1.6 Land(schaps)beheer

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: Aukje de Haan, Moïra Heyn, Hans Leinfelder
  • Medewerkers: Marika Strobbe, Hans Van Calster, Kris Verheyen, Kathy Wouters, An Rekkers, Piet Quataert, Patrick Endels, Jan Bastiaens, Geert De Blust, Joël Burny, Joep Fourneau, Luc Vervoort, Nele Hardies en Marc Antrop

Bijlage 1: Projectenlijst
In bijgevoegde lijst staan de projecten (vanaf 2000 of bijzonder relevant) die doorgegeven zijn door onze contactpersonen en die we op websites van universiteiten en instellingen hebben gevonden. Deze lijst is waarschijnlijk niet volledig. Suggesties voor aanvulling zijn dan ook steeds welkom.

Bibliografie: Overzicht van de bibliografie over dit thema
In de bibliografie beperken we ons tot basiswerken. Deze geven een overzicht van het onderzoekdomein, de bijdrage aan het onderzoeksveld landschap of voorbeelden van methoden die gebruikt kunnen worden.

1 Onderzoeksbenadering Landschapsbeheer

Binnen de ‘onderzoeksbalans landschap’ wordt het onderzoek over landschapsbeheer, maar niet het landschapsbeheer zelf behandeld. Dergelijk onderzoek heeft met andere woorden betrekking op types en methodes van landschapsbeheer, zonder daarmee onmiddellijk het concrete landschapsbeheer van een bepaald gebied voor ogen te hebben.

Voor de onderzoeksbalans wordt de definitie van (landschaps)beheer uit de Vlaamse wetgeving als uitgangspunt genomen. Die wordt beschreven als de maatregelen, werken en handelingen die erop gericht zijn de natuurwetenschappelijke, historische, esthetische of andere sociaal-culturele waarden van het landschap in relatie tot de andere functies van het betrokken landschap in stand te houden, te verbeteren of te herstellen. 1

We kunnen de onderzoeken voor dit hoofdstuk eigenlijk grofweg indelen in twee groepen. Enerzijds zijn er de praktijkgerichte beheeronderzoeken (1). Deze onderzoeken zijn gebiedsgericht en gaan voor dat specifieke gebied na wat het gewenste, mogelijke, beheer is. De resultaten van deze onderzoeken worden veelal direct toegepast in het daadwerkelijk beheer of de beleidskeuzes die eraan vast hangen. Aan de andere kant zijn er onderzoeken naar beheer (2), waarin breed wordt gekeken, meer fundamenteel onderzoek wordt gedaan, bijvoorbeeld naar de effecten van bepaalde beheermaatregelen.

Voor de praktische uitvoering van het landschapsbeheer wordt het landschap meestal benaderd als een verzameling van landschapselementen en entiteiten (waterpartijen, vegetatietypen, kleine landschapselementen (KLE’s), bouwkundig erfgoed, etc.) die specifieke beheervormen vergen. Het is echter belangrijk het landschap als een holistisch geheel te benaderen door voldoende aandacht te besteden aan de relaties tussen de elementen en de ensemblewaarde.

1.1 Evolutie van de onderzoeksbenadering

Net als landschapsontwerp en –beleid is landschapsbeheer een onderzoeksdomein waar voornamelijk het praktijkonderzoek sturend is voor de evolutie en niet zozeer het wetenschappelijk onderzoek. In andere hoofdstukken van de onderzoeksbalans vindt de evolutie van het onderzoek duidelijk plaats vanuit de academische wereld. Bij landschapsbeheer ligt de praktijk aan de grondslag van het meer theoretische onderzoek aan universiteiten.
In de onderstaande evolutie is daarom vooral aandacht voor maatschappelijke veranderingen die de ontwikkeling van landschapsbeheer tekenen. Niet alleen de evolutie van het onderzoek, maar juist ook de ontwikkeling van de benadering van landschapsbeheer wordt besproken.

Als we kijken hoe beheer benaderd werd doorheen de tijd zien we een duidelijke evolutie. Tot het begin van de 20ste eeuw ‘maakte’ iedereen het landschap. Landschapsbeheer was een onbewust resultaat van het ruimtegebruik. Eeuwenlang veroorzaakte de landbouw talrijke veranderingen in het landschap wat de biodiversiteit, natuurwaarden en cultuurlandschappen beïnvloedde. De landbouwer was daarmee een belangrijke factor in het beheer van het landschap. De adel, clerus en burgerij speelden tot de val van het Ancien Regime een belangrijke rol in het beheer van hun domeinen, vooral vanuit economische, maar ook esthetische motieven.
Vanaf eind 19de eeuw vond er een verschuiving plaats. Het landgebruik werd minder plaatsgebonden. Onder andere door de introductie van kunstmest werden de mogelijkheden voor de landbouw nu minder bepaald door de fysische ondergrond. Door de verdere mechanisering en schaalvergroting van de land- en bosbouw en teeltwijzigingen veranderde het landschap sterk en waren natuurwaarden niet langer een nevenproduct van de agrarische activiteit. De behoefte ontstond om natuur en landschap meer bewust te beheren en behouden. Door het meetbaar maken van de ecologische waarde van gebieden (milieukarteringen jaren 1970) en kwantitatief aan te geven hoe de biodiversiteit afnam, kreeg deze benadering langzaam bijval. In het ruime veld van landschapsbeheer wist de natuur- en bossector zich gaandeweg als belangrijke speler te ontwikkelen, terwijl het beheer van andere landschapswaarden (historische, esthetische, socio-culturele en aardkundige waarden) achterop bleef. Vanaf ongeveer 1994 groeide bij de Europese instellingen de aandacht voor een integrale landschapszorg. Vlaanderen reageerde hierop door in 1996 zijn beleid te verruimen van strikt landschapsbehoud naar landschapszorg, vooruitlopend op de Europese landschapsconventie van 2000. Een belangrijk doel van deze conventie was het opstellen van een vooruitstrevende visie voor en met iedereen van wie het handelen een effect heeft op de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen. 2 Landschapsbeheer is echter nog steeds niet vanzelfsprekend en vraagt daarom specifieke aandacht.

De waardering van landschap(selementen) veranderde ongeveer synchroon met de voorgaande evolutie. Elementen in het landschap hadden vroeger een functionele waarde, bijvoorbeeld een houtwal als perceelsscheiding en bron voor houtwinning. Vandaag de dag erkennen we vooral de ecologische en esthetische waarde van deze elementen, functioneel zijn ze veelal vervangen (bijvoorbeeld een heg vervangen door prikkeldraad) of spelen een minder belangrijke rol. Het beheer van deze elementen verschuift daardoor ook van puur functioneel beheer, soms zelfs onbewust (zoals houtwallen die gekapt werden voor bijvoorbeeld brandhout), tot een beheer dat bijvoorbeeld gericht is op het in stand houden van bepaalde plant- en diersoorten. Toch zijn er ook landschapselementen die behouden blijven of zelfs opnieuw aangelegd worden omwille van hun functie voor landbouw. Denk bijvoorbeeld aan dicht begroeide graften die de erosie op akkers tegengaan.

