op fysische- en menselijk-geografische factoren. In 1985 werden voor de Koning Boudewijnstichting door Marc Antrop aan de UGent de traditionele landschappen (23 typen, die regionaal nog verder werden opgedeeld) afgebakend, waarin de regionale verscheidenheid van historisch gegroeide cultuurlandschappen op kaart worden voorgesteld. Deze indeling is in 1989 in aangepaste vorm verschenen in ‘Het landschap meervoudig bekeken’. Nadien gebeurde een verfijning ten behoeve van de opmaak van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. 45 46 De indeling steunt op zowel fysische en natuurlijke kenmerken zoals reliëf en bodemgesteldheid, als op cultuurlandschappelijke kenmerken zoals bewoningsvormen, landgebruik, percelering en landschapstype. Deze verfijnde versie van de traditionele landschappen vormde de basis voor het opstellen van de landschapsatlas waarin de relicten van deze traditionele landschappen aangeduid worden. De ankerplaatsen vormen hierbij de meest waardevolle landschappelijke plaatsen in Vlaanderen. De landschapsatlas groeide uit tot een belangrijk instrument voor het landschapsbeleid en –beheer in Vlaanderen.

In 1995 ging Verhulst met emeritaat, E. Thoen47 nam binnen het departement Middeleeuwse Geschiedenis de cursussen en het onderzoek van Verhulst over. Hij introduceerde in 1996 de discipline Ecologische Geschiedenis. Aan de UGent blijft aandacht voor historische geografie steeds aanwezig bij de vakgroep Geografie. Aan de VUB richt de vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie zich hier in de loop der jaren steeds meer op.

De laatste jaren zijn de belangrijke historisch-geografische of landschapshistorische studies op doctoraatsniveau van Beatrijs Augustyn 48, Roger Knaepen 49 en Paul Arts 50, Martina De Moor51, Dries Tys52, Tim Soens53 en Bram Vannieuwenhuyze 54.

1.2 Afbakening historische geografie

Een definitie geven van historische geografie is niet eenvoudig.55 Sinds het ontstaan van de discipline in het begin van de 20ste eeuw zijn veel voorstellen gedaan, van zeer eenvoudig (bv. ‘past geographies’) tot zeer complex. Steeds komt dezelfde discussie terug in deze zoektocht naar de positie en rol van historische geografie, naar de verhouding tussen geografie en geschiedenis.

Het ontwikkelende vakgebied moest in de eerste helft van de 20ste eeuw nog zijn plaats zoeken binnen de wetenschappen en bestond toen vooral uit het maken van tijdsdoorsneden van bepaalde gebieden. In 1932 bespreekt men tijdens een bijeenkomst in Groot-Brittannië de vraag ‘what is historical geography?’ Er worden verschillende voorstellen gedaan: “the reconstruction of the geographical conditions of past times.” 56 uit 57; “the real function of historical geography is to reconstruct the regional geography of the past” 58 uit 59 en “a whole series of past geographies which culminate the present day geography” 60 uit61.

In de Verenigde Staten is Sauer een belangrijke promotor voor het (Duitse) landschapsconcept 62 en ook voor de historische geografie. Een geograaf “cannot treat the localization of activities without knowing the functioning of the culture, the process of living together of the group, and he cannot do this except by historical reconstruction”.63 Volgens Williams, M. 1983, werd dit werk geschreven met als doel een duidelijk positief beeld te geven van geschiedenis in geografie en was dit een protest tegen de verwaarlozing van historische geografie en “it is still one of the most persuasive documents ever written about historical geography”. 64 65 Historische geografie is volgens Sauer een onderdeel van culturele geschiedenis (cultural history). Een historisch geograaf moet het landschap bekijken door de ogen van zijn voormalige bewoners, als een lid van de culturele groep en de tijd die bestudeerd wordt.66 in 67 en verdiept zich in het onderscheid tussen geschiedenis en geografie, gebaseerd op werk van Kant, en stelt dat “In the sense of ‘history’ as the description of variation through time and of geography as variation through space, the two could not be combined – in this sense there could be no place for historical geography”.

