4.6.2.7 Schatvondsten/deposities

  • Versie: 1
  • Datum: 11/12/2008
  • Auteurs: E. Warmenbol

Al sinds de 18de eeuw worden regelmatig ‘schatvondsten’ of ‘depots‘ uit de bronstijd gesignaleerd. Het betreft een merkwaardig fenomeen, namelijk de vrijwillige en definitieve opgave van meerdere metalen voorwerpen, voornamelijk in brons, op ‘droge’ of ‘vaste’ grond. Sommige depots in Frankrijk en Groot-Brittannië bevatten honderden of zelfs enkele duizenden voorwerpen, waarvan heel wat fragmenten. Het zijn deze vondsten die tot de ‘klassieke’ interpretatie van de depots hebben geleid. Het zou om de voorraad van bronsgieters gaan, uit veiligheidsoverwegingen begraven. Dat deze interpretatie inderdaad geldt voor een aantal ontdekkingen lijdt geen twijfel, maar ze is zeker niet in alle gevallen geldig. Het gros van de vondsten behoort meer tot de rituele sfeer, zoals onder andere blijkt uit de samenstelling - zowel kwantitatief als kwalitatief - van de depots.

De vondsten uit Vlaanderen zijn weinig talrijk en behoren alle tot de late bronstijd.
Vier vleugelbijlen uit een beginfase van de late bronstijd, gevonden op de grens tussen Maaseik en Neeroeteren, staan wat apart. 1 Alle andere vondsten behoren tot de eindfase van de late bronstijd. Het gros bestaat uitsluitend uit kokerbijlen: een vijftal in Nieuwrode (Vl.-Br.), 2 een negental in Antwerpen-Kattendijkdok, een zestiental in Hoogstraten-den Aard (Antw.) 3 en negenenveertig in Heppeneert-Wayerveld (Limb.). 4 Mogelijk verkeerdelijk wordt hier ook een speerpunt aan toegekend. De associatie van het depot van vier kokerbijlen uit Rotem-Vossenberg (Limb.) met een sikkel kan evenzeer in twijfel getrokken worden. 5

Zeker complexer zijn de vondsten uit Gent-Port Arthur (O.-Vl.), zoals Mariën, pp. 54-62 6 en uit Lutlommel-Konijnepijp (Limb.). 7
In Gent gaat het om twee armbanden, een hanger, enkele ringen, kralen (biconisch) en knoppen, alsook twee spiralen, één enkel en één dubbel, die zeer waarschijnlijk als fragmenten van een gordel te identificeren zijn (aan de dubbele spiraal hangt trouwens nog één schakel van deze ‘ceinture articulée’). In Lutlommel hebben we minstens twee armbanden, een aantal ringen, kralen (biconisch en cylidrisch geribd), fragmenten van een armspiraal en waarschijnlijk een twintigtal kokerbijlen.

Wat onmiddellijk opvalt, is dat mogelijk alle depots uit Vlaanderen onvolledig zijn. Het betreft steeds toevalsvondsten, die praktisch altijd door de vinder(s) verdeeld werden. In het geval van Heppeneert werden twee van de bijlen al in 1906 door het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden aangekocht, maar kwamen de overige zevenenveertig pas tussen 1990 en 1992 aan het licht en die liggen nu in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum van Tongeren. Dergelijke omstandigheden maken het moeilijk de depots met elkaar te vergelijken, maar Nieuwrode en Rotem enerzijds (met ‘Niedermaas’-bijlen), en Antwerpen en Hoogstraten anderzijds (met ‘Plainseau’-bijlen), zijn nagenoeg spiegelbeelden van elkaar. Gent en Lutlommel behoren ook duidelijk tot één groep, waartoe we ook een aantal Waalse vondsten moeten rekenen, zoals het depot van Spiennes-Camp-à-Cayaux (Henegouwen) en dat van Jemeppe-sur-Sambre-Trieu-des-Cannes (Henegouwen); zoals Mariën, pp. 41-54. 8

Het zijn precies deze gelijkenissen, vooral in de samenstelling van de meer complexe depots, die doen vermoeden dat we hier te maken hebben met niet toevallig bijeengebrachte voorwerpen. Daarom is het uiteraard onontbeerlijk om een vrije ruime zone rond het depot –en we gaan er- van uit dat het een toevalsvondst is - aan een controlegraving te onderwerpen, zoals te Rotem gebeurd is. Het blijkt ook dat depotvondsten dikwijls niet ‘alleen’ achtergelaten werden. 9
Vermelden we hier nog de vondst te Pulle (Antw.) van een verzameling die zeven zwaardfragmenten, acht speerpunten en een bijl van het ‘Niedermaas’-type bevat. De meeste vertonen duidelijke sporen van vuurinwerking. Als depot mag deze op zijn minst atypisch genoemd worden. 10

Ook uit de late ijzertijd zijn ‘schatvondsten’ of ‘depots’ bekend. Zij sluiten meer aan bij dergelijke vondsten uit de Gallo-Romeinse periode. Het gaat hier inderdaad – ten minste in Vlaanderen - niét over wapens of werktuigen, zoals in de bronstijd, maar uitsluitend over sieraden en munten en zelfs over goudschatten. De meest interessante vondst is allicht die van Beringen (Limb.) met twee torques, de bufferknop van een derde, een fragmentarische armband en vijfentwintig munten. 11 De sterke gelijkenis met de depotvondst van Niederzier (D, Kr. Düren), zowel wat de samenstelling als de aantallen betreft, wijst erop dat ook in de late ijzetijd depotvondsten geen allegaartje zijn.
Vermelden we tenslotte de muntschat van Heers (Limb.) 12 waarvan het aantal munten, honderd en zeven, of mogelijk (en beter) honderd en acht, of vier maal zevenentwintig, zeer waarschijnlijk betekenisvol is. Een toevalsvondst, uiteraard…