Landschapsbeheer valt niet te verengen tot natuur- en bosbeheer, maar het mag duidelijk zijn dat ze een belangrijke rol spelen in landschapsbeheer en de ontwikkeling van het onderzoek naar beheer. 3 wordt een mooi overzicht gegeven van de ontwikkeling van natuurbeheer doorheen de tijdDenk bijvoorbeeld aan “Punten en lijnen in het landschap” 4 waarin onder meer beheeraanbevelingen voor kleine landschapselementen worden gedaan om de ecologische waarde ervan te vergroten. De puur landschappelijke waarde (van deze elementen) krijgt ook aandacht, maar het staat minder centraal voor het beheer ervan.
De natuursector is immers op vele vlakken sterker vertegenwoordigd. Subsidies voor natuurbeheer zijn bijvoorbeeld veel eenvoudiger te verkrijgen dan voor het beheer van het landschap zelf. Landschapsbeheer in het kader van het behoud of tot stand brengen van bepaalde natuurwaarden maakt echter maar een onderdeel uit van een breder spectrum. Het beheer kan voor verschillende doelstellingen worden ingezet, bijvoorbeeld natuurwaarde, maar ook esthetische, wetenschappelijke, historische, ruimtelijk structurerende waarde, etc. Een combinatie is natuurlijk ook mogelijk en hier wordt dan ook steeds vaker voor gekozen.

Recent heeft er binnen natuurbeheer een verbreding plaatsgevonden van de zeer strikte benadering puur in functie van natuur. Dit is een algemene tendens, die vooral aanhang vindt bij de mensen in de praktijk. Men ‘komt uit zijn reservaten’ en gaat het natuurbeheer meer ruimtelijk bekijken, door kennis van landschapsecologische relaties i.v.m. grondwater en metapopulaties bijvoorbeeld. Er ontstaat meer affiniteit met het landschap als geheel, waarbij cultuurhistorische elementen, geowaarden, archeologie, etc., die bij de opbouw van het landschap meespeelden, ook een belangrijke rol hebben. Twee voorbeelden van gebieden die op deze manier beheerd worden zijn Bos ’t Ename en landschap de Liereman.
Bij terreinbeherende verenigingen is deze evolutie van verbreding ook duidelijk zichtbaar. Natuurpunt, bijvoorbeeld, ontstond in 2001 als fusie van de verenigingen Natuurreservaten en De Wielewaal en is officieel “de vereniging voor natuur en landschap”. De Regionale Landschappen zijn zelfs geheel gericht op natuur- en landschapswaarden, ook buiten de klassieke bos- en natuurgebieden Ze werden opgericht als regionale initiatieven van vooral lagere besturen rond de thema's natuur en natuurgerichte recreatie/educatie. Niet toevallig bestrijken ze een aantal regio's die nog belangrijke landschappelijke kwaliteiten bezitten. Van meet af aan werden alle waarden van het landschap in acht genomen, maar hierin ging het ene Regionale Landschap duidelijk verder dan het andere. In de afgelopen jaren evolueerden alle Regionale Landschappen naar een brede benadering.
De Vlaamse overheid koos de regionale landschappen uit als de meest aangewezen partners om een actieve landschapszorg als troef voor een duurzame regionale ontwikkeling mee uit te bouwen. Voor de promotie van deze actieve landschapszorg en het creëren van een gemeentelijk en maatschappelijk draagvlak, geeft het Vlaams Gewest financiële steun voor één personeelslid per regionaal landschap (de landschapsanimator) en voor de uitvoering van landschapsbeheerwerken. Onder andere door nauwe samenwerking met de bedrijfsplanners van de VLM, wordt de landbouwer binnen de regionale landschappen ook als landschapsbeheerder en natuurbeheerder gepromoot.

Een andere tendens is de schaalvergroting in het landschaps- en natuurbeheer. Projectgebieden worden groter, de ingrepen zijn aanzienlijk; er wordt bijvoorbeeld grond afgegraven, hoogteverschillen gecreëerd, etc. De inrichting kan behoorlijk ingrijpend veranderen in vergelijking met de uitgangssituatie en de ingrepen hebben dan ook een grotere impact op het landschap.

1.2 Afbakening landschapsbeheer

In het Decreet op de Landschapszorg staat beheer beschreven als “het geheel van de in beschermings- en toelatingsbesluiten vermelde maatregelen, werken en handelingen die erop gericht zijn de natuurwetenschappelijke, historische, esthetische of andere sociaal-culturele waarden van het beschermde landschap in relatie tot de andere functies van het betrokken landschap in stand te houden, te verbeteren of te herstellen”. Het ‘landschapsbeheer’ is hier dus eigenlijk verengd tot enkel de beschermde landschappen en aangeduide ankerplaatsen.
De onderzoeksbalans behandelt echter het beheer volgens de erfgoedbenadering van ‘alle’ landschappen. De definitie voor “algemene landschapszorg” binnen het decreet sluit hier beter bij aan: “het stimuleren van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, fysisch-geografische en esthetische landschapswaarden, alsook van de kleine landschapselementen.”

Landschapsbeheer of –management is volgens artikel 1 van het Europese landschapsverdrag terug te brengen tot (menselijke) handelingen, in het perspectief van duurzame ontwikkeling, die het regelmatig onderhouden van een landschap garanderen. De omschrijving van landschapsbeheer omvat dus zowel een onderhouds- als een ontwikkelingsdimensie: de duurzame instandhouding van een landschap door landschapsonderhoud en het inspelen op een duurzame landschapsdynamiek door het uitvoeren van doordachte ingrepen in het landschap.

In die zin is het ook nodig om het landschapsbeheer te onderscheiden van meer ontwerpende disciplines zoals landschapsontwerp, landschapsarchitectuur en verwante disciplines met een landschappelijke relevantie zoals ruimtelijke planning en landinrichting. In deze disciplines wordt aangegeven hoe het landschap – of ruimer de ruimte – zich zou moeten ontwikkelen of ingericht worden om een gewenste landschappelijke kwaliteit te bereiken. Het landschapsbeheer is er op gericht een methode uit te werken om de gewenste landschappelijke kwaliteit, eens die bereikt is, in stand te houden.
Dit theoretische verschil terugbrengen tot een onderscheid tussen actief ingrijpen en passief onderhouden zou echter afbreuk doen aan de beheerinspanningen in tal van landschappen. Misschien situeert het onderscheid zich wel in de snelheid waarmee het landschap verandert door menselijk ingrijpen. Bij het vormen van een landschap in het kader van een landschapsontwerp is de snelheid van verandering bewust hoog over een korte tijdsspanne en is deze bij het in stand houden van een landschap in het kader van landschapsbeheer veeleer laag over een langere tijdsspanne.
Het blijkt in ieder geval vaak moeilijk om in praktijk- of gebiedsgericht onderzoek het onderscheid te maken tussen de visie op de gewenste landschappelijke ontwikkeling van een gebied en de visie op de instandhouding van de gewenste landschappelijke kwaliteit in hetzelfde gebied. Overlap met de luiken landschapsontwerp en –architectuur uit de onderzoeksbalans lijkt dan ook onvermijdelijk.