De Engelse geograaf Darby vond dat als je het huidige landschap bestudeert, je dit niet los kunt zien van de geschiedenis (ontwikkeling), want het landschap is geen statisch geheel. “The geograpy of the present day is but a thin layer that even at this moment is becoming history… can we draw a line between geography and history? All geography is historical geography, either actual or potential”. 68 in 69 Daarbij moest je dan vooral aandacht hebben voor processen en veranderingen.

Darby 70 71 onderscheidde vier verschillende types historisch-geografisch onderzoek waarin de verschillende standpunten worden samengevat:

  • geografie ten behoeve van de geschiedenis om historische ontwikkelingen te helpen verklaren
  • reconstructie van ‘past geographies’ (dwarsdoorsneden in de tijd), waarbij historisch materiaal geografisch verwerkt wordt
  • geschiedenis ten behoeve van de geografie, waarbij ontwikkelingen in chronologische volgorde behandeld worden
  • geografie van het verleden ten behoeve van de geografie van het heden, om dit heden beter te kunnen verklaren.

Onderstaande definitie vat de verschillende aspecten van historische geografie samen:

Historische geografie is de studie van de ontwikkeling van landschappen, hun structuur en functioneren, in relatie tot de menselijke levenswijze en maatschappij in het verleden.72 Hierbij wordt het landschap zelf gezien als bron van informatie, door ondermeer bodem, nederzettingen, percelering, toponymie, ecologie, enz. te bestuderen, en deze informatie te combineren met onderzoek van historische bronnen.

Deze definitie neemt niet weg dat historische geografie vaak moeilijk af te bakenen is en vanuit verschillende disciplines beoefend kan worden, vooral vanuit geografie, geschiedenis en archeologie. De verschillende disciplines leggen allemaal hun eigen nadruk in het onderzoek. 73) Gottschalk meende dat een historisch geograaf “even goed historicus als geograaf” moest zijn. Daarbij had ze veel aandacht voor het archiefonderzoek. Anderen, zoals Keuning, noemde het “geografie en geen geschiedenis” en vond dat zij vooral gericht moest zijn op de huidige situatie. Ook Vervloet sluit hierop aan “historische geografie is een vorm van geografie die zich bezighoudt met het bestuderen van de ruimtelijke patronen op het aardoppervlak in hun ontwikkeling in de tijd of met het schetsen van de toestand waarin de ruimtelijke patronen zich bevonden op een bepaald tijdstip in het verleden”.In het geografisch onderzoek wordt het historische landschap als uitgangspunt genomen en aan het huidige landschap gekoppeld. Hierbij worden cartografische bronnen meestal als belangrijke invalshoek gebruikt, gecombineerd met iconografische en geschreven bronnen. Vanuit de geschiedenis zijn de geschreven historische bronnen het uitgangspunt (landschapsgeschiedenis).

Wanneer een ecosysteem of deel daarvan het uitgangspunt vormt van het onderzoek en natuurlijke en culturele processen worden bestudeerd, wordt gesproken van historische ecologie.

Archeologisch onderzoek is veelal gericht op het onderzoek van een site en bijbehorende artefacten. Traditioneel gezien werd het landschap door de archeoloog gebruikt voor het vaststellen van het ‘raamwerk’ en context waarin de onderzochte site en periode zich bevinden. 74 Landschap kan echter ook gezien worden als een verzameling van hulpbronnen, die mogelijkheden en beperkingen scheppen voor menselijke ontwikkelingen. “In this strand of landscape archaeology, it is the spatial relationships among people, soils, raw materials and water sources that demand attention”. 75
Naast deze meer ‘environment’-gerichte benadering heeft landschapsarcheologie ook aandacht voor de perceptie van de bewoners op het landschap. De omgeving heeft immers niet enkel een fysieke component, delen van het landschap hebben een betekenis voor de bewoners. Denk bijvoorbeeld aan culturen waarin overleden voorvaderen in de natuur voortleven.
Deze sociale component van het landschap heeft vooral aandacht gekregen doordat men verklaringen zocht voor dingen waar de fysieke ruimte geen verklaring voor kon geven. Bijvoorbeeld bij onderzoek naar handelsbanden (waarom hadden bepaalde groepen wel of geen contacten) en de verspreiding van decoratieve stijlen waarmee vaak bepaalde ‘ideeën’ samenhingen. Ook de aandacht voor de ontsluiting en beleving van archeologisch erfgoed droeg daartoe bij.
Bij landschapsarcheologie staat interdisciplinariteit hoog in het vaandel. Er is onder andere aandacht voor archeologie, culturele antropologie, fysische geografie, paleo-ecologie, historisch-ecologisch, historisch-geografisch onderzoek …