Verder lijkt het aangewezen de via het landschapsbeheer te onderhouden landschappelijke kwaliteit zeer ruim te interpreteren en niet altijd te verengen tot visuele (beeld)kwaliteit of cultuurhistorische/natuurhistorische kwaliteit. Identiteit, beleving, landschapsecologische kenmerken, … kunnen op zich of in combinatie met andere aspecten evenzeer bepalend zijn voor het in stand houden van een gewenste landschappelijke kwaliteit en bijgevolg voor het te ontwikkelen landschapsbeheer.

Zoals eerder gesignaleerd, is bos- en natuurbeheer ontegensprekelijk het sterkst ontwikkeld bij de overheid, middenveldorganisaties en particulieren. De indruk zou dan ook kunnen ontstaan dat landschapsbeheer vooral of enkel in deze context plaatsvindt. Naast het landschapsbeheer in het kader van bos- en natuurbeheer, moet er evenwel ook aandacht zijn voor landschapsbeheer via (de stimulering van) gepast agrarisch beheer, harmonisch park- en groenbeheer, beeldkwaliteitsbeheer in bebouwde omgevingen, …

1.3 Landschapsbeheer en landschapsonderzoek

Om het landschap correct te kunnen beheren is er een uitgebreide kennis nodig van de verschillende elementen en entiteiten waaruit het landschap is opgebouwd en hun onderlinge relaties nu en in het verleden. Deze kennis wordt verkregen vanuit de verschillende basiswetenschappen en ook uit integrerende wetenschappen als landschapsecologie. Bij het in stand houden en ontwikkelen van een duurzaam landschap dient men rekening te houden met de randvoorwaarden van de fysische, biotische en antropogene lagen. Bijvoorbeeld, op een erosiegevoelige helling moet voldoende beschermende en standplaatsgeschikte vegetatie aanwezig zijn en is intensieve begrazing minder geschikt omdat hierdoor de vegetatiedichtheid vermindert en de bodem vertrappeld wordt.

Een analyse van de succes- en faalfactoren van landschapsbeheer dat uitgevoerd wordt om bepaalde waarden of functies / diensten te continueren of optimaliseren, kan duidelijk maken dat het de landschapsopbouw of –configuratie en/of het landschapsbeleid zijn die aangepast moeten worden, wil men de beoogde doelen bereiken. Op deze manier kan het onderzoek van het landschapsbeheer richting geven aan landschapsontwerp en landschapsarchitectuur, maar ook aan landschapsbeleid. Bij dit laatste kan duidelijk worden welke instrumenten en middelen er effectief invloed hebben op de sturende processen van de landschapsverandering en het landschapsfunctioneren. Voorbeelden hiervan zijn bijv. te vinden in de analyse van het erosiebeheer waaruit blijkt dat landschappelijke samenhang en integratie van maatregelen in een omvattend plan, van groot belang zijn. Het beheer van bermen (in functie van biodiversiteit, landschapbeleving, e.d.) maakte duidelijk dat o.a. de organisatie de bottleneck was die succes verhinderde. Beheer van het landelijk gebied voor biodiversiteit en algemene natuur- en milieukwaliteit, toonde aan dat ruimtelijke samenhang en minimale oppervlakten cruciaal zijn.

Kennis in beheer kan ook voor landschapsecologie of historische ecologie nieuwe inzichten bieden. Wanneer een historische beheersvorm bijvoorbeeld opnieuw toegepast wordt, kan dit aan historische ecologen laten zien hoe het landschap(selement)/vegetatie daar op reageert. Op die manier kunnen ook onderzoekstheorieën getest worden in de praktijk.

1.4 Internationale aandachtspunten

Om het Vlaamse onderzoek te toetsen aan de internationale context worden internationale aandachtspunten en daarbij behorende representatieve projecten behandeld.

De laatste jaren is er internationaal een groeiende aandacht voor het beheer van de cultuurhistorische waarden. In het Nederlandse ‘Handboek cultuurhistorisch beheer’ worden verschillende cultuurhistorische landschapselementen met hun beheermogelijkheden besproken. Bij Landschapsbeheer Nederland is tevens een boek uitgegeven over het beheer van aardkundige waarden: Natuur met (w)aarde, Handboek aardkundig landschapsbeheer. 5

In Duitsland is aandacht voor landschapsbeheer waarbij alle landschapswaarden aan de orde komen. Zo doet een onderzoeksgroep van 25 personen aan de universiteit van Freiburg onderzoek naar het beheer van landschapselementen, hoofdzakelijk vanuit historisch perspectief. Eén voorbeeld is het beheer van de Limes, die niet enkel worden geconserveerd, maar door wijzigingen in inrichting en beheer van het landschap ook weer als één lijn zichtbaar gemaakt worden.
Ten zuidwesten van Bremen ligt ook een mooi praktijkvoorbeeld; Pestruper Gräberfeld und Rosengarten. Deze meer dan 500 grafvelden waren voor lange tijd slecht zichtbaar door hoog gras. Door het eenvoudigweg inzetten van een schaapskudde wordt het gras kort gehouden en worden de kleine hoogteverschillen, net zoals de verschillen in vegetatie, weer zichtbaar gemaakt.

Bij de Drentsche Aa in Nederland worden voor verschillende gebieden inrichtings- en beheerplannen opgemaakt. Het Strubben Kniphorstbos is een prima voorbeeld. 6 In dit gebied is een zeer hoge dichtheid aan cultuurhistorische en archeologische relicten te vinden en deze spelen dan ook een belangrijke rol in de inrichting en het beheer. De relicten zijn echter in veel gevallen niet goed zichtbaar en in het plan worden bijvoorbeeld plaatsen met hoge concentraties relicten vrij gemaakt van opgaande beplanting zodat de relicten en hun samenhang weer zichtbaar wordt. Het opgestelde plan is zeer overzichtelijk en de toegevoegde toekomst- en referentiebeelden werken inspirerend.

1.5 De relevantie van landschapsbeheer voor de erfgoedbenadering

Erfgoed (zowel cultuurhistorisch, natuurwetenschappelijk, esthetisch, etc.) heeft zijn oorsprong in evoluties in het verleden en wordt weerspiegeld in de sporen die daar nog zichtbaar van zijn. Wanneer je deze sporen wil behouden, is het nodig ze in stand te houden, te verbeteren of te herstellen.

Een gebied kan speciaal voor het aanwezige erfgoed beheerd worden. Bij een gebouwd monument spreekt dat voor zich, maar ook landschappelijk erfgoed moet op een degelijke wijze beheerd worden, zodat zorg wordt gedragen voor de erfgoedwaarde van de plek. Er kan op verschillende manieren omgegaan worden met het erfgoed en hierin is ook een duidelijke evolutie waarneembaar. Het behoud en beheer van het erfgoed had oorspronkelijk een meer ‘objectgerichte’ benadering. Men wilde het object conserveren of vrijwaren, het technische aspect van het beheer was zeer belangrijk. De laatste jaren vindt een verruiming plaats naar de contextwaarde en de betekenis van het erfgoed. Bovendien staat duurzame ontwikkeling meer en meer centraal. Het erfgoed wordt niet langer als “ding” beschermd, maar men streeft een meer permanente en creatieve benadering na. In het beheer is aandacht voor beleving, educatie, culturele waarden, betekenissen en expressievormen. 7 p.25 en 27

Een element kan beheerd worden vanwege zijn cultuurhistorische, natuurwetenschappelijke, esthetische en socio-culturele waarde. De nadruk op een bepaalde waarde, kan conflicten opleveren met andere waarden. Wanneer een gebied beheerd wordt in het kader van bijvoorbeeld natuurontwikkeling kan dit ook een negatief effect hebben op de cultuurhistorische of esthetische erfgoedwaarde. Wanneer het natuurbeheer geen rekening houdt met cultuurhistorische elementen, kunnen ze hun waarde verliezen of in zijn geheel verdwijnen. Andersom is het ook mogelijk dat een focus op de cultuurhistorische waarden een achteruitgang van biodiversiteit veroorzaakt. Natuurlijk zal men niet steeds de verschillende waarden en doelstellingen in het gebied met elkaar laten overeenstemmen en er kan bewust voor gekozen worden elementen te laten vervagen of verwijderen. Een bewustwording van alle erfgoedwaarden van een gebied is echter noodzakelijk alvorens keuzes gemaakt kunnen worden en een beheerplan opgesteld wordt.

Om te begrijpen hoe een landschap zich heeft ontwikkeld en hoe bepaalde omstandigheden tot stand zijn gekomen is inzicht in de historische situatie van een gebied van groot belang. Bijvoorbeeld wanneer een bepaald ecosysteem op een specifieke plek voorkomt, kan dat te maken hebben met het gebruik van dat gebied doorheen de geschiedenis. In het beheer kan hier vervolgens rekening mee gehouden worden.
Historisch beheer kan daarbij een belangrijke rol spelen. Historische beheervormen kunnen ook nu nog zeer interessant zijn voor het behouden van bepaalde landschapselementen of voor het bereiken van bepaalde ontwikkelingsdoelstellingen.

2 Stand van zaken

Voor dit hoofdstuk zijn twee typen van onderzoek te onderscheiden. Enerzijds zijn er de praktijkgerichte beheeronderzoeken (2.1). Deze onderzoeken zijn gebiedsgericht en gaan voor dat specifieke gebied na wat het gewenste, mogelijke, beheer is. Anderzijds zijn er onderzoeken naar beheer (2.2), waarin breed wordt gekeken, meer fundamenteel onderzoek wordt gedaan, bijvoorbeeld naar de effecten van bepaalde beheermaatregelen.

De tekstuele uitwerking van de huidige stand van zaken in het onderzoek wordt in eerste instantie uitgewerkt gebaseerd op de projectendatabank. Hierbij wordt volledigheid nagestreefd wat de ‘onderzoeken naar beheer’ betreft. Voor de praktijkgerichte beheeronderzoeken, wensen we eerder met clusters van ‘veel voorkomende’ projecten te werken, zoals bijv. de bosbeheerplannen waarbij dan de standaard inhoud van die onderzoeken belicht wordt.

2.1 Praktijkonderzoeken

De praktijkonderzoeken worden uitgevoerd voor een specifiek gebied. De resultaten worden veelal direct toegepast in het daadwerkelijke beheer of de beleidskeuzes die eraan vast hangen.
Er bestaan een aantal types die voor vergelijkbare gebieden volgens een vast stramien worden uitgevoerd, voornamelijk de beheerplannen. Daarnaast zijn er nog een aantal projecten die ook voor vergelijkbare gebieden worden uitgevoerd, maar die niet overal (exact) dezelfde inhoud krijgen. Hieronder volgt een bespreking van de clusters.

2.1.1 Beheerplannen

“Elk document met een geheel van maatregelen voor het beheer van grondoppervlakten of populaties, uitgaande van de bestaande toestand, de vooruitzichten en de nagestreefde doelstellingen.” 8 Beheerplannen worden vaak aangemaakt voor aanvraag van erkenning en subsidiering. Op die manier kunnen bijvoorbeeld premies toegekend worden voor het uitvoeren van werkzaamheden.
Voorafgaand aan het opstellen van een beheerplan kunnen vele andere typen onderzoek worden uitgevoerd die alle bijdragen aan het uiteindelijke beheerplan. Denk bijvoorbeeld aan ecohydrologische gebiedsstudies, een historisch landschapsonderzoek, etc. Ook het opstellen van gebiedsvisies vormen vaak een belangrijke fase. Hierin worden soms al voorstellen voor (beheer)maatregelen gegeven.
Er zijn een aantal verschillende beheerplannen, die hieronder worden beschreven.
Alle beheerplannen kennen een aantal vaste elementen. Er wordt altijd een algemene beschrijving gegeven van de aanvrager en de huidige toestand van het gebied, eventueel met andere accenten naargelang het type beheerplan. In het eigenlijke beheerplan zelf, worden doelstellingen en concrete maatregelen beschreven.