Er moet worden benadrukt dat een strikte scheiding niet bestaat en dat veel onderzoeken de verschillende methoden en technieken gebruiken. Bij historisch-geografisch onderzoek is juist deze interdisciplinariteit nodig.

1.3 Historische geografie en landschapsonderzoek

Historische geografie ontwikkelde zich vanuit de wens de genese van het landschap beter te kunnen verklaren. Deze wens bestond niet alleen bij geografen, maar ook bij bodemkundigen en anderen. Door verschillende onderzoeksdomeinen (o.a. geografie, geschiedenis, bodemkunde, etc.) te combineren kwam men tot een beter inzicht van de ontwikkeling van het landschap. Hiermee werd een belangrijke stap gezet naar het interdisciplinaire karakter van landschapsonderzoek.

De cruciale rol die de mens steeds gespeeld heeft in de transformatie van de ruimte heeft een belangrijke invloed gehad op de ontwikkeling van het landschapsonderzoek.76 De benadering van het landschap als het waarneembare (materiële) resultaat van transformatieprocessen is bepalend geweest in het landschapsonderzoek. De humanistisch-geografische benadering van het landschap ontwikkelde zich in jaren 1970-1980 vanuit de historische geografie. 77

Om het hedendaagse landschap te kunnen begrijpen vormt historische geografie de basis. Door onderzoek hierop neemt de gebiedskennis toe en kunnen we het landschap beter begrijpen, lezen en waarderen. Deze kennis kan toegepast worden bij de inrichting en het beheer van het landschap.

Voor het bepalen van de identiteit van een regio speelt de historie en ontwikkeling een belangrijke rol. Culturele identiteit en het behouden van de daarmee samenhangende regionale verscheidenheid zijn een belangrijk uitgangspunt voor inrichtingsopgaven. 78 Het landschap is per definitie historisch gegroeid, en dus is het altijd van belang voor landschapsonderzoek om de adaptatie van het landschap aan een nieuwe structuur (economisch en sociaal) te begrijpen. Met het bovenstaande wordt een belangrijk onderzoekspunt van de laatste (en komende jaren) geraakt: ‘Management of change’.79

1.4 Internationale aandachtspunten

Internationaal bestaat er veel aandacht voor cultuurhistorisch landschapsbeheer . In Duitsland is aan de universiteit van Freiburg een onderzoeksgroep van ca. 25 personen die het beheer van landschapselementen vanuit historisch perspectief onderzoekt. Eén voorbeeld is het beheer van de sporen van de Romeinse Limes, die niet enkel geconserveerd worden, maar door wijzigingen in inrichting en beheer van het landschap ook weer als één lijn zichtbaar gemaakt worden.

Het rurale landschap staat niet langer centraal. De Europese Landschapsconventie (Firenze, 2000) definieert zijn reikwijdte tot de “natuurlijke, rurale, stedelijke en perifere stedelijke gebieden. Het omvat landgebieden, binnenwateren en mariene gebieden. Het betreft landschappen die als zeer waardevol beschouwd kunnen worden, maar ook doorsnee of aangetaste landschappen”. Deze bepaling stimuleerde de aandacht voor o.a. stedelijke en perifere gebieden.