  • Natuurbeheerplannen 9 worden onder andere aangemaakt ter voorbereiding op een erkenning. Er wordt in het beheerplan een streefbeeld gegeven voor het beheer voor het volledige gebied, met concrete beheermaatregelen. Er is een facultatief luik rond landschapszorg.
  • In een Uitgebreid Bosbeheerplan 10 komen in de algemene beschrijving verschillende zaken aan bod. Zo wordt niet alleen een beschrijving gegeven van standplaats (reliëf&hydrologie en bodem&geologie) en biotisch milieu (flora, fauna, bestandskaart). Er wordt ook een cultuurhistorisch overzicht gegeven en een bespreking van opbrengsten & diensten. Er worden verschillende beheerdoelstellingen opgesteld die betrekking hebben op economische, ecologische, sociale en educatieve, milieuberschermende en wetenschappelijke functie.
  • Een harmonisch park- en groenbeheerplan kan vergeleken worden met de voorgaande plannen, maar heeft een andere focus. Er wordt onder andere een beschrijving gegeven van beleving en gebruik van het groenobject. Indien mogelijk wordt het beheerplan opgesteld door participatie van gebruikers. Cultuurhistorie en voorgeschiedenis maken deel uit van de beschrijving van het groenobject, maar natuurlijk ontbreken biotische en abiotische beschrijving niet.
  • Een landschapsbeheerplan 11 wordt opgemaakt voor beschermde landschappen en erfgoedlandschappen. “Het beheer in een beschermd landschap houdt alle maatregelen, werkzaamheden en handelingen in om de verschillende waarden van het beschermd landschap in stand te houden, te verbeteren of te herstellen.” 12 Het gaat hier over de historische, natuurwetenschappelijke, socio-culturele en esthetische waarden die aanleiding gaven tot de bescherming. Bij het opstellen van een landschapsbeheerplan kan een beheercommissie worden opgericht. De werkzaamheden zijn steeds op vrijwillige basis en moeten niet alleen de intrinsieke waarden van het landschap ten goede komen, maar worden ondersteund en gedragen door eigenaars en gebruikers. 13 Een landschapsbeheerplan heeft betrekking op een periode van 27 jaar maar kan om de negen jaar worden bijgesteld.
  • Een erosiebestrijdingplan wordt ontwikkeld voor gemeenten om zicht te krijgen op erosieproblematiek en om concrete maatregelen voor te stellen.
  • Een bermbeheerplan is een gemeentelijk plan voor het beheer van de bermen. In een bermbeheerplan wordt onder meer gekeken naar de bermtypes en de manier waarop bepaalde aandachtssoorten kunnen worden ondersteund. Een belangrijk onderdeel van een bermbeheerplan is het maaischema.
  • Tegen eind 2007 werden van alle 11 rivierbekkens in Vlaanderen een ontwerp-bekkenbeheerplan opgesteld. Elk plan geeft concrete invulling voor de komende 6 jaar, met een langetermijnvisie. Meer lokaal zijn er deelbekkenbeheerplannen.
2.1.2 Voorbeelden van overige, veel voorkomende praktijkonderzoeken
Met vast stramien
  • Bij een natuurrichtplan gaat het er vooral om een gebiedsvisie op te stellen en hieraan maatregelen te koppelen om de natuur te versterken. Er wordt gezocht naar een goede combinatie van (huidig) gebruik van het gebied door diverse actoren en de ontwikkeling van het gebied voor natuur. Een natuurrichtplan zou een belangrijk kader moeten vormen voor het opstellen van beheerplannen. Over het algemeen bestaat een natuurrichtplan uit een algemene gebiedsvisie, specifieke gebiedsvisie, maatregelen en instrumenten, een bijlage natuurdoeltypen en doelsoorten.
  • Ruimtelijk uitvoeringsplanen (RUP) kunnen worden opgesteld door het gewest, provincies of gemeenten. Hierin ligt de bestemming en het beheer van gebieden vastgelegd. Bijvoorbeeld waar al dan niet gebouwd mag worden, welke activiteiten er mogen gebeuren, stedebouwkundige voorschriften, etc. Het RUP is bijgevolg belangrijk voor het beheer van gebieden.
  • Onderzoek in het kader van ruilverkaveling, landinrichting en natuurinrichting bij de VLM volgen vaak een vast stramien. Voor landinrichtingsplannen wordt een inrichtingsplan opgesteld bestaande uit een projectbeschrijving, uitvoeringsprogramma en financieringsplan. De ruilverkaveling bestaat uit twee belangrijke stappen, het onderzoek, waarbij het nut van de uitvoeringen worden nagegaan en waarbij een ruilverkavelingsplan wordt opgesteld. De tweede stap bestaat uit de uitvoering van de ruilverkaveling. Voor een natuurinrichtingsplan worden een aantal stappen doorlopen afhankelijk van de aard van de maatregelen en de situatie waarin ze worden toegepast.
Zonder vast stramien
  • Een beeldkwaliteitsplan wordt veelal opgesteld wanneer er veranderingen in een gebied staan te gebeuren, zoals stedelijke uitbreiding, inpassing van nieuwe infrastructuur, etc. Een beeldkwaliteitsplan behandelt en waardeert de ruimtelijke kwaliteit en probeert een aantal aanbevelingen of richtlijnen op te stellen voor het behouden of verbeteren van de beeldkwaliteit van een bepaald gebied. 14
  • Ecohydrologische studies zijn gedetailleerde onderzoeken voor gebieden met een specifieke waterproblematiek, bijvoorbeeld een beekvallei. Het onderzoek moet meer inzicht geven op hydrologische en hydrochemische eigenschappen van het gebied in samenhang met flora en fauna. Er worden maatregelen voorgesteld om oplossingen te bieden.

2.2 Onderzoek naar beheer

Onderzoek naar beheer wordt zowel uitgevoerd bij onderzoeksinstellingen als universiteiten. Deze onderzoeken, die meer theoretisch of fundamenteel zijn, stromen maar in beperkte mate door naar beleid en beheer. Veel wetenschappelijke artikels en publicaties eindigen met beheeradviezen, maar stromen veelal niet door naar de praktijk.