In verschillende landen wordt onderzoek naar landindelingen gedaan, vooral aan de hand van kadastrale gegevens.80 81 82 83 84 85 Het gaat dan voornamelijk om onderzoek naar historische wegen en perceleringspatronen uit de Romeinse tijd, die aan de hand van gecombineerde methodes uit geografie, archeologie en GIS worden bestudeerd. Recent verscheen van Rick Bonnie een boek over zijn masteronderzoek naar het Romeinse kadaster in België. 86 Hij heeft deze methode toegepast in Haspengouw waar hij aantoont dat er nog steeds aanwijzingen van het Romeins kadaster in het huidige landschap zichtbaar zijn.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat veel aandacht voor historische geografie.87 Niet alleen in het onderzoek, maar ook in het middenveld. Zo is de BBC zeer actief rond regionale landschappen, wat bijdraagt tot het verbreden van het maatschappelijke draagvlak. Ook de National Trust en English Heritage leveren een belangrijke bijdrage door de ontsluiting van het erfgoed. In andere landen heeft het publieksaspect sterke aandacht gekregen en worden dergelijke plaatsen zelfs grote toeristische trekpleisters, zoals Parco Nazionale delle Cinque Terre (bij Genua) in Italië of Site Naturel des deux Caps (Pas-de-Calais) in Frankrijk.

In Nederland werd er de laatste jaren, onder impuls van de Nota Belvedere, op verschillende universiteiten een leerstoel rond het thema landschapsgeschiedenis ingericht. Deze leerstoelen hebben als voornaamste doel de doorstroming van cultuurhistorie naar ruimtelijke ordening, ontwerp, inrichting en beheer te bevorderen. De hoogleraren die deze leerstoel bekleden zijn Jan Kolen, bijzonder hoogleraar Erfgoed van stad en land (VU Amsterdam), Eric Luiten, deeltijds hoogleraar Cultuurhistorie en ontwerp (TU Delft), en André van der Zande, bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning en cultuurhistorie (Wageningen Universiteit. Naar aanleiding van de Nota Belvedere is tevens het projectbureau Belvedere opgericht dat het rijksbeleid in Nederland ondersteunt en dat beoogt om de cultuurhistorie meer richtinggevend te laten zijn in de ruimtelijke ordening.
GIS-toepassingen krijgen ook in het onderzoek veel aandacht. Op diverse plekken worden historische gegevens (waaronder kaarten) ontsloten via een GIS-toepassing op het internet. Veelal is hier geen direct onderzoek aan gekoppeld. Voorbeelden zijn HisGis, Cultgis, KICH, etc. Tot slot vormt GIS ook steeds meer een tool om historische kaarten van een specifiek gebied te vergelijken en te analyseren. Hier kunnen ook gemakkelijk kwantitatieve analyses aan gekoppeld worden.

Internationaal komt er, mede door de Europese landschapsconventie (ELC), meer aandacht voor landschapskarakterisering. Hierin krijgt, in vergelijking met in het verleden, de historische tijdsopbouw van het landschap vaak meer aandacht. De ‘Historic Landscape Characterisation’ in Engeland is het bekendste voorbeeld.

1.5 Historische geografie en de erfgoedbenadering

Het van oudsher dichtbevolkte Vlaanderen is bij uitstek een cultuurlandschap. In het hele landschap is het ingrijpen van de mens duidelijk zichtbaar. Ook gebieden met hoge natuurwaarde zoals heide, bossen, hooilanden etc. zijn in oorsprong steeds – al dan niet gepland – door de mens gecreëerd. Om inzicht te krijgen in de erfgoedwaarde van het Vlaamse landschap is voldoende aandacht nodig voor de invloed van de mens op de vorming en het gebruik en beheer van gebieden.