  • In Vlaanderen heeft onderzoek naar bos altijd veel aandacht gehad, zie ook hoofdstuk Historische ecologie. De opgedane kennis wordt doorgetrokken naar het beheer van bosgebieden. Het INBO is het Vlaams onderzoeks- en kenniscentrum voor bos en het duurzame beheer en gebruik ervan. Daarnaast vinden onderzoeken rond bosbeheer plaats bij de onderzoeksgroep bosecologie & –beheer en plantenecologie & natuurontwikkeling aan de KULeuven, de vakgroep bos- en waterbeheer aan de UGent en de onderzoeksgroep algemene plantkunde en natuurbeheer aan de VUB. Vaak zijn de onderzoeken echter gericht op bepaalde problematiek of plantensoorten en is het beheer maar een onderdeel van het onderzoek.
  • Aan de Universiteit Antwerpen ligt de nadruk op een ander ecosysteem. Bij de leerstoel integraal waterbeheer (biologie) wordt veel onderzoek gedaan naar het beheer van alluviale gebieden. Er wordt vooral onderzoek gedaan in het kader van de ingrepen die langs de rivieren gedaan worden voor het Sigmaplan. Ook het INBO speelt hierbij een belangrijke rol. De veranderingen zijn zeer ingrijpend wanneer bijvoorbeeld een landbouwgebied teruggegeven wordt aan de rivier. Er is veel onderzoek nodig om erachter te komen hoe deze gebieden best beheerd kunnen worden.
  • Aan de KULeuven is een onderzoeksgroep voor aquatische ecologie die zich toespitst op stilstaande zoetwatersystemen zoals vijvergebieden.
  • Begrazing als beheervorm is een thema dat vooral bij het INBO onderzocht wordt, vaak in samenwerking met de Universiteit van Gent (vakgroep terrestrische ecologie). Dit onderzoek kan gericht zijn op bepaalde diersoorten (konijnen, grote grazers) en hun invloed op het ecosysteem. Ook wordt onderzoek gedaan naar bepaalde ecosystemen (veengebied, duinen, etc.) om na te gaan welke diersoort het beste ingezet kan worden.
  • Voornamelijk bij het INBO wordt monitoring gedaan. Diverse aspecten van bossen worden bijgehouden, alsook diverse gebieden langs Zeeschelde en IJzer, graslanden, buitengebied, etc. Deze projecten stellen hun focus op de ontwikkeling van de biodiversiteit. De Monitoring Buitengebied (gebieden buiten stedelijke-, duin-, en natuurgebieden) gaat breder en wil niet alleen de evolutie van terrestrische biodiversiteit bijhouden, maar ook de veranderingen in landschappelijke kenmerken en milieuprocessen die daarmee samenhangen. Door de VLM is een methodiek opgezet voor de monitoring van beheerovereenkomsten. Aangezien het beheer in deze gebieden regelmatig bijgestuurd moet worden kan monitoring belangrijke ondersteuning bieden.
  • Vanaf eind jaren 1990 werd de aandacht gevestigd op groenbeheer. In vergelijking met bijv. Duitsland, hinkte Vlaanderen achterop, zowel in het beleid als in het onderzoek. Bij de onderzoeksgroep Plantenecologie en Natuurontwikkeling aan de KULeuven werd getracht een inhaalbeweging te maken. Onder andere parken (inventarisatie, monitoring en beheer), gevelgroen, groendaken, berm- en bomenbeheer werden wetenschappelijk onderzocht. Dit resulteerde onder meer in het boek “Groenbeheer een verhaal met toekomst.” 15 Meer specifiek voor de monumentenzorg, werden er aan het VIOE richtlijnen en aandachtspunten opgesteld voor het beheer van muurplanten. Momenteel wordt daar tevens een inventaris gemaakt van houtig erfgoed in Vlaanderen, vaak met een duidelijke link naar het historisch gebruik en beheer van deze elementen.
  • Het beheer van aardkundige waarden krijgt aandacht binnen het VIOE. Er is een literatuuronderzoek uitgevoerd om een overzicht te geven van internationaal onderzoek naar het beheer van aarden monumenten en er worden tevens richtlijnen opgesteld voor het beheer ervan.
  • Het beheer van agrarische gebieden krijgt ook aandacht, maar vooral vanuit beleid en in de praktijk. De landbouwers bepalen immers voor een belangrijk deel het uizicht van het landschap. Er wordt al langere tijd nagedacht over methoden om de landbouwer een meer bewuste rol te geven in het landschapsbeheer. Zo worden er regelmatig brochures uitgebracht rond de Code goede landbouwpraktijken. 16 Dit zijn handleidingen voor landbouwers waarin bijvoorbeeld handreikingen worden gedaan om natuur in en om het landbouwbedrijf te stimuleren. Beheerpraktijken (zoals braakligging) worden gemonitord/gecontroleerd om de subsidiëring voor de landbouwer na te gaan.
    De beheerovereenkomsten afgesloten tussen landbouwers en de VLM kennen een stijgend succes. Hierbij worden voornamelijk milieu- en natuurdoelstellingen nagestreefd. Een mooi voorbeeld zijn de vergoedingen voor beheermaatregelen die weide- of akkervogels ten goede komen. Vanuit het onroerend erfgoedbeleid wordt gekeken of de landbouwer een vergoeding kan krijgen voor het landschapbeheer waarbij de focus meer op cultuurhistorie ligt.
    Ook bestaat er aandacht voor agrarische architectuur waarbij de landbouwer ondersteund en begeleid wordt bij het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen in functie van een betere landschappelijke inpassing. Dit wordt momenteel maar ondersteund door weinig voorbeelden aangezien het vergunningsbeleid deze piste niet volgt.
    Ten slotte heeft AgroIAanneming (afdeling binnen Boerenbond) een systeem opgezet waarbij landbouwers hun eigen machines gebruiken om bij openbare besturen of privépersonen onderhoud of aanleg van (voornamelijk) KLE’s te doen.
  • Mondelinge geschiedenis: mondelinge enquête is een techniek die gebruikt kan worden voor de mentale reconstructie van historische ecosystemen. Voor het onderzoeken van een historisch ecosysteem waarvan fragmenten zijn terug te vinden in een natuurreservaat of andersoortig beschermd terrein is het geheugen van de beheerder een belangrijke bron. De resultaten uit dit type onderzoek kunnen vaak, maar niet altijd, gecontroleerd worden aan de hand van geschreven bronnen. Burny heeft in het geval van de vallei van de Zwarte Beek (1986) en van het Kempisch Plateau (1999) historisch-ecologische reconstructies gemaakt na mondelinge bevraging van de oudste landbouwers. 17 Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950). Tweehonderd gesprekken samengevat. Stichting Natuurpublicaties Limburg van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg (Nederland), Reeks XLII aflevering 1. ISBN 90-74508-08-1 Sindsdien is de methode ook gebruikt bij onderzoek aan de dijken van het Meetjesland door de UA en bij een reconstructie van de visfauna in de Limburgse beken en rivieren door de UHasselt. Het gebruik van mondelinge bronnen wordt ook in het kader van landschapsbeheeronderzoek aanbevolen door het Vlaams Centrum voor Volkscultuur.
  • Er zijn nog een heel aantal overige projecten die niet in bovenstaande categorieën vallen. Onder andere bij het INBO worden rond diverse biotopen en soorten onderzoek gedaan en het beheer krijgt hierbij ook aandacht. Veelal is dit de aanzet voor beheer in het kader van natura2000. De biotopen die onderzocht worden zijn naast bos onder meer heide en graslanden.

3 Leemtes in onderzoek en aandachtspunten voor de toekomst

3.1 Verbreden onderzoek naar beheer

Zoals in de bespreking van de stand van zaken al duidelijk werd, blijft veel onderzoek momenteel beperkt tot onderzoek naar het beheer van bos en natuur vanuit ecologische, soms economische en recreatieve doelstellingen. Er zijn echter nog vele andere aspecten die blijvend aandacht vragen in het beheer, zoals cultuurhistorie, esthetiek, etc. Bij de opstelling en uitwerking van een beheerplan, moet er aandacht zijn voor alle aspecten. In zowel onderzoek naar beheer als in praktijkonderzoeken krijgt het landschap in zijn geheel en met al zijn waarden minder aandacht. Vooral de historische gelaagdheid wordt vaak te weinig meegenomen, terwijl dit in de ontwikkeling van het landschap een belangrijke rol heeft gespeeld. De historisch gegroeide tweesplitsing tussen natuur en cultuur werkt remmend op het bereiken van de gewenste holistische visie. Integratie van onderzoeksgegevens uit de beide richtingen verloopt nog steeds moeizaam.

Wetenschappelijk onderzoek dat de basis moet vormen voor de beheerpraktijk ontbreekt momenteel veelal. Elk ensemble of landschap zou onderwerp moeten zijn van gericht, specifiek onderzoek, maar evenzeer van grensoverschrijdende, interdisciplinaire research. Hiervoor dienen systematisch onderzoeksprojecten en –programma’s gestimuleerd en opgezet te worden.
Het helpt ook de vraagstelling(en) van wetenschappers en veldwerkers te richten in het licht van relevante problemen en thema’s. 18

Onderstaande aspecten van het landschap dienen voor het beheer meer specifiek onderzocht te worden.

  • Cultuurhistorie in natuurgebieden: cultuurhistorie en natuur gaan vaak samen. In veel gevallen wordt de natuurwaarde van een gebied bepaald door ingrepen van de mens, bijvoorbeeld heide, vijvers, houtwallen, etc. Door rekening te houden met cultuurhistorie in (het beheer van) een natuurgebied kan een meerwaarde gecreëerd worden. Deze elementen dienen dan wel bekend te zijn en het moet vooral ook duidelijk zijn hoe het gewenste beheer eruit moet zien. Het beheer van cultuurhistorische elementen in natuur(ontwikkelings)gebieden zou meer onderzocht en onder de aandacht gebracht kunnen worden.
  • Agrarisch beheer: over het algemeen doet de landbouwer niet doelbewust aan landschapsbeheer. Landschap is eerder het ‘toevallige’ nevenproduct van de agrarische praktijk. Maar de landbouwer als beheerder van het (agrarisch) landschap is een thema dat in Vlaanderen al aandacht krijgt. De landbouw boet als sector aan belang in, maar blijft een belangrijke beheerder van het open rurale landschap. Wanneer landbouwers momenteel bewust voor landschapsbeheer kiezen, wordt dit vooral vanuit ecologisch standpunt gedaan. Andere waarden van het agrarisch landschap, esthetisch, cultuurhistorisch ontbreken in de praktijk, maar ook in wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek naar erosie en sedimentatie in agrarische gebieden wordt behandeld in het hoofdstuk Abiotische natuurwetenschappen.
  • Beheer aardkundige waarden: het aardkundig erfgoed is vaak even kwetsbaar voor vernietiging en vergt evenzeer aandacht voor beheer als het biologisch en cultureel erfgoed. Vlaanderen is zich onvoldoende bewust van zijn fysische grondslagen en er moet nog veel onderzoek op dit vlak plaatsvinden in vergelijking met de ons omringende landen.
    Een mogelijke impuls zou een gebiedsdekkende inventarisatie van aardkundige waarden van Vlaanderen kunnen bieden. 19 Het beheer van deze aardkundige waarden vraagt ook aandacht. Wetenschappelijk onderzoek naar de wijze waarop deze waarden beheerd moeten worden ontbreekt en zou zeer wenselijk zijn op Vlaams niveau.
  • Beheer bebouwde gebieden: stads- en dorpslandschappen moeten evengoed beheerd worden als alle andere typen landschappen. Momenteel ontbreekt nog de basis om bebouwde gebieden als landschap te benaderen. Voor het beheer ervan speelt o.a. de beeldkwaliteit een belangrijke rol. Besluiten voor bijvoorbeeld het optrekken van bouwhoogtes kan in een stad/dorp grote gevolgen hebben. Aan de Universiteit Gent zijn enkele voorbeelden van scripties over de skyline van respectievelijk Leuven, Brugge, Antwerpen en Gent. Kennis van het historisch ontginningspatroon is noodzakelijk voor een doordacht beheer van de gebouwen die de historische kern van het stads- of dorpslandschap bepalen en hun omgevende landschap. Specifiek onderzoek naar het beheer van dit type landschappen is gewenst.
  • De omgeving van bebouwd erfgoed: in beschermingen van bebouwd erfgoed is vaak beperkte aandacht voor de landschappelijke omgeving terwijl dit vaak onlosmakelijk met elkaar verbonden is. Onderzoek ontbreekt echter om een degelijke basis en advies te geven over hoe om te gaan met het landschap in relatie met het monument.
    Bij de Regionale Landschappen is wel aandacht voor de omgeving van bebouwd erfgoed.
    De landschapsanimatoren nemen vaak herstelprojecten van kasteel- of pastorietuinen op zich. Vaak gaat het hierbij om tuinen van beschermde monumenten (waarbij ook de omgeving werd beschermd) of gaat het om deelaspecten van beschermde dorpsgezichten.
  • Tuinen en parken: er is onvoldoende kennis van de historische beheervormen van (elementen in) tuinen en parken en het wordt in de praktijk zelden toegepast, zie ook hoofdstuk Tuinen en parken.

3.2 Inventarisatie en monitoring

De overheid moet constant keuzes maken op het gebied van beheer, bijvoorbeeld voor het stellen van prioriteiten. Deze keuzes kunnen onderbouwd worden door een inventaris van bijvoorbeeld de historische relicten, aardkundige waarden, etc. Inventarissen zouden prioritair opgesteld moeten worden voor gebieden waar invloed nog mogelijk is en waar de erfgoedwaarden/relicten vaak nog goed geconserveerd zijn. Voor beheerders is het nu vaak lastig rekening te houden met de relicten omdat ze gewoonweg niet weten waar ze zijn, wat ze betekenen en hoe ze er mee om kunnen gaan. Deze inventarisatie zou daarom niet alleen een oplijsting, maar ook een waardering – in functie van adequate toepassing – van de aanwezige relicten moeten geven. Daarnaast moet onderzocht worden wat het gewenste einddoel is van het element en welk beheer en maatregelen daarbij passen. Momenteel ontbreekt kennis en een degelijke methodiek voor de waardering van relicten om deze toe te kunnen passen in de praktijk, zie ook hoofdstuk Abiotische natuurwetenschappen.

Voor natuur- en bosgebieden bestaat monitoring, maar het wordt niet uitgevoerd voor het landschap in al zijn facetten en er is geen ervaring mee in de erfgoedsector. Een interessante vraag: wat is de impact van beheer op het landschap? Er bestaat geen basisinventaris of nulpunt waarin de fysieke kwaliteit van de objecten/het gebied beschreven wordt. Er werd wel een projectvoorstel voor een dergelijk monitoringssyteem uitgewerkt aan de UGent en het INBO.
In Nederland wordt er momenteel gewerkt aan de Erfgoedbalans, een monitoringinstrument waarmee een zicht wordt gegeven op het erfgoed en de erfgoedzorg. Deze balans wordt elke vier jaar opnieuw gedaan om de evolutie bij te houden.

3.3 Bekendheid en gebruik bronnen

Bij het opstellen van beheerplannen kunnen verschillende bronnen gebruikt worden. Veel bekende en goed beschikbare bronnen worden meestal wel gebruikt, zoals de biotische kaarten en de Ferrariskaart, maar er zijn ook een heel aantal minder bekende en slecht toegankelijke bronnen. Men is zich vaak niet bewust van de mogelijkheden. Zo is het landgebruik opgetekend in het primitief kadaster, toponomie, mondelinge bronnen, etc. De verschillende bronnen en mogelijkheden zouden breder bekend kunnen worden gemaakt door middel van een handleiding, zodat de beheerders en planmakers makkelijker beschikking hebben tot deze bronnen. Door veel verschillende bronnen te gebruiken, worden vaak heel andere resultaten verkregen dan wanneer men zich maar baseert op een beperkt aantal bronnen. Detailinventarisatie bij het opstellen van een beheerplan is hierbij ook zeer belangrijk. Wanneer er grondig naar een beheergebied gekeken wordt, bijvoorbeeld door alle beschikbare kaarten of bodem en microreliëf grondig te bestuderen, komen er vaak elementen naar voren die anders over het hoofd gezien werden, zoals bijvoorbeeld grondwallen.

Veel gebied- en beheerkennis bevindt zich bij huidige/voormalige beheerders, bewoners en oude gebruikers van het gebied. Zij zijn immers degenen die het gebied het beste en meest in detail kennen en zijn daarmee een bron van onschatbare waarde. Deze mondelinge bronnen werden al toegepast voor enkele gebieden, maar nog te vaak wordt deze potentie niet benut. Niet alleen de beheerders zijn voor de mondelinge geschiedenis belangrijk, maar ook bewoners, gebruikers, etc. Daarnaast kunnen historische beheervormen ook op deze wijze beter bekend worden. Aangezien vele technieken al decennia niet meer toegepast worden, dreigt deze kennis verloren te gaan.

Voor landschapsbeheer is het een belangrijke vraag of de resultaten verkregen in het ‘onderzoek naar beheer’ voldoende vertaald worden naar de praktijk. De onderzoeksresultaten zijn een belangrijke bron van informatie voor het beheer, maar momenteel is het vooral afhankelijk van de beheerder of deze koppeling gemaakt wordt. Wanneer de onderzoeksresultaten onvoldoende gecommuniceerd worden, leidt dit ongetwijfeld tot een vertraging in de toepassing. Niet alleen de communicatie naar beheerders loopt soms nog stroef, ook de doorstroming van informatie naar individuele eigenaars die hun percelen beheren ontbreekt te vaak. Onderzoek is nodig om communicatiemethoden te ontwikkelen voor sensibilisatie en opleiding. Door duidelijke communicatie naar alle betrokkenen kan het draagvlak worden vergroot, maar de mogelijkheden dienen dan wel bekend te zijn.