Het landschap speelt een belangrijke rol in de bepaling van de identiteit van streken en regio’s. Doordat tussen regio’s verschillen bestonden in ondergrond, economische structuur, ontstaansperiode, enz. en dit in het landschap weerspiegeld werd, ontstonden zeer diverse gebieden, met elk hun eigen identiteit. Wanneer er in het huidige beleid, inrichting en beheer onvoldoende aandacht is voor deze regionale verschillen kan dat vervlakking en verschraling van de diversiteit van de leefomgeving veroorzaken. 88

Door het landschap te zien als iets waar constant processen en transformaties plaatsvinden, kunnen ook toekomstige veranderingen begeleid worden. ‘Behoud door ontwikkeling’ is de strategie die gelanceerd werd bij de Nota Belvedere, maar die overal aanhang vond. Dit sluit perfect aan bij de historisch-geografische benadering waarbij aandacht is voor de veranderingen in het landschap, maar ook gezocht wordt naar elementen die constant blijven en in het huidige landschap nog zichtbaar zijn. Bij ‘behoud door ontwikkeling’ gaat het erom nieuwe gebruiksmogelijkheden te zoeken om oude landschappen en bouwwerken te bewaren. Evenzeer gaat het echter om ‘ontwikkeling door behoud’: door zuinig te zijn op ons cultureel erfgoed investeren we in ontwikkelingen en de versterking van identiteit, kennis, woongenot en toeristisch potentieel.

Wanneer je dit wilt doen, moet je eerst voldoende zicht hebben op elementen en gebieden met erfgoedwaarde. Door een gebied op historisch-geografische wijze te onderzoeken, wordt een beeld gevormd van de relicten van het historisch landschap die een belangrijke rol spelen in de cultuurhistorische waarde. Daarbij gaat het niet alleen om elementen, maar ook om structuren en patronen in het landschap. Denk bijvoorbeeld aan verkavelingspatronen die ontstonden bij de ontginning of landschapssequenties in de overgang van een plateau naar een riviervallei. Onderzoek naar veranderingen in het verleden kan ons bovendien leren hoe het landschap, ook in de toekomst, zal reageren op veranderingen.

2 Stand van zaken

In de stand van zaken wordt gefocust op onderzoek aan universiteiten, andere onderzoeksinstellingen en studiebureaus in Vlaanderen. Er wordt ook veel historisch- geografisch onderzoek uitgevoerd bij lokale heemkundige kringen. Deze hebben vaak een tijdschrift waarin de resultaten gepubliceerd worden. Enerzijds kan hier zeer waardevolle informatie in staan, anderzijds kan deze informatie onvolledig of slecht gecontroleerd zijn. Dit en het feit dat deze informatie moeilijk te inventariseren is, is de reden waarom deze projecten (voorlopig) niet opgenomen zijn in de onderzoeksbalans.

Het onderzoek kan – op basis van de onderzoeksprojecten (zie lijst in bijlage) – opgedeeld worden in gebiedsstudies, landschapstyperingen en studies naar landschapstransformaties. Hieronder worden deze drie typen projecten toegelicht met een aantal voorbeelden uit Vlaanderen.

Het eerste type onderzoek zijn historisch-geografische gebiedsstudies. Deze worden veelal gemaakt voor de kennisuitbreiding van een bepaalde regio, bijvoorbeeld in het kader van scripties. Maar ze kunnen ook kaderen in geplande veranderingen, zoals een inrichtingsplan of landschapsbeheer. Wanneer er (grote) ingrepen in het landschap zijn gepland, is het wenselijk het bestaande landschap te bestuderen alvorens het sterk wijzigt. Deze historische landschapsstudies kunnen bovendien een belangrijke bijdrage leveren aan de inrichtingsplannen. Deze studies kunnen verschillend getypeerd worden. Zo zijn er integrale landschapsstudies, maar ook studies met specifieke aandacht voor een bepaald landschapselement (bv. veenwinningen, bossen, etc.), thema (bv. bevolking, voedselvoorziening, milieu), periode, etc.

Bij gebiedsstudies wordt het landschap meestal in zijn geheel onderzocht en is er aandacht voor verschillende landschapselementen. Bij het VIOE is de afgelopen jaren een onderzoek verricht in de rivierpolder van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde. 89 Hierbij was er specifieke aandacht voor de geschiedenis van inpoldering en waterhuishouding, maar werd eveneens de gehele landschapsevolutie vanaf de inpoldering met de resulterende relicten in kaart gebracht. Riviervalleien blijven aandacht krijgen, omdat daar bij de uitvoering van het Sigmaplan veel veranderingen zullen plaatsvinden. Momenteel wordt vervolgonderzoek verricht naar bijkomende Sigmagebieden zoals de Schelde-, Durme- en de Dijlevallei. Een deel van dit onderzoek wordt uitgevoerd met een interdisciplinair team met expertise op het vlak van geologie, archeologie, palynologie en historische geografie.
Het Agentschap Natuur en Bos (ANB) geeft ook opdracht tot soortgelijke onderzoeken in het kader van bijvoorbeeld natuurrichtplannen. De onderzoeken zelf worden uitgevoerd door studiebureaus die aandacht hebben voor het historische landschap.

Aan verschillende universiteiten worden gebiedsstudies verricht. Soms kaderen ze, zoals voorgaande projecten, binnen inrichtingsplannen, maar in vele andere gevallen zijn het onderzoeken gericht op kennisopbouw. In veel van deze projecten wordt gefocust op een bepaald aspect binnen het te onderzoeken gebied zoals waterbeheer, stedelijke ruimte, gemeenschappelijke gronden, etc.
Aan verschillende vakgroepen van de UGent 90 bestaat aandacht voor landschapsgeschiedenis. Vanuit de vakgroep Middeleeuwse Geschiedenis is de onderzoeksgroep Ecologische Geschiedenis opgericht, die zich richt op de relatie mens – natuur. 91 Deze onderzoeksgroep heeft verschillende onderzoekers die in meer of mindere mate bezig zijn met historische geografie. Bij de vakgroepen geschiedenis werden recent onder andere doctoraten uitgevoerd naar de ontwikkeling van de stedelijke ruimte in Brussel 92, naar waterbeheer in een veranderende samenleving 93 en het gebruik en beheer van gemene gronden in Zandig Vlaanderen. 94
De vakgroep Geografie heeft binnen de onderzoeksgroep Landschapskunde veel aandacht voor historische geografie en landschapsgenese. Bij deze vakgroep werden de afgelopen jaren doctoraten uitgevoerd naar de historische geografie van Kempische Heidorpen 95 en gemeenten en parochies in West- en Zuid-Europa. 96
Op het project ‘Verdwenen cultuurlandschappen in het grensgebied van Vlaanderen en Nederland’ werken diverse doctoraatsstudenten van de UGent uit verschillende vakgebieden samen.
Bij de VUB is er binnen de vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie aandacht voor historische geografie. Daar werd een doctoraatsonderzoek verricht over de interactie tussen macht en ruimte in een kustgebied – meer bepaald het Kamerlings Ambacht – en de wording van een laatmiddeleeuws tot vroegmodern landschap. 97 Deze vakgroep benadert historische geografie vanuit een archeologische invalshoek. Aan de verschillende universiteiten worden bovendien regelmatig thesissen gemaakt rond de landschapsgeschiedenis van gebieden.

Sinds enkele jaren worden aan de opleiding Monumenten- en Landschapszorg aan de Artesis Hogeschool Antwerpen, thesissen geschreven waarbij het landschappelijk luik gecombineerd wordt met de archeologische en de bouwhistorische relicten, om tot een voorstel te komen van ‘zorg en beheer’.

Daarnaast zijn er studies van bepaalde landschapselementen, vaak ook voor een bepaald gebied. Dit wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in het kader van het beheer van deze elementen. Denk bijvoorbeeld aan de studie bij de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) naar de eendenkooi van Meetkerke, de studie van watergebonden cultuurhistorisch erfgoed, etc.