Resultaten uit de praktijk kunnen ook gebruikt worden in het ‘onderzoek naar beheer’. Deze bevindingen zouden beter moeten doorstromen naar het wetenschappelijk onderzoek.

4 Samenwerking

We wensen hier interessante samenwerkingsverbanden te belichten en ook goede samenwerkingskansen voor de toekomst.

In het landschapsbeheer wordt al op verschillende vlakken samengewerkt. Door het ANB worden onderzoeksprojecten uitbesteed aan het INBO, universiteiten of studiebureau’s voor ‘onderzoek naar beheer’. Deze projecten hebben daarmee ook een sterke wisselwerking met de praktijk en de resultaten zullen ook toegepast worden.
Ook tussen de praktijk(onderzoeks)projecten onderling wordt regelmatig informatie en kennis uitgewisseld. Er kunnen immers verbanden gelegd worden die in andere gebieden toegepast kunnen worden. De ervaringen die in het ene gebied worden opgedaan kunnen nuttige informatie leveren voor andere gebieden.

Helaas wordt op het moment in mindere mate gebruik gemaakt van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in de praktijk. Er ligt veel kennis ‘op de planken’, gemiste kansen. De doorstroming van resultaten uit wetenschappelijk onderzoek naar de praktijk zou sterk verbeterd moeten worden. Er kan worden gezocht naar een forum waar deze twee elkaar kunnen ontmoeten en kennis kunnen uitwisselen. 20 Andersom bestaat er ook veel kennis bij de beheerders zelf die door de onderzoekers gebruikt kunnen worden.

Het landschap in zijn geheel biedt veel kansen voor slimme koppelingen: zo kunnen cultuurhistorische relicten aangegrepen worden om natuurontwikkeling vorm te geven. Samenwerking tussen de verschillende belanghebbenden binnen een gebied kan zorgen voor een sterker plan en een breder draagvlak. Voor bijvoorbeeld de ankerplaatsen zou het goed zijn als er een multidisciplinaire werkgroep opgestart wordt. Onder andere het VIOE en INBO, maar ook andere partners zouden deze gebieden systematisch kunnen onderzoeken om cultuur- en natuurhistorische monografieën op te maken.

Goede voorbeelden van samenwerkingen zijn projecten waarbij de overheidsinstellingen samenwerken met bewoners en gebruikers van de betreffende gebieden en waar verschillende belanghebbenden (natuur, cultuurhistorie, etc.) meegenomen worden in het proces. Bijvoorbeeld het werk in het kader van natuurrichtplannen en natuurinrichtingsplannen, maar ook de bosbeheerplannen opgemaakt door Bosgroepen.
De Dijlevallei in Leuven is een ander voorbeeld. Hier werkten ANB, VLM en diverse lokale overheden samen met landbouwers om tot een breed gedragen plan te komen. Ook voor het Enamebos is veel samengewerkt met omringende landbouwers, maar ook met bosbouwers om huidige gebruik van het gebied te laten aansluiten bij de beheerdoelstellingen. Het beheerplan is opgesteld nadat een interdisciplinair onderzoek is uitgevoerd waar ecologen, historici, archeologen en vele anderen betrokken waren. De basis voor het beheerplan voor het Grotenhout nabij Turnhout werd ook gelegd door middel van een dergelijk interdisciplinair onderzoek.

Het landschapsbeheerplan voor de Congoberg (Vollezele, Galmaarden = ZW Vlaams-Brabant) streeft een erg integrale benadering na. Door de omvang van het gebied en het grote aantal betrokkenen (eigenaars, landbouwers, recreanten, jagers, bewoners, overheden …) werd een beheercommissie samengesteld uit de vertegenwoordigers van alle betrokken groepen en werd een beheerplan opgesteld. De hoofddoelstellingen van dit beheerplan maken duidelijk dat dit om een schoolvoorbeeld van integrale aanpak gaat:

  • Duurzame landbouw als hoofdgebruiker met bijzondere aandacht voor het landschap
  • Natuurbeheer als partner van de landbouw
  • Waterhuishouding verbeteren
  • Draagkracht van het gebied laten respecteren door maatschappelijke druk te beperken
  • Selectieve wegeniswerken
  • Erfgoed bewaren
  • Bevorderen van overleg en communicatie tussen de verschillende belangengroepen

Bij de Drentse Aa in Nederland is veel aandacht voor regelmatige samenwerking tussen verschillende belanghebbenden van het gebied. Er bestaat een overlegorgaan dat sinds 2002 vier maal per jaar samenkomt waarin een brede vertegenwoordiging is van Provincie, Gemeenten, Waterschap, recreatiesector, Natuurmonumenten, land- en tuinbouworganisatie, Brede Overleggroep Kleine Dorpen, Waterbedrijf Groningen en Ministerie van Landbouw Natuur en Visserij.

5 Bronnen

Zoals eerder besproken, is het voor praktijkonderzoek van cruciaal belang de mogelijkheden van de verschillende bronnen te kennen. Hieronder volgt een oplijsting van de mogelijk bronnen die gebruikt kunnen worden en waardevol zijn bij het opstellen van beheerplannen. Deze bronnen worden verder uitgewerkt in het hoofdstuk Technische grondslagen.

  • Kaarten en beelden
    • Iconografisch materiaal: oude postkaarten, foto’s
    • Historische kaarten
      • de Ferraris
      • 1830-1864: Primitief, gereduceerd kadaster, Popp en Vandermaelen
      • 1865-1950: Eerste drie topografische kaarten
      • Topografische kaarten WOII – 1980
    • Recente topografische kaarten va 1980
    • Luchtfoto’s
    • Kaarten abiotisch systeem, zie ook hoofdstuk Abiotische natuurwetenschappen
    • Kaarten biotisch systeem
    • Beleidskaarten: landschapsatlas, CAI, Europese beschermingszones, etc.
    • Kadasterkaarten
    • Beeldkwaliteitskaarten
  • Veldonderzoek
  • Archief, landboeken
  • Literatuur
  • Bevragingen, oa. mondelinge geschiedenis

6 Instellingen en onderzoeksgroepen

6.1 Wetenschappelijke instellingen

  • KUL: Afdeling Bos, Natuur en Landschap: onderzoeksgroep plantenecologie en natuurontwikkeling en onderzoeksgroep bosecologie en –beheer
  • KUL: Departement Aard- en Omgevingswetenschappen, Afdeling Bodem- en Waterbeheer
  • UGent: Vakgroep Bos- en Waterbeheer
  • UGent: Vakgroep Biologie, Onderzoeksgroep Terrestrische Ecologie
  • UGent: Vakgroep Geografie
  • Universiteit Hasselt: Centrum voor milieukunde
  • VUB: Vakgroep Biologie, Onderzoeksgroep Algemene Plantkunde en Natuurbeheer
  • UA: Departement biologie, Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer
  • INBO
  • VIOE

6.2 ‘Andere’ instellingen

  • ANB
  • Natuurpunt; Regionale Landschappen
  • Studiebureaus
  • VLM, VMM
  • Geologische Dienst van België
Bijlagen: 

OBL_1_6_beheer_projectenlijst.xls

Bestand
Office spreadsheet icon OBL_1_6_beheer_projectenlijst.xls
Beschrijving: 
Projectenlijst landschapsbeheer