Naast de gebiedsstudies zijn er ook historisch-geografische onderzoeken in een ruimere context. Bijvoorbeeld de landschapstyperingen , vaak voor een groot grondgebied.
Vanaf 1985 werd door Marc Antrop aan de UGent gewerkt aan de traditionele landschappen. 98 Dit onderzoek werd voortgezet binnen de onderzoeksgroep Landschapskunde aan de UGent. De traditionele landschappen vormden ook de basis voor het opstellen van de landschapsatlas waarin de relicten van deze traditionele landschappen aangeduid worden. In het kader van deze inventarisatie zijn de geïnventariseerde relictzones en ankerplaatsen op meso-schaal historisch-geografisch onderzocht en beschreven. Momenteel is de landschapsatlas in beheer van het VIOE en wordt er gewerkt aan de actualisatie.

Een ander onderzoeksthema binnen de historische geografie is de studie van landschapstransformatie. Deze studies zijn over het algemeen grootschaliger en minder plaatsgebonden en kijken naar de veranderingen van het landschap doorheen de tijd.
Aan de UGent, vakgroep Architectuur en Stedenbouw, is in de laatste jaren onderzoek uitgevoerd in het kader van de fotoreeks van Massart-Charlier-Kempenaers. Aan de hand van deze reeks kunnen veranderingen in het landschap gevolgd worden door de tijd heen. Het geeft dan ook een goed beeld van de transformatie van het Vlaamse landschap in de afgelopen eeuw. 99 Het onderzoek naar de laantjes, door de VLM, aan de hand van foto’s uit de jaren 1950 en 1960 zou ook binnen dit thema kunnen passen.

3 Hiaten en overlappen

Een probleem, wat ook bij andere domeinen geldt, is een algemeen gebrek aan onderzoek. Er zijn wel regelmatig kortlopende onderzoeken in beperkte gebieden. Ook binnen gebiedsstudies in het kader van bijvoorbeeld natuurinrichting is vaak aandacht voor de historische geografie van het gebied, maar dit wordt zelden in detail onderzocht. Er is nood aan diepgaande langdurige projecten over grotere gebieden zodat kennisuitbouw over het historisch landschap mogelijk is. Op die manier kunnen we een overzicht krijgen van de historische ontwikkeling van het hele Vlaamse landschap.

Een specifiek probleem voor historische geografie is dat heel wat bronnenmateriaal verdwijnt en het landschap zelf ook verandert. Veel elementen verdwijnen voor ze onderzocht zijn. Archieven zijn vaak beperkt geïnventariseerd en toegankelijk. De ontsluiting van diverse historisch-geografische bronnen zou daarom aandacht moeten krijgen.

Ook het landschap zelf verandert continu. Zo zijn er regio’s of landschapstypen die momenteel onder grote druk staan. In bepaalde gebieden worden in de komende jaren grote ingrepen gepland. Het landschap is vandaag nog goed leesbaar en de relicten kunnen nog onderzocht worden, maar over enkele jaren kan het landschap volledig veranderd zijn. Denk bijvoorbeeld aan de riviervalleien waar in het kader van het Sigmaplan vele polders omgevormd worden tot GOG/GGG.100 Historisch-geografisch onderzoek zou in gevallen van verandering of bedreiging van het (historische) landschap systematisch als partner meegenomen moeten worden (zoals bij natuur het geval is). 101
Ook landschapselementen veranderen en verdwijnen in hoog tempo, vooral wanneer ze niet langer functioneel zijn en dus geen gebruik of toepassing meer kennen. Denk bijvoorbeeld aan houtige beplantingen met erfgoedwaarde, die zonder het juiste onderhoud kunnen vervagen of verdwijnen. Vaak worden die elementen ook bewust verwijderd omdat men zich niet bewust is van de erfgoedwaarde.
De inventarisatie van relicten in het landschap is daarom van cruciaal belang en zou vlakdekkend moeten zijn. Alleen wanneer bekend is waar bepaalde elementen of structuren nog bewaard zijn, kunnen inschattingen gemaakt worden over de representativiteit, uniciteit en gaafheid van landschapsrelicten en kunnen de keuzes over hoe daarmee omgegaan wordt, onderbouwd worden.
Het landschap wordt als holistisch geheel benaderd, dus niet alleen de materiële objecten bepalen het landschap, maar ook hun onderlinge, vaak onzichtbare relaties en samenhang. Dit betekent dat bij de inventarisatie van relicten steeds aandacht moet zijn voor de genetische, ruimtelijke en functionele samenhang. 102

Er bestaat binnen Vlaanderen een (grote) ongelijkheid in gebieden die historisch-geografisch onderzocht zijn. Voor sommige (kleine) gebieden is een uitgebreide studie opgemaakt, andere regio’s zijn nog niet onderzocht en voor sommige gebieden is een oppervlakkige studie gemaakt. Dit komt onder andere door de beschikbaarheid van historische bronnen, maar ook door de interesses van universiteiten en onderzoekers en de overwegend gebiedsgerichte monografische benadering van het onderzoek. Het Graafschap Vlaanderen, de kust en de Kempen zijn in vergelijking met de rest van Vlaanderen beter onderzocht.103 Om een beter zicht te krijgen op de landschapsgeschiedenis van heel Vlaanderen zouden de momenteel nog niet onderzochte gebieden ook aandacht moeten krijgen.

De context van veranderingen in het landschap krijgt niet altijd de aandacht die nodig is om het landschap goed te begrijpen. Om de landschapsgeschiedenis te begrijpen moet men kennis en inzicht hebben in de economische en sociale context uit het verleden. 104

Thematisch historisch-geografisch onderzoek is in sommige gevallen ook aangewezen en kan verdieping bieden. Tot nu toe vaak onderzocht zijn de ingrepen op het landschap door grootgrondbezitters. Andere thema’s die verdiept kunnen worden, zijn bijvoorbeeld religie, bepaalde economische activiteiten als mijnbouw, enz. Thematisch onderzoek kan achtergrondinformatie bieden voor gebiedsgerichte onderzoeken.

4 Samenwerking

Er wordt wel veel samengewerkt tussen individuele onderzoekers en onderzoeksgroepen, maar dit is niet altijd formeel vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten of projecten.

‘Verdwenen cultuurlandschappen in het grensgebied van Vlaanderen en Nederland’ is een voorbeeld van een internationaal project waar samengewerkt wordt met internationale partners, een samenwerking tussen de UGent en Wageningen Universiteit. Een tweede project is ‘De interdisciplinaire studie van de dynamiek van nederzettingen en landschappen’ waar vanuit Vlaanderen de VUB en het VIOE aan meewerken samen met de University of Nottingham, Université de Tours en de Universiteit Warschau.

De jaarlijkse landschapscontactdag brengt veel mensen samen die in Vlaanderen rond landschap werken. In Nederland organiseert het Netwerk Historisch Cultuurlandschap een soortgelijke dag, die meer op historische geografie gericht is, nl. de Dag van het Historisch Cultuurlandschap. Vanaf 2008 worden de papers van het congres en andere artikelen gepubliceerd in het Jaarboek Historische Geografie. Daarnaast komt tot vier keer per jaar het Historisch-Geografisch Tijdschrift uit.
Ook in het Jaarboek Ecologische Geschiedenis worden veel relevante artikelen samengebracht, wat de uitwisseling van kennis bevordert.

5 Instellingen en onderzoeksgroepen

  • UGent: vakgroep Geografie
  • UGent: Middeleeuwse Geschiedenis
  • UGent: Nieuwste Geschiedenis
  • UGent: Architectuur en Stedenbouw
  • VUB: Kunstwetenschappen en archeologie
  • KULeuven: afdeling Landbeheer en –economie en afdeling Bos natuur en landschap, architectuur – urbanisme
  • Artesis Hogeschool Antwerpen: Monumenten- en Landschapszorg
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE)
  • Ruimte & Erfgoed
  • Agentschap voor Natuur en Bos (ANB)
  • Vlaamse Landmaatschappij (VLM)
  • Